Defensie-onderzoek en parlementaire controle

30 september 2005 - nr.16
Samenvatting

Defensie-onderzoek en parlementaire controle

Woord vooraf

In de zomer van 2000 heeft de AIV de adviesaanvraag ‘motie Zijlstra/Van ’t Riet’ ontvangen, gedateerd 11 juli 2000. Hierin is de AIV de vraag voorgelegd welke mogelijkheden hij ziet voor de verwezenlijking van de wens van de Tweede Kamer, te komen tot een onderzoekscapaciteit gericht op defensievraagstukken in de ruimste zin des woords, zoals deze tot uitdrukking is gebracht in de motie

Zijlstra/Van ’t Riet. (De adviesaanvraag treft u aan als bijlage I.) Deze motie is

ingediend bij het debat in de Tweede Kamer over de Defensienota 2000 op 14 februari 2000. (De motie Zijlstra/Van ’t Riet is afgedrukt na de adviesaanvraag.)

Ter voorbereiding van het advies is allereerst informatie opgevraagd over ondersteuning van het parlement, in het bijzonder op het gebied van defensie, in een aantal landen waarmee Nederland (nauwe) betrekkingen onderhoudt. (Deze informatie is ingesloten als bijlage II.) Vervolgens zijn de in de adviesaanvraag genoemde onderzoeksinstellingen (Clingendael, TNO en de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht) vragen voorgelegd over hun betrekkingen met en onderzoek voor het parlement. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met de indieners van de motie, de leden van de Tweede Kamer mr. M. Zijlstra (PvdA) en mevrouw drs. N.G. van ’t Riet (D66), en met de voorzitter en de griffier van de Tweede Kamer, mevrouw

J. van Nieuwenhoven en jhr. mr. W.H. de Beaufort. Op zijn verzoek is bovendien een gesprek gevoerd met de voorzitter van de defensiecommissie van de PvdA,

drs. H.J. van den Bergh. Onder diens voorzitterschap is de defensienota ‘Een plan voor de krijgsmacht’ tot stand gekomen, waarin onder andere de gedachte is

geopperd te komen tot meer onderzoek op het gebied van defensie. De informatie uit de schriftelijke stukken en uit de gesprekken is voor de AIV zeer waardevol geweest. De AIV is de betrokkenen dan ook zeer erkentelijk dat zij bereid zijn geweest hun kennis en inzichten met de AIV te delen.

De AIV heeft dit advies vastgesteld op 27 november 2000. Het advies is

voorbereid in de Commissie defensie-onderzoekscapaciteit, bestaande uit

prof. drs. R.F.M. Lubbers (voorzitter AIV), dhr. A.L. ter Beek (voorzitter Commissie Vrede en Veiligheid) en prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh (vice-voorzitter Commissie Vrede en Veiligheid). Gezien het onderwerp van de adviesaanvraag

hebben laatstgenoemden gefungeerd als draaischijf tussen de Commissie

defensie-onderzoekscapaciteit en de Commissie Vrede en Veiligheid die in twee vergaderingen, op 3 oktober en op 14 november, heeft gesproken over het onderwerp defensie-onderzoekscapaciteit. Het secretariaat voor dit advies is gevoerd door de secretaris van de AIV, drs. F. van Beuningen.

Aanbeveling:

De AIV beveelt de regering aan – nu de Tweede Kamer blijkens de motie Zijlstra/

Van ’t Riet op haar een beroep doet na te gaan op welke wijze kan worden voorzien

in een onderzoekscapaciteit gericht op defensievraagstukken – zich te richten op een vorm van bemiddeling tussen de vraag vanuit de Tweede Kamer en het aanbod van deskundigheid op het gebied van defensie in Nederland en daarbuiten en niet op een instituut, dat zelfstandig onderzoek zou gaan doen. Hiervoor dient een beperkt aantal deskundigen te worden ingeschakeld die kunnen optreden als makelaars in kennis en informatie tussen de Tweede Kamer en de aanwezige kennisinfrastructuur, in Nederland en daarbuiten, op het gebied van defensie.

Adviesaanvraag

 

Defensie-onderzoek en parlementaire controle

 

No. 16, December 2000

I Achtergrond van de adviesaanvraag defensie-onderzoekscapaciteit

Bij de voorbereidingen voor de maatschappelijke en politieke discussie over de (toen nog te verschijnen) Defensienota 2000 heeft de Partij van de Arbeid een nota gepresenteerd over de toekomst van het defensiebeleid met de titel ‘Een plan voor de krijgsmacht’. In deze nota wordt gesteld dat in Nederland onvoldoende onderzoek op het gebied van defensie wordt verricht: "Het is te betreuren dat er weinig of geen onafhankelijk onderzoek wordt gedaan naar de vele aspecten die met het militaire deel van de internationale politiek van doen hebben."1 Deze stelling wordt niet nader toegelicht. Ze vormt wel de achtergrond voor een pleidooi voor de oprichting van een Nederlands Instituut voor Defensie Onderzoek. De opdracht die het instituut volgens de Partij van de Arbeid dient te krijgen, is het verrichten van onafhankelijk onderzoek, dan wel onderzoek in opdracht van onder andere de Tweede Kamer, de ministeries van Defensie en van Buitenlandse Zaken. De onderwerpen waarnaar onderzoek kan worden gedaan zijn:

- "De moderne krijgsmacht in het licht van nieuwe politieke uitdagingen;

- aansturingsvraagstukken tegen de achtergronden van politieke doelen;

