Naar rustiger vaarwater: Een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie

30 september 2005 - nr.9
Samenvatting

De betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie kennen een geschiedenis vol misverstanden, ongenoegen en onduidelijkheid. Daarbij heeft de kwestie van een mogelijk Turks lidmaatschap - zowel het perspectief daarop als het onbehagen daarover - vooral de laatste jaren een zware hypotheek op de betrekkingen gelegd. Immers, met de opening van Midden- en Oost-Europa lijkt Turkije opnieuw een stap terug te moeten doen.

Dit advies beoogt bij te dragen aan helderheid en zakelijkheid in de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie. De AIV constateert dat er geen doorslaggevende reden is waarom Turkije ten principale als mogelijk lid van de Europese Unie zou moeten worden afgewezen, maar, tegelijk, dat Turks lidmaatschap nog ver weg ligt. Immers, Turkije groeit nog naar een pluralistisch, democratisch politiek stelsel. De huidige onvolkomenheden daarin scheppen afstand tussen Turkije en (de lidstaten van) de Europese Unie. Van belang in dit verband is dat Turkije een krijgsmacht kent die als hoeder van het Kemalisme een belangrijke politieke rol speelt. De machtsuitoefening van staatswege is nog onvoldoende onderworpen aan controle door het parlement en door een vrije pers en kan nog onvoldoende in een open publiek debat worden beoordeeld; de opbouw van de vrije instituties van de Œcivil society¹ in Turkije is hiervoor nog niet toereikend (zie I, II en VI.3.5).

Turkije heeft nog een lange weg te gaan voordat het kan voldoen aan de voorwaarden op het vlak van de democratie, de rechten van de mens, de behandeling van minderheden, het rechtsstelsel en de vrije markteconomie, zoals weergegeven in de criteria van Kopenhagen, omdat dit diep zal ingrijpen in de Turkse binnenlandse politiek. De AIV acht het raadzaam dit ronduit te zeggen zodat de ontwikkeling van de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie niet voortdurend onder de schaduw liggen van een Œmogelijk toekomstig lidmaatschap¹ en/of erkenning als kandidaat-lidstaat, gezien de teleurstellingen en misverstanden die hiermee de afgelopen jaren gepaard zijn gegaan (zie III en VI.1).

Een illustratie hiervan biedt de Europese Raad in Keulen in juni 1999, waar Turkije (opnieuw) niet is aangemerkt als kandidaat-lidstaat. Naar het oordeel van de AIV blijft de erkenning van Turkije als kandidaat-lidstaat te veel een politieke stap van symbolische waarde, zolang deze niet hand in hand gaat met verdieping van de praktische samenwerking. Het uiteindelijke Turks lidmaatschap van de Europese Unie dient het sluitstuk te zijn van een proces, waarin Turkije en de Europese Unie elkaar mentaal hebben leren aanvaarden als partners en door praktische samenwerking de kans hebben gekregen naar elkaar te groeien. Het komt de betrekkingen ten goede als de Europese Unie en Turkije ronduit zouden erkennen dat dit een proces van lange adem is (zie I, VI.1 en VI.2).

Daar dient dan wel tegenover te staan dat de Europese Unie, bij de invulling van de Europese Strategie, zich een meer betrouwbare partner toont en Turkije helder en zakelijk tegemoet treedt. De economische samenwerking dient hierbij naar het oordeel van de AIV prioriteit te krijgen, aangezien op dit vlak meer constructieve samenwerking en integratie mogelijk is dan tot nog toe van de grond is gekomen. Een daartoe geboden aanzet van de Europese Commissie vormt hiervoor een goede grondslag. De AIV formuleert tal van beleidsaanbevelingen met behulp waarvan de economische samenwerking met Turkije gestalte kan worden gegeven, onder meer op het vlak van versterking van de douane-unie, stimulering van de handel en vrij verkeer van kapitaal, met inbegrip van het terugdringen van de inflatie. Is de Europese Unie tot deze samenwerking bereid, dan lost ze tevens de verwachtingen in, die in Turkije zijn gewekt met het associatie-akkoord van 1963 en met de douane-unie van 1995 (zie IV en VI.3.2.)

De Europese Unie dient met voorrang haar financiële verplichtingen na te komen in het kader van de douane-unie. Mocht Griekenland zich niet laten overtuigen dat zijn blokkade van deze gelden contra-productief is, dan dienen de overige veertien landen, buiten de formele kaders van de Europese Unie, op nationale grondslag financiële middelen vrij te maken om Turkije te compenseren voor het in gebreke blijven van de Europese Unie. Ten overvloede: naar het oordeel van de AIV dient ook Nederland in zijn bilaterale relatie Turkije deze financiële compensatie te bieden. Daarbij kan worden aangetekend dat Turkije niet in aanmerking komt voor gelden die zijn verbonden met de uitbreiding van de Europese Unie. Daarnaast komt Turkije niet langer in aanmerking voor het Oret-programma (Ontwikkelingsrelevante ExportprogrammaŒs). Daarom dient deze compensatie naar het oordeel van de AIV het begin te vormen van een Turkije-faciliteit: financiële middelen met behulp waarvan de Nederlandse overheid de bilaterale contacten met Turkije kan intensiveren (zie V.3 en VI.3.1).

Voor de AIV staat voorop dat Turkije een belangrijk land is voor de Europese Unie. Turkije is een regionale macht die van strategische betekenis blijft, uit politiek en economisch oogpunt en uit oogpunt van veiligheidsbeleid. In die zin is het Turks lidmaatschap van de NAVO van betekenis, zij het dat de AIV de betrekkingen met Turkije in het kader van de Europese Unie niet omschrijft in termen van risico¹s voor de samenwerking in de NAVO, zoals in de adviesaanvraag gebeurt. De Turkse regering, hoewel ze zich gekrenkt voelt door het verloop van de discussie over de kandidatuur van Turkije voor het lidmaatschap van de Europese Unie, heeft zich juist op het standpunt gesteld dat tussen beide - de betrekkingen met de Europese Unie en met de NAVO - geen politieke verbinding dient te worden gelegd. Veeleer gaat het erom Turkije zo veel mogelijk te betrekken bij het overleg over Europese veiligheid. Naarmate het overleg hierover meer gestalte zal krijgen in de Europese Unie wil Turkije hierbij op pragmatische wijze worden betrokken. De AIV beschouwt deze betrokkenheid van Turkije als noodzaak om de mogelijkheid van Europees geleide militaire operaties vorm te geven en als kans om Turkije dichter bij (delen van) de tweede pijler van de Europese Unie te betrekken (II.2 en V.3.4).

De Europese Unie dient zich er gevoelig voor te tonen dat Turkije een regionale macht van betekenis is, met de dillemma¹s en afwegingen die dat voor Ankara met zich brengt. Turkije streeft naar een multidimensioneel buitenlands beleid om de traditionele gerichtheid op de Verenigde Staten en de Europese Unie aan te vullen met intensivering van de contacten in de regio. Naar het oordeel van de AIV zijn er momenteel geen regionale samenwerkingsverbanden die Turkije een alternatief kunnen bieden voor zijn samenwerking met het Westen. Cultureel fungeert Turkije tot op zekere hoogte als een rolmodel voor andere landen in de regio omdat het een seculiere staat is met een islamitisch verleden. De Europese Unie dient Turkije financieel te steunen, door het (hernieuwd) beschikbaar stellen van Meda-fondsen, maar ook anderszins aan te moedigen om de regionale samenwerking te verdiepen. Hiermee is een Europees belang gemoeid, gezien het groeiende economische belang van de landen rondom Turkije (zie II.2 en VI.3.4).

In het licht van de opbouw van democratisch, pluralistisch politiek stelsel doet de AIV voorstellen die tot doel hebben te bevorderen dat Turkije de bepalingen naleeft van de internationale mensenrechtenverdragen waarbij het zich heeft aangesloten. Deze voorstellen hebben niet alleen betrekking op de Europese Unie, maar ook op de Raad van Europa en de OVSE (zie III en VI.3.6). Actueel in dit verband is het proces tegen PKK-leider Öcalan (V.1).

Naar het oordeel van de AIV kan een vergelijkbare gedachtegang, zoals aan het Stabiliteitspact (plan Baladur) van maart 1995 ten grondslag heeft gelegen, een waardevolle aanvulling vormen op de criteria van Kopenhagen, als de betrekkingen met Turkije en het complex aan verhoudingen tussen Turkije, Cyprus en Griekenland worden bezien. In dit Stabiliteitspact is aan de Midden- en Oost-Europese landen met belangstelling voor het lidmaatschap van de Europese Unie, de voorwaarde gesteld dat deze zelf hun (grens)problemen met buurlanden en problemen met minderheden dienden op te lossen. Uitgangspunt voor de AIV is dat de Europese Unie niet langer bereid moet zijn conflicten te importeren waarvan geen uitzicht bestaat op een oplossing. De AIV acht lidmaatschap van Cyprus momenteel niet aan de orde. Immers, toetreding van Cyprus op dit moment betekent dat in de Europese Unie een conflict wordt geïmporteerd, zonder uitzicht op een politieke oplossing en waarbij gebruik van geweld bovendien niet kan worden uitgesloten. De AIV stelt vast dat de intentie waarmee de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen met Cyprus is ingegaan, tot nog toe niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Deze hebben er niet aan bijgedragen dat de betrokken partijen zich zijn gaan inspannen om een oplossing van het conflict dichterbij te brengen. Daarentegen zijn de toetredingsonderhandelingen zelf, en de wijze waarop ze worden gevoerd, voorwerp van onenigheid geworden. Naar het oordeel van de AIV mogen onder deze omstandigheden de toetredingsonderhandelingen met Cyprus niet tot materieel resultaat leiden (zie V).

Op verschillende plaatsen in dit advies worden suggesties gedaan voor de verdere ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Turkije. In het bijzonder stelt de AIV voor dat van de kant van Nederland meer aandacht wordt besteed aan de mogelijkheid van uitwisseling op tal van niveaus, aan het afleggen van bilaterale bezoeken op politiek niveau en aan het stimuleren van een dialoog tussen Nederlandse en Turkse non-gouvernementele organisaties. De grondslag hiervoor kan worden gelegd door periodieke Turks - Nederlandse conferenties over actuele thema¹s, naar het voorbeeld van de Duits - Nederlandse conferenties, waaraan zowel vertegenwoordigers van regeringen als van NGO¹s kunnen deelnemen (zie VI.3.8).

Adviesaanvraag

No. 9, Juli 1999


Woord vooraf

Turkije is een land van verschillende werelden. Het bevindt zich, niet alleen geografisch, maar ook politiek en cultureel, op het snijvlak van Europa (de Balkan), Centraal-Azië en de Arabische wereld. Het grootste deel van het land (Anatolië) bevindt zich in Azië, maar de bekendste Turkse stad - het economisch centrum en handelsknooppunt Istanbul - ligt in Europa. Turkije is een mediterraan land, doch zijn kustlijn aan de Zwarte Zee is niet veel minder lang. In de jaren ‘20 stichtte Kemal Atatürk een moderne Turkse staat naar Europese snit, juist om te proberen de afhankelijkheid van de Europese landen te verminderen. Kortom, Turkije is een veelkleurig palet, dat zich niet makkelijk laat onderbrengen in de gangbare geografische, politieke en culturele categorieën, die de internationale omgeving van Nederland hanteerbaar (helpen) maken. Als land van verschillende werelden doen zich in en rond het hedendaagse Turkije dan ook spanningen voor, zoals die tussen Europese en Midden-Oosterse identiteit, tussen (verdere) modernisering en de tradities van de Osmaanse geschiedenis en tussen (het streven naar) democratie en autoritair gezag. In navolging van wat T.S. Elliot heeft geschreven over de stromingen in de zeestraten rond Istanbul kan Turkije, vanwege de zo verschillende krachten die op elkaar inwerken, worden aangeduid als “the still point of the turning world”.

De betrekkingen tussen Turkije en (de lidstaten van) de Europese Unie hebben in de loop van de tijd voorspoed en tegenslag gekend. In de afgelopen jaren heeft een eventueel Turks lidmaatschap van de Europese Unie deze betrekkingen onder spanning gezet, zeker na de Europese Raad van Luxemburg in december 1997, waar Turkije zich anders behandeld voelde dan andere mogelijke lidstaten. De adviesaanvraag, die aan dit advies ten grondslag ligt, geeft er blijk van dat de Nederlandse regering de betrekkingen met Turkije aan een reflectie wenst te onderwerpen. Hieraan beoogt dit advies bij te dragen. In dit advies staat de gedachte centraal dat het goed zou zijn voor de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie enige afstand te bewaren tot de discussie over lidmaatschap, aangezien deze misverstanden, ongenoegen en onduidelijkheid heeft opgeroepen. Vandaar de titel: “Naar rustiger vaarwater - een advies over de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie”.

De AIV heeft dit advies vastgesteld in zijn vergadering van 2 juli 1999. Het is voorbereid in de commissie ‘Turkije’ van de AIV onder voorzitterschap van dr. B. Knapen. Omdat in de betrekkingen met Turkije vraagstukken op de gebieden van Europese integratie, mensenrechten, vrede en veiligheid en, in mindere mate, ontwikkelingssamenwerking alle een rol spelen, hebben leden van de vier permanente commissies van de AIV deel uitgemaakt van de commissie ‘Turkije’. Het gaat om: prof. dr. P.R. Baehr (Commissie Mensenrechten), prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh (Commissie Vrede en Veiligheid), mw. dr. D.J.M. Corbey (Commissie Europese integratie), drs. T. Etty (Commissie Mensenrechten), lt.gen.b.d. G.J. Folmer (Commissie Vrede en Veiligheid), mw. dr. M. van Leeuwen (Commissie Vrede en Veiligheid), drs. F.D. van Loon (Commissie Ontwikkelingssamenwerking), prof. dr. ir. R. Rabbinge (Commissie Ontwikkelingssamenwerking) en drs. P. Scheffer (Commissie Europese integratie). Het secretariaat is gevoerd door drs. F. van Beuningen (secretaris AIV), hierin ondersteund door de stagiares mw. C.T. Aalbers, mw. K.M.M. Boeije en mw. E. Erygit.

Ter voorbereiding van het advies hebben leden van de commissie ‘Turkije’ zich laten informeren door beleidsmakers en deskundigen. Met dit doel heeft de commissie ‘Turkije’, vergezeld door de voorzitter van de AIV, bovendien een oriëntatie-reis gemaakt naar Ankara en Istanbul in de periode 31 januari - 4 februari 1999. (Een overzicht van de geraadpleegde personen en instanties is als bijlage opgenomen.) De AIV is de geraadpleegde personen en instanties erkentelijk voor hun inbreng en spreekt zijn grote waardering uit voor de ontvangen steun van de Nederlandse ambassade in Ankara en het consulaat-generaal te Istanbul bij de verwezenlijking van deze oriëntatiereis.

Hoofdstuk I stelt een vraag die de regering niet in de adviesaanvraag heeft opgeno-men, maar die wel onder de oppervlakte van politieke en publieke discussies over de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie leeft. Dit is de vraag of Turkije vanuit zijn cultureel-historische achtergrond bij de Europese Unie zou kunnen behoren. Hoofdstuk II biedt een plaatsbepaling van Turkije, binnenlandspolitiek en in de regio. Hoofdstuk III gaat in op de rechten van de mens en hoofdstuk IV op economische ontwikkelingen. Hoofdstuk V behandelt het complex van verhoudingen tussen Turkije, Cyprus en Griekenland en in dit hoofdstuk worden hieromtrent enkele conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd. In hoofdstuk VI worden de recente ontwikkelingen in de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie behandeld en wordt vooruitgeblikt op de toekomstige vormgeving van deze betrekkingen, onder andere in de vorm van beleidsaanbevelingen over de voorgaande hoofdstukken. Conclusies en aanbevelingen zijn in de tekst cursief afgedrukt. Dit geldt echter niet voor hoofdstuk VI, dat in hoofdzaak opiniërend is. Bijlage I bij het advies bevat de adviesaanvraag, bijlage II de lijst van geraadpleegde personen en instanties en bijlage III de lijst van afkortingen. Het advies begint met een samenvatting.

