Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid

12 mei 2005 - nr.4
Samenvatting

 

 

UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEIDNo. 4, juni 1998

De Adviesraad heeft in dit advies aandacht besteed aan een aantal aspecten die samenhangen met de begrippen culturele verscheidenheid en universaliteit van de rechten van de mens. Bij de beantwoording van de vraag hoe culturele diversiteit zich verhoudt tot universaliteit van mensenrechten dient voorop te staan dat mensenrechten een uiting van cultuur zijn en dat mensenrechten altijd binnen een specifieke context moeten worden toegepast. Ondanks grote overeenkomsten in verschillende culturen ten aanzien van mensenrechten, wil aanvaarding van universaliteit van mensenrechtennormen niet zeggen dat deze normen ook in alle gevallen uniform dienen te worden toegepast. De reikwijdte van deze beleidsvrijheid hangt in hoge mate af van de ruimte die internationale verdragen en de bijbehorende toezichtmechanismen toelaten. Staten zijn derhalve wel altijd aanspreekbaar voor de wijze waarop zij de rechten van de mens binnen hun territoir toepassen.

De belangrijke vraag naar de betekenis van het begrip universaliteit van de rechten van de mens en de grenzen van de universaliteit in de praktijk wijst op de interculturele grondslag van de rechten van de mens en de wijze waarop daaraan in internationale verdragen uitwerking is gegeven. De Adviesraad constateert dat sinds 1948 zich vele ontwikkelingen hebben voorgedaan die hebben geleid tot wereldwijde aanvaarding van mensenrechtennormen in zowel ethische als juridische zin. Aan de ontwikkeling van het internationale juridische mensenrechtenstelsel is door de jaren heen door vertegenwoordigers van zeer uiteenlopende staten en culturele achtergronden meegewerkt. Het argument dat mensenrechten als een Westers concept dienen te worden gezien, wordt dan ook niet door feiten gestaafd. Het draagvlak is in de loop der jaren verbreed en het is steeds duidelijker geworden dat de mensenrechtennormen in beginsel met de belangrijke ethische, godsdienstige en filosofische tradities verenigbaar zijn. De universele geldigheid van mensenrechtennormen wordt dan ook in de politieke arena vrij zelden betwist.

Ten aanzien van de verhouding tussen universaliteit en culturele verscheidenheid worden verschillende politiek-filosofische standpunten ingenomen. Het relativisme dat door zo uiteenlopende stromingen als het post-modernisme, het communitarisme en het multiculturalisme wordt aangehangen, moet volgens de Adviesraad in zijn uiterste consequentie worden afgewezen. Daarvoor zijn argumenten van empirische en normatieve aard gegeven. Een te grote nadruk op culturele verschillen doet geen recht aan de zeer grote overeenkomsten die in verschillende culturen ten aanzien van mensenrechten bestaan. De morele bescheidenheid waarvoor in deze stromingen wordt gepleit, kan tot een zekere zedelijke verlamming leiden, die het onmogelijk maakt situaties en ontwikkelingen in de eigen cultuur en in andere culturen kritisch te beoordelen.

Een beperkt aantal staten rechtvaardigt mensenrechtenschendingen op onaanvaardbare wijze met een beroep op culturele diversiteit. Vaak dient deze rechtvaardiging om de eigen maatschappij af te schermen voor kritiek, of om de reikwijdte van een aantal fundamentele mensenrechten in te perken onder meer om de positie van de politieke elite te versterken. In deze gevallen is er sprake van een oneigenlijk beroep op culturele verscheidenheid door de betrokken staat.

Daarnaast wordt wel het argument naar voren gebracht dat rechten van de mens luxeverschijnselen zijn, die landen zich pas kunnen veroorloven indien zij een zekere mate van sociaal-economische ontwikkeling hebben bereikt. Dit standpunt moet in zijn algemeenheid worden verworpen. Zo zijn discriminatie van vrouwen, foltering of een oproep om onwelgevallige auteurs te doden onaanvaardbaar, welke historische, culturele of religieuze rechtvaardigingen daar ook voor worden gegeven. De discussie wijst echter wel op het belangrijke probleem van de implementatie van mensenrechten waarvoor grote financiële uitgaven noodzakelijk zijn. Arme landen, die onvoldoende middelen hebben, worden in dat geval disproportioneel getroffen.

De Adviesraad onderstreept de waarde van een meer gematigd relativistisch standpunt dat een oproep tot tolerantie inhoudt ten aanzien van de verschillen in de concrete uitwerking van mensenrechten. Het gegeven dat mensenrechtennormen universeel worden aanvaard wil niet zeggen dat deze normen ook in alle gevallen uniform dienen te worden toegepast. Deze moeten telkens in een andere culturele en sociaal-economische context worden toegepast. De bescherming van de rechten van de mens dient eerst en vooral op nationaal niveau gestalte en inhoud te worden gegeven. Het internationale toezichtsysteem is complementair en staat staten in een aantal gevallen een zekere beleidsvrijheid toe bij de implementatie van mensenrechtennormen.

