De doodstraf en de rechten van de mens; recente ontwikkelingen

3 mei 2005 - nr.3
Samenvatting

DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS,
RECENTE ONTWIKKELINGEN


No. 3,  april 1988

Nederland heeft door ratificatie van het Zesde Protocol bij het EVRM en het Tweede Protocol bij het BuPo-verdrag aanvaard dat de doodstraf onder alle omstandigheden als een schending van de rechten van de mens is te beschouwen. Deze opvatting wordt nog niet door alle staten gedeeld. Wel brengt het huidige volkenrecht met zich mee dat de doodstraf in bepaalde situaties moet worden beschouwd als een schending van de rechten van de mens (zie hiervoor paragraaf 3). Het Nederlandse beleid dient erop gericht te zijn een algemeen verbod op de doodstraf aanvaard te krijgen. Dit brengt de Adviesraad tot de volgende beleidsaanbevelingen, gericht aan de Nederlandse regering:

Internationaal

 

  • Het voeren van een actief beleid in het bevorderen van toetreding tot het Tweede Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag. Voor zover in bilaterale relaties de toetreding tot de mensenrechtenverdragen een rol speelt zou in dat kader ook expliciet de toetreding tot het tweede facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag aan de orde dienen te komen ten aanzien van die staten die feitelijk dan wel in rechte de doodstraf hebben afgeschaft, maar nog geen partij zijn bij het Tweede Facultatieve Protocol;
  • het geven van positieve aandacht aan en waar nodig ondersteuning voor staten die de doodstraf hebben afgeschaft dan wel een moratorium hebben ingesteld;
  • als regel het uitvoeren van een diplomatieke demarche bij feitelijke of juridische herinvoering van de doodstraf, dan wel bij uitbreiding van het aantal delicten waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd;24
  • het actief streven naar een algehele uitsluiting van de mogelijkheid tot het opleggen van de doodstraf door het op te richten Internationale Strafhof.25

    OVSE
  • Op grond van par. 17.7 van het Document of the Copenhagen Meeting of the Conference on the Human Dimension of the CSCE uit 1990 zullen de in de OVSE deelnemende staten exchange information (..) on the question of the abolition of the death penalty and keep that question under consideration. Deze paragraaf biedt de mogelijkheid de afschaffing van de doodstraf binnen de OVSE bij voortduring aan de orde te (blijven) stellen; de regering dient van deze gelegenheid gebruik te (blijven) maken om de algehele afschaffing van de doodstraf te bepleiten in die landen van de OVSE, die de doodstraf nog niet hebben afgeschaft. Verder dient in het mandaat van OVSEmissies en van Advisory and Monitoring Groups de kwestie van de doodstraf uitdrukkelijk te worden betrokken.

    Raad van Europa
  • Het krachtig ondersteunen van de activiteiten van de Raad van Europa tot versterking van het moratorium terzake van de doodstraf in die lidstaten waarin de doodstraf nog niet in rechte is afgeschaft;
  • het onvoorwaardelijk handhaven van de toetredingsvoorwaarden ter zake van de ondertekening en ratificatie van het Zesde Protocol bij het EVRM;
  • het ondernemen van diplomatieke initiatieven gericht op toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het Zesde Protocol bij het EVRM (en het Tweede Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag), mede in verband met de geloofwaardigheid van de Raad van Europa inzake de doodstraf voor de nieuwe lidstaten.

    Europese Unie
  • Het actief bevorderen dat het Zesde Protocol bij het EVRM (en het Tweede Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag) in het acquis communautaire op het terrein van de mensenrechten wordt opgenomen; dit met het oog op de onderhandelingen met de kandidaat lidstaten. Net als bij de Raad van Europa geldt ook hier dat de geloofwaardigheid van de Unie in dit opzicht aanzienlijk wordt versterkt indien het Verenigd Koninkrijk zijn bijzondere positie ter zake opgeeft;
  • het opstellen van een beleidskader voor demarches in GBVB-verband. Een eerdere poging om meer omlijnde criteria vast te stellen voor EU-reacties op doodstrafkwesties is indertijd gestrand op tegenwerking van het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk lijkt nu, meer dan voorheen, bereid in te stemmen met EU-stappen. Dit opent mogelijkheden om tot een meer gecoördineerd beleid op dit terrein te komen.