Bij het advies hoort het addendum “De opstelling van de Europese Unie ten aan-zien van Turkije 1959 - heden”, dat de ontwikkeling van de betrekkingen chronolo-gisch beoogt te beschrijven en belangrijke documenten samenvat.


I De ondertoon van de discussie: geschiedenis, beschaving en islam

I.1 De politiek-culturele discussie

De grenzen van Europa zijn geografisch, politiek of cultureel niet precies te trekken. Een poging dat in het kader van dit advies wel te doen, riskeert te verzanden in een semantisch, ideologisch en soms bijna mystiek debat zonder bruikbare antwoorden op de vraag of Turkije al dan niet deel uitmaakt van Europa. Net zomin kan worden verwacht dat het trekken van grenzen klaarheid kan bieden over de wijze waarop de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie verder kunnen worden ontwikkeld.

Er bestaat vaak een zekere discrepantie tussen de termen die in de officiële documenten worden gehanteerd over de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie en de ondertoon van de politieke discussie, waarin menigmaal wordt teruggegrepen op de Turkse geschiedenis, op de ontwikkeling van de Ottomaanse beschaving en op de islam. Deze politiek-culturele aspecten van de betrekkingen met Turkije worden in de officiële documenten niet aangeroerd, terwijl deze voor de politieke en publieke discussie in Turkije en Europa wel degelijk van betekenis zijn. Daarom gaat dit advies in op een vraag die de regering niet heeft gesteld, maar die onder de oppervlakte van vele politieke en publieke discussies wel leeft: de vraag of Turkije vanuit zijn cultureel-historische achtergrond bij de Europese Unie zou kunnen behoren.

In december 1989 heeft toenmalig voorzitter van de Europese Commissie Delors, overigens zonder Turkije te noemen, in een toespraak Europa aangeduid als een product van het Christendom, van Romeins recht en van Grieks humanisme. Deze kenschets viel in Ankara slecht, temeer daar deze werd gegeven enkele uren nadat de toenmalige Turkse president Özal een coulante houding tegenover zijn land had bepleit bij de Raad van Europa op grond van de Turkse bijdrage aan de verdediging van het Westen tegen het communistische gevaar, dat toen net was geweken. In maart 1997, aan de vooravond van de Europese Raad te Brussel, werd na afloop van een bijeenkomst van christen-democratische regeringsleiders van de Europese Volkspartij gesteld dat de “culturele, humanitaire en christelijke waarden van Europa anders zijn dan de waarden van Turkije”, reden waarom Turkije niet zou moeten worden toegelaten tot de Europese Unie.1 In het verlengde hiervan ligt de opvatting dat het christendom het bindmiddel is van het verenigd Europa.2

Een meer algemene grondslag voor dit soort opvattingen wordt geboden door het werk van de Amerikaanse politicoloog S.P. Huntington.3 In de verwachting van Huntington zullen, na de Koude Oorlog, conflicten vooral ontstaan tussen landen die tot verschillende beschavingen behoren. Religie vormt in de ogen van Huntington een centraal kenmerk van beschavingen. Staten die tot een verschillende beschaving behoren en een verschillende religieuze achtergrond hebben, lopen een grotere kans in een onderling conflict te worden betrokken dan staten met dezelfde beschaving en religie. Spiegelbeeldig heeft Huntington de verwachting dat een gemeenschappelijke beschaving en religie politieke en economische samenwerking bevordert, terwijl een verschillende beschaving en religie samenwerking onmogelijk maakt of ernstig bemoeilijkt. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken, aldus Huntington, dat de Europese Unie Turkije niet wil opnemen: het is ‘anders’.4

In de hier weergegeven gedachtegang wordt Turks lidmaatschap van de Europese Unie niet afgewezen vanwege zijn economische ontwikkelingsniveau, de binnenlandse politieke situatie, het gebrek aan respect voor de rechten van de mens of minderheden, dan wel andere mogelijke redenen waarover een politiek debat kan worden gevoerd; Turks lidmaatschap wordt impliciet uitgesloten of expliciet afgewezen omdat er een onoverbrugbare politiek-culturele kloof zou bestaan tussen Turkije en de (landen van de) Europese Unie. De politiek-culturele identiteit van Europa en/of (de landen van) de Europese Unie - per auteur een wisselende combinatie van gedeelde (beschavings)geschiede- nis, christendom, humanitaire beginselen en de idealen van de Verlichting - wordt op zo’n wijze beschreven dat de verschillen met Turkije worden onderstreept, waarbij Turkije louter wordt voorgesteld als erfgenaam van het Ottomaanse rijk en als islamitisch land.

Vanzelfsprekend is ook in Turkije niet onopgemerkt gebleven dat vanuit Europa de vraag is opgeworpen of het als erfgenaam van het Ottomaanse rijk en als islamitisch land deel kan uitmaken van de Europese Unie. Van Turkse zijde wordt hier tegenover gesteld dat Atatürks revolutie als de Turkse Verlichting dient te worden gezien. Atatürk heeft nadrukkelijk gekozen voor een breuk met het verleden en een seculiere staat gesticht in een poging burgelijke en democratische waarden in Turkije ingang te doen vinden. Bovendien is, in Turkse ogen, Turkije al eeuwen Europees en hoeft het in dit opzicht niets te bewijzen. In de woorden van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken Cem:

“If ‘being European’ is a cultural fact, then Turkey is a country that shares such values as democracy, pluralism, secularism, human rights and equality between man and woman, all of which constitute the basis of contemporary European culture {-} Turkey’s Europeanness is not something which requires the approval of others; it is an historical, geographical and cultural fact”.5

I.2 Beeldvorming

In zijn klassieke geschiedenis van de Balkan omschrijft Schevill de Ottomaanse overheersing van de Balkan en de Turkse opmars naar Wenen als volgt: “{t}he Ottoman empire ruled with a Moslem sword, inflicting spiritual wounds upon all Christians”.6 Eén van de gevolgen van de vele militaire conflicten in het verleden tussen christelijke en islamitische staten is wederzijdse negatieve beeldvorming. Het slechte imago van de Turken kent dan ook een lange traditie in Europa - van de wrede, bloedige, autoritaire en expansionistische ‘muzelman’ van het Ottomaanse rijk uit het verleden tot de criminele, in drugs handelende, gewelddadig wraak nemende Turk van het heden. Vanuit Turkije wordt wel de verzuchting vernomen dat de Europeanen zijn opgegroeid met “the legend of the Terrible Turk”.

Tegen deze achtergrond hoeft het geen verbazing te wekken dat in Turkije politici van het perfide Europa worden afgeschilderd als onbetrouwbare, louter op eigenbelang gerichte, tegen Turkije samenspannende leerlingen van Machiavelli.7 Dit beeld heeft zijn oorsprong in de rol die de Europese mogendheden hebben gespeeld bij het uiteenvallen van het Ottomaanse rijk (zie hoofdstuk II.1.1). De Turkse schrijver Orhan Pamuk laat één van zijn romanfiguren de kloof tussen het christelijke Europa en het islamitische Turkije, het Westen en het Oosten, beschrijven als “volledig tegengesteld aan elkaar, {zij} wezen elkaar af, sloten elkaar uit, zoals goed en kwaad, wit en zwart, duivel en engel. In tegenstelling tot wat sommige dromers geloofden, was het ondenkbaar dat deze twee werelden nader tot elkaar zouden komen en in vrede met elkaar zouden kunnen leven”.8

De wederzijdse negatieve stereotypen dragen bij aan de gedachte dat de politiek-culturele verschillen tussen Turkije en (de landen van) de Europese Unie niet kunnen worden overbrugd, zo deze daar niet de oorsprong van zijn.

I.3 Geen onoverbrugbare kloof

Zoals vele anderen deelt ook de AIV niet de gedachte dat de kloof tussen Turkije en de Europese Unie onoverbrugbaar is als gevolg van (beschavings-)geschiedenis en cultuur. Er bestaan onmiskenbaar politieke en culturele verschillen, en de hiervoor gegeven argumenten die deze onderstrepen, dienen dan ook serieus te worden genomen. De Europese Unie zelf bestaat uit lidstaten voor welke de onderlinge verschillen geen belemmering zijn geweest voor het vormen van de Unie. Deze kunnen dus worden overbrugd. Dat de Europese Unie zich nu voor de vraag gesteld ziet of een groot land met een overwegend islamitische bevolking deel kan gaan uitmaken van de Unie, is weliswaar een kwalitief nieuwe ontwikkeling, maar niet principieel verschillend van eerdere uitbreiding van de Unie. Er leven al tussen de 17 en 21 miljoen moslims in de lidstaten van de Europese Unie. Toetreding van Turkije zal de tendens alleen maar versterken dat de islam en de cultuur van de islam een plaats dienen te krijgen in Europa. Daarbij dient wel te worden aangetekend dat de schaal verschilt: Turkije is niet alleen een islamitisch land, het is ook een groot land. Om een indruk te krijgen van de orde van grootte: volgens sommige voorspellingen zal de bevolkingsomvang in 2015 de honderdmiljoen passeren. Andere voorspellingen wijzen overigens op een minder snelle groei van de bevolking.

Religie, historische ontwikkeling en beschavingstraditie kunnen niet per definitie de onoverbrugbaarheid van de afstand tussen Turkije en de Europese Unie aantonen. Tegen een dergelijk cultureel-historisch determinisme neemt de AIV stelling:

 

  • Allereerst kan worden opgemerkt dat er in de jaren ‘70 historici zijn geweest die Spanje op grond van zijn cultuur en (beschavings)traditie ongeschikt achtten voor de parlementaire democratie. Daarom is voorzichtigheid op zijn plaats bij het doen van voorspellingen op grond van een interpretatie van de geschiedenis, zeker als deze dienen om politieke opvattingen kracht bij te zetten en in een zichzelf vervullende voorspelling uitmonden. Of geschiedenis, (beschavings)traditie en cultuur betekenen dat Turkije en de Europese Unie op afstand van elkaar zullen blijven, is ongewis.

     

  • Het tegenover elkaar plaatsen van de politiek-culturele identiteit van Europa en Turkije gaat in het algemeen uit van de veronderstelling dat cultuur en beschaving statische begrippen zijn, vaste gegevenheden, waarin geen verandering kan optreden en die bovendien een homogeen, afgesloten geheel vormen. Culturen worden in deze gedachtegang opgevat als biljartballen die kunnen botsen, maar niet in elkaar opgaan.9 De probleemstelling laat in deze benadering geen andere conclusie toe dan dat het probleem onoplosbaar is.

     

  • Waar deze zienswijze op beschavingen en culturen aan voorbij gaat, is dat deze zich ontwikkelen door het verwerken van nieuwe invloeden en elementen uit andere beschavingen.10 Zo hebben Delfts Blauw en Iznik elkaar beïnvloed, het tuinhuis komt uit Turkije en ook koffiedrinken hebben we van de Turken geleerd. Nadat de Turken voor de tweede maal verslagen werden bij Wenen in 1683, en dus niet meer als bedreigend werden ervaren, overspoelde een ware Turkse mode Europa. Omdat het deel uitmaakte van de Europese machtsbalans werd het Ottomaanse rijk in zijn nadagen aangeduid als de zieke man van Europa. Anno 1999 laat de Turkse popzanger Tarkan, die hoog in de hitlijsten staat, zien dat Turkije en Europa (de Europese Unie) elementen van hun cultuur delen. Vanaf de kruistochten, via de zijderoute tot en met de komst van Turkse gastarbeiders, hebben Turkije en de landen van Europa een gedeelde geschiedenis. Op grond van het associatie-akkoord met de Europese Unie en Turkije’s lidmaatschap van de Raad van Europa, de NAVO en de OVSE kan worden gesteld dat Turkije al deel uitmaakt van de Europese (of Europees-Atlantische) waardengemeenschap.

     

  • Wordt, om het bestaan van een onoverbrugbare kloof te staven, niet direct gewezen op de godsdienst of de geschiedenis, dan wordt wel verwezen naar veronderstelde afgeleiden van de islamitische cultuur van Turkije, zoals familie-eer of bloedwraak. Deze komen echter ook voor in andere, mediterrane streken, met een christelijke traditie, zoals bijvoorbeeld in Italië en Frankrijk. Daarin onderscheidt Turkije zich dus niet van (een aantal lidstaten van) de Europese Unie. Dat relativeert ook de vermeende homogeniteit van culturen binnen de Europese Unie.

     

  • Meer in het algemeen geldt dat uit de geschiedenis en cultuur argumenten zijn te ontlenen die pleiten tégen, maar ook vóór Turks lidmaatschap van de Europese Unie. Dit is een kwestie van waardering, van het wegen van gegevens, ontwikkelingen en interpretaties van het heden en verleden. Zo is het heel goed mogelijk op grond van het ‘anders zijn’ van Turkije tot de slotsom te komen dat snelle toetreding tot de Europese Unie juist geboden is, teneinde bij te dragen aan de oplossing van de problemen waarmee Turkije te kampen heeft. Het is natuurlijk niet zeker, dat een in het perspectief van mogelijke toetreding nauw met Europa verbonden Turkije, zijn huidige problemen snel zou kunnen oplossen, maar aanmoediging, kritiek en hulp van de Europese Unie zou dat wel kunnen bevorderen.

    I.4 Slotsom

    Gesteld voor de vraag of de Europese Unie in beginsel bereid moet zijn Turks lidmaatschap te aanvaarden, luidt het antwoord van de AIV bevestigend. Naar het oordeel van de AIV kan Turkije niet worden afgewezen louter op grond van zijn ‘anders zijn’, te weten zijn islamitisch karakter en Ottomaanse geschiedenis. Sterker: toenadering tussen Turkije en de Europese Unie kan in beginsel stabiliteit en welvaart voor alle betrokken landen bevorderen. Wel dienen aan Turkije de voorwaarden te worden gesteld, die in het algemeen gelden voor landen die lid wensen te worden van de Europese Unie. Deze voorwaarden, zoals bekend, liggen op het vlak van de democratie, de rechten van de mens, de behandeling van minderheden, het rechtsstelsel, de vrije markteconomie en het kunnen voldoen aan de verplichtingen van lidmaatschap, zoals door de Europese Unie weergegeven in de criteria van Kopenhagen.11 Het moge duidelijk zijn dat deze criteria in het licht van de politieke cultuur van Turkije een zware horde betekenen, die niet makkelijk te nemen zal zijn. Maar dat doet aan de conclusie van de AIV niets af: er is geen doorslaggevende reden waarom Turkije ten principale als mogelijk lid van de Europese Unie zou moeten worden afgewezen.


    II Turkije: een plaatsbepaling

    II.1 De binnenlands-politieke situatie in Turkije12

    Bepalend voor de hedendaagse Turkse politiek zijn, in de eerste plaats, de stichting van de seculiere staat Turkije in 1923 door Mustafa Kemal Atatürk en, in de tweede plaats, de invoering van de democratie en een meerpartijen stelsel na de Tweede Wereldoorlog, waarvan de werking sindsdien is onderbroken door drie militaire staatsgrepen.