De reikwijdte van deze beleidsvrijheid hangt in hoge mate af van de ruimte die internationale verdragen en de bijbehorende toezichtmechanismen toelaten. Met betrekking tot een aantal kernrechten, veelal behorend tot de categorie van niet-opschortbare rechten, bestaat deze beleidsvrijheid in het geheel niet. Ten aanzien van andere rechten bestaat deze wel. Deze reikwijdte kan, in het licht van de verschillen in culturen, per afzonderlijk recht en zelfs per onderdeel van een recht verschillen. Steeds dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van volledige realisering van het recht enerzijds en andere zwaarwegende maatschappelijk belangen anderzijds. Indien al wordt besloten tot beperking van, bijvoorbeeld, de vrijheid van meningsuiting, dan dient deze beperking zo beperkt mogelijk te zijn en in overeenstemming te zijn met het internationale recht.

Het universele karakter van mensenrechten brengt met zich mee dat beleidsvrijheid altijd een gecontroleerde vrijheid dient te zijn. Staten dienen zich blijvend te verantwoorden, in de eerste plaats op nationaal niveau, maar vervolgens ook ten opzichte van internationale (semi-)rechterlijke of internationale politieke fora. Het erkennen van een dergelijke gecontroleerde beleidsvrijheid kan leiden tot een versterking van de universaliteit van de rechten van de mens. Nederland kan in die controle een belangrijke rol vervullen, temeer daar Nederland zelf door zijn ratificatie van een zeer groot aantal mensenrechtenverdragen en aanvaarding van klachtenprocedures zich bereid heeft getoond zijn eigen mensenrechtenbeleid aan de toets van externe kritiek te onderwerpen.

Een bijzonder probleem bestaat bij de mensenrechten waarvoor implementatie hoge kosten voor de overheid met zich meebrengt, zoals voor een aantal ESC-rechten. Het niveau van implementatie hangt onder meer af van de sociaal-economische mogelijkheden die het betrokken land heeft. Dat kan ertoe leiden dat volledige implementatie slechts op termijn mogelijk is. Ook hier is sprake van een beleidsvrijheid; een vrijheid die evenwel wordt gecontroleerd door het ESC-comité.

Voor een goed functionerend systeem van gecontroleerde beleidsruimte is het van groot belang dat alle staten partij worden bij de internationale verdragen van de rechten van de mens en de daarbij gesloten facultatieve protocollen. Nog altijd laten vele landen dit na. Zij maken het zo voor hun burgers onmogelijk op te komen voor hun internationaal erkende rechten van de mens en onttrekken zich daarmee aan de directe controle van de verdragsrechtelijke toezichtmechanismen. Effectief toezicht door onafhankelijke instellingen op de naleving wordt daardoor ernstig belemmerd. De Adviesraad dringt er bij de regering op aan normstellende activiteiten op het gebied van Facultatieve Protocollen bij het Vrouwenverdrag en het ESC-verdrag te ondersteunen en bij staten die nog geen partij zijn, in bi- en multilateraal verband stelselmatig aan te dringen op toetreding tot of ratificatie van internationale mensenrechtenverdragen.

Een belangrijk probleem wordt gevormd door de selectiviteit die staten hanteren bij het reageren op schendingen van mensenrechten. Soms wordt om politieke redenen wel of juist niet gereageerd op schendingen. Dit gebeurt door staten uit alle werelddelen en kan de claim op universaliteit ernstig ondermijnen. Om op een effectieve wijze een bijdrage te kunnen leveren aan de dialoog over de rechten van de mens, beveelt de Adviesraad de regering aan, met inachtneming van hetgeen hierboven is gezegd over beleidsruimte, in gelijke gevallen voor alle landen gelijke maatstaven aan te leggen en te bevorderen dat andere landen en internationale organen op het terrein van de rechten van de mens in dezelfde geest handelen.

De discussies over de verhouding tussen en de gelijkwaardigheid van BuPo-rechten en ESC-rechten en de problematiek van collectieve rechten spelen in het universaliteitsdebat al jaren een prominente rol. Ten aanzien van het eerste punt beveelt de Adviesraad aan dat de regering, ondanks positieve stappen op dit gebied sinds 1993, nog nadrukkelijker dan thans streeft naar een gelijkwaardige benadering van beide categorieën rechten. Implementatie van de aanbevelingen als gedaan door de, inmiddels opgeheven, ACM en NAR over deze problematiek, dient daarbij richtsnoer te zijn. Daarin werden procedures aanbevolen die een geleidelijke implementatie controleerbaar maken. Eveneens werd daar voorgesteld dat de internationale gemeenschap door middel van financiële steun mede verantwoordelijk kan worden gemaakt voor de implementatie van deze rechten. Ontwikkelingssamenwerking is daarvoor een belangrijk instrument. Verder dienen eerder aangegane afspraken en toezeggingen op het terrein van de mensenrechten consequent te worden nagekomen. Dat daarbij soms afstand zal moeten worden genomen van de positiebepalingen van bevriende landen, zoals de Verenigde Staten, zal de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid alleen maar versterken en zal het draagvlak voor de rechten van de mens nog verder vergroten.