    Beleidskader
  • Het beleidskader dient, als gezegd, bij voorkeur in EU-verband te worden opgesteld en ten uitvoer te worden gelegd. Bij het ontbreken van EU-overeenstemming dienen demarches door een kleinere groep, gelijkgezinde, lidstaten mogelijk te zijn, dan wel op bilaterale basis worden uitgevoerd. In het op te stellen beleidskader dienen algemene en individuele reacties te worden onderscheiden;
  • het lijkt aangewezen dat de EU of haar lidstaten in relevante internationale fora, zoals de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, zich consequent kritisch uitspreken over staten die de doodstraf in hun rechtssysteem handhaven en die in strijd met het internationale streven naar algehele afschaffing van de doodstraf nalaten het gebruik van de doodstraf te verminderen. Criteria dienen te worden opgesteld om te bepalen wanneer en onder welke omstandigheden een dergelijke algemene reactie opportuun is;
  • een algemene demarche is als regel aangewezen bij herinvoering van de doodstraf dan wel bij uitbreiding van de delicten, waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd;
  • individuele demarches dienen in ieder geval plaats te vinden, indien de oplegging en de tenuitvoerlegging van de doodstraf naar de huidige stand van het internationale recht (zoals beschreven in paragraaf 3) zijn aan te merken als mensenrechtenschendingen. Dit geldt ten aanzien van op grond van internationale normen van de doodstraf uitgezonderde categorieën van personen, bij toepassing van de doodstraf in strijd met internationaal aanvaarde procedurele normen, bij de oplegging van de doodstraf voor minder ernstige delicten en bij overschrijding van een aanvaardbare deathrow-periode;26
  • bij zowel de algemene als de individuele demarches dient voorop te staan dat in de internationaalrechtelijke normgeving het fundamentele recht op leven voorop staat; de doodstraf vormt daarop nog een uitzondering, maar de toepassing daarvan moet naar internationale opvatting krachtig worden beperkt met als uiteindelijk doel een algehele, wereldwijde afschaffing.

    24 Demarches, zowel unilateraal als in GBVB-verband zijn in 1994, ten onrechte, achterwege gebleven bij de herinvoering van de doodstraf in de Filippijnen en in de staat New York. In 1998 is wel gereageerd op het voornemen van de Filippijnse regering om daadwerkelijk over te gaan tot uitvoering van executies.

    25 Dit permanente Internationale Strafhof zou onder meer plegers van volkerenmoord, andere misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige schendingen van humanitair recht moeten kunnen berechten. De onderhandelingen over een Internationaal Strafhof bevinden zich in de afrondingsfase. Er wordt naar gestreefd de besluitvorming nog in 1998 af te ronden; daartoe is een Diplomatieke Conferentie voorzien in Rome (juni/juli 1998).

    26 Als richtsnoer zou de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Soering kunnen worden gehanteerd. Zie hiervoor ook uitspraak EHRM 7 juli 1989.
     

 

Adviesaanvraag

Aan
De Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken i.o.,
prof. drs. R.F.M. Lubbers,
postbus 20061
2500 EB Den Haag

Datum
14 januari 1998
Kenmerk
DMD/BC - 003/98

Onderwerp
Adviesaanvrage inzake de doodstraf


Tijdens de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken in de Tweede Kamer in december a.p. heeft het Kemerlid Valk er bij de Regering op aangedrongen zich internationaal in te spannen teneinde de doodstraf te doen aanmerken als een schending van de rechten van de mens. Daarbij deed hij het verzoek aan de Regering deze kwestie ter advisering aan de AIV voor te leggen. Met dit verzoek werd ingestemd en wij zouden het dan ook op prijs stellen indien Uw Adviesraad ons van advies zou kunnen voorzien. Daartoe moge het volgende dienen.