- nut en wenselijkheid van bepaalde wapensystemen en voorgenomen aanschaffingen;

- de optimale rol van de Nederlandse krijgsmachtbijdrage in de bondgenootschappelijke en Europese samenwerking;

- samenwerking tussen de krijgsmachtonderdelen;

- kwaliteitsbevordering van de Nederlandse militair;

- de Nederlandse samenleving en de militaire cultuur."2

Tijdens de behandeling van de Defensienota in de Tweede Kamer, in februari 2000, dienen de parlementariërs mr. M. Zijlstra (Partij van de Arbeid) en drs. N.G. van ’t Riet (D66) een motie in waarin - vanuit de gedachte dat in Nederland geen onderzoekscapaciteit bestaat gericht op defensievraagstukken in de ruimste zin des woords - de regering wordt gevraagd na te gaan op welke wijze hierin kan worden voorzien.3 De heer Zijlstra geeft aan niet precies voor ogen te hebben op welke manier een defensie-onderzoekscapaciteit kan worden ingericht. "Er zijn verschillende varianten voor te bedenken. Je kunt denken aan een poot aan Clingendael, die zich dan specifiek richt op militaire zaken. Het gaat dan niet alleen om strategieën, maar ook heel concreet om vervanging van wapensystemen en dergelijke."4

Elders wordt de motivatie voor de behoefte aan een defensie-onderzoekscapaciteit onomwonden gegeven. In een verslag van een studiereis van de vaste commissie voor defensie van de Tweede Kamer, in verband met de opvolging van de F16, blijken kamerleden voor hun informatie niet alleen afhankelijk te willen zijn van het ministerie van Defensie. "De betrokken kamerleden van de commissie-Defensie vertrouwen de informatie van het ministerie niet meer. Zij willen althans niet afhankelijk zijn van de informatie die minister Frank de Grave en staatssecretaris Henk van Hoof (beiden VVD)

 

1 ‘Een plan voor de krijgsmacht’, p. 42.

2 Idem.

3 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 900, nr. 7.

4 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26 900, nr. 22, p. 9.

 

aanreiken."5 De angst van kamerleden, bij de aanschaf van materieel, is dat op een onbewaakt ogenblik in de aanbesteding een ‘point of no return’ wordt gepasseerd. Daarnaar gevraagd formuleert de heer Zijlstra, één van de indieners van de motie defensie-onderzoekscapaciteit, dit als volgt: "De informatie van de regering {-} dient te worden bekeken in het licht van de belangen die ermee worden gediend. Binnen het defensie-apparaat bestaan veel deelbelangen. De vraag is of er wel altijd een optimaal resultaat wordt nagestreefd; of niet teveel deelbelangen worden gediend."6 De andere indiener van de motie, mevrouw drs. N.G. van ’t Riet, stelt in dit verband het begrip contra-expertise centraal. Zij geeft aan dat de Tweede Kamer er behoefte aan heeft defensievraagstukken te kunnen toetsen aan deskundigheid van buitenaf, van onafhankelijken.7 De heer Van den Bergh, voorzitter van de commissie van de PvdA die de bovengenoemde nota ‘Een plan voor de krijgsmacht’ heeft opgesteld, acht het gebrek aan onderzoek naar defensie uit oogpunt van democratisch debat een tekortkoming. "Er staat op het gebied van defensie als het ware geen ‘countervailing power’ tegenover de regering."8 In dit licht hoeft het geen verwondering te wekken dat de Tweede Kamer, ter begeleiding van de opvolging van de F16 waar zo’n tien à twaalf miljard gulden mee zal zijn gemoeid, een onderzoeksopdracht heeft verleend aan het Britse ‘Royal United Services Institute’.

5 Elsevier, 26 augustus 2000, p. 14.

6 Gesprek met mr. M. Zijlstra, 4 oktober 2000.

7 Gesprek met mevrouw drs. N.G. van ’t Riet, 10 oktober 2000.

8 Gesprek met drs. H.J. van den Bergh, 16 oktober 2000.

II Defensie-onderzoek

II.1 De situatie in Nederland

De beoordeling van de regering en van het parlement van de stand van zaken op het gebied van defensie-onderzoek lijkt uiteen te lopen. Immers, in tegenstelling tot de geluiden die hiervoor zijn weergegeven, stelt de regering in de adviesaanvraag die aan dit advies ten grondslag ligt, dat er een gevarieerde capaciteit aan onderzoek en advisering bestaat. De regering noemt in dit verband, naast de Adviesraad Internationale Vraagstukken, het Instituut Clingendael, de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht en TNO.9 Daar kan nog aan worden toegevoegd dat veel deskundigheid aanwezig is op universiteiten in Nederland bij verschillende disciplines en opleidingen, in het bijzonder die van de internationale betrekkingen. Bovendien kan in dit verband melding worden gemaakt van het Studiecentrum voor Vredesvraagstukken (Katholieke Universiteit