Aan de bereidheid om op deze wijze een constructieve dialoog te bevorderen in internationale organisaties dient evenwel nadrukkelijk te worden toegevoegd dat betrokken landen tegelijkertijd dienen te worden aangesproken op de naleving van beide categorieën rechten. Dit betekent dat de Nederlandse regering, naar het oordeel van de Adviesraad, in discussies met landen die bijvoorbeeld wrede of onmenselijke behandeling of bestraffing, verminkende vormen van vrouwenbesnijdenis of ernstige inperkingen van de vrijheid van meningsuiting rechtvaardigen met een beroep op culturele of religieuze tradities, duidelijk dient te maken dat dergelijke schendingen van internationaal aanvaarde normen onaanvaardbaar zijn. Voorts dient de Nederlandse regering bezwaar te (blijven) maken tegen voorbehouden van deze strekking die sommige landen maken bij desbetreffende verdragen. Het beleid dat wordt gevoerd in multilateraal kader om ruime aandacht te besteden aan deze problematiek, dient te worden gecontinueerd en moet in voorkomende gevallen worden versterkt door bilaterale stappen.

Uitbreiding van de huidige catalogus van mensenrechten, bijvoorbeeld met collectieve rechten, kan het interculturele karakter van mensenrechten bevorderen, maar dat is niet noodzakelijkerwijs het geval. De discussie over uitbreiding spitst zich op dit ogenblik toe op de problematiek van de collectieve rechten. Het advies van de ACM over dit onderwerp bepleitte een terughoudende positie ten aanzien van een verdere uitbreiding van de mensenrechtencatalogus onder meer vanwege problemen van juridisch-technische aard. De Adviesraad is, in overeenstemming met het advies van de ACM, van mening dat collectieve rechten de ontwikkeling van culturele diversiteit onder bepaalde omstandigheden kunnen bevorderen en adviseert op een open en constructieve wijze aan het debat over verdere ontwikkeling van collectieve rechten deel te nemen. Op die wijze kan rekening worden gehouden met de culturele overwegingen die aan de wens tot erkenning van deze collectieve rechten ten grondslag liggen. Wel dient de regering, naar het oordeel van de Adviesraad, erop toe te zien dat het debat over collectieve rechten niet wordt gehanteerd als rechtvaardiging voor het schenden van individuele rechten. Erkenning van (nieuwe) collectieve rechten mag slechts worden geaccepteerd indien dit leidt tot een verdere versterking van universeel erkende individuele mensenrechten.

Het mensenrechtenbeleid staat voor de uitdaging om in een intercultureel kader te zoeken naar gemeenschappelijke uitgangspunten zonder de universele kern prijs te geven die ten grondslag ligt aan het morele appèl en de juridische geldigheid van de rechten van de mens. Hierbij dient, naar het oordeel van de Adviesraad, door regeringen te worden gestreefd naar een optimale aansluiting bij de ervaringen van burgers en van slachtoffers van schendingen. Deels kan dit door het vergroten van het draagvlak voor universele mensenrechten in uiteenlopende cultureel-maatschappelijke contexten. Daarbij is het van groot belang dat burgers hun rechten kennen en dat zij die ook kunnen opeisen. Het actief bevorderen van bewustzijns- en educatieprogrammas kan daaraan een grote bijdrage leveren.

De Adviesraad beveelt derhalve aan NGOs die op deze terreinen een cruciale rol spelen, uitdrukkelijk steun te (blijven) verlenen via zowel bilaterale als multilaterale programmas. Meer specifiek beveelt de Adviesraad in dit verband aan in het Nederlands buitenlands beleid, vooral op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking, steun te blijven verlenen aan regeringen en NGOs die zich inzetten voor de de facto en de jure gelijkberechtiging van vrouwen. Ook dient naast het steunen van juridische maatregelen, bijvoorbeeld terzake van rechtshulp en op het terrein van gelijkberechtiging van vrouwen, een belangrijke plaats te worden ingeruimd voor niet-juridische maatregelen zoals gezondheidszorg, onderwijs en voorlichtingsprogrammas. Daarmee kan een bijdrage worden geleverd aan het bevorderen van de opheffing van culturele belemmeringen die de implementatie van mensenrechten in de weg staan en aan het optimaal tot hun recht doen komen van culturele factoren die de naleving van mensenrechten kunnen versterken.