    II.1.1 Het Kemalisme

    In zijn streven de overheersing door en afhankelijkheid van de Europese landen te boven te komen, sticht Mustafa Kemal Atatürk in 1923 de Turkse staat. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog is het Ottomaanse rijk bij het verdrag van Sèvres (1920) opgedeeld tussen de overwinnaars, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het bijzonder. Van het Ottomaanse rijk is niet veel meer over dan een rompstaat in het noorden van Klein-Azië (Anatolië). Bovendien bepaalt het verdrag van Sèvres dat de zeestraten rond Istanbul worden geïnternationaliseerd. Daarnaast zijn delen van het grondgebied militair toebedeeld aan Europese landen (waaronder Griekenland, Italië, en Frankrijk), moet een ander deel onder Armeens gezag worden gebracht en is aan de regio Koerdistan autonomie toegekend, met de mogelijkheid binnen een jaar bij de Volkenbond volledige onafhankelijkheid aan te vragen. Atatürk is erin geslaagd de Turkse woede over “Sèvres” te kanaliseren in politiek en militair verzet. Zijn overwinning in de bevrijdingsoorlog laat zien dat de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog niet bij machte zijn “Sèvres” militair af te dwingen. De overwinning op het slagveld op de Grieken in 1922 bereidt de weg voor de stichting van Turkije een jaar later. Turkije is dan (letterlijk) heroverd op de Europese landen. De vernedering door Europese landen in het verdrag van Sèvres vormt nog altijd een doembeeld in het Turkse bewustzijn. De Turkse onafhankelijkheid vindt internationale erkenning met het verdrag van Lausanne van 1923.

    Om de staat naar Europees model te kunnen moderniseren, ontwikkelt zich onder het bewind van Atatürk een staatsideologie, die later als het Kemalisme bekend zou worden. Deze vormt in hoofdzaak een reactie op het Ottomaanse verleden: niet theocratisch, maar seculier; niet multi-etnisch, maar (Turks) nationalistisch; geen groepsbelangen (minderheden), maar het belang van het gehele volk prevaleert; geen sultanaat met een erfelijk staatshoofd, maar een republiek met een president; geen maatschappelijke en economische stilstand in traditioneel gegroeide verhoudingen, maar voortdurende verandering en modernisering; dit alles in een sterke staat, die het voortouw krijgt toebedeeld bij de hervormingen die van Turkije een sterke, onafhankelijke en economisch bloeiende staat moeten maken.

    De secularisering richt zich niet alleen op de staat, maar ook op het maatschappelijk leven. In het bijzonder wordt in de jaren ‘20 geprobeerd religieuze symbolen te vervangen door symbolen van een gemoderniseerde maatschappij. Daarbij raakt de bevolking niet zozeer de afschaffing van het kalifaat, maar wel de onderdrukking van uitingen van de volksislam. Echter, de werking van de hervormingen moet niet worden overschat. “De hervormingen raakten het leven van de dorpelingen die de grote massa van de bevolking vormden nauwelijks”.13 Toch heeft deze onderdrukking, onbedoeld, ervoor gezorgd dat de islam is gepolitiseerd en vanaf de jaren ’20 tot heden het voertuig bij uitstek is voor oppositie tegen de Turkse staat.

    Onder Atatürks bewind is het streven erop gericht van Turkije een krachtige staat te maken, die, anders dan het Ottomaanse rijk, geen speelbal mag worden van Europese mogendheden. Met dit doel voor ogen modelleert Atatürk Turkije militair, economisch en politiek naar de Europese veroveraars van het Ottomaanse rijk. Na de ineenstorting van dit multiculturele, uit verscheidene volkeren bestaande rijk en de afschaffing van het islamitisch kalifaat in 1924 vervangt de idee van een uit de geschiedenis stammende Turkse natie de islam als identificatiemogelijkheid voor de nieuwe natie. Het doel van deze Turkificatie is het brengen van maatschappelijke en politieke samenhang in een nieuwe staat, waarin bevolkingsgroepen van geheel verschillende oorsprong, min of meer toevallig, door de loop van de geschiedenis zijn samengebracht. Als gevolg van de Ottomaanse geschiedenis toont het Turkse bewind zich gevoelig voor machtsverval en verlies van (gebieden met) bevolkingsgroepen. Daarom hanteert het Turkificatie als middel om politieke en maatschappelijke coherentie te scheppen, om een natie van de grond te krijgen. Dit leidt tot van staatswege opgelegde uniformiteit. Deze is nog versterkt, in de eerste helft van deze eeuw, door de gedwongen migratie op grote schaal, waarbij minderheden (onder andere Grieken, Armenen) worden gedwongen uit Turkije te vertrekken. Daaraan zijn de moordpartijen op Armenen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog vooraf gegaan. Ook Turkse minderheden van elders zien zich in deze roerige periode gedwongen huis en haard te verlaten om zich in het nieuwe Turkije te vestigen. Nog in de jaren ‘50 zijn vele Grieken uit Istanbul verdreven. Deze etnische zuiveringen avant la lettre uit het verleden en de consequent, tot op de dag van vandaag volgehouden Turkificatie hebben er in belangrijke mate aan bijgedragen dat religieuze, etnische en culturele verschillen tussen groepen van de Turkse bevolking aan het zicht worden onttrokken.

    Het streven naar een uniforme Turkse identiteit, geschoeid op Westerse leest, krijgt onder meer gestalte in de invoering van het Latijnse alfabet en de Gregoriaanse kalender, de zuivering van de taal van Arabische en Perzische invloeden en kledingvoorschriften naar Westerse snit. Tot op de dag van vandaag erkent de Turkse staat geen minderheden, behoudens enkele religieuze (de Grieks orthodoxe, de Armeens-christelijke en Joodse minderheid). Erkenning van andere verschillen tussen bevolkingsgroepen - zo kent Turkije onder meer Alevieten, Syrisch orthodoxen, Lazaren en Koerden - vat de Turkse regering op als de eerste stap op het hellende vlak van maatschappelijke en politieke verdeeldheid. Het krampachtig vasthouden aan de uniforme Turkse identiteit maakt het tot op de dag van vandaag praktisch onmogelijk maatschappelijke en politieke tegenstellingen te overbruggen. Hoezeer de Turkificatie een hindernis kan vormen voor het lidmaatschap van de Europese Unie, mag blijken uit het gegeven dat premier Ecevit nog altijd niet bereid is publiekelijk de Kopenhagen-criteria te aanvaarden omdat Turkije geen minderheden kent, doch slechts Turkse staatsburgers.14 Zo schept het Kemalisme zijn eigen minderheidsproblemen, aangezien, vanuit die optiek, vraagstukken rond minderheden niet bestaan en dus onbespreekbaar zijn.

    Tot op de dag van vandaag is wetenschappelijk onderzoek in staatsarchieven naar het Turkse verleden aan restricties onderworpen, zeker waar het gaat om het machtsverval van het Ottomaanse rijk en de behandeling van minderheden. De politieke cultuur van Turkije wordt gekenmerkt door historische bijziendheid en een verkrampte omgang met het eigen verleden. Erkenning in de geschiedschrijving van de inherente zwakheden van het Ottomaanse rijk kan eraan bijdragen dat Turkije zich niet langer een miskende natie hoeft te voelen, waarvan de grootheid door buitenstaanders ten onrechte niet wordt gezien. Bovenal moet Turkije in het reine zien te komen met het eigen verleden waar het gaat om de behandeling van Armenen en Grieken. De behandeling van andere minderheden, in het bijzonder de Koerden, kan daaraan worden toegevoegd. Het loslaten van geschiedkundige mythes van gekwetste eer en slachtofferschap en het tegengaan van gemakzuchtige beeldvorming, kortom verwerking van het verleden, kan ten goede komen aan de vestiging van een pluralistische, democratische politieke cultuur in het Turkije van heden.

    II.1.2 De rol van de staat en de krijgsmacht in de Turkse binnenlandse politiek

    Bij afwezigheid van een sociale klasse die de ontwikkeling en modernisering van Turkije ter hand kon nemen, is deze taak toegevallen aan de staatsbureaucratie en aan de krijgsmacht, de best georganiseerde en meest ervaren gezagsdragers. Dit heeft de bureaucratie en de krijgsmacht binnenlands uiterst sterke posities bezorgd. Dit geldt zeker voor de krijgsmacht, die een bijna onaantastbare posite in Turkije heeft verworven die haar in staat stelt een belangrijk stempel te drukken op de binnenlandse politiek. De Turkse krijgsmacht heeft in 1960, in 1971 en in 1980 in de politiek ingegrepen door een staatsgreep omdat, naar het oordeel van de militairen, de Kemalistische erfenis teloor dreigde te gaan. Even zo vele malen heeft de Turkse krijgsmacht de staatsmacht weer in handen gelegd van een burgerregering, waarbij de militairen dan wel eisen dat het poltieke debat wordt gevoerd binnen de grenzen van de Kemalistische staatsideologie.

    De (door de militaire coupplegers van 1980 opgestelde) grondwet bepaalt dat de krijgsmacht de opdracht heeft de integriteit van de Turkse staat te bewaken en dat deze erop toeziet dat de Kemalistische staatsideologie en het seculiere karakter van het Turkse staat worden gehandhaafd. Dit biedt het leger alle ruimte om te fungeren als anker van stabiliteit, een zelfopgelegde taak die voortkomt uit zijn unieke rol in de vorming en ontwikkeling van Turkije. De rechtvaardiging die de krijgsmacht heeft gegeven voor zijn nadrukkelijke aanwezigheid op het Turkse politieke toneel of in de coulissen, verschilt nogal in de loop van de tijd en kan uiteenlopen van ‘vijanden’ als het communisme tot het islamitisch fundamentalisme.

    Ter illustratie van de omstandigheden waarin de Turkse militairen zich gedwongen hebben gezien op te treden, wordt kort ingegaan op de situatie in Turkije aan het eind van de jaren zeventig. Gewapende communistische groepen hebben in die tijd delen van Turkije ‘bevrijd’, met als gevolg dat de Turkse autoriteiten daarover destijds geen zeggenschap meer hadden. Beroemd of berucht is de stad Fatsa aan de Zwarte Zee, waar, naar verluidt, voorbereidingen zijn getroffen om de Sovjets van de overzijde te vragen Turkije binnen te trekken. In dezelfde periode tonen Erbekan en zijn islamisten zich zeer ingenomen met de islamitische revolutie in Iran in 1979. Zij hebben geprobeerd in de stad Konya een islamitische vrije zone te scheppen. Of dit verlies aan zeggenschap van de Turkse autoriteiten, alsmede de straatoorlog die in deze tijd woedt tussen linkse en rechtse facties, voldoende rechtvaardiging is geweest voor een militaire staatsgreep, zal altijd een punt van discussie blijven. Wel is deze onoverzichtelijke situatie in Turkije destijds mede het gevolg geweest van het onverantwoordelijk gedrag van burgerpolitici. Om die reden verwijzen militairen nog altijd naar het populisme, het machtsmisbruik, het clièntelisme en de fraude van de politici om hun rol op het politieke toneel te rechtvaardigen. Deze medaille heeft echter twee kanten: zolang de krijgsmacht bereid is haar rol van stabilisator te spelen, kunnen burgerpolitici zich dit gedrag veroorloven. Ze hoeven zich immers niet verantwoordelijk te voelen voor de stabiliteit van het Turkse politieke stelsel.

    De krijgsmacht speelt haar politieke rol voornamelijk door invloed aan te wenden achter de schermen. De afgelopen drie jaar, echter, heeft de generale staf daarnaast met de regelmaat van de klok verklaringen uitgebracht.15 Deze worden in het algemeen gezien als waarschuwingen aan de politici het Kemalistische pad niet te verlaten. De wijzigingen in het schoolsysteem en het strikt naleven van de voorschriften voor het (niet-)dragen van hoofddoekjes in openbare gebouwen, zijn slechts enkele van de kwesties waar de militairen zich de afgelopen jaren mee bezig hebben gehouden. Het lijkt dan ook niet overdreven om te stellen dat het politieke profiel van de krijgsmacht nog niet zo hoog is geweest sinds ze in 1983 de staatsmacht weer in handen van de burgers heeft gelegd.

    Het politieke orgaan waar de militairen hun invloed doen gelden, is de Nationale Veiligheidsraad. Hierin hebben, naast de chef van de generale staf en de bevelhebbers van de krijgsmachtdelen (landmacht, luchtmacht, marine en gendarmerie), de president, de premier en de ministers van Defensie, Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken zitting. Hoewel over de interne besluitvorming van de Nationale Veiligheidsraad weinig bekend is, lijkt de indruk gewettigd dat de militairen tegenover de burgerpolitici een dusdanig gewicht in de schaal leggen, dat van democratische controle van de krijgsmacht niet kan worden gesproken, al is het maar omdat de mogelijkheid van militair ingrijpen als een schaduw over de Nationale Veiligheidsraad hangt. De chef van de generale staf, de hoogste militair in Turkije, is verantwoording verschuldigd aan de premier, doch handelt in de praktijk autonoom. Hij, en niet de minister van Defensie, heeft de controle over de krijgsmacht.

    Sinds het begin van de jaren negentig richt de krijgsmacht zich binnenlands voornamelijk op het tegenwerken van de politieke islamisten, aangezien deze worden gezien als bedreiging voor het seculiere karakter van het politieke stelsel. Dit ondanks de introductie door de krijgsmacht van een zekere mate van islamisering na de staatsgreep van 1980. De islam werd toentertijd gezien als heilzaam medicijn tegen het communistische gif. In 1997 is de toenmalige premier Erbakan, leider van de islamitische Welvaartspartij, door toedoen van de militairen afgetreden. De Welvaartspartij is een jaar later verboden en Erbakan is het recht ontzegd aan de verkiezingen van 18 april 1999 mee te doen. Na de val van het kabinet Yilmaz in oktober 1998 heeft de top van de krijgsmacht er nadrukkelijk voor gewaarschuwd de leider van de islamitische Deugdpartij, de opvolger van de Welvaartspartij, niet te belasten met de vorming van de overgangsregering die de verkiezingen van 18 april 1999 heeft georganiseerd.

    Met hun politieke rol hebben de militairen een belangrijk stempel gedrukt op de Turkse politieke cultuur: de Kemalistische elite - burgers en militairen - heeft de neiging politieke verhoudingen te bezien in termen van vijanden, van interne en externe bedreigingen voor de Turkse integriteit, voor de eenheid of voor het secularisme.

    Resumerend kan worden gesteld dat de krijgsmacht een stabiliserende rol speelt en ter rechtvaardiging hiervan strikt vasthoudt aan de letter en geest van het Kemalisme. Hiermee dragen de militairen echter tegelijk bij aan het gesloten karakter van het Turkse politieke stelsel, wat zich slecht verdraagt met het streven naar een pluralistische, open democratie in Turkije.

    II.1.3 Het Kemalisme onder druk

    Na de Tweede Wereldoorlog voert de Turkse staat het meerpartijensysteem in en staat de ontwikkeling toe van particulier ondernemerschap. Dit onder invloed van wijdverbreid binnenlands verzet tegen het dictatoriale beleid beleid van de toenmalige regering. Ook de voorbeeldwerking van het Amerikaanse kapitalisme en de pluralistische democratie, alsmede de voorwaarden verbonden aan de Marshall-hulp voor Turkije, spelen hier een rol. De houding van staatswege tegenover de beleving van de islam verzacht in deze periode enigszins.16

    In de loop van de tijd begint het toestaan van (burgelijke, economische en religieuze) vrijheden te knagen aan de Kemalistische grondslag van de Turkse staat. Te meer daar de staatsideologie onvoldoende in staat blijkt een antwoord te bieden op de politieke en economische problemen waar staat en maatschappij mee worden geconfronteerd. Een impliciete erkenning van de tekortkomingen van het Kemalisme vormt, in de jaren ’80 en begin jaren ’90, het beleid van premier, later president, Özal. Dit kan worden gezien als een poging te komen tot een Turks-islamitische synthese, waarin politieke democratisering, economische dynamiek en een nationalistische, Turkse beleving van de islam met elkaar worden gecombineerd. Özals ideaal is dat iedere Turk tegelijk ‘een laptop en de Koran’ op schoot heeft. Deze synthese slaagt echter niet omdat de politieke kracht van Özals beweging verloopt, niet in de laatste plaats vanwege verdenkingen van omkoping en fraude.