Nijmegen), van het Instituut voor Internationale Studies en van het Programma voor Interdisciplinair Onderzoek naar de Oorzaken van Mensenrechtenschendingen (Universiteit Leiden). Een aantal instellingen (onder andere de Atlantische Commissie en de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht) hebben bovendien bijzondere leerstoelen ingesteld, waar (aspecten van) het veiligheids- en defensiebeleid worden bestudeerd, studenten worden opgeleid e.d. Ook het Instituut Defensieleergangen, de Koninklijke Militaire Academie en het Koninklijk Instituut voor de Marine dragen hun steentje bij aan de opbouw van deskundigheid in Nederland op het gebied van defensie, zij het dat deze in eerste instantie opleidingsinstituten van het ministerie van Defensie en van de krijgsmachtdelen zijn. Het Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart, het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium en het "Maritime Research Institute Netherlands" doen in het algemeen onderzoek in opdracht van de regering en van de industrie. (De afstemming van de technisch getinte onderzoeksopdrachten van de zijde van de Rijksoverheid vindt plaats in de Raad voor het Defensie-onderzoek.) Deze instellingen kunnen in beginsel ook het parlement bijstaan met hun kennis en deskundigheid, zij het dat daar in de meeste gevallen wel voor zal moeten worden betaald. De meeste van de hiervoor genoemde opleidings- en onderzoeksinstellingen publiceren geregeld over (aspecten van) het veiligheids- en defensiebeleid. De hieraan verbonden deskundigen wisselen bovendien geregeld kennis en informatie uit op seminars, congressen, conferenties e.d.

Desgevraagd geven de in de adviesaanvraag genoemde instellingen (het Instituut Clingendael, de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht en TNO) aan dat er veelvuldig contacten zijn met leden van de Tweede Kamer, in het algemeen omdat dezen een beroep doen op de betreffende instelling om informatie te verstrekken over onderwerpen die in het politieke en/of publieke debat spelen.10 De contacten zijn in het algemeen incidenteel van karakter. De onderwerpen waarover informatie wordt verstrekt, zijn velerlei. Het kan gaan om de uitzending van Nederlandse militaire eenheden naar crisisgebieden, om het Europese veiligheids- en defensiebeleid, om (aspecten van) het personeelsbeleid, om de aanschaf van materieel (zoals de opvolging van de F16) e.d.

9 Adviesaanvraag motie Zijlstra/Van ’t Riet, 11 juli 2000 (nr. D 2000002239), p. 2.

10 Desgevraagd hebben de genoemde instellingen schriftelijk informatie verstrekt aan de AIV ten behoeve van dit advies (brief van Clingendael van 13 september 2000, brief van Maatschappij en Krijgsmacht van 25 september 2000 en brief van TNO van 2 oktober 2000).

Ook wisselen deskundigen en leden van de Tweede Kamer geregeld van gedachten op seminars, congressen, conferenties e.d. Genoemde instellingen beschouwen het nadrukkelijk als hun taak het parlement en individuele leden van de Tweede Kamer te informeren of te adviseren, uit eigen beweging of op verzoek. De mate waarin op verzoeken kan worden ingegaan, hangt mede af van de aard van het onderzoek dat op de betreffende instelling wordt verricht.

II.2 Internationaal

Indien nodig kunnen de in de adviesaanvraag genoemde instellingen een beroep doen op (onderzoeks)instellingen in het buitenland. Met een groot aantal instellingen wordt vanuit Nederland geregeld, soms zelfs structureel contact onderhouden. Een greep, in willekeurige volgorde, van de instellingen waarmee het Instituut Clingendael, de Stichting Maatschappij en Krijgsmacht en TNO contacten onderhouden: Rand Europe (een Amerikaans instituut dat zijn Europese vestiging in Nederland heeft), Center for European Policy Studies (Brussel), Center for Defence Analysis, Center for European Reform, Defence Evaluation and Research Agency, International Institute for Security Studies, Royal Institute for International Affairs (Verenigd Koninkrijk), WEU Institute for Security Studies, IFRI (Frankrijk), IAI (Italië), Industrieanlagen-Betriebsgesellschaft, Deutsches Institut für Auswärtige Politik, Frauenhofer Gesellschaft für Trendanalysen, Zentrum für Europäischen Studien (Duitsland), Försavets Forskninganstalt, Swedish National Defence College (Zweden) en het US Army Research Institute (Verenigde Staten).

Teneinde een beeld te kunnen vormen van het bestaan van de mogelijkheid van het verrichten van onderzoek op het gebied van defensie ten behoeve van het parlement en van de algemene ondersteuning van het parlement in landen waarmee Nederland nauwe betrekkingen onderhoudt, is bij Nederlandse ambassades hieromtrent informatie ingewonnen. Deze informatie, alsmede de landen waaruit ze afkomstig is, is in onderstaand overzicht weergegeven. (Dit overzicht kan op deze website niet worden weergegeven.) De ontvangen informati en de vragen die zijn gesteld, zijn meer uitgebreid weergegeven in bijlage II (Bijlage II staat onderaan deze pagina).

Tabel alleen zichtbaar in de pdf file. Deze is down te loaden via de download pagina.

Uit de ingekomen informatie komt naar voren dat geen van de landen een defensie-onderzoekscapaciteit heeft, die kan fungeren ten behoeve van het parlement, als bedoeld in de motie Zijlstra/Van’t Riet. Hierin onderscheidt Nederland zich niet van andere landen. Wel is in een aantal gevallen de ondersteuning ondergebracht bij de defensiecommissie van het parlement. Zeven landen kennen één of andere vorm van algemene ondersteuning ten behoeve van het parlement. Deze ondersteuning kan zeer variëren in omvang: van het Amerikaanse "Library of Congress", waarvan de werking ver boven ondersteuning van het congres uitgaat (en de "Congressional Research Service" het Congres van informatie voorziet), tot de beperkt opgezette "Wissenschaftliche Dienst" van de Duitse Bundestag of de "Service des Etudes et de la Documentation" van de Franse Assemblée. De wijze waarop de ondersteuning gestalte krijgt, loopt uiteen van het verrichten van (zelfstandig) onderzoek tot het ordenen van gegevens uit (openbare) bronnen. Bovendien is het niet in alle landen gebruikelijk een beroep te doen op externe deskundigheid ten behoeve van de standpuntbepaling in het parlement.