 

 

Adviesaanvraag

 

AanDe Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken i.o.,
prof. drs. R.F.M. Lubbers,
postbus 20061
2500 EB Den Haag

Datum
17 juni 1997
Kenmerk
DMD/BC - 224/97

Onderwerp
Adviesraad Internationale Vraagstukken i.o./
advies inzake de universaliteit van de
mensenrechten en culturele verscheidenheid


Universaliteit van de mensenrechten en culturele verscheidenheid

A. Achtergrond

1. In de Verklaring en het Actieprogramma van Wenen, die de Wereldconferentie voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties in 1993 aanvaardde, werd het beginsel van de universaliteit van mensenrechten opnieuw bevestigd en expliciet geaccepteerd door de internationale gemeenschap. Ook werd bevestigd dat, binnen het kader dat wordt gesteld door het Handvest van de Verenigde Naties, de bevordering en bescherming van alle mensenrechten een aangelegenheid is die de internationale gemeenschap als geheel aangaat en niet uitsluitend kan worden gezien in het licht van de nationale souvereiniteit. Tegelijkertijd is aanvaard dat nationale en regionale kenmerken en verscheidene historische, culturele en religieuze achtergronden in gedachten moeten worden gehouden bij de plicht van alle staten tot naleving van universele mensenrechten.

2. In de slotdocumenten van de na de Wereldconferentie Mensenrechten gehouden VN-Wereldconferenties is eveneens aandacht geschonken aan de relatie tussen universele mensenrechten en culturele achtergronden. Zo is in het in 1995 in Beijing overeengekomen slotdocument van de Vierde Wereldvrouwenconferentie de zinsnede opgenomen dat de betekenis van en het volledige respect voor de verschillende religieuze en etnische waarden, culturele achtergronden en filosofische overtuiging van individuen en hun gemeenschappen moeten bijdragen tot het in het volle genot van hun mensenrechten doen verkeren van vrouwen. Hier wordt, met andere woorden, de vraag gesteld hoe vanuit verschillende culturele achtergronden een bijdrage kan worden geleverd aan het respecteren van alle mensenrechten van vrouwen.

3. Ondanks deze internationale consensus over de universaliteit van de mensenrechten beroept een aantal regeringen zich op een door hen veronderstelde culturele of religieuze eigenheid op basis waarvan zij de universele geldigheid van de mensenrechten in twijfel trekt of ronduit verwerpt. Uitingen hiervan zijn terug te vinden in de discussie over "Aziatische waarden" en de politieke en sociaal-culturele rol van de Islam. Belangrijke constanten in deze discussie zijn de onderschikking van het individu aan de collectiviteit en de spanningsrelatie tussen deze onderschikking en de in internationaal recht vastgelegde verplichtingen van Staten om de rechten van de menselijke persoon te garanderen. In de praktijk betekent dit dat een aantal regeringen zich op culturele gronden verzet tegen het nemen van concrete maatregelen ter verbetering van de mensenrechtensituatie in hun land. De Nederlandse diplomatieke inspanning voor de mensenrechten ziet zich met deze ontwikkelingen gedwongen in toenemende mate aandacht te besteden aan de verdediging van het beginsel van de universaliteit van de mensenrechten.

B. Beleidsvragen

4. De Adviesraad Internationale Vraagstukken wordt verzocht zich uit te spreken over de relatie tussen cultuur en mensenrechten en meer in het bijzonder over het beroep op culturele eigenheid in relatie tot universele mensenrechten. Ook wordt de Adviesraad gevraagd zich uit te spreken over een effectief instrumentarium dat het Nederlandse mensenrechtenbeleid en de internationale samenwerking in breder verband ten dienste kan staan om naleving van mensenrechten in verschillende culturele contexten te bevorderen. Hierbij kan aan de navolgende vragen aandacht worden geschonken:

- Wat is de betekenis van het begrip universaliteit van de mensenrechten en waar liggen de grenzen van dit beginsel in de praktijk? In hoeverre is de idee van mensenrechten, en de uitwerking daarvan in internationale verdragen, op een universele, inter-culturele grondslag gebaseerd? In hoeverre staat het universaliteitsbeginsel het op onderscheiden wijze naleven van mensenrechten toe, rekening houdend met de culturele verscheidenheid die de wereld eigen is?

- Kan een zinvol onderscheid worden gemaakt tussen werkelijke en veronderstelde cultuurverschillen, in relatie tot een beroep op mensenrechten of een schending daarvan? Kan een zinvol onderscheid worden gemaakt tussen een waarachtig beroep op de naleving van mensenrechten en een oneigenlijk beroep daarop, dat is terug te voeren op verschillen in macht of op culturele dominantie?

- Welke volkenrechtelijke en mensenrechtelijke overwegingen zouden doorslaggevend moeten zijn in het bepalen van de reikwijdte van de plicht tot legitieme zorg die de internationale gemeenschap draagt voor het bevorderen en beschermen van de mensenrechten, zoals vastgelegd in de doeleinden en beginselen uit het Handvest van de Verenigde Naties? Welke betekenis kan in dit verband worden toegekend aan culturele verscheidenheid? Kan bestaande culturele verscheidenheid reden zijn voor terughoudendheid omwille van een effectieve bevordering en bescherming van mensenrechten? Op welke wijze draagt deze verscheidenheid bij tot en effectieve naleving van mensenrechten?