    Sinds het tijdperk Özal wordt het Turkse politieke stelsel geplaagd door instabiliteit. In nauwelijks acht jaar heeft Turkije meer dan tien regeringen versleten. Hieraan liggen niet alleen politieke verschillen van inzicht ten grondslag, maar ook een fragmentatie van het politieke stelsel in Turkije op grond van andere factoren. In de eerste plaats is er een veelkleurig partijenlandschap. Aan de verkiezingen van 18 april 1999 hebben dan ook een groot aantal partijen deelgenomen. Er zijn twee centrum-rechtse partijen (Moederlandpartij en de Partij van het Juiste Pad), die beide minder stemmen hebben behaald dan verwacht bij de verkiezingen van 18 april 1999. Uiterst rechts op het politieke spectrum bevindt zich de Partij van Nationalistische Actie die bij deze verkiezingen, boven verwachting, meer dan 18% van de stemmen heeft behaald. Daarnaast zijn er twee centrum-linkse partijen, waarvan de Democratisch-Socialistische Partij van premier Ecevit met 21.5% van de stemmen algemeen wordt gezien als de winnaar van de verkiezingen van 18 april 1999, mede in de hand gewerkt door het electoraal aansprekende succes van de gevangenneming van PKK-leider Öcalan. De andere centrum linkse partij, de Republikeinse Volkspartij, is met deze verkiezingen uit het parlement verdwenen omdat ze de kiesdrempel niet heeft gehaald. Daarnaast is er nog de islamitische Deugdpartij, die de opvolger vormt van de in januari 1998 verboden Welvaartspartij. De islamisten hebben gedurende de jaren ‘90 gestadig hun stemmental weten te vergroten, waarbij hun opkomst mede is bevorderd door de versplintering ter linker- en rechterzijde. In tegenstelling tot de verwachtingen is de Deugdpartij bij de verkiezingen van 18 april 1999, ondanks een resultaat van meer dan 20% van de stemmen, niet de grootste politieke partij geworden. Wel zijn burgemeesters van een aantal belangrijke steden, waaronder Istanbul en Ankara, afkomstig uit de gelederen van de Deugdpartij. De Koerdische partij, HADEP, heeft de kiesdrempel niet gehaald. In het Zuid-Oosten van Turkije zijn wel bijna 40 burgemeesters afkomstig uit de HADEP.

    Op grond van de bovengeschetste verkiezingsuitslag is in mei 1999 een regering Ecevit gevormd, waaraan de Democratisch-Socialistische Partij, de Partij van Nationalistische Actie en de Moederlandpartij deelnemen. Van in het bijzonder de beide eerstgenoemde partijen wordt verwacht dat ze een nationalistische koers zullen varen, zij het dat de Partij van Nationalistische Actie scherper aan de wind zeilt dan de Democratisch-Socialistische Partij van premier Ecevit. Dat zal, vanzelfsprekend, zijn weerslag hebben op het regeringsbeleid.

    De fragmentatie van het Turkse politieke stelsel is verder in de hand gewerkt door:

     

  • de rijk geschakeerde Turkse samenleving
    Er is als het ware niet één Turkije; er zijn er verscheidene: naast het moderne Turkije is er het Turkije van de grote staatsbedrijven, het Turkije dat aan het industrialiseren is en het Turkije van het platteland. Van belang in dit verband is ook de grote trek van het platteland naar de stad, die met recht een maatschappelijke omwenteling kan worden genoemd: ongeveer een half miljoen mensen komen jaarlijks van het platteland van Anatolië om zich in steden te vestigen, in het bijzonder in Istanbul. Onvoorspelbaarheid en instabiliteit worden ook veroorzaakt door de vluchtige samenklontering in de gecekondu’s (half platteland/half stad), in de buitenwijken van steden.

     

  • een sterke nadruk op personen in plaats van programma’s
    Vooral door de staatsgrepen uit het verleden en het daarop volgende verbod van politieke partijen hebben veel van de huidige partijen onvoldoende wortels in de maatschappij. Keer op keer zijn de oude politici onder druk van het volk teruggekeerd, terwijl de ‘oude’ politieke partijen verboden bleven. De partijen als dragers van ideeën en standpunten zijn hierdoor ondergeschikt aan de persoonlijkheidscultus rond politieke leiders en ontwikkelen nauwelijks programma’s met perspectief op verzoening van politieke en sociale verschillen. De leiders op hun beurt weten van geen wijken en zijn, vanwege jarenlange gegroeide onderlinge rivaliteit, slechts in staat tot het vormen van fragiele coalities. De jongere garde staat vaak geen andere weg open om hogerop te komen dan door het oprichten van een nieuwe partij, wat verdere versnippering van het politiek stelsel in de hand werkt.

     

  • onvoldoende verantwoordelijkheid ten opzichte van de publieke zaak
    De nadruk op personen in plaats van op programma’s werkt in de hand dat politieke partijen zich onvoldoende bekommeren om de publieke zaak, doch in hoofdzaak voertuig worden voor het behartigen van particuliere belangen. Beschuldigingen van nepotisme, fraude en omkoperij zijn schering en inslag. Ook worden politici en ambtenaren, met inbegrip van de politie, gendarmerie en vertegenwoordigers van het gevangeniswezen, steeds vaker verdacht van nauwe banden met de georganiseerde misdaad. (Over de krijgsmacht worden dergelijke beschuldigingen niet geuit.) Deze beschuldigingen kleven in het bijzonder aan de Turkse politieke klasse, met afnemend publiek vertrouwen in de politiek en overheid als gevolg.

    Daar komt bij dat Turkije nog weinig non-gouvernementele organisaties kent, die in dit opzicht tegenwicht kunnen bieden aan politieke partijen. Die er zijn (zoals de werkgeversorganisatie Tusiad, enkele vakbonden en mensenrechtenorganisaties) ondervinden geregeld tegenwerking van de staat of - dit geldt in het bijzonder voor mensenrechtenorganisaties - wordt het praktisch onmogelijk gemaakt activiteiten te ontplooien. Er is nog onvoldoende inbedding van de publieke zaak in een ‘civil society’, die breed gedragen politieke en maatschappelijke afwegingen mogelijk maakt, de politieke agenda kan helpen vormen e.d. De ‘civil society’ is nog onvoldoende ontwikkeld.

    Ook de mondialisering laat Turkije niet onberoerd, wat de Kemalistische grondslag van de Turkse staat verder onder druk zet. Economische markten zijn internationaal, media en andere vormen van communicatie overschrijden grenzen en ook de bevolking is aanmerkelijk meer mobiel geworden. Kortom, Turkije kan zich niet (langer) afschermen voor politieke, economische en culturele invloeden van elders uit de wereld.

    II.1.4 De politieke rol van de islam

    De Kemalistische staatsideologie heeft geprobeerd de Turkse bevolking een nationaal en seculier alternatief te bieden voor de Ottomaanse en islamitische identiteit. De politieke en economische elite, in de steden in het westen van Turkije, heeft zich deze nieuwe identiteit eigen gemaakt, in die mate dat vertegenwoordigers van deze elite kunnen worden aangemerkt als de dragers van het Kemalisme. Voor de rest van de bevolking is het Kemalisme van veel minder betekenis.

    Zeker vanaf het begin van de jaren negentig is het niet overdreven te spreken van een nieuwe opleving van de politieke islam. De Turkse staat heeft daarvoor ook de ruimte geboden, aangezien een beroep op de islam als inspiratiebron voor het bedrijven van politiek niet langer wordt opgevat als subversie. De islamisten hebben zich meer en meer aangediend als een dynamische kracht voor maatschappelijke verandering, mede met financiële steun van Turkse emigranten in Europa. De islamitische beweging lijkt inmiddels maatschappelijk te zijn geworteld, niet alleen vanwege een groeiend religieus bewustzijn, maar ook door het aanbieden van voorzieningen op de gebieden waar de Turkse overheid het laat afweten. Hierbij kan worden gedacht aan (betaalbare) onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting, maar ook aan schoon drinkwater in de zomer en kolen in de winter voor armlastige hiushoudens. Langzamerhand heeft zich een islamitische parallel-maatschappij ontwikkeld met een eigen markt voor boeken, geluidscassettes, kranten, televisie e.d.

    Negenennegentig procent van de Turken is moslim, voor het overgrote deel Soennieten. Veruit de meesten van hen beleven hun geloof gematigd. De Alevieten - ongeveer een derde van de bevolking - hangen een stroming aan die Sjiitische en andere religieuze elementen in zich verenigt. Over de plaats die religie in zou moeten nemen ten opzichte van de staat en binnen de maatschappij, bestaan in Turkije verschillende opvattingen:

     

  • In de eerste plaats zijn er de kemalisten die de status quo wensen te handhaven. Deze steunen de staatscontrole van de islam door het directoraat voor Godsdienstzaken en kunnen zich goed vinden in deze vorm van secularisme. Meer liberaal getinte opvattingen, hoewel niet ongelukkig met de status quo, bepleiten een scheiding van kerk en staat;
  • In de tweede plaats zijn er de gematigde islamisten. Deze willen het seculiere karakter van Turkije afzwakken. De aanhangers zijn overwegend afkomstig uit een relatief nieuwe economische elite, in meerderheid afkomstig uit het Oosten van Turkije, opgekomen vanwege handelscontacten met Centraal-Azië en het Midden-Oosten;
  • Tot slot is er de kleine groep van fundamentalistische islamisten. Deze verwerpen de inrichting van het Turkse staatsbestel en wensen Turkije te modelleren naar Iran of Saoedi-Arabië.17

    In de Deugdpartij hebben de gematigde islamisten momenteel de overhand. In haar ideologie richt de Deugdpartij zich op traditionele Turkse waarden, met inbegrip van de religieuze tradities, en verwerpt ze het westerse consumentisme. De islam biedt voor de aanhangers van de Deugdpartij een bron van identiteit, van legitimiteit en van macht, maar lijkt vooral perspectief te bieden op betere tijden. In het lokaal bestuur presteren de vertegenwoordigers van de Deugdpartij naar behoren. Bovendien lijken ze minder vatbaar voor corruptie, nepotisme en andere malafide praktijken dan vertegenwoordigers van de seculiere partijen.

    Er wordt vaak gesuggereerd dat de meer radicale islamitische stromingen een acuut gevaar vormen voor de Turkse staat en maatschappelijke orde. De aanhangers van het Kemalisme roepen dit maar al te graag als een spookbeeld op, om tegenkrachten tegen de politieke islam te mobiliseren. In dit verband is het van betekenis dat de invoering van de vrije markteconomie onder Özal een ver doorgevoerd kapitalistisch stelsel tot stand heeft gebracht, waardoor de kloof tussen arm en rijk inmiddels schrikbarende afmetingen heeft aangenomen. Op de economische achterstand van een steeds groter wordende groep biedt het Kemalisme onvoldoende antwoorden. Het is de vraag of op deze wijze niet omstandigheden ontstaan, in een islamitische beweging die verder politiseert, waarin radicale islamitische stromingen kunnen gedijen.

    II.2 Turkije in de regio

    II.2.1 Strategische en regionale betekenis

    Gedurende de Koude Oorlog zijn weinig woorden besteed aan de vraag naar de strategische betekenis van Turkije. Turkije was (en is) lid van de NAVO en geassocieerd met de Europese Unie (Gemeenschap) en hoorde daarom bij het Westen. Het ging gedurende de Koude Oorlog om het sluiten van de gelederen tegenover de ideologische tegenvoeter aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Het strategisch belang om Turkije stabiel en Westers georiënteerd te houden, verklaart de coulante houding tegenover de gebrekkige democratisering en de schending van de mensenrechten en van de rechten van de minderheden.18 Het gegeven dat deze en andere kwesties nu met meer nadruk aan de orde worden gesteld, duidt erop dat het politieke klimaat voor Turkije na het einde van de Koude Oorlog inderdaad is veranderd.

    Voor de Verenigde Staten is Turkije een belangrijke strategische partner gebleven, ook na het einde van de Koude Oorlog, vooral met het oog op het Amerikaanse beleid ten aanzien van het Midden-Oosten, de Kaukasus, Centraal-Azië en de Russische Federatie. Zo zijn de Turkse vliegbases wezenlijk voor de controle van het luchtruim van Irak (operatie “Provide Comfort”) en spelen een rol bij de luchtoperaties boven Servië (klein Joegoslavië). De zuidflank van de NAVO heeft voor de Verenigde Staten bovendien aan betekenis gewonnen. De recente intensivering van de Turks-Israëlische contacten wordt in Washington verwelkomd en gestimuleerd. In februari 1996 heeft Turkije een militaire samenwerkingsovereenkomst met Israël gesloten. De Verenigde Staten, Israël en Turkije hebben sindsdien gezamenlijke militaire oefeningen gehouden. Tevens zijn de Verenigde Staten een belangrijke wapenleverancier voor Turkije, zij het dat de militairen steeds meer aansturen op binnenlandse produktie om niet kwetsbaar te zijn voor embargo’s. Daarnaast bieden de betrekkingen met de Verenigde Staten voor Turkije een alternatief voor de Europese Unie.

    Sinds Turkije op de Europese Raad in Luxemburg in december 1997 zich niet erkend voelt als kandidaat-lidstaat voor de Europese Unie, streeft het, nadrukkelijker dan voorheen, een multidimensioneel buitenlands beleid na. De traditionele gerichtheid op de Verenigde Staten en de Europese Unie wordt aangevuld met een intensivering van de contacten in de regio. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie worden historische banden aangehaald met tal van landen rond Turkije die in het recente verleden tot de Sovjet-Unie behoorden. Doel is in de eerste plaats Turkije alternatieven te verschaffen ten opzichte van de Europese Unie. De buitenlands-politieke belangen van Turkije reiken inmiddels verder dan de Europese Unie; het gaat om Eurazië. In Turkse ogen versterken de processen van het aanknopen van politieke betrekkingen vanuit Turkije elkaar. Hoe beter de betrekkingen met de Europese Unie, des te beter die met de landen van het Midden-Oosten, de landen van de Kaukasus, de Russische Federatie, de landen van Centraal-Azië, de Balkan e.d. Bij het Turkse streven naar een multidimensioneel buitenlands beleid dient wel te worden opgemerkt dat de opening naar Centraal-Azië, de Kaukasus en de Arabische en islamitische wereld wordt beperkt door een gebrek aan financiële middelen. Tot op zekere hoogte fungeert Turkije - een seculiere staat met een islamitische identiteit - als rolmodel voor (taal)verwante staten in Centraal Azië. Door toedoen van de Turkse regering is bijvoorbeeld Turkmenistan overgegaan van het cyrillisch op het Latijnse schrift.

    De positie van Turkije in de regio kan voorts worden belicht aan de hand van de volgende punten:

     

  • Turkije heeft nauwe banden met Israël. In een poging de indruk weg te nemen van een anti-Arabische alliantie onderhoudt het tevens intensieve betrekkingen met Jordanië;
  • tussen Turkije en Syrië heerst rivaliteit, onder meer tot uitdrukking komend in de Syrische steun voor de gewapende opstand van de PKK. Als reactie hierop heeft Turkije in de herfst van 1998 de militaire druk op Syrië opgevoerd in een poging deze steun voor de PKK te beëindigen. Het meest in het oog springende gevolg is dat de leider van de PKK, Öcalan, zich niet langer op Syrisch grondgebied kan schuilhouden en, na een odyssee over Europese landen en Afrika (Kenia), zich in een Turkse gevangenis bevindt. Het ziet er bovendien naar uit dat Syrië zijn steun voor de PKK heeft beëindigd;
  • voortkomend uit de traditionele vijandschap tussen het Perzische en Ottomaanse rijk, heerst tussen Iran en Turkije nog een zekere rivaliteit. Afhankelijk van de mate waarin Iran, na de islamitische revolutie van 1979, streeft naar verbreiding van zijn theocratisch politiek systeem over andere landen, zal de rivaliteit met Turkije in gewicht variëren;
  • alhoewel die in het verleden gemeenschappelijk werd gevoerd, vormt de strijd tegen de Koerden door de Turkse militaire operaties in Noord-Irak, inmiddels een bron van irritatie voor Irak, en in mindere mate voor Syrië. Ook de steun aan de Amerikaanse en Britse luchtoperaties boven Irak draagt niet bij aan de verbetering van de betrekkingen tussen beide landen;
  • met Syrië en Irak bestaat onenigheid over het gebruik van watervoorraden van de Eufraat en de Tigris, die vanuit Turkije Irak en Syrië instromen. Door de aanleg van dammen in de bovenloop van beide rivieren ten behoeve van irrigatie en de opwekking van energie beheerst Turkije sinds enkele jaren de toevoer van water naar Irak en Syrië.