III De parallelle discussie: versterking van de controlerende rol van het parlement

Kennelijk roepen de steeds complexere maatschappelijke en politieke vraagstukken waarvoor het parlement zich ziet gesteld, de vraag op naar meer ondersteuning (van leden) van het parlement bij het uitoefenen van hun controlerende functie. Zo hebben de fractievoorzitters van de Eerste Kamer besloten een Europa-bureau op te richten in een poging meer greep te krijgen op Europese wetgeving.11 In de Tweede Kamer spitst de discussie over versterking van zijn controlerende functie zich toe op de plannen voor een verificatiebureau of onderzoekseenheid. Overigens speelt ook hier dat leden van de Tweede Kamer zich beducht tonen alleen af te gaan op de informatie die door de regering wordt verstrekt.12 Dit speelt dus niet alleen ten aanzien van defensievraagstukken.

Op de wens de controlerende rol van de Kamer te versterken, duiden niet alleen publicaties in de pers, maar ook overleg in de Tweede Kamer wijst in deze richting. In de algemene toelichting bij de raming van de uitgaven voor het jaar 2001 geeft het presidium aan te overwegen een parlementair verificatiebureau op te richten. De toelichting stelt: "Dit bureau kan worden belast met het beoordelen van de betrouwbaarheid van al bestaande onderzoeken, die het Kabinet aan de Kamer aanbiedt en eveneens met die van door de Kamer zelf opgedragen onderzoeken. Het spreekt vanzelf dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de onafhankelijkheid van zo’n eventuele functie.

De eventuele budgettaire gevolgen zullen worden verwerkt zodra een besluit is genomen".13 Het model dat het presidium voor ogen staat is een onafhankelijk verificatiebureau, dat niet is verbonden aan bestaande instellingen. Gedacht wordt aan "een voorziening van enkele mensen die beschikken over een methodische kennis van onderzoek, met name voor wat betreft het feitelijk waarderen van onderzoeksresultaten".14 In het debat over de ramingen op 21 juni 2000 kondigt de voorzitter van de Tweede Kamer aan hierover een notitie aan de Kamer te zenden met meer uitgewerkte gedachten.15 Het streven is deze nog in 2000 af te ronden. Desgevraagd heeft de voorzitter van de Tweede Kamer, mevrouw J. van Nieuwenhoven, aangegeven dat het zeer wel denkbaar is, dat na inventarisatie en verificatie van gegevens en informatie uit openbare bronnen, de Tweede Kamer besluit onderzoek te (laten) verrichten. De gedachten in het parlement lijken momenteel dus te liggen ergens tussen een verificatiebureau en een onderzoekseenheid.16

11 Algemeen Dagblad, 3 november 2000.

12 ‘Onmacht en kippendrift – De Tweede Kamer wil strenger controleren maar weet niet hoe’; NRC Handelsblad, 10 juni 2000.

13 Raming der voor de Tweede Kamer in 2001 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten, Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 27 082, nr. 6, p. 1.

14 Idem, nr. 12, p. 1 en 5.

15 Debat over de Raming der voor de Tweede Kamer in 2001 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten (21 juni 2000), TK 89, 89-5743.

16 Gesprek met de voorzitter en griffier van de Tweede Kamer, mevrouw J. van Nieuwenhoven en jhr. mr. W.H. de Beaufort, 6 november 2000.

IV Defensie-onderzoekscapaciteit: voorstel voor een opzet

IV.1 Opzet

In de adviesaanvraag werpt de regering de vraag op of er lacunes bestaan in het huidige samenstel van onderzoeks- en adviesinstellingen. In paragraaf II van dit advies is aangegeven dat Nederland een veelheid aan, en een grote variatie in onderzoeksinstellingen kent. Op de meeste daarvan lijkt de Tweede Kamer een beroep te kunnen doen. Bovendien beschikken Nederlandse instellingen over tal van contacten met onderzoeksinstellingen in het buitenland. Kortom, er wordt kennelijk meer onderzoek gedaan naar veiligheids- en defensievraagstukken dan wordt verondersteld in de nota van de Partij van de Arbeid ‘Een plan voor de krijgsmacht’ en de motie Zijlstra/Van ’t Riet. Er is bovendien veel informatie beschikbaar, al dan niet gestoeld op (wetenschappelijk) onderzoek.