- Kunnen culturele verschillen worden meegewogen bij het vaststellen van schendingen van mensenrechten, hun aard en hun omvang? Zijn hiervoor enigszins objectieve maatstaven denkbaar?

- In welke mate staan internationale verdragen en intergouvernementele instellingen op het terrein van de mensenrechten toe dat deze rechten op cultureel bepaalde, onderscheiden wijze worden nageleefd? Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de doctrine inzake de margin of appreciation van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, ingevolge waarvan het Hof onder andere een grote terughoudendheid betracht in zaken waar vastgesteld dient te worden wat in overeenstemming met de goede zeden moet worden geacht. Het Hof accepteert hier een bepaalde mate van onderscheid in de wijze waarop mensenrechten worden nageleefd, zonder dat dit ten koste mag gaan van de universele gelding van de rechten opgenomen in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Aan welke criteria kan een dergelijke margin of appreciation voldoen? Dient onderscheid te worden gemaakt naar gelang het naleving van verschillende rechten betreft? Is een vergelijkbare opstelling zichtbaar in andere, regionale of mondiale toezichtmechanismen? Kunnen in de Verenigde Naties verschillende maatstaven worden gehanteerd aan de hand waarvan de naleving van mensenrechten wordt getoetst, rekening houdend met culturele verschillen?

- Kunnen culturele verschillen worden meegewogen in de bepaling van de wijze waarop kritiek wordt geuit op schendingen van de mensenrechten? Is het zelf uiting geven aan kritiek op schendingen van mensenrechten gebonden aan culturele verschillen? Op welke wijze zou een gezamenlijke Europese opstelling inzake de bescherming en bevordering van universele mensenrechten rekening kunnen houden met culturele verschillen? Waar dienen zich mogelijkheden aan voor het Nederlandse bilaterale beleid terzake?

- Op welke wijze kan een bevolking wiens mensenrechten worden geschonden met een beroep op culturele eigenheid, meer bewust worden gemaakt van hun rechten?

- Het vastleggen en het naleven van mensenrechten hangen met elkaar samen. Bevordert de uitbreiding van de bestaande catalogus van mensenrechten het inter-culturele karakter van mensenrechten of eerder de niet-naleving van reeds bestaande rechten? Bevordert de ontwikkeling van de justiciabiliteit van reeds bestaande economische, sociale en culturele rechten de naleving van mensenrechten als geheel en wordt daarmee het universele, interculturele karakter van mensenrechten versterkt?

- Dienen zich mogelijkheden aan op andere beleidsterreinen dan dat van de mensenrechten waarmee de naleving van mensenrechten kan worden bevorderd, rekening houdend met culturele verscheidenheid?

Wij zouden het op prijs stellen indien de AIV ons over deze vragen en eventuele daarmee samenhangende aspecten van advies kan dienen. Wij zijn ons bewust van de complexiteit van het vraagstuk waarover wij uw advies vragen. Niettemin zouden wij het, mede gelet op het feit dat het onderwerp een belangrijke rol speelt in bovengenoemde internationale en Europese discussies, op prijs stellen indien u vóór 1 januari 1998 uw advies aan ons zoudt uitbrengen.


DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

DE MINISTER VAN DEFENSIE

DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

 

Regeringsreacties

De Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken (AIV)
Prof. drs. R.F.M. Lubbers
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Directie Mensenrechten, Goed Bestuur
en Democratisering (DMD)
Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Datum 14 oktober 1998
Behandeld K. Adhin
Kenmerk DMD/BC-330/98
Telefoon 070 - 3484864
Blad 1/5
Fax 070 - 3485049
Bijlage(n) geen
E-mail dmd-bc@minbuza.nl
Betreft Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid


Wij danken U voor Uw advies inzake de universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid dat op verzoek van onze voorgangers is uitgebracht. Het verzoek vloeide voort uit de behoefte enerzijds aan argumenten om de internationale discussie inzake dit onderwerp zo open mogelijk tegemoet te treden, en anderzijds aan een effectief instrumentarium waarmee de naleving van mensenrechten in diverse culturele contexten kan worden bevorderd. Wij hebben waardering voor het advies dat op een heldere wijze een aantal aspecten van deze veelomvattende materie aan de orde stelt. Daarbij valt een sterk juridische benadering op. Het advies en de daarin vervatte aanbevelingen geven de Regering aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Uit de omschreven ontwikkelingen in de totstandkoming van het internationale recht inzake de rechten van de mens concludeert de Raad dat mensenrechtennormen universeel aanvaard zijn en dat er geen sprake is van een fundamentele onverenigbaarheid tussen deze normen aan de ene kant en de belangrijkste filosofische, ethische en godsdienstige tradities aan de andere kant. De Regering onderschrijft deze visie. Met de Raad kan worden opgemerkt dat een beroep op culturele eigenheid als argument voor de inperking van mensenrechten in de meeste gevallen wordt gedaan door machthebbers die hun eigen positie proberen te versterken en zich voor kritiek willen afschermen. Dergelijke oneigenlijke beroepen op culturele verscheidenheid worden door de Regering bestreden. De Regering beschouwt de aanbevelingen in het advies over de universaliteit en de hardheid van, in het bijzonder, de non-derogatoire rechten zoals het recht op leven en vrijwaring van foltering, als een ondersteuning van het reeds lang gevoerd beleid.