Zoals bekend is de Nederlandse positie neergelegd in de notitie dd 22 maart 1990 (TK-1989-1990,21518, nr.1), waarbij de Regering zich een uitgesproken tegenstander verklaart van de tenuitvoerlegging van de doodstraf waar ook ter wereld. Vooral de aantasting van de menselijke waardigheid en de onherroepelijkheid van de straf liggen aan dit standpunt ten grondslag. Aangezien er geen algemeen internationaalrechtelijk verbod op de doodstraf bestaat, is het streven van de Nederlandse regering gericht op beperking van de toepassing van de doodstraf met het uiteindelijke doel van de wereldwijde afschaffing. Tijdens het debat is erop gewezen dat er wereldwijd een duidelijke tendens naar vermindering van tenuitvoerleggingen is, met het oog op algehele afschaffing. Deze uit zich o.m. in de inwerkingtreding in juli 1991 van het tweede facultatieve Protocol bij het Internationale Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten gericht op afschaffing van de doodstraf en de aanvaarding van de resolutie "Question of death penalty" in de VN-Mensenrechtencommissie van maart/april 1997. Daarnaast heeft ook de uitbreiding van de Raad van Europa tot gevolg dat meer landen zich hebben gecommitteerd aan afschaffing van de doodstraf. Alhoewel, zoals gesteld, er geen internationaal verbod op de doodstraf bestaat, is de Regering van oordeel dat langs pragmatische weg kan worden bereikt dat de tenuitvoerlegging achterwege blijft. Het aanmerken van een bepaald onderdeel van een rechtssysteem in een land als een schending van mensenrechten, is een stap die niet zonder meer kan worden gezet. Over de verschillende aspecten die daaraan vastzitten, moet goed worden nagedacht. Hoe zou Nederland bijvoorbeeld zijn positie moeten bepalen ten opzichte van een land dat vanwege hantering van de doodstraf structureel de mensenrechten zou schenden.

Hierbij kan nog worden vermeld dat momenteel in EU-verband wederom wordt gesproken over de EU-opstelling t.o.v. de doodstraf. Een en ander houdt mede verband met de gewijzigde positie van het VK dat nu, meer dan voorheen, bereid is in te stemmen met EU-stappen. Het VK onthield zich destijds van stemming over hogergenoemde resolutie in de VN-mensenrechtencommissie. Getracht wordt om nu meer omlijnde criteria vast te stellen voor EU-reacties op doodstrafkwesties.

Gaarne zouden wij Uw advies vernemen of de doodstraf zou moeten worden aangemerkt als een schending van de rechten van de mens en, zo ja, welke gevolgen dit zou kunnen hebben voor de Nederlandse opstelling tegenover landen die de doodstraf in hun rechtsstelsel handhaven. Onze voorkeur gaat uit naar een beknopt advies dat richting kan geven aan de gedachtenvorming terzake. Op deze wijze zou het wellicht haalbaar zijn op korte termijn, zo mogelijk medio maart 1998, tot een afronding van het advies te komen.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN


DE MINISTER VAN DEFENSIE


DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Regeringsreacties

De Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken (AIV)
Prof. drs. R. F. M. Lubbers
Postbus 20061
2500 EB Den Haag


Directie Mensenrechten,
Goed Bestuur en Democratisering
Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061
2500 EB DEN HAAG


Datum 12 juni 1998
Behandeld K. S. Adhin
Kenmerk DMD/BC - 185/98
Telefoon 070-3484864
Fax 070-3485049
E-mail *
Betreft Uw advies inzake de doodstraf

Mede namens mijn ambtgenoten van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking dank ik U voor Uw Advies "De doodstraf en de Rechten van de Mens - Recente Ontwikkelingen", ons toegezonden bij brief van 8 april jl.