Dit roept de vraag op waar het ongemak, zoals dat wordt gevoeld in de Tweede Kamer, vandaan komt. Immers, niet voor niets is motie Zijlstra/Van ’t Riet met algemene stemmen aangenomen. Vanuit het oordeel, zoals hiervoor weergegeven, dat de leden van de Kamer niet alleen afhankelijk willen zijn van de informatie van het departement van Defensie, vormen het beschikbare onderzoek en de hierop gegronde informatie kennelijk op dit moment geen alternatief. Vermoedelijk zijn deze onvoldoende toegespitst op de afwegingen en op de besluitvorming waarvoor leden van de Tweede Kamer zich zien geplaatst. Zonder zich uit te spreken over de vraag of er voldoende onderzoek plaatsvindt (motie Zijlstra/Van’t Riet), noch over de vraag of er lacunes zijn in het geheel van onderzoeks- en adviesinstellingen (de regering lijkt in de adviesaanvraag te suggereren van niet), constateert de AIV dat de Tweede Kamer als geheel de voorhanden onderzoekscapaciteit, zoals hiervoor weergegeven, veel meer, én gerichter, kan aanwenden dan tot nu toe is gebeurd. De vraag is dan ook niet zozeer op welke wijze meer onderzoek kan worden gedaan, maar op welke wijze de beschikbare deskundigheid op het gebied van defensie (in Nederland en daarbuiten) kan worden aangewend, opdat deze meerwaarde kan opleveren voor het debat en de besluitvorming over het Nederlandse defensiebeleid. De weg die informatie momenteel moet afleggen van studie en onderzoek naar debat en besluitvorming in de Tweede Kamer is kennelijk zo kronkelig dat die bestemming zelden wordt bereikt.

In de adviesaanvraag wordt de AIV de vraag voorgelegd op welke wijze de wens kan worden verwezenlijkt te komen tot defensie-onderzoekscapaciteit, in eerste instantie ten behoeve van het parlement, zoals neergelegd in de motie Zijlstra/Van’t Riet. In het licht van het voorafgaande komt de AIV tot de conclusie dat het niet zozeer gaat om meer onderzoek op defensiegebied, maar meer gericht onderzoek dat voldoende aansluit bij de behoefte hieromtrent die in het parlement wordt gevoeld en dat nauw aansluit, ook in de tijd, op het politieke proces van besluitvorming waar het parlement voor wordt gesteld. Het is dan ook de vraag of een volledig opgetuigd defensie-onderzoeksinstituut in deze behoefte kan voorzien. Immers, nieuw of extra onafhankelijk onderzoek op het gebied van defensie lost het probleem van onvoldoende aansluiting van het (te verrichten) onderzoek en de behoefte die bij de Tweede Kamer leeft niet op, nog afgezien van de praktische vragen die de oprichting van zo’n instituut met zich brengt (zoals wie draagt de kosten?, is voldoende deskundig personeel beschikbaar?, wegen de kosten op tegen de resultaten die een onderzoeksinstituut kan boeken?).17 De AIV is van oordeel dat een meer praktische benadering zou zijn - bovendien op korte termijn te verwezenlijken - te streven naar een vorm van bemiddeling tussen vraag en aanbod in plaats van naar een instituut dat zelfstandig, wetenschappelijk onderzoek zou verrichten. De gedachten gaan uit naar een voorziening die beperkt is van opzet en die zich erop toelegt om onderzoek uit te besteden bij bestaande onderzoeksinstituten en universiteiten - in Nederland en buiten Nederland - of op andere wijze deskundigheid en kennis kan aanboren waar de Tweede Kamer over wenst te beschikken. Voor zo’n voorziening kan worden gedacht aan drie à vijf deskundigen, afkomstig van universiteiten, onderzoeksinstituten en/of instellingen met militaire deskundigheid, die slechts een beperkt deel van hun tijd hieraan hoeven te besteden. Zij dienen voldoende deskundig te zijn om te kunnen optreden als makelaars in kennis tussen de Tweede Kamer en de aanwezige kennisinfrastructuur, in Nederland en daarbuiten, op het gebied van defensie. Daarom is het zaak hiervoor gezaghebbende deskundigen te rekruteren, die thuis zijn op het gebied van veiligheids- en defensievraagstukken (beleid, internationale en Europese samenwerking, organisatie, financiering, personeel aanbesteding van materieel e.d.) Door regelgeving en andere waarborgen dient onafhankelijk optreden van deze deskundigen gewaarborgd te zijn.

Op deze wijze kan worden tegemoet gekomen aan de wens van de Tweede Kamer een structuur te vinden voor onderzoeksvragen op het gebied van defensie die bij de Kamer leven. Het is dan wel zaak dat de Tweede Kamer de taak op zich neemt onderzoeksvragen te articuleren: het gaat erom wat de Tweede Kamer wil weten, waarom dat van belang is met het oog op besluitvorming in de toekomst en wanneer de kennis en informatie beschikbaar moeten zijn. Immers, er gaat enige tijd mee heen voordat onderzoek is afgerond en informatie beschikbaar kan komen. Vooruitblikken moet dus het devies zijn bij het entameren van onderzoeksvragen vanuit de Tweede Kamer. Geregeld overleg tussen de deskundigen en leden van de Tweede Kamer (bijvoorbeeld vanuit de vaste commissie voor Defensie) lijkt hiervoor een eerste vereiste. Dergelijk

 

17 Om u een indruk te bieden van de omvang van enkele onderzoeksinstituten en de begroting waarover deze beschikken, zijn, bij wijze van voorbeeld, enkele gegevens in een overzichtje gegroepeerd (de gegevens zijn per electronische post van de genoemde instituten ontvangen):

InstellingAantal medewerkers (afgerond)Jaarbegroting (afgerond)
Instituut Clingendael6010,9 miljoen gulden
Rand Corporation1100 (700 bij deonderzoeksstaf)140 miljoen US Dollar
Stiftung für Wissenschaft und Politik110 (35 bij deonderzoeksstaf)16 miljoen DM
Bonn International Centre for Conversion (BICC)35 (15 bij de onderzoeksstaf)4,5 miljoen DM
International Institute for Strategic Studies432 miljoen Pond

overleg – tussen Tweede Kamer en deskundigen – kan bovendien bevorderen dat onderzoek proactief wordt uitbesteed, met het oog op toekomstige kwesties op het gebied van defensie, waar de Tweede Kamer mee kan worden geconfronteerd.