Versterking van de culturele identiteit en bevordering van het cultureel zelfbewustzijn, alsook bevordering van begrip tussen verschillende culturen, vormen expliciete uitgangspunten van het beleid van de Regering op het gebied van cultuur en ontwikkeling. De Regering kan dan ook volledig instemmen met de Raad dat niet naar culturele uniformiteit moet worden gestreefd. Voor het mensenrechten-beleid is het evenwel van belang aanknopingspunten te vinden voor het kunnen vaststellen van de verhouding tussen mensenrechten en plaatselijke culturele normen. Uitgangspunt hierbij blijft dat het kunnen beleven van de eigen cultuur essentieel is voor de eigenwaarde van de mens, zowel individueel als in groepsverband. Mensenrechten zijn niet bedoeld om een universele cultuur op te leggen. De kern ervan is wel dat zij grenzen van staten, groepen en culturen overstijgen en individuen waarborgen voor een menswaardig bestaan bieden. Het zijn deze waarborgen die een universeel karakter hebben en die in elke culturele context toepassing moeten vinden. De visie neergelegd in het rapport van de Wereldcommissie voor Cultuur en Ontwikkeling Our Creative Diversity (De Kracht van Cultuur, 1996), is hiermee in overeenstemming. In dit rapport worden mensenrechten gezien als mondiale ethiek. Als zodanig worden zij beschouwd als universele principes die in elke gemeenschap adequate uitdrukking behoren te vinden. Daarnaast vormen zij ook een bindende factor tussen culturen. Zoals bekend is dit rapport positief door de Nederlandse Regering ontvangen en vinden de bevindingen ervan hun weerslag in het cultuurbeleid.

In het licht van het voorgaande kan de visie van de Raad dat universaliteit van normen niet in alle gevallen persé uniforme toepassing betekent, worden onderschreven. De Regering is met de Raad van mening dat een aantal mensenrechten een zekere beleidsruimte aan staten laat waar het de toepassing betreft. Daar waar een zekere mate van inperking van mensenrechten is toegestaan, kunnen culturele waarden en andere maatschappelijke opvattingen een grondslag zijn voor derogatie. De Regering stelt zich volkomen achter de duidelijke stellingname van de Raad omtrent de verantwoordingsplicht, nationaal en internationaal, die met deze beleidsvrijheid gepaard dient te gaan. Alleen wanneer van een dergelijke vrijheid in gebondenheid sprake is en niets wordt afgedaan aan de hardheid van de non-derogatoire rechten, kan culturele diversiteit bij de toepassing van de mensenrechten in aanmerking worden genomen. Hierbij kan wel worden aangetekend dat van nationale controle niet veel kan worden verwacht, wanneer in een land schending van de mensenrechtennorm ten gunste van de eigen cultureel-religieus of anderszins bepaalde maatschappelijke norm brede(re) steun lijkt te genieten. In zulke gevallen dient zorgvuldig te worden nagegaan hoe internationale instrumenten -die volgens de Raad complementair aan de nationale moeten worden gezien- op de meest effectieve wijze kunnen worden ingezet.

De Regering onderkent het door de Adviesraad gesignaleerde probleem dat, waar de implementatie van mensenrechten grote financiële uitgaven vergt, arme landen zich disproportioneel moeten inspannen. Met behulp van het instrumentarium dat ontwikkelingssamenwerking ten dienste staat, tracht de Regering daartoe het nodige bij te dragen. In dit verband loopt Nederland bijvoorbeeld voorop met het steunen van regeringen die zelf ook prioriteit geven aan de basis sociale voorzieningen van hun bevolking. Dit geschiedt in het kader van het zgn. 20/20 - initiatief, vastgelegd tijdens de Sociale Top te Kopenhagen (maart 1995) en verder uitgewerkt in de Oslo Consensus (april 1996). Bespreking van de implementatie van dit initiatief is voorzien in oktober as. te Hanoi. De Regering is hier actief bij betrokken.

Voor wat betreft enkele specifieke aanbevelingen van de Raad kan het volgende worden opgemerkt. De Regering is met de Raad van mening dat de universaliteit van de rechten van de mens ermee gediend is als vanuit de internationale gemeenschap op niet-selectieve wijze wordt gereageerd op schendingen van mensenrechten. Bevordering van de naleving van de meest fundamentele mensenrechten wereldwijd is een wezenlijk onderdeel van het Nederlands buitenlands beleid; de instrumenten die daarbij worden ingezet, kunnen per land verschillen. Effectiviteit staat voorop. In de regel zal gezamenlijk EU-optreden meer effect sorteren dan een solo-optreden van Nederland. Dit neemt niet weg dat in bilaterale contacten zorg over de mensenrechtensituatie in een bepaald land aan de orde wordt gesteld.