    Turkije is geassocieerd lid van de WEU. Hoewel het nog geen lid is van de Europese Unie wil Turkije volledig lid worden van de WEU omdat het dan volledig is betrokken bij het overleg over de veiligheid in Europa. Naarmate het overleg over (aspecten van) de Europese veiligheid meer gestalte zal krijgen in de Europese Unie wil Turkije ook hierbij op pragmatische wijze worden betrokken. Op de NAVO-top in Washington van april 1999 is (opnieuw) gebleken dat, zolang het niet bij het overleg en de besluitvorming is betrokken, Turkije niet bereid is op reguliere grondslag NAVO-middelen ter beschikking te stellen van Europese landen ten behoeve van militaire operaties. Turkije wil per geval bezien of NAVO-middelen beschikbaar kunnen worden gesteld en tijdig bij de besluitvorming hierover worden betrokken. De AIV beschouwt deze betrokkenheid van Turkije als noodzaak om de mogelijkheid van Europees geleide militaire operaties handen en voeten te geven en als kans om Turkije dichter bij (delen van) de tweede pijler van de Europese Unie te betrekken.

    Hoewel de Turkse regering zich gekrenkt voelt door het verloop van de discussie over Turks lidmaatschap van de Europese Unie stelt ze zich tot nog toe op het standpunt dat de bilaterale betrekkingen, noch de NAVO hieronder mogen lijden. Daarom maakt de Turkse regering nauwkeurig, doch enigszins kunstmatig, onderscheid tussen zijn betrekkingen met de Europese Unie en met de lidstaten van de Unie. Ook is het niet de bedoeling dat lidstaten van de NAVO, die ook lid zijn van de Unie, in hun betrekkingen met Turkije nadeel ondervinden van de opstelling van de Europese Unie tegenover Turkije.

    De economische aspecten van Turkije’s strategische betekenis hebben na het einde van de Koude Oorlog aan belang gewonnen. Turkije kan een sleutelrol gaan spelen in de energietoevoer van Oost (Centraal-Azië) naar West (Europa). Turkije wil zich ook ontwikkelen tot een belangrijk knooppunt voor de toevoer van energie uit de regio van de Kaspische Zee en delen van het Midden-Oosten (olie en aardgas). Door zijn ligging biedt Turkije een alternatieve route voor de Russische Federatie voor pijpleidingen van het Kaspische Zee-bekken naar Europa. Voor Turkije is de belangrijkste aan te leggen pijplijn die tussen de hoofdstad van Azerbaidjan, Bakoe, en Ceyhan, een voor supertankers toegankelijke zeehaven in het Zuid-Oosten van Turkije. De vraag is of de hoge investeringen, die de aanleg van een dergelijke pijplijn vergen, kunnen renderen gezien de huidige, lage olieprijzen. Bovendien lijken recente prognoses omtrent olievoorraden in de regio van de Kaspische Zee erop te wijzen dat de verwachtingen van begin jaren ‘90 naar beneden moeten worden bijgesteld. Ook de instabiliteit in het Zuid-Oosten van Turkije vanwege de gewapende strijd met de PKK - hoewel deze lijkt te luwen - maakt het bedrijfsleven nog steeds terughoudend.

    Turkije neemt deel aan een aantal regionale samenwerkingsverbanden, zoals de Organisatie van Islamitische staten, de D(development) 8, de South Eastern Cooperation Initiative e.d. In aanleg veelbelovend lijkt de Zwarte Zee Economische Samenwerking (‘Black Sea Economic Cooperation’). Deze regionale samenwerking moet nog van de grond komen en vormt dan ook geen alternatief voor samenwerking met de Verenigde Staten en (de lidstaten van) de Europese Unie. Naar het oordeel van de AIV dient de Europese Unie Turkije financieel te steunen door het (hernieuwd) beschikbaar stellen van Meda-fondsen, maar ook anderszins aan te moedigen om de regionale samenwerking te verdiepen. De AIV beveelt de Nederlandse regering aan dit te bevorderen. Hiermee is een Europees en Nederlands belang gemoeid, mede gezien de groeiende economische betekenis van de landen rondom Turkije.

    II.2.2 Turks buitenlands beleid en de islam

    In het buitenlands beleid van Turkije speelt de islamitische traditie tot op zekere hoogte al langere tijd een rol en niet pas sinds de regering Erbakan, zoals veelal wordt verondersteld. Het militaire bewind dat in de periode 1980 - 1983 aan de macht is, vaardigt als eerste Turkse regering een regeringsleider af naar de periodieke conferentie van de organisatie van islamitische staten. Zij is daartoe genoodzaakt, in een poging financiële steun en kredieten te verwerven, aangezien de Westerse regeringen in deze periode, vanwege de staatsgreep, de geldkraan dicht hebben gedraaid.19 Özal, als premier en als president, heeft de islamitische oriëntatie van het Turkse buitenlands beleid onderstreept, mede op grond van zijn binnenlandse Turks - islamitische synthese, waarbij Özal Turkije presenteert als “natuurlijke brug” tussen Oost en West. Tot op de dag van vandaag probeert Turkije in zijn buitenlands optreden voor (het bedrijfsleven uit) andere landen te fungeren als springplank voor het aanknopen van betrekkingen met landen uit de regio. Daarbij kan overigens worden aangetekend dat deze brugfunctie, politiek en economisch, voor het Turkse zelfbeeld aanmerkelijk meer gewicht heeft dan andere landen eraan hechten omdat deze bij voorkeur directe contacten leggen. Niettemin vestigen bedrijven zich steeds meer in Turkije met als bijkomend doel een opening te creëren naar de Centraal-Aziatische markt.

    Het is op de bovengeschetste grondslag dat Erbekan in de periode 1996 - 1997 het islamitisch karakter van het Turks buitenlands beleid heeft willen onderstrepen. Hierbij kon hij het binnenlands-politieke krachtenveld, in het bijzonder de positie van de militairen, niet negeren. Onder zijn bewind is de samenwerking met Israël dan ook uitgebreid met wapenproduktie. Niettemin heeft Erbekan, onder meer door bezoeken aan Iran en Libië, het Turkse buitenlands beleid nadrukkelijk als islamitisch willen presenteren.


    III De rechten van de mens in Turkije

    III.1 Algemeen20

    In hoofdstuk II is gewezen op de etatistische traditie, de autoritaire trekken van het Turkse politieke stelsel en het beleid van Turkificatie. Het is het ontbreken van een pluralistisch, democratisch stelsel dat afstand schept tussen Turkije en (de lidstaten van) de Europese Unie. Immers, veel landen, in Europa maar ook in Latijns-Amerika, zijn recentelijk naar zo’n stelsel overgegaan. Bij een pluralistisch, democratisch stelsel gaat het er niet alleen om dat geregeld vrije verkiezingen worden gehouden, maar ook dat alle machtsuitoefening van staatswege is onderworpen aan controle door het parlement, door een vrije pers en in een open publiek debat kan worden beoordeeld. Zo nodig moet de overheid ter verantwoording kunnen worden geroepen voor een onafhankelijke rechter. Het is het respect voor de rechten van de mens dat bijdraagt aan de opbouw van de vrije instituties van de ‘civil society’. In II.1.3 is geconstateerd dat deze in Turkije nog onvoldoende tot ontwikkeling zijn gekomen.

    Zoals aangegeven in hoofdstuk II heeft de Turkse krijgsmacht beperkingen gesteld aan het politieke debat, die zijn te verklaren uit de wordingsgeschiedenis van de staat Turkije zijn en het Kemalisme:

    1. aan de territoriale integriteit en eenheid van Turkije mag niet worden getornd. Ook erkent de Turkse staat geen minderheden, behalve religieuze (zie II.1.1). Degenen die zich niettemin als (vertegenwoordiger van) een minderheid presenteren, doen afbreuk aan de eenheid van Turkije of worden beschuldigd van separatisme;
    2. het seculiere karakter van de Turkse staat mag niet ter discussie worden gesteld. Deze is vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de Grondwet. Aan de staatscontrole van de godsdienst mag niet worden getornd.

    De kwetsbare groepen in Turkije zijn de groepen waarvan de politieke doelstellingen zich buiten deze grenzen bevinden, zoals degenen die zich een minderheid voelen en daarvoor uitkomen (in hoofdzaak Koerden), degenen die de verhouding kerk - staat ter discussie stellen (een deel van de politieke islamisten), degenen die voor de rechten van de bovengenoemde groepen opkomen (in het algemeen vertegenwoordigers van mensenrechtenorganisaties) en degenen die daarover publiekelijk rapporteren (journalisten). Ter illustratie: al vóór de verkiezingen van 18 april 1999 is de openbare aanklager in Ankara een onderzoek begonnen naar de pro-Koerdische HADEP-partij, wegens al dan niet vermeende banden met de PKK. In de aanloop naar deze verkiezingen zijn tientallen vertegenwoordigers van deze partij gevangen gezet. Bij de installatie van het parlement na de verkiezingen van april 1999 heeft een vertegenwoordigster van de Deugd-partij een hoofddoekje gedragen. Tegen deze partij is daarop een aanklacht ingediend, omdat ze inbreuk zou hebben gemaakt op het seculiere karakter van de Turkse staat.

    Het zijn vooral vertegenwoordigers van de bovengenoemde groepen die de repressie van de Turkse autoriteiten ondervinden. Voor journalisten geldt bovendien dat sprake kan zijn van zelfcensuur, in het bijzonder bij het rapporteren over de kwestie van de Koerden en over islam-fundamentalisme. Plegers van schendingen van de rechten van de mens zijn overwegend afkomstig uit de veiligheidsdiensten, te weten de politie, speciale arrestatie- of anti-terrorisme teams in het bijzonder, gevangenisautoriteiten, de gendarmerie en, in het Zuid-Oosten van Turkije, dorpswachten. Dergelijke schendingen worden door de rechterlijke macht onvoldoende van sancties voorzien.

    Turkije is sinds 1954 partij bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM), zij het niet bij het zesde protocol bij de EVRM dat de afschaffing van de doodstraf tot doel heeft. Daarnaast is Turkije partij bij het Europees Verdrag ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van de Raad van Europa en bij het Anti-Folteringenverdrag van de Verenigde Naties. Tevens heeft Turkije de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 aanvaard. Kortom, of het nu gaat om de arrestatie van meer dan 2000 Koerdische activisten in februari 1999, in de nasleep van de detentie van PKK-leider Öcalan, of om de weigering van de Turkse autoriteiten om de voorzitter van de “Human Rights Association”, Birdal, in Nederland de Geuzenpenning in ontvangst te laten nemen in maart 1999, er zijn genoeg aanknopingspunten om Turkije op zijn beleid aan te spreken.

    Turkije is, zoals de meeste lidstaten van de Raad van Europa, geen partij bij de Conventie ter bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa. Zoals gezegd, Turkije erkent alleen religieuze minderheden.

    Hieronder zullen belangrijke schendingen van de rechten van de mens de revue passeren. Vooraf dient echter te worden opgemerkt dat het Turkse rechtsstelsel structurele tekortkomingen kent, zoals geregelde bemoeienis vanuit de politiek met de rechtsgang en een groot tekort aan rechters. Daar staat tegenover dat de Turkse regering recentelijk de samenstelling van de staatsveiligheidrechtbanken dusdanig heeft gewijzigd dat niet langer één van de drie rechters afkomstig is uit de krijgsmacht. Deze positieve ontwikkeling, die bijdraagt aan de onafhankelijkheid van de rechtsspraak, laat onverlet dat staatsveiligheidsrechtbanken nog steeds zitting kunnen houden achter gesloten deuren en rapporten van politieverhoren, bij het afnemen waarvan de advocaat van een verdachte niet aanwezig is geweest, als bewijsmateriaal aanvaarden. De samenhang met het schenden van rechten van de mens door veiligheidsdiensten ligt voor de hand. De AIV is van oordeel dat de Turkse regering moet worden aangespoord - nu de samenstelling van de staatsveiligheidsrechtbanken is gewijzigd - ook andere tekortkomingen van het rechtsstelsel te bestrijden. In het bijzonder dient de rol van deze rechtbanken te worden teruggedrongen. Hierbij kan worden aangetekend dat het Europese Hof van Justitie in Straatsburg de uitspraak heeft gedaan dat staatsveiligheidsrechtbanken niet conform het EVRM zijn.

    III.2 Het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden

    Turkije is in 1954 als één van de eerste landen toegetreden tot het Europese Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM), maar heeft het individueel klachtrecht niet eerder dan januari 1987 erkend. Turkije erkent de rechtsmacht van het Europese Hof van Justitie vanaf 1990. Geregeld heeft Turkije gebruik gemaakt van de mogelijkheid om onder artikel 15 af te wijken van zijn verplichtingen (“in tijd van oorlog of enig algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt”). De noodtoestand, die in 1987 is uitgeroepen en nog steeds van kracht is in zes provincies in het Zuid-Oosten van Turkije houdt onder meer beperkingen van de persvrijheid in, alsmede de mogelijkheid uit het gebied personen te verwijderen die de openbare orde heten te bedreigen en de mogelijkheid personen vast te houden gedurende 30 dagen in incommunicado hechtenis.

    De Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa heeft in 1995 een resolutie aangenomen waarin het Comité van Ministers wordt opgeroepen Turkije’s lidmaatschap van de Raad op te schorten, tenzij het zijn mensenrechtenbeleid en de behandeling van de Koerdische minderheid zou verbeteren (Aanbeveling 1266, 1995). Tot op heden is het Comité van Ministers hier niet toe overgegaan, maar het heeft wel besloten de kwestie Turkije op zijn agenda te houden.

    Geregeld behandelt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zaken tegen Turkije. Belangrijke gronden op basis waarvan het Hof in 1998 veroordelingen van Turkije heeft uitgesproken, zijn wederrechtelijke beroving van het leven, het onthouden van het recht op effectieve rechtsmiddelen, van het recht van petitie, van het recht op effectieve rechtsbescherming, van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, van het recht op een eerlijk proces, alsmede het onvoldoende garanderen van de vrijheid van meningsuiting. Geen van deze zaken is voor Turkije overigens aanleiding geweest zijn lidmaatschap van de Raad van Europa te heroverwegen.

    III.3 Europees Verdrag ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing

    Turkije is in februari 1988 het eerste land geweest dat het Europese Verdrag ter voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing heeft geratificeerd. Het Europese Comité tegen martelingen heeft in de jaren negentig drie rapporten uitgebracht (in 1992, 1996 en 1999) waarin is vastgesteld dat in Turkije martelpraktijken stelselmatig voorkomen. Het meest recente rapport van het Comité doet verslag van een bezoek in de periode 5 - 17 oktober 1997 en is, in tegenstelling tot de vorige rapporten, met toestemming van de Turkse regering gepubliceerd op 23 februari 1999. Het Comité meldt goede medewerking van de Turkse autoriteiten te hebben gehad, behoudens een enkel geval van het met opzet verstrekken van foutieve informatie. Het Comité sluit zich aan bij de visie van de Turkse autoriteiten dat de situatie in Turkije de goede kant op gaat. Het toont zich in het bijzonder ingenomen met de circulaire van de premier van december 1997. Zou deze onverkort worden uitgevoerd, dan kan worden gesproken van omslagpunt voor de situatie van de rechten van de mens in Turkije, aldus het Comité. Dit laat onverlet dat het Comité heeft vastgesteld dat marteling nog steeds voorkomt in Turkije en dat, ondanks verbetering van de regelgeving en voorschriften, het schort aan de uitvoering, bijvoorbeeld in politiebureau’s en in gevangenissen.