Aanbeveling:

De AIV beveelt de regering aan – nu de Tweede Kamer blijkens de motie Zijlstra/Van ’t Riet op haar een beroep doet na te gaan op welke wijze kan worden voorzien in een onderzoekscapaciteit gericht op defensievraagstukken – zich te richten op een vorm van bemiddeling tussen de vraag vanuit de Tweede Kamer en het aanbod van deskundigheid op het gebied van defensie in Nederland en daarbuiten en niet op een instituut, dat zelfstandig onderzoek zou gaan doen. Hiervoor dient een beperkt aantal deskundigen te worden ingeschakeld die kunnen optreden als makelaars in kennis en informatie tussen de Tweede Kamer en de aanwezige kennisinfrastructuur, in Nederland en daarbuiten, op het gebied van defensie.

IV.2 Tot slot

De wijze waarop aan de defensie-onderzoekscapaciteit wordt vormgegeven, acht de AIV in de eerste plaats een zaak van de Tweede Kamer. In paragraaf III van dit advies is aangegeven dat in de Tweede Kamer gedachten leven te komen tot een verificatie-bureau of onderzoekseenheid. Nog niet duidelijk is of, en zoja wanneer, defensie-onderzoek hierin een plaats zal krijgen en hoe de opdracht van een op te richten verificatiebureau of algemene onderzoekseenheid zich verhoudt tot de wens te komen tot defensie-onderzoekscapaciteit, zoals neergelegd in de motie Zijlstra/Van ’t Riet. Het lijkt echter voor de hand te liggen dat een defensie-onderzoekscapaciteit uiteindelijk zal worden ingepast in het verificatiebureau of de onderzoekseenheid van de Tweede Kamer zelf.

Zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, is de AIV bereid zijn deskundigheid ter beschikking te stellen aan het parlement om, indien daarop prijs wordt gesteld, te

helpen de brug te slaan tussen de Tweede Kamer en de kennisinfrastructuur op het gebied van defensie, in de zin als bovenomschreven in paragraaf V.1. De AIV acht dit niet meer dan een voorlopige oplossing, over de modaliteiten waarvan kan worden overlegd indien in de Tweede Kamer de overtuiging postvat dat een rol als kennismakelaar door de AIV enig soelaas kan bieden. Deze oplossing kan niet anders dan tijdelijk zijn omdat de structurele taak van de AIV, te weten het uitbrengen van (strategische) beleidsadviezen, niet in het gedrang mag komen.

In dit licht neemt de AIV de gelegenheid van dit advies te baat om onder de aandacht te brengen dat de Tweede Kamer de mogelijkheid heeft, net als de regering, over beleidskwesties – op het gebied van defensie, maar ook over (andere) internationale vraagstukken – de AIV om advies te vragen. De onderwerpen voor onderzoek, zoals weergegeven in paragraaf I, lenen zich alle ook om in de vorm van adviesaanvragen over te voeren beleid voor te leggen aan de AIV. Met uitzondering van de technische aspecten van de aanschaf van materieel in strikte zin, kenmerken genoemde onderwerpen zich door een voldoende beleidsmatig karakter dat advisering door de AIV, indien daar behoefte aan bestaat, in de rede ligt.

 

Bijlage 1

Bijlage 1 alleen beschikbaar als pdf document (te downloaden via de download pagina).

 

Bijlage 2

Inventarisatie in het kader van de adviesaanvraag defensie-onderzoekscapaciteit

1 Inleiding

De motie Zijlstra/Van’t Riet, alsmede de hierop gebaseerde adviesaanvraag, over versterking van een onafhankelijke defensie-onderzoekscapaciteit, kan worden bekeken in het kader van de bredere wens van het parlement zijn controlerende functie te versterken. Kennelijk maken de steeds complexere maatschappelijke en politieke vraagstukken waar de Tweede Kamer zich voor gesteld ziet, (meer) ondersteuning wenselijk. Deze inventarisatie biedt informatie over de ondersteuning van parlementen in achtereenvolgens de Verenigde Staten, Canada, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Noorwegen, Denemarken, Zweden, Spanje, Portugal, Italië, Oostenrijk en Zwitserland. Deze informatie is verkregen door de Nederlandse ambassades te vragen één en ander op een rijtje te zetten.

In een memorandum zijn de volgende vragen aan de Nederlandse ambassades in de bovengenoemde landen voorgelegd:

1) Beschikt het parlement te Uwent over eigen onderzoeksbureaus die helpen de parlementaire controle over regeringsbeleid gestalte te geven? Het betreft nadrukkelijk onderzoek dat vooraf gaat aan politieke/parlementaire besluitvorming. Als dergelijke bureaus bestaan, hoe zijn deze georganiseerd (aantal medewerkers, budget, financiering)? (zie hierna x.x.2)

2) Bestaat te Uwent een dergelijk onderzoeksbureau dat zich specifiek op defensiebeleid richt? Zo ja, beperkt een dergelijk bureau zich tot technische expertise of richt het zich op algemene beleidsvraagstukken? Hoe is dit bureau georganiseerd? (zie hierna x.x.3)

3) Laat het parlement te Uwent zich bijstaan door onafhankelijk onderzoek wanneer beslissingen moeten worden genomen over grote bestedingen (bijvoorbeeld aanschaf grote wapensystemen)? Zo ja, door wie/waardoor? (zie hierna x.x.4)

4) Bestaan te Uwent onderzoeksbureaus op defensiegebied buiten het parlementaire circuit? Gaat het daarbij vooral om technische expertise (zoals TNO in Nederland) of om meer beleidsgericht onderzoek (Clingendael)? Hoe verhouden dergelijke bureaus zich tot elkaar en wat is hun relatie tot het parlement? (zie hierna x.x.5)

De antwoorden op de bovengestelde vragen treft u hieronder per land gerangschikt aan. Daarbij zijn zoveel mogelijk de formuleringen van de ambassades gevolgd. Overigens zijn niet altijd alle gestelde vragen beantwoord.