Het belang van een gelijkwaardige behandeling van de burgerlijke en politieke (bupo) rechten aan de ene kant en de economische, sociale en economische (esc) rechten aan de andere kant, wordt onderschreven. Deze rechten versterken elkaar; gelijktijdige bevordering van de naleving van beide categorieën werkt ten gunste van de universele toepassing van mensenrechten. Gezien het verschil in rechtskarakter van de esc-rechten, gepaard gaande met een inspanningsverplichting van de overheid, is er in de loop der tijd een zekere scheefgroei in de aandacht van internationale mensenrechtenfora ontstaan ten nadele van deze rechten. Tijdens de 54-ste VN-Mensenrechtencommissie heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Commissie opgeroepen om deze situatie te corrigeren. Hierbij dient overigens wel te worden aangetekend dat activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking en in het kader van andere VN-fora (zoals de Gespecialiseerde Organisaties) wellicht effectiever zijn als het gaat om het wegnemen van obstakels in het genot van esc-rechten. Ten aanzien van een facultatief protocol inzake het individueel klachtrecht bij het ESC-verdrag is de Regering van mening dat dit een waardevol instrument zou kunnen zijn, indien het daadwerkelijk zou bijdragen tot een versterkt internationaal toezicht op de naleving van de esc-rechten. Daar lijkt nu en ook op langere termijn geen sprake van. Het komt de Regering wenselijker voor de inspanningen te richten op versterking van bestaande toezichtsmechanismen. In dit verband kan worden gemeld dat de Regering steun verleent aan het Bureau van de Hoge Commissaris voor Mensenrechten ten behoeve van activiteiten gericht op vergroting van de effectiviteit van het ESC-Comité.

De Regering onderschrijft de aanbevelingen van de Raad met betrekking tot de gelijkberechtiging van vrouwen. Als integraal onderdeel van de mensenrechten staat de universaliteit van vrouwenrechten vast. Onaanvaardbare inbreuken daarop met een beroep op cultureel-religieuze tradities worden veroordeeld. Dit houdt ook in dat tegen voorbehouden van die strekking bij het Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie jegens vrouwen (het Vrouwenverdrag) keer op keer bezwaar wordt aangetekend. Voorts heeft de Regering tijdens de Algemene Vergadering van de VN in 1997 het initiatief genomen tot het indienen van een resolutie inzake "Traditional or customary practices affecting the health of women and girls" waarin onder meer wordt opgeroepen tot uitbanning van verminkende vormen van besnijdenis. Op een door Nederland georganiseerde internationale expertbijeenkomst in Den Haag (3-5 februari 1998) werd hieraan ook bijzondere aandacht besteed. Meer in het algemeen is het beleid van de Regering er op gericht de juridische, sociale, economische en politieke rol van vrouwen te ondersteunen en te versterken. Naast juridische activiteiten gericht op rechtsgelijkheid, rechtsverwezenlijking en rechtsbescherming wordt ook aandacht besteed aan onderwijs, gezondheids-zorg, politieke participatie in lokaal en nationaal bestuur en de rol van vrouwen in het productieproces. De Regering deelt de mening van de Raad dat een klachten- en onderzoeksprocedure bij het Vrouwenverdrag de naleving van de rechten van vrouwen kan verbeteren en ondersteunt de totstandkoming van een facultatief protocol terzake.

De aanbeveling van de Raad inzake mensenrechteneducatie wordt door de Regering onderschreven. Bewustwording en kennis van mensenrechten bij burgers kan in belangrijke mate bijdragen tot universele toepassing van die rechten. Hierbij kunnen niet-gouvernementele organisaties (NGOs) en andere maatschappelijke groeperingen, die op grass root level opereren een specifieke rol vervullen in het kenbaar maken van de mensenrechten door in diverse culturen aansluiting te zoeken bij datgene wat mensen aanspreekt. Voorts hecht de Regering prioritair belang aan de ondersteuning van NGOs die slachtoffers van mensenrechtenschendingen ten dienste staan. Met de Raad is de Regering van oordeel dat bij het ontplooïen van activiteiten op dit terrein optimale aansluiting moet worden gezocht bij de ervaringen van burgers en slachtoffers. Als voorbeeld kan in dit verband worden gemeld dat in juni 1998 op initiatief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken door de internationale NGO "Article XIX" een seminar is georganiseerd inzake de vrijheid van meningsuiting in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het doel hiervan was om, met inachtneming van de ervaringen van de deelnemers uit de betreffende landen, een aanzet te geven tot een strategie voor de bevordering van de toepassing van dit fundamentele recht in deze regio. Aan de follow-up van dit seminar wordt gewerkt.