    III.4 Vrijheid van meningsuiting

    De vrijheid van meningsuiting is in Turkije aan velerlei restricties onderhevig. Vaak heeft dit te maken met “het separatisme in het Zuid-Oosten” (de PKK) en met de handhaving van het seculiere karakter van de Turkse staat. Artikel 13 van de Grondwet voorziet in beperkingen bij wet van fundamentele rechten en vrijheden teneinde de ondeelbaarheid van de staat met zijn grondgebied en natie te verzekeren. In artikel 14 staat dat geen van grondwettelijke rechten en vrijheden mag worden uitgeoefend met het doel de ondeelbaarheid van de Turkse staat en zijn grondgebied en de natie aan te tasten. Met een beroep op deze artikelen worden politieke partijen ongrondwettig verklaard en verboden, hetzij omdat deze het seculiere karakter van de staat dreigen aan te tasten, hetzij omdat deze de eenheid van staat en natie ter discussie stellen, daargelaten of dat gepaard gaat met een oproep tot het gebruik van geweld.

    De Turkse wetgeving bevat een scala aan artikelen op grond waarvan de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt. De artikelen 158 en 159 van het Wetboek van Strafrecht bevatten bestraffingen voor beledigingen van de staatsinstellingen. Artikel 312 van het Wetboek van Strafwet voorziet in straffen van 6 maanden tot 2 jaar voor wie “openlijk anderen aanzet tot het overtreden van de wet” en straffen van één tot drie jaar voor wie “aanzet tot haat gebaseerd op klasse, ras, godsdienst of godsdienstige sekte” of aanzet tot haat tussen verschillende regio‘s. Dit laatste artikel wordt o.a. gebruikt tegen linkse activisten, islamisten en diegenen die aandacht vragen voor het Koerdische vraagstuk.

    Van belang in dit verband is verder de Wet tegen het terrorisme van 1991. Deze bevat een zeer brede definitie van het begrip terrorisme. Artikel 6 verbiedt het schrijven over ideeën, die de regering kan opvatten als een bedreiging van de staat, met inbegrip van het toebrengen van schade aan de “ondeelbare eenheid van de Staat” en bedreiging van “het bestaan van de Turkse Staat en Republiek”. Andere wetgeving die beperkingen oplegt aan de vrijheid van meningsuiting zijn de Perswet van 1950 en de Wet ter bescherming van Atatürk van 1951. Volgens gegevens van het Turkse Comité ter bescherming van journalisten zitten eind 1998 25 journalisten in de gevangenis op grond van artikelen die zij hebben gepubliceerd. Wetgeving die tot doel heeft de beknotting van de vrijheid van meningsuiting enigszins te versoepelen en de vervolging van schenders van rechten van de mens te vergemakkelijken, is in 1998 bij het parlement ingediend, doch nog niet behandeld.

    III.5 Verdwijningen en buitengerechtelijke executies

    De Turkse autoriteiten hebben hun betrokkenheid erkend bij het doden en laten verdwijnen van Koerdische activisten in het Zuid-Oosten van het land. Er is weinig gedaan om de schuldigen op te sporen en te berechten. Als journalisten hierover berichten, lopen ze grote kans te worden vervolgd wegens “belediging” van de strijdkrachten. Volgens gegevens van Amnesty International zijn in 1997 in het Zuid-Oosten van Turkije ten minste negen mensen “verdwenen” en 20 mensen gedood onder omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat zij buitengerechtelijk zijn geëxecuteerd. Amnesty meldt ook dat “gewapende oppositiegroeperingen” (gedoeld wordt waarschijnlijk op de PKK) opzettelijk en willekeurig gevangenen en burgers hebben gedood. Ook het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken maakt melding van “widespread abuses” door de PKK, waaronder het vermoorden van non-combattanten.

    Ook in andere gebieden dan het Zuid-Oosten is, volgens gegevens van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, sprake van buitengerechtelijke executies, waaronder sterfgevallen tijdens detentie, tengevolge van excessief gebruik van geweld, foltering en marteling, “mysterieuze moorden” en verdwijningen. Het aantal verdwijningen lijkt weliswaar af te nemen volgens cijfers van mensenorganisaties in Turkije, zij het dat er in 1998 toch nog altijd zo’n 30 gevallen zijn gemeld. Slechts in weinig gevallen is sprake van veroordeling van de verantwoordelijke personen. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken spreekt in dit verband van een “climate of impunity”. Sinds meer dan drie jaar houden de ‘Zaterdag Moeders’ wekelijks een stille demonstratie in Istanboel om de autoriteiten ertoe te brengen het lot van hun verdwenen familieleden op te helderen. Sinds mei 1998 worden deze demonstraties steeds vaker door de Turkse politie verhinderd.

    III.6 Rechten van vrouwen

    Hoewel de Turkse wet- en regelgeving in de regel vrouwen een positie toekent gelijkwaardig aan die van mannen, vormen cultuur en gewoontes toch nog aanzienlijke hinderpalen om deze gelijkwaardigheid te verwezenlijken. Nog steeds werken vrouwen in hoofdzaak in de informele sector, die overigens omvangrijk is in Turkije, en draaien ze mee in familiebedrijven in sectoren als landbouw, handel of horeca. Met hun werkzaamheden dragen vrouwen bij aan de gezinsinkomens. Hoewel de beloning van mannen en vrouwen in overeenkomstige functies gelijk moet zijn, komt discriminatie in de zakenwereld en ambtenarij zeker nog voor. Dit geldt eveneens voor de toekenning van hoge(re) functies.

    In januari 1998 is misbruik van vrouwen binnen het huwelijk in Turkije strafbaar gesteld. Niettemin komt het nog veel voor en wordt weinig aangifte gedaan. Dat komt omdat dergelijk misbruik eerst en vooral als een privé zaak wordt opgevat, die binnen de familie dient te blijven, waar buitenstaanders niets mee te maken hebben. Hetzelfde geldt in grote lijnen voor mishandeling binnen het huwelijk. Een ander probleem vormen de moorden op vrouwen die worden verdacht van overspel. Deze komen vooral nog voor op het platteland en in de buitenwijken van grote steden en hebben tot doel de eer van de familie te redden. Ook hiervan wordt zelden aangifte gedaan. Opvang voor vrouwen die hun lot niet wensen te laten bepalen door tradities en gewoontes, is er in Turkije nauwelijks. Er zijn niet veel vrouwenorganisaties in Turkije en die er zijn hebben onvoldoende vrijheid. Van de Turkse regering mag worden verwacht dat deze organisaties geen belemmeringen ondervinden om de belangen van vrouwen te behartigen.

    III.7 Werknemers- en vakbondsrechten

    Er is alle reden aandacht te besteden aan de werknemers- en vakbondsrechten in Turkije, aangezien deze ernstig, stelselmatig en langdurig worden geschonden. Het gaat om de vrijheid van vakvereniging, het recht tot collectief onderhandelen, de vrijwaring van discriminatie in arbeid en beroep en de vrijwaring van kinderarbeid. Vooral sedert de militaire staatsgreep van september 1980 wordt Turkije bekritiseerd door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) om de mate waarin het werknemers- en vakbondsrechten schendt. De grondwet van november 1982 bevat een aantal artikelen die op gespannen voet staan met de normen van de IAO. Dat geldt evenzeer voor de op deze artikelen gebaseerde wetgeving op de vakorganisatie en op collectief onderhandelen. Weliswaar is deze wetgeving in de afgelopen jaren enigszins bijgesteld, maar nog steeds is ze ten principale in strijd met de normen van de IAO.

    De omstandigheden waaronder vakbonden moeten functioneren is ronduit slecht. Deze worden gedocumenteerd door het rapport van het ernst is Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) over het sociaal beleid van de Turkse regering, in 1997 opgesteld voor de Wereldhandelsorganisatie.21 Op de jaarlijkse Internationale Arbeidsconferentie van de IAO wordt Turkije nagenoeg ieder jaar kritisch aangesproken op ernstige schendingen van de Verdragen 98 (op de vrijheid tot collectief onderhandelen) en 111 (discriminatie in arbeid en beroep). In 1997 gebeurde dit ook naar aanleiding van het eerste rapport van de regering over de toepassing van het in 1993 geratificeerde Verdrag 87 (vrijheid van vakvereniging).

    Van de zeven mensenrechten-verdragen van de IAO heeft Turkije er vijf geratificeerd. In juni 1998 heeft de minister van Arbeid en Sociale Zekerheid in de plenaire zitting van de Internationale Arbeidsconferentie verklaard dat de Nationale Assemblée ook de andere twee verdragen heeft goedgekeurd, te weten de verdragen 29 (dwangarbeid) en 138 (minimum-leeftijd). Als Turkije de zeven verdragen van de IAO heeft geratificeerd, dan dient het om de twee jaar aan het Internationaal Arbeidsbureau te rapporteren. De IAO Commissie van Deskundigen zal vervolgens iedere twee jaar een oordeel uitspreken over wetgeving en uitvoering. Wanneer Turkije de zeven mensenrechten-verdragen van de IAO volledig heeft aanvaard, is het in dit opzicht verder dan sommige lidstaten van de Europese Unie. Niet alle lidstaten hebben namelijk de zeven verdragen van de IAO geratificeerd.

    Na een moeizame start is, onder druk van de IAO, in de afgelopen jaren enige verbetering aangebracht in de Turkse wetgeving, die uitvoering moet geven aan de mensenrechten-verdragen van de IAO. Een regelmatige dialoog tussen de Europese Unie en Turkije hierover zal zich in het bijzonder dienen te richten op de toepassing van de wetgeving, zeker wanneer de Europese Commissie en de lidstaten hierbij werkgevers en werknemers betrekken. Deze vorm van dialoog sluit aan op het tripartite karakter van de IAO, en op verdrag 144 (over tripartite consultatie over internationale arbeidsnormen) van de IAO dat geratificeerd is door veertien lidstaten van de Europese Unie (alleen Luxemburg heeft dit nog niet gedaan) én door Turkije. De Europese Unie zou Turkije hier op verschillende wijzen kunnen helpen een betere staat van dienst op te bouwen, onder meer door training en uitwisseling van ambtenaren en specialisten van werkgevers- en werknemersorganisaties, en door deze materie onder de aandacht te brengen van multinationale ondernemingen gezeteld in de lidstaten van de Europese Unie met vestigingen in Turkije.

    III.8 Conclusie

    In algemene termen kan worden gezegd dat de ernstige tekortkomingen ter zake van democratie en eerbiediging van rechten van de mens een afstand scheppen tussen Turkije en de Europese Unie. Het komt er op aan te proberen deze te overbruggen. Op dit vlak dient Turkije te laten zien dat het ernst is waar het gaat om toenadering tot de Europese Unie en om het in de praktijk gevolg geven aan normen en waarden die in regelgeving zijn opgenomen. De regelgeving is in het algemeen de laatste jaren verbeterd. Waar het nu om gaat, is het omzetten van woorden in daden. Het schort aan de uitvoering, ook omdat de wetgeving nog te weinig het sluitstuk is van een politieke en publieke discussie. In hoofdstuk VI worden, in het kader van een politieke agenda voor Turkije en de Europese Unie, aanbevelingen gedaan op het vlak van de democratisering en het respect voor de rechten van de mens.


    IV Het economisch perspectief

    IV.1 Schets van de economie van Turkije

    De economie van Turkije heeft na de Tweede Wereldoorlog een snelle ontwikkeling doorgemaakt. De industrie- en dienstensector zijn sinds de jaren zestig snel gegroeid tot een aandeel in het BNP in 1997 van respectievelijk 24.8% en 55.1%. (In 1960: 16% en 36%.) Het aandeel van de landbouw daalt in dezelfde periode van 42% van het BNP in 1960 tot 14.2% in 1997. Niettemin blijft de landbouw werkgelegenheid bieden aan zo’n 40% van de Turkse beroepsbevolking.

    Het tot de jaren ‘80 gevolgde import-substitutie model is vervangen door een open economie, waar de rol van de staat afneemt en het belang van de markt toeneemt. Sindsdien is de Turkse economie meer open en internationaal concurrerend en wint de internationale handel aan gewicht. Vanaf 1980 behoort de Turkse economie tot de snelst groeiende ter wereld, waarbij wel een probleem is dat perioden met bijzonder hoge groeicijfers worden afgewisseld met perioden waarin de economie niet of nauwelijks groeit of zelfs krimpt (‘stop-go’ karakter). Bovendien concentreert de economische groei zich in een aantal regio’s, in hoofdzaak in het Noorden en Westen van Turkije. Dit heeft grote (regionale) verschillen van inkomen tot gevolg. Hieronder zal een korte schets worden gegeven van de Turkse economie, waarbij de Kopenhagen-criteria centraal staan, te weten de aanwezigheid van een functionerende markteconomie en de mogelijkheid het hoofd te bieden aan de EU-concurrentiekracht.22

    IV.1.1 Een functionerende markteconomie

    De Turkse economie heeft de kenmerken van een markteconomie, aangezien er sprake is van functionerende instituties, met inbegrip van een op de marktwerking toegesneden wettelijk raamwerk, van een dynamische privésector en van geliberaliseerde regelgeving voor de handel. De Turkse economie is een open economie, gericht op de wereldmarkt, en ze bezit het vermogen zich aan te passen aan internationale ontwikkelingen. De omvang van de niet-geregistreerde economische activiteiten beloopt volgens schattingen een derde van de wel geregistreerde economie.

    Turkije heeft te lijden van de economische crises in de Russische Federatie en Azië. Deze hebben hun weerslag op de wereldhandel in het algemeen en dus ook op de Turkse export (er zijn schattingen van een afname voor de Russische Federatie van 35% in 1998 en voor Azië van 43%). Een groot deel van de handel met de Russische Federatie bestaat overigens uit de zogenoemde kofferhandel, die niet is geregistreerd. De omvang hiervan wordt geschat op ongeveer 8 miljard dollar, meer dan de helft van de geregistreerde handel met de Russische Federatie. Een andere reden waarom de groei van de Turkse economie is afgenomen, is een gebrek aan investeringen. Niettemin heeft de Turkse economie nog zoveel potentie om verder te groeien dat de huidige afvlakking van de groei de vooruitzichten op de middellange termijn niet verandert.23
    De Europese Commissie concludeert in het ‘Regular Report’ dat Turkije niet de mate van macro-economische stabiliteit heeft, die noodzakelijk is om deel te nemen aan de interne markt van de Europese Unie zonder deze te verstoren. Als structurele problemen worden genoemd: het begrotingstekort van de Turkse overheid, de slechte belastinginning en het gebrek aan, vooral buitenlandse, investeringen. Het voortdurende begrotingstekort (9.5% van het BNP in 1997) is tevens een belangrijke oorzaak van de torenhoge inflatie. Deze ligt in 1998 boven de 50%, met enkele maandelijkse uitschieters naar 100%; de rentevoet bedraagt in 1998 ongeveer 50%. De voortdurend zeer hoge inflatie vormt een ernstig probleem. Deze ontwricht de economie en veroorzaakt onrechtvaardigheden, die in het bijzonder de zwakkere groepen treffen. De inflatie, en de verwachting dat deze hoog zal blijven, is ook een belangrijke reden waarom de financiële sector slecht functioneert en waarom de buitenlandse investeringen achterblijven bij de verwachtingen. Het onder controle brengen van de inflatie door de Turkse autoriteiten zou de al aanzienlijke economische groei nog kunnen versterken. Er zijn overigens aanwijzingen dat de inflatie in de eerste helft van 1999 is toegenomen.