2 Inventarisatie

2.1 Verenigde Staten

2.1.1 Parlementaire commissie

Het "Committee on Armed Services" is de commissie van "The House of Representatives", die zich bezig houdt met zaken die gerelateerd zijn aan defensie. Deze commissie bestaat uit de volgende subcommissies: "Subcommitee on Military Installations and Facilities", "Subcommittee on Military Personnel", "Subcommittee on Military Procurement", "Subcommittee on Military Readiness" en het "Subcomittee on Military Research and Development".

2.1.2 Onderzoeksbureau

Centraal in de informatievoorziening en in onderzoek naar het beleid staat het "Library of Congress". De eerste prioriteit van de "Library" is het beschikbaar maken van kennis en creativiteit ten behoeve van het Amerikaanse Congres. Vanzelfsprekend gaat de betekenis van de collecties van het "Library of Congress" ver uit boven de informatie- en onderzoeksfunctie ten behoeve van het Amerikaanse parlement. De voorzieningen voor het publiek en de wetenschap zijn ongekend. Voor (leden van) het Congres bestaat binnen het "Library of Congress" de "Congressional Research Service", die zich vooral toelegt op het beschikbaar maken van informatie.

Voor onderzoek naar budgettaire aspecten kunnen de parlementaire commissies van het Amerikaanse Congres gebruik maken van de diensten van het "Committee on the Budget". Het heeft de verantwoordelijkheid om toezicht te houden op het onderzoek naar de effecten van uitgaven gerelateerd aan bestaande of voorgestelde wetgeving en om onderzoek naar belastinguitgaven te initiëren en te evalueren. Het "Congressional Budget Office" (CBO) houdt zich vervolgens bezig met de concrete uitvoering van deze taken.

2.1.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Het Amerikaanse Congres kent geen onderzoeksinstelling specifiek ten behoeve van defensie.

N.B.: Naar de mening van de contactpersoon bij de ambassade bestaan geen voorbeelden van door het Congres geïnitieerde "onafhankelijke" studies. "House" en "Senate" laten zich wel voorlichten in zogenaamde hearings, waarbij deskundigen van onderzoeksinstituten geregeld spreektijd krijgen.

2.1.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Op technisch gebied beschikt het "Department of Defence" zelf over uitgebreide test- en evaluatiefaciliteiten die vergelijkbaar zijn met TNO.

Voor "Research and Development" wordt naar verhouding in Amerika veel meer geld uitgegeven dan in Europa. Verwerving van nieuw materieel vindt plaats via concurrentie en vergelijking van de door de industrie geleverde producten vindt ook veelal hier plaats.

2.1.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Er is in Amerika een veelheid aan van de overheid onafhankelijke onderzoeksinstellingen die zich op het gebied van defensie en gerelateerde onderwerpen begeven. Vaak werken zij samen met belangengroeperingen en organiseren hun output via lobbies. Deze worden soms opgericht met een specifiek doel en zijn in hun bestaan min of meer tijdelijk.

"The Brookings Institution" in Washington D.C. is één van de meer bekende onafhankelijke onderzoeksinstellingen1 en poogt te fungeren als een brug tussen de academische wereld en de beleidsmakers. Dit instituut wordt vaak bestempeld als een zogenaamde "denk tank" van de regering, maar als onafhankelijk instituut2 zou het in beginsel ook door de parlementaire commissies ingeschakeld kunnen worden.

Enkele andere bekende instellingen zijn:

- "Rand Corporation"

- "Centre for Strategic and International Studies"

- "Carnegie Endowment for International Peace"

- "Institute for Defence Analysis"

1 Het houdt zich bezig met onderzoeks- en onderwijsactiviteiten.

2 "The Brookings Institution" wordt namelijk gefinancierd door filantropische stichtingen, ondernemingen en particuliere personen

 

2.2 Canada

2.2.1 Parlementaire commissie

In Canada houden drie commissies zich bezig met zaken op veiligheids- en defensiegebied: het "Standing Committee on National Defence and Veterans Affairs", het "Standing Committee on Foreign Affairs" en het "Standing Committee on Foreign Affairs and International Trade".

2.2.2 Onderzoeksbureau

Als parlementair onderzoeksbureau fungeert de ‘Library of Parliament’ (LP), waarvan de twee belangrijkste onderdelen zijn:

- de "Parliamentary Research Branch", die onderzoek verricht en analyses en beleids-advies verschaft aan leden en commissies van het parlement;

- de Information and "Documentation Branch".

De LP heeft ongeveer 280 employees en beschikte in 1999 over een budget van Can.$ 20.528.000,-.