Het advies bevat een helder overzicht van de recente ontwikkelingen op het terrein van de doodstraf sedert de Regering haar standpunt neerlegde in de notitie van 20 maart 1990. Hieraan verbindt U een aantal beleidsaanbevelingen, waarin ik mij in het algemeen kan vinden. Zoals U weet is het Nederlandse beleid onverkort gericht op de algehele afschaffing van de doodstraf. Aangezien dit nog niet is bereikt wordt, waar mogelijk, in ieder geval gestreefd naar een moratorium dan wel naar een zo beperkt mogelijke toepassing, in overeenstemming met internationale normstelling op dit punt. In de nota van 1990 wordt gesteld dat de Regering de doodstraf als een mensenrechtenprobleem ziet, waarvan niet op korte of middellange termijn een oplossing mag worden verwacht. Alhoewel zich na de nota een aantal positieve ontwikkelingen heeft voorgedaan, is deze visie nog steeds actueel.

Een aantal specifieke opmerkingen betreft de volgende punten.
1. In het licht van het hierboven gestelde deel ik Uw visie ten aanzien van een geleidelijke ontwikkeling naar een verbod op de doodstraf. De positieve ontwikkelingen in deze richting worden krachtig ondersteund. U signaleert echter ook een aantal negatieve ontwikkelingen op dit terrein. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de discussie over het wel of niet handhaven van de doodstraf in het interne rechtssysteem van landen gevoelige elementen als "binnenlandse aangelegenheden" en "cultuurverschillen" omvat. In de praktijk dient daar dan ook rekening mee te worden gehouden, willen inspanningen van Nederland en gelijkgezinde landen om tot algehele afschaffing te komen, niet contraproductief werken. In dit verband wordt dan ook met belangstelling uitgekeken naar Uw advies inzake de universaliteit van mensenrechten en de culturele verscheidenheid.

2. Zoals bekend wordt het Nederlands mensenrechtenbeleid, waaronder het beleid inzake de doodstraf, zoveel mogelijk in EU-verband uitgedragen. Recentelijk is in EU-verband besloten tot een intensivering van het doodstrafbeleid. Daartoe is een document opgesteld waarin richtlijnen voor uit te voeren demarches staan vermeld, alsmede andere stappen die kunnen bijdragen tot het doel van uiteindelijke afschaffing van de doodstraf. In algemene demarches zal steeds een oproep tot algehele afschaffing van de doodstraf worden gedaan, of tenminste een oproep tot het instellen van een moratorium. Waar de doodstraf nog steeds wordt toegepast zal er op worden aangedrongen de toepassing in toenemende mate te beperken, in overeenstemming met een aantal minimumstandaarden. Deze staan ook in het document vermeld en omvatten de gevallen die in Uw advies als schending van algemeen aanvaarde internationale normen worden aangemerkt. Waar nodig zal de EU ook aandringen op (meer) openheid t.a.v. de toepassing van de doodstraf.
Bij het uitvoeren van demarches zal rekening gehouden moeten worden met de situatie in het land zelf. Zo zal het bv. niet zoveel zin hebben in landen waar de doodstraf op reguliere wijze in strijd met internationaal aanvaarde normen wordt toegepast, in elk individueel geval een demarche uit te voeren. In dergelijke gevallen zal eerder naar periodieke algemene of andere initiatieven in internationale fora moeten worden omgezien.

3. Andere initiatieven van de EU omvatten bevordering van toetreding tot de relevante verdragen -mondiaal en regionaal-, het opbrengen van de kwestie van de doodstraf in alle relevante internationale fora en het aanbieden van bilaterale en multilaterale samenwerking (ook samenwerking met ngos) , onder meer ten behoeve van een goede rechtsgang.