    Het grootste beslag op de jaarlijkse uitgaven van de overheid leggen defensie (6 miljard dollar), sociale uitgaven (6 miljard dollar) en de schuldbetalingen (tussen de 3 en 4 miljard dollar). Het ziet ernaar uit dat in 1999 het tekort op de begroting van de Turkse overheid aan het toenemen is. De totale schuld van de overheid bedraagt zo’n 37% van het Turkse BNP.

    De pogingen de economie verder te hervormen, zijn gestrand op de politieke instabiliteit in Turkije. Opeenvolgende coalitie-regeringen hebben geen oplossing weten te vinden voor de voortdurende begrotingstekorten en de daarmee samenhangende inflatie en voor de onvolkomenheden van het belastingstelsel. De regering Yilmaz heeft hierin wel enige verbetering heeft gebracht, maar door haar val, en door de beperkte ruimte van de overgangsregering Ecevit, is belangrijke wetgeving niet afgerond (onder meer bankwet, hervorming sociale zekerheidsstelsel, privatisering).

    Langzamerhand is de situatie gegroeid dat de Turkse staat, vanwege zijn hoge binnenlandse schulden, profiteert van de inflatie. Immers, de af te lossen schuld, hoewel nominaal gelijkblijvend en belast met een hoge rente, neemt door de inflatie in reële termen voortdurend af. Daarom zal het terugdringen van de inflatie op de korte termijn leiden tot verzwaring van de werkelijke schuldenlast van de Turkse staat. Op langere termijn, wanneer de overheidsbegroting op orde is gebracht en de binnenlandse financiële markt daardoor meer evenwichtig is geworden, zal een begrotingstekort toch het beste uit binnenlandse besparingen gefinancierd kunnen worden. Op korte termijn is het streven echter, met hulp van het IMF, de dure, kortlopende, binnenlandse schulden te vervangen door goedkopere lange-termijn schulden in vreemde valuta. De wisselkoers van de Turkse lira wordt overigens binnen het systeem van zwevende wisselkoersen geregeld aangepast. In het algemeen heeft de Centrale Bank erop toegezien dat de Turkse lira niet te veel is over- of ondergewaardeerd.

    Een ander probleem voor de begroting van de Turkse regering is de ruimhartige inrichting van het sociale zekerheidsstelsel, voor degenen die hiervoor in aanmerking komen. Bijvoorbeeld pensioenen worden uitbetaald na afloop van een aantal dienstjaren, ongeacht de leeftijd van de betrokkene. Het stelsel kent in 1997 een tekort van ongeveer 2.5% van het Turkse BNP. De verwachting, onder andere van het IMF, is dat dit kan oplopen tot 5 à 6% in 2002, wat vrijwel onmogelijk in de begroting kan worden verwerkt. Het onvermogen van de Turkse overheid dit systeem te hervormen, draagt bij aan de macro-economische instabiliteit. Overigens speelt ook hier de ontwrichtende werking van de inflatie, aangezien pensioenen en andere uitkeringen in koopkracht snel afnemen.

    Zoals gezegd weet Turkije relatief weinig directe buitenlandse investeringen aan te trekken. Gezien de grootte van de binnenlandse markt en de jaren van hoge economische groei, hadden meer buitenlandse investeringen kunnen worden verwacht. De macro-economische instabiliteit, alsmede onvolkomenheden in de regelgeving, vormen hiervoor de belangrijkste hindernissen. In de periode 1993-1997 bedragen de totale buitenlandse investeringen gemiddeld $731.2 miljoen per jaar. Dit is niet meer dan 0.5% van het BNP per jaar. Ter vergelijking: Israël, Spanje, Portugal en Griekenland weten jaarlijks tussen de één à twee procent van het BNP aan buitenlandse investeringen aan te trekken. Hongarije zelfs nog aanzienlijk meer. Zoals gezegd, de gebrekkige regelgeving is hier debet aan, maar ook de voor buitenstaanders ondoorzichtige bureaucratische procedures, onbekendheid met de Turkse markt en politieke instabiliteit in en rond Turkije. Bovendien worden veel buitenlandse produkten in Turkije in licensie of partnerschap geproduceerd. Nederland is, met een aandeel van ongeveer een kwart van het totaal, in 1998 de grootste buitenlandse investeerder in Turkije.

    IV.1.2 De mogelijkheid het hoofd te bieden aan de EU-concurrentiekracht

    Sinds juni 1998 is een in samenwerking met het IMF opgezet stabilisatieprogramma van kracht dat tot doel heeft de inflatie onder de knie te krijgen. Na het aantreden van de regering Ecevit is dit programma vernieuwd. Tegenover steun van het IMF van om-streeks 10 miljard dollar staan voornemens van de regering Ecevit voor een ingrijpende herstructering van de Turkse economie met het terugdringen van de inflatie en van het tekort op de overheidsbegroting als belangrijke doelstellingen. Door de snelle opeenvolging van regeringen heeft de bestrijding van de inflatie voordien onvoldoende aandacht gekregen. Mede door de tekorten op de overheidsbegroting is de inflatie in de afgelopen jaren opgelopen tot soms maandelijkse cijfers van rond de 100%. Bijkomend probleem is dat de financiële sector een gebrekkige structuur kent die het haar moeilijk maakt te concurreren met banken uit lidstaten van de Europese Unie. Van de totale activa van de Turkse banken is maar liefst 40% in handen van overheidsbanken. Het gebrek aan mogelijkheden voor financiering voor het bedrijfsleven wordt niet alleen veroorzaakt door de algemene geldschaarste. Ook zijn de private banken te klein om het bedrijfsleven te bedienen. Maar vooral is het probleem dat de grote banken, die voor het overgrote deel in handen van de staat zijn, zich niet zozeer toeleggen op het ver-strekken van leningen, maar vooral op het winstgevender handelen en beleggen in de instrumenten van de binnenlandse overheidsschuld.

    De Turkse economie is geïntegreerd met de wereldeconomie. In- en uitvoer bedragen in 1997 23.9% en 29.5% van het BNP. De Europese Unie is de belangrijkste handelspartner van Turkije (51.2% in 1997), maar de landen van de voormalige Sovjet Unie winnen in dit opzicht aan gewicht (12% in 1997). Dit maakt de Turkse economie vatbaar voor de ernstige tekortkomingen van de economie van deze landen. Voor 1999 lijkt het erop dat Turkije zich niet kan onttrekken aan de gevolgen van de roebelcrisis en minder kan uitvoeren naar de landen die voorheen deel uitmaakten van de Sovjet-Unie. De Turkse economie heeft bovendien zeer te lijden onder de sancties tegen Irak. Tot de Golfoorlog was Irak voor Turkije een belangrijk economisch partner voor handel en doorvoer van produkten (oliedoorvoer, transportroutes, grenshandel e.d.). Deze opbrengsten, jaarlijks meer dan $500 miljoen, zijn nu grotendeels weggevallen. Turkije profiteert wel van de beperkte hervatting van de olie-exporten uit Irak (het “oil for food”-programma).

    Turkije voert sinds 1983 een beleid om overheidsbedrijven te privatiseren. Aanvankelijk lag het tempo laag, maar in 1998 is op grote schaal geprivatiseerd. De totale opbrengst moet $3.6 miljard gaan bedragen, waarvan in 1998 alleen al zo’n $2 miljard is binnengekomen. Belangrijke voltooide projecten zijn de verkoop van de Etibank ($155 miljoen), verkoop van GSM-licenties ($1 miljard) en de verkoop van een staatsaandeel van 12% in één van de grootste Turkse banken (Is-bank, opbrengst $628 miljoen). In 1999 was het de bedoeling 25 grote privatiseringsprojecten uit te voeren met een totaal geraamde opbrengst van $4 miljard, waaronder de verkoop van Turkish Airlines en Telecom. Door de wisseling van regeringen zijn niet alle voorgenomen projecten uitgevoerd. Naast het feit dat nog niet alle benodigde regelgeving gereed is, vormt de ondoorzichtigheid van de besluitvorming een ernstige handicap voor de privatisering. Dit zet de deur open voor vriendjespolitiek, omkoperij en andere vormen van fraude. Beschuldigingen hieromtrent hebben in 1998 de politieke crisis veroorzaakt, die heeft geleid tot de val van de regering Yilmaz.

    In Turkije bestaan tussen regio’s grote verschillen in niveau van economische ontwikkeling. Om die reden zijn er programma’s opgesteld met het doel in de gebieden die achterblijven (in hoofdzaak provincies in centraal Turkije, in het Oosten en in het Zuid-Oosten van Turkije) de economische ontwikkeling te stimuleren. In het kader van de gemeenschappelijke economische zone zijn ook voor de “Turkse Republiek van Noord-Cyprus” programma’s ontwikkeld. De regering Ecivit heeft aangekondigd het Zuid-Oosten van Turkije economisch te helpen ontwikkelen door middel van grootschalige industriële projecten (opwekking van electriciteit, irrigatiewerken, aanleg van wegen e.d.). Het is de vraag of de Turkse overheid de financiering hiervan geheel kan opbrengen. Langzaam maar zeker investeren Turkse bedrijven in het Zuid-Oosten van Turkije, vermoedelijk omdat de indruk bestaat dat de PKK militair niet veel meer kan uitrichten. Buitenlandse, vooral Israëlische bedrijven tonen belangstelling voor het enorme landbouwgebied dat is ontsloten door de irrigatie van de Eufraat en de Tigris.

    IV.2 Douane-unie24

    Door de douane-unie is de Europese Unie meer naar Turkije gaan exporteren, wat de toch al negatieve handelsbalans voor Turkije verder heeft verslechterd. De douane-unie schept natuurlijk wel een meer geliberaliseerd economisch klimaat, wat Turkije helpt deel te nemen aan de wereldmarkt. De douane-unie dateert van 31 december 1995. Het streven is de onderlinge tarieven op de invoer af te schaffen. Bedroegen landbouwprodukten in 1965 nog 75% van de Turkse uitvoer, in 1996 is dat nog maar 10%. (Half)fabrikaten, vooral textiel en kleding, maken nu 80% van de Turkse export uit. De helft van de Turkse uitvoer naar de Europese Unie bestaat uit deze produkten. Bij de onderhandelingen over de douane-unie hebben Turkije en de Europese Unie geen overeenstemming bereikt over landbouw en diensten. Afgesproken is daarover verder te onderhandelen.

    De nabijheid van de welvarende Europese Unie is economisch van grote betekenis voor Turkije. 42.6% van de totale export is in 1997 naar de Europese Unie gegaan. 49.7% van de import is afkomstig uit de Europese Unie. Duitsland is verreweg Turkije’s belangrijkste handelspartner, maar ook Italië is in dit opzicht van betekenis. Nederland heeft een positieve handelsbalans met Turkije, net als de Europese Unie als geheel. Een andere belangrijke handelspartner van Turkije zijn de Verenigde Staten. De douane-unie draagt ertoe bij dat Turkije zijn economie concurrerend moet zien te maken met die van de Europese Unie. Door de douane-unie is Turkije al een eind op streek met de aanpassing van de binnenlandse wetgeving aan de normen en standaarden van de Europese Unie. Ook de bovengenoemde afbraak van tariefmuren is van betekenis voor de Turkse economische groei. De douane-unie biedt toegang tot exportmarkten, ze helpt Turkije zijn economie te rationaliseren en vergemakkelijkt het aantrekken van financiële middelen uit de wereldmarkt ten behoeve van investeringen en beleggingen.

    In 1997 is tussen Turkije en de Europese Unie verder gesproken over de aanpak van de landbouwsector in het kader van de douane-unie. Afgesproken is een begin te maken met de afbraak van protectionistische maatregelen. De Turkse overheid komt de afspraken die per één januari 1998 zijn ingegaan over tariefquota voor rundvlees, rundvee, zuivelprodukten en andere levensmiddelen nauwelijks na. Deze aarzelingen zijn te verklaren uit de hoge mate van protectionisme (hoge subsidies, goedkope kredieten, gegarandeerde afzet e.d.) die de Turkse landbouw kenmerkt. De productiviteit in de overwegend kleinschalige landbouw is laag. Niet uitgesloten kan worden dat bij de treuzelende uitvoering van gemaakte afspraken ook enkele grote Turkse levensmiddelenconcerns op de achtergrond een rol spelen.

    De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat Turkije op het gebied van landbouw en de agribusiness aan de vooravond staat van een belangrijke transformatie. In 1997 is nog 40% van de beroepsbevolking werkzaam in de landbouw, terwijl de bijdrage aan het BNP minder dan 15% bedraagt. De komende jaren zal de landbouw, zowel in bedrijfseconomische, teelttechnische als ecologische zin moeten moderniseren. Turkije heeft grote landbouwkundige mogelijkheden, zoals ook uit intensieve bodemkundige en agro-ecologische verkenningen is gebleken. Wordt deze potentie ontwikkeld, dan kan Turkije belangrijk bijdragen aan de voedselvoorziening van een groot aantal landen in de regio. Daarnaast kan de ontwikkeling van een hoogproductieve landbouw worden ingezet, die gericht is op export van hoogwaardige producten met toegevoegde waarde. De ontwikkeling van deze potentie op landbouwgebied vergt kapitaal, kennis en deskundigheid. Te verwachten is dat het hier beschreven transformatieproces, indien het op gang komt, naast een aanzienlijke productiviteitsverhoging, ook tot uitstoot van arbeid zal leiden.

    In hoofdstuk VI zullen beleidsaanbevelingen worden gedaan om de douane-unie te verdiepen en uit te breiden.


    V De Europese Unie en de import van conflicten

    Het is een wezenlijke verworvenheid van de Europese Unie dat in de onderlinge betrekkingen tussen de lidstaten het gebruik van geweld is uitgesloten. De lidstaten verwachten geen gebruik van geweld van elkaar en bereiden zich er ook niet op voor. Om die reden wordt de Europese Unie wel omschreven als een veiligheidsgemeenschap. Gezien de centrale plaats die deze verworvenheid inneemt in de onderlinge betrekkingen tussen de lidstaten mag deze, bij het politieke imperatief van verdere uitbreiding van de Europese Unie, niet teloor gaan.

    Uitgangspunt voor de AIV is dat de Europese Unie niet bereid moet zijn conflicten te importeren waarvan geen uitzicht bestaat op een oplossing. Indien de bij een conflict betrokken partijen niet de bereidheid tonen gebruik van geweld uit te sluiten en een politieke oplossing na te streven, kan het verdere verloop van een conflict, bij oplopende spanningen, een dynamiek oproepen die de Europese Unie niet beheerst en waarvan de gevolgen voor de Unie niet zijn te overzien. Het is juist om deze redenen dat aan de landen uit Midden- en Oost-Europa, met belangstelling voor het lidmaatschap van de Europese Unie, in het midden van de jaren ‘90 is gevraagd zich aan te sluiten bij het Stabiliteitspact (plan Baladur), gesloten in Parijs in maart 1995. In het streven gestalte te geven aan goed nabuurschap in de onderlinge betrekkingen is aan de betrokken landen de voorwaarde voor toetredingsonderhandelingen gesteld zelf hun (grens)problemen met buurlanden en problemen rond minderheden op te lossen. Dit is gebeurd in tal van verklaringen en overeenkomsten, die bij het Stabiliteitspact zijn gevoegd. Waar dit door betrokken partijen werd gewenst, heeft de Europese Unie de regeling van onderlinge twistpunten begeleid en hulp in het vooruitzicht gesteld. Naar het oordeel van de AIV kan een vergelijkbare gedachtegang, zoals ook aan het Stabiliteitspact ten grondslag heeft gelegen, een waardevolle aanvulling vormen op de criteria van Kopenhagen, als de betrekkingen met Turkije en het complex aan verhoudingen tussen Turkije, Cyprus en Griekenland worden bezien.