Tot slot is de Regering het eens met de conclusie van de Raad dat de voornaamste uitdaging voor het mensenrechtenbeleid is gelegen in het vinden van gemeenschappelijke uitgangspunten in een intercultureel kader, zonder daarbij de universele kern prijs te geven. Daar, waar geen duidelijkheid bestaat omtrent criteria of richtlijnen waaraan een eigen wijze van toepassing van normen kan worden getoetst, zullen dilemmas zich blijven voordoen. In ieder geval zal de Regering zich in multilateraal, EU- en bilateraal verband blijven inzetten voor de daadwerkelijke toepassing van mensenrechten in uiteenlopende culturen. Dit houdt onder meer in het voeren van een constructieve dialoog. Van belang hierbij is om, met inachtneming van de universele geldigheid van mensenrechten, de mogelijkheden te betrekken die zich aandienen tot een lokaal begrip en een lokale interpretatie van mensenrechten. Op deze wijze kan worden bevorderd dat vanuit culturele diversiteit wordt bijgedragen tot het genot van de mensenrechten wereldwijd.


De minister van buitenlandse zaken,

De minister van defensie,

De minister voor ontwikkelingssamenwerking

Persberichten

 

 

Universaliteit en culturele verscheidenheidDe universele geldigheid van mensenrechtennormen wordt in de politieke arena vrij zelden betwist. Slechts een beperkt aantal staten rechtvaardigt mensenrechtenschendingen met een beroep op culturele diversiteit. Vaak dient deze rechtvaardiging om de eigen maatschappij af te schermen voor kritiek, of om de reikwijdte van een aantal fundamentele mensenrechten in te perken onder meer om de positie van de politieke elite te versterken. In deze gevallen is er sprake van een oneigenlijk beroep op culturele verscheidenheid en dient een dergelijk beroep te worden verworpen. Dit stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken in zijn nieuwste advies Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid dat op 8 juli aan minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken, minister van Defensie Voorhoeve en minister voor Ontwikkelingssamenwerking Pronk is aangeboden.

Naleving van de rechten van de mens is geen luxe-verschijnsel dat landen zich pas kunnen veroorloven indien zij een zekere mate van sociaal-economische ontwikkeling hebben bereikt. De universele geldigheid van de rechten van de mens moet onverkort uitgangspunt te blijven in het buitenlands beleid van de Nederlandse regering. Een te grote nadruk op culturele verschillen doet geen recht aan de grote overeenkomsten die in verschillende culturen ten aanzien van mensenrechten bestaan. Ontwikkelingen in de eigen en andere culturen dienen kritisch te worden beoordeeld.

Universaliteit leidt niet automatisch tot uniformiteit. Mensenrechten moeten telkens in een andere culturele en sociaal-economische context worden toegepast. Bescherming van mensenrechten dient eerst en vooral op nationaal niveau plaats te vinden. Het internationale toezichtsysteem is complementair en staat staten in een aantal gevallen een zekere beleidsvrijheid toe bij de implementatie van mensenrechtennormen. De reikwijdte van deze beleidsvrijheid hangt in hoge mate af van de ruimte die internationale verdragen en de bijbehorende toezichtmechanismen toelaten. Voor sommige rechten bestaat deze beleidsvrijheid in het geheel niet voor andere wel. Dit kan per afzonderlijk recht en/of onderdeel van een recht verschillen. Het universele karakter van mensenrechten brengt wel met zich mee dat beleidsvrijheid altijd een gecontroleerde vrijheid dient te zijn. Staten dienen zich blijvend te verantwoorden, op nationaal en internationaal niveau. Nederland kan in die controle een belangrijke rol vervullen.

Het Nederlandse mensenrechtenbeleid staat voor de uitdaging om in een intercultureel kader te zoeken naar gemeenschappelijke uitgangspunten zonder de universele kern prijs te geven die ten grondslag ligt aan de geldigheid van de rechten van de mens. In dat beleid dient te worden gestreefd naar vergroting van het draagvlak voor universele mensenrechten en een optimale aansluiting bij de ervaringen van burgers en van slachtoffers. Steun aan NGOs die actief zijn op het terrein van bewustwording, educatie, gezondheidszorg moet integraal onderdeel te zijn van een actief bilateraal en multilateraal beleid. Een dergelijk beleid dient te worden versterkt met een actieve, niet selectieve, inzet van de Nederlandse regering in de relevante internationale fora op het terrein van de rechten van de mens.

Dit advies over universaliteit is voorbereid in de Commissie Mensenrechten, onder voorzitterschap van Prof. mr. C. Flinterman, en vastgesteld in de AIV, die onder leiding staat van voormalig minister-president Prof. drs. R.F.M. Lubbers.

|||NOOT VOOR DE REDACTIE
Voor meer gegevens: drs. T.D.J. Oostenbrink, secretaris Commissie Mensenrechten van de AIV (telefoon: 070-3484419, fax.: 070-3486256, E-mail: tdj.oostenbrink@sbo.minbuza.nl)