Aangezien het EU-beleid voldoende aanknopingspunten biedt om het Nederlandse beleid op het terrein van de doodstraf uit te dragen, zal de Regering voornamelijk van dit kanaal gebruik maken. Intensivering van het EU-doodstrafbeleid heeft in de afgelopen maanden onder meer geleid tot demarches in Botswana (voltrekking van de doodstraf na een de facto moratorium van twee jaar); Filippijnen (eerste executie na de herinvoering van de doodstraf in 1994); VS (minderjarigheid van betrokkene ten tijde van het plegen van het misdrijf); Rwanda en Libanon (publieke executies). In Azerbaidjzan en Estland werd de afschaffing van de doodstraf verwelkomd.


de minister van buitenlandse zaken

Persberichten

ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN ADVISEERT REGERING OVER BESTRIJDING VAN DE DOODSTRAF.

 

 

 

Het Nederlandse beleid dient gericht te zijn op internationale aanvaarding van een verbod op de doodstraf. Dit stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken in zijn nieuwste advies De doodstraf en de rechten van de mens, recente ontwikkelingen. Nederland heeft door het aangaan van internationale verdragsverplichtingen aanvaard dat de doodstraf onder alle omstandigheden een schending van de rechten van de mens is. Deze opvatting wordt nog niet door alle staten gedeeld, maar het huidige volkenrecht met zich mee dat de doodstraf in bepaalde situaties moet worden beschouwd als een schending van de rechten van de mens.

Om een algemeen verbod op de doodstraf aanvaard te krijgen, formuleert de Adviesraad Internationale Vraagstukken in zijn advies een aantal beleidsaanbevelingen aan de Nederlandse regering. Het advies is op 8 april 1998 uitgebracht aan minister van Mierlo van Buitenlandse Zaken, minister van Defensie Voorhoeve en minister voor Ontwikkelingssamenwerking Pronk.

In het advies roept de AIV onder meer op tot het voeren van een actief beleid gericht op afschaffen van de doodstraf door toetreding van alle staten tot het Tweede Facultatieve Protocol bij het VN-Verdrag inzake Burger-en Politieke Rechten, en op een algehele uitsluiting van de mogelijkheid tot het opleggen van de doodstraf door het op te richten Internationale Strafhof.

Tevens beveelt de AIV aan, de activiteiten van de Raad van Europa tot versterking van het moratorium op voltrekking van de doodstraf in die lidstaten waarin de doodstraf nog niet in rechte is afgeschaft, krachtig te ondersteunen en onvoorwaardelijk vast te houden aan de toetredingsvoorwaarden voor nieuwe lidstaten van de ondertekening en ratificatie van het Zesde Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

Ten aanzien van de Europese Unie pleit de AIV voor het opstellen van een beleidskader voor demarches in het verband van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid, dit om te komen tot een meer gecordineerd beleid op dit terrein. Tevens beveelt de AIV aan dat, de EU of haar lidstaten zich in alle in aanmerking komend internationale fora consequent kritisch uitspreken over staten die de doodstraf in hun rechtssysteem handhaven en die in strijd met het internationale streven naar algehele afschaffing van de doodstraf nalaten het gebruik van de doodstraf te verminderen.

Tot slot stelt de AIV dat bij zowel de algemene als de individuele dÈmarches dient te gelden dat in de internationaal-rechtelijke normgeving het fundamentele recht op leven voorop staat. De doodstraf vormt daarop nu nog een uitzondering, maar de toepassing daarvan moet naar internationale opvatting krachtig worden beperkt met als uiteindelijk doel een algehele, wereldwijde afschaffing.

Het advies De doodstraf en de rechten van de mens, recente ontwikkelingen is voorbereid in de Commissie Mensenrechten, onder voorzitterschap van Prof. mr. C. Flinterman, en vastgesteld in de AIV, die onder leiding staat van voormalig minister-president Prof. drs. R.F.M. Lubbers.

|||NOOT VOOR DE REDACTIE
Voor meer gegevens: drs. T.D.J. Oostenbrink, secretaris Commissie Mensenrechten (telefoon 070-3484419); bij diens afwezigheid: drs. F. van Beuningen, secretaris AIV (tel. 070-3485335).