    V.1 Turkije en de gewapende strijd van de PKK

    In het voorafgaande is de situatie van minderheden in Turkije daar waar relevant aan de orde gesteld. Het meest in het oog springende minderheidsvraagstuk in Turkije is momenteel dat van de Koerden, mede door de gewapende opstand in het Zuid-Oosten van Turkije van de PKK. De bevolking in het Zuid-Oosten van Turkije bevindt zich, soms maar al te letterlijk, tussen twee vuren. De schendingen van de rechten van de mens in deze regio door de Turkse overheid en door de PKK baren grote zorg.

    Opmerking: Dit adviesaanvraag is verkort. Indien u de volledige aanvraag wilt lezen kunt u het totaaladvies downloaden.

Regeringsreacties
Aan Prof.Drs. R.F.M. LubbersDirectie Europa
Voorzitter van de Adviesraad 
Internationale VraagstukkenAfdeling West-Europa
Prof. R.F.M. LubbersBezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061Postbus 20061
2500 EB Den Haag2500 EB Den Haag

Datum  20 september 1999
 

Mede namens mijn ambtgenoten van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking dank ik U voor het advies Naar rustiger vaarwater: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie dat ik op 16 juli jl. van U mocht ontvangen. Het advies, alsook de bijlage, bevat een uitgebreid en nuttig overzicht van de stand van de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie.

In de door de Adviesraad geformuleerde beleidsaanbevelingen kan de Regering zich in grote lijnen vinden en zij beschouwt het rapport dan ook in belangrijke mate als een ondersteuning van het gevoerde beleid. Dat geldt allereerst voor de constatering waarmee het rapport opent, namelijk dat de kloof tussen Turkije en de rest van Europa niet onoverbrugbaar is en dat lidmaatschap van de Europese Unie voor Turkije op termijn tot de mogelijkheden behoort. Ik kan U verzekeren dat het Nederlandse beleid is gericht op het op een geloofwaardig wijze invulling geven aan versterking van de banden tussen de Europese Unie en Turkije.

Turkije: een plaatsbepaling

De Regering deelt de mening van de AIV dat Turkije een belangrijke partner is, niet alleen in strategisch opzicht, maar ook in politiek en economisch opzicht. Dat geldt eveneens voor de plaats van Turkije in de regio. Deze belangen gaan verder dan die op veiligheidspolitiek gebied, die in NAVO-kader aan de orde komen. Naar het oordeel van de Regering dient een beleid te worden gevoerd dat "engagement" beoogt in plaats van "isolation", zulks gelet op belangrijke kwesties als migratievraagstukken, de grote Turkse gemeenschappen in West-Europa, drugssmokkel, politieke stabiliteit in Turkije, de situatie in Zuid-Oost Turkije, mensenrechten, de kwestie Cyprus en de betrekkingen met Griekenland. Op al deze terreinen vormt een substantieel en geloofwaardig toetredingsperspectief voor Turkije een wezenlijk element om een positieve invloed uit te kunnen oefenen op de ontwikkelingen in Turkije. Het is voor Nederland - en de EU - in dit licht van belang Turkije niet van ons te vervreemden.

Het advies stelt dat Turkije nauw dient te worden betrokken bij het overleg en de besluitvorming over Europese veiligheid om de mogelijkheid van Europees geleide militaire operaties "handen en voeten" te geven en om Turkije dichter bij (delen van) de tweede pijler van de EU te betrekken. De Regering deelt deze visie en onderkent de noodzaak van het streven om Europese NAVO-partners die niet lid zijn van de EU maximaal te betrekken bij de ontwikkeling van een Europees veiligheids- en defensiebeleid.

Mensenrechten

De Regering acht zich door de AIV-aanbevelingen gesteund in haar beleid ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Turkije. Zo heeft Nederland zowel nationaal als in EU-verband in officiële contacten met de Turkse autoriteiten steeds aangedrongen op verbetering. Bij de uitreiking van de Geuzenpenning aan de Turkse mensenrechtenorganisatie IHD eerder dit jaar heeft de Regering haar steun willen betuigen voor het werk van deze organisatie om de naleving van de mensenrechten in Turkije te bevorderen. Ook fora als de Raad van Europa en de OVSE zijn dienstig aan deze doelstelling.

Een algemene kwestie die de AIV in haar aanbevelingen impliciet aanroert, betreft de stand van de wetgeving en de kwaliteit van de rechtsbedeling. In dit verband heeft de EU Turkije gewezen op het belang dat wetgeving en strafprocedures voldoen aan de daarvoor geldende internationale normen. Betere betrekkingen tussen de Unie en Turkije in de vorm van een substantieel en geloofwaardig toetredingsperspectief bieden de mogelijkheid hierop een positieve invloed te kunnen uitoefenen. Met bevestiging van de Turkse kandidatuur wordt eveneens beoogd de door Turkije bevroren politieke dialoog te herstellen, hetgeen een discussie over de mensenrechten mogelijk maakt.

Wat de economische en sociale rechten betreft, deelt de Regering de mening van de AIV dat werknemers- en vakbondsrechten bescherming behoeven. In dit verband hebben vooral de handelingsvrijheid van vakbonden en de positie van vrouwen de aandacht. De Regering is van mening dat de kwaliteit van het bestuur op deze terreinen verbetering en vooral ook modernisering behoeft. Daarnaast wordt door de Europese Commissie en de Nederlandse ambassade in Ankara een aantal projecten van vrouwenorganisaties gesteund.

Economisch perspectief

De Regering is met de Adviesraad van oordeel dat Turkije ook in economisch opzicht nog niet voldoet aan de Kopenhagencriteria. Met name op het terrein van het macro-economisch beleid, het begrotingstekort en de hoge inflatie dienen nog belangrijke stappen te worden gezet. Ook op het gebied van de sociale zekerheid dienen de nodige hervormingen plaats te vinden. Daarnaast is de rol van de overheid in de Turkse economie naar Europese maatstaven nog altijd relatief groot.

De economische politiek van de huidige Turkse regering tracht door structurele hervormingen de Turkse economie te stabiliseren; zij wordt hierin gesteund door het Internationaal Monetaire Fonds. De Regering is van oordeel dat verbetering van de betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie hieraan eveneens een positieve bijdrage zou kunnen leveren. Dit geldt in de eerste plaats voor het deblokkeren van de financiële middelen in het kader van de Douane Unie en de invulling van de Europese Strategie voor Turkije. Daarnaast zou een substantieel en geloofwaardig EU-toetredingsperspectief een stimulans geven aan de hervorming en modernisering van de Turkse economie en daarmee aan de economische ontwikkeling van het land. Hierdoor zal Turkije beter in staat zijn om in economisch opzicht aan de Kopenhagencriteria te voldoen.

De Koerdische kwestie

De Regering is met de Adviesraad van oordeel dat de rechten en de culturele identiteit van de Koerdische minderheid in Turkije dienen te worden gerespecteerd. Respect voor en bescherming van minderheden is ook een van de zogenoemde Kopenhagen-criteria voor toetreding tot de EU.

De Regering is van mening dat de problemen in het Zuidoosten van Turkije, zowel op politiek als sociaal-economisch gebied een politieke oplossing behoeven. De Turkse regering heeft eerder dit jaar aangekondigd dat zal worden geïnvesteerd in de sociaal-economische ontwikkeling van Zuid-Oost Turkije. De onlangs begonnen terugtrekking van de PKK-verzetstrijders uit dit deel van Turkije kan in dit opzicht eveneens als een positieve ontwikkeling worden gezien.

Een specifieke kwestie in dit verband betreft de kwestie Öcalan. De Regering heeft bij de Turkse autoriteiten aangedrongen op een eerlijk en open proces. Daarnaast heeft Nederland, ook in verband van de Europese Unie en de Raad van Europa, gepleit voor het niet uitvoeren van de doodstraf door Turkije.

Cyprus

De Regering deelt de mening van de Adviesraad dat tot op heden de intentie waarmee de EU de toetredingsonderhandelingen met Cyprus is begonnen - namelijk dat het toetredingsproces zal bijdragen aan een politieke oplossing van de kwestie Cyprus - nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Niettemin is de Regering van oordeel dat deze intentie wel de grondslag van het Nederlandse beleid moet blijven. Toetreding van een gedeeld eiland zonder voorafgaande politieke oplossing zou immers alleszins onwenselijke gevolgen hebben; een dergelijke toetreding zou leiden tot de import van conflicten in de Europese Unie en zou een inbreuk op het EU-acquis betekenen, met name waar het de samenhang van het GBVB betreft. Nederland heeft aan het begin van de onderhandelingen in november 1998 samen met enkele andere EU-lidstaten zijn uitdrukkelijke bezorgdheid hierover uitgesproken.

Het uitgangspunt van het regeringsbeleid ten aanzien van toetreding van Cyprus tot de Unie luidt dan ook dat toetreding van een gedeeld Cyprus uiteindelijk niet mogelijk zal zijn. Toetreding dient aan beide gemeenschappen ten goede te komen. Om die reden blijft de Regering ijveren voor deelname van vertegenwoordigers van de Turkscypriotische gemeenschap aan de toetredingsonderhandelingen in een gemeenschappelijke Cypriotische delegatie. Nederland tracht verder een positieve bijdrage te leveren aan een oplossing van de kwestie Cyprus zelf, onder meer door deelname aan de VN-vredesmacht UNFICYP en door als lid van de VN-Veiligheidsraad actief de internationale bemiddelings-pogingen te steunen.

Als gevolg van Griekse uitspraken dat toetreding van nieuwe lidstaten slechts mogelijk zal zijn indien Cyprus bij de eerste groep toetreders behoort, meent de Regering, in tegenstelling tot de Adviesraad, dat feitelijk een verband is gelegd tussen de toetreding van Cyprus en van de overige kandidaatlidstaten. Nederland verwerpt deze koppeling omdat deze in strijd is met het uitgangspunt dat iedere toetredingskandidaat op zijn eigen individuele merites dient te worden beoordeeld. Daarnaast is uiteraard de uiteindelijke toetredingsvraag pas aan het einde van de toetredingsonderhandelingen aan de orde. Om diezelfde reden wijst de Regering de door de AIV aangereikte optie, toetreding van Cyprus en Turkije te koppelen, af.

Het is thans zaak dat de internationale gemeenschap haar uiterste best doet een politieke oplossing naderbij te brengen. De Regering beschouwt in dit verband het G-8 initiatief, zoals ook verwelkomd door de VN-Veiligheidsraad, als een positieve ontwikkeling die alle steun verdient.

Turkije en de Europese Unie

De in 1993 tijdens de Europese Raad van Kopenhagen vastgelegde criteria zijn objectieve maatstaven waaraan moet zijn voldaan alvorens sprake kan zijn van toetreding tot de Europese Unie. Het is duidelijk, zoals ook uit de uitvoerige beschrijving in het advies blijkt, dat Turkije nog lang niet aan deze criteria voldoet. Echter, alleen een geloofwaardig en concreet toetredingsperspectief zal Turkije ertoe brengen de noodzakelijke maatregelen te treffen om aan deze criteria te voldoen. Dat zal ook ongetwijfeld een kwestie van lange adem zijn.

De Regering deelt de opvatting van de Adviesraad dat de Unie zich een betrouwbaar partner moet tonen ten opzichte van Turkije. Het is uiteraard teleurstellend dat, voornamelijk als gevolg van de afwijzende Griekse opstelling, nog steeds het in 1995 in het kader van de douane-unie aan Turkije toegezegde pakket voor financiële ondersteuning is geblokkeerd. Het is evenzeer teleurstellend dat de invulling van de Europese Strategie voor Turkije, in juni 1998 aangenomen door de Europese Raad van Cardiff, zo langzaam van de grond komt. Nederland heeft zich juist de afgelopen maanden opnieuw ingespannen voor een doorbraak op deze terreinen.

Nederland acht de recente Grieks-Turkse toenadering, die in juni 1999 werd ingezet door de Ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen, Cem en Papandreou, een bemoedigende stap op weg naar normalisering van de betrekkingen tussen beide landen en daarmee een belangrijk element voor verbetering van de betrekkingen tussen Turkije en de Unie. De aardbeving waardoor Turkije medio augustus werd getroffen, heeft deze toenadering een extra impuls gegeven.

Tijdens de Europese Raad van Helsinki, waar belangrijke beslissingen over het uitbreidingsproces zullen worden genomen, mag een duidelijk en positief signaal in de richting van Turkije niet ontbreken. Ook in de aanloop naar deze Europese Raad zal Nederland blijven aandringen op bevestiging van de Turkse EU-kandidatuur. Daarnaast blijft Nederland ijveren voor het nakomen van de eerder aangegane verplichtingen van de Unie tegenover Turkije inzake de Douane Unie en de Europese Strategie voor Turkije. De Regering is in dit licht verheugd over de constructieve opstelling van de huidige Turkse regering, zoals onder meer is gebleken uit de recente Grieks-Turkse toenaderingen en de contacten voorafgaande aan de Europese Raad van Keulen, waarin Turkije de Kopenhagencriteria ook expliciet erkent als leidraad voor toetreding tot de Unie en aangaf dat met de vervulling ervan nog geruime tijd gemoeid zal zijn.

De Regering deelt de visie van de Adviesraad dat de discussie zich zou moeten concentreren op het verbeteren van de betrekkingen met Turkije door praktische samenwerking, in plaats van het kandidatuurvraagstuk. Echter, gezien het belang dat door Turkije aan bevestiging van de kandidatuur wordt gehecht en gelet op het feit dat de EU in gebreke is gebleven waar het de uitvoering van eerder gedane toezeggingen betreft, is sinds de Europese Raad van Luxemburg eind 1997 de politieke dialoog door Ankara bevroren en is de praktische samenwerking aan beperkingen onderhevig.

Zoals bekend heeft deze kwestie ook de aandacht gehad tijdens het jongste informele overleg van de EU-Ministers van Buitenlandse Zaken in het Finse Saariselkä waar, mede dankzij de constructieve opstelling van mijn Griekse collega, een positief getoonzette discussie mogelijk bleek.

Bilateraal

Ook de Regering is van oordeel dat goede bilaterale betrekkingen voor Nederland van groot belang zijn, mede vanwege de aanzienlijke Turkse gemeenschap in ons land. Mede in dit licht heb ik direct na de aardbeving een kort bezoek aan het getroffen gebied gebracht. Daarnaast ben ik voornemens om dit najaar een uitgebreider bezoek aan Turkije te brengen.

In het advies wordt de instelling van een Turkije-faciliteit aanbevolen om de bilaterale betrekkingen te versterken. De mogelijkheden van de instelling van een dergelijke faciliteit zullen in het komend jaar worden onderzocht, in de eerste plaats binnen de bestaande kaders voor toetredingskandidaten. Het spreekt vanzelf dat - in het licht van de beperkte middelen alsmede uit politiek oogpunt - bilaterale fondsen niet in de plaats mogen komen van de door de EU aan Turkije toegezegde en thans nog geblokkeerde financiering, maar daaraan additioneel zouden moeten zijn. Tevens worden op dit moment de mogelijkheden nagegaan om op korte termijn in het kader van het POBB-programma enkele projecten die zich richten op de versterking van democratie en goed bestuur te financieren.

Tot slot

Tenslotte spreek ik, mede namens mijn collegae, mijn grote waardering uit voor Uw aller inspanningen. Inmiddels wordt gewerkt aan een Engelse en Turkse vertaling van het advies. Zodra deze gereed zijn, zal het onder de NAVO- en EU-partners alsook in Turkije worden verspreid.

 

J.J. van Aartsen
De Minister van Buitenlandse Zaken

Persberichten

Van dit advies is geen persbericht gepubliceerd