Op de website van het Canadese Parlement wordt uitgebreid ingegaan op mandaat, dienstenpakket, etc. van de LP: http://www.parl.gc.ca (zie ook het LP Performance Report 1998-1999).

2.2.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Een specifiek op defensiebeleid gericht parlementair onderzoeksbureau bestaat in Canada niet. Een andere zaak is dat bij tijd en wijle binnen het Parlement een "Special Committee" wordt ingesteld - bestaande uit een aantal Lagerhuisleden, of een aantal Lagerhuisleden en Senatoren - ter bestudering van een bepaalde aangelegenheid. Aldus werd in februari 1994 een "Special Joint Committee of the Senate and the House of Commons" ingesteld ten-einde het Canadese defensiebeleid onder de loep te nemen. Gedurende een periode van zes maanden werd over geheel Canada - en in het buitenland - informatie ingewonnen. Op het daaruit resulterende rapport werd door de regering gereageerd d.m.v. het 1994 Defence White Paper, dat op substantiële onderdelen de Committee-aanbevelingen reflecteerde.

2.2.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Zie onder 1. Geen aparte uitbesteding aan onafhankelijke bureaus, voorzover bekend.

2.2.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

De federale overheid beschikt over een beleidsgericht "Security and Defence Forum", een door het ministerie van Defensie geleid programma, dat erop is gericht (a) de Canadese kennis van hedendaagse veiligheids- en defensiezaken te ontwikkelen en ondersteunen, (b) geïnformeerd publiek debat te stimuleren, (c) communicatie te bevorderen tussen het ministerie van Defensie, de strijdkrachten en de academische gemeenschap.

Twee belangrijke onderdelen van dit Forum zijn de "Centres of Expertise" en de "Chair of Defence Management Studies". Zij ontvangen overheidsschenkingen en genieten volkomen academische vrijheid bij de bepaling van hun onderzoeksagenda. Momenteel bestaan er 12 Centres of Expertise, gehuisvest bij diverse Canadese universiteiten, gesteund met schenkingen à CAD 45.000 tot CAD 100.000 per jaar. Deze schenkingen vormen veelal de financieringskern, aan te vullen uit andere bronnen. Elk centre ontwikkelt eigen expertise in een of meer aspecten van defensie- of veiligheidstudies. E.e.a. moet, in cumulatie, leiden tot een desbetreffende betrokkenheid in academische kring en i.h.a. tot een grotere kennis van en begrip voor defensie- en veiligheidsuitdagingen waar Canada voor staat.

De "Chair of Defence Management Studies" dient ter verruiming van de kennis en vaardigheden voor het managen van hedendaags defensiebeleid. Belangrijke onderwerpen in dit verband zijn: defensie-besluitvorming, financieel beheer en budgettering, kapitaal- aanschaffingen, defensie-industrie en civiel-militaire relaties.

Voornoemd Forum voorziet ook in een aantal studentenbeurzen en stageplaatsen t.b.v. doctorale en postdoctorale studies gerelateerd aan Canadese defensie en veiligheid. Tevens ondersteunt het via bescheiden bijdragen projecten van individuen of instellingen: bijvoorbeeld conferenties, seminars, individuele onderzoeken en "papers".

Voorts ondersteunt het ministerie van Defensie financieel een aantal andere instellingen op onderhavig terrein als het "Centre for Conflict Studies", het "Canadian Institute of International Affairs", het "Canadian Institute of Strategic Studies" en de "Conference of Defence Associations".

Tenslotte bestaat te Ottawa een technisch gericht bureau - met FEL/TNO vergelijkbaar - de "Defence Research and Development Branch".

2.3 Duitsland

2.3.1 Parlementaire commissie

De "Defence Committee" is in Duitsland de parlementaire commissie die zich bezig houdt met zaken betreffende wetgeving op het terrein van defensie en met het toezicht op de strijdmacht.

De afzonderlijke fracties hebben, naast de persoonlijke medewerkers van de Bondsdag-leden, deskundigen in het fractiebureau (op veiligheidspolitiek en defensiegebied één à twee medewerkers per fractie).

2.3.2 Onderzoeksbureau

De Bondsdag beschikt over een "Wissenschafliche Dienst". Deze staat Bondsdagleden op individueel verzoek terzijde met "alomvattende informatie en terzake kundige advisering". Het betreft een dienst van bescheiden omvang, waarvan drie medewerkers zich bezig houden met vragen op het gebied van defensie en veiligheid. Zij stellen, op verzoek van een Bondsdaglid, "Kurzberichte" op die vaak ontleend zijn aan externe bronnen.

2.3.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Een specifiek onderzoeksbureau dat in dienst staat van – alleen – het Duitse parlement bestaat niet.

2.3.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Geen. Informatie, naast die van de regering, bij grote materieelprojecten is vaak afkomstig van concurrerende firma’s.

2.3.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Hiervan bestaan er in Duitsland vele, zowel op technische gebied als op het terrein van veiligheidsbeleid. De meeste worden vrijwel volledig door de overheid (zowel federaal als op "Länderniveau") gefinancierd door directe steun aan de begroting of via aandelenconstructies. In een beperkt aantal gevallen is er sprake van een formele band met de regering. Echter, in geen van de gevallen is er sprake van een formele relatie met het parlement.

Een bekende koepelorganisatie op technische gebied is de "Frauenhofer Gesellschaft", die wordt gesubsidieerd door het Duitse ministerie van Defensie. Hieronder vallen 47 gespecialiseerde instituten die hun geld deels via subsidies, maar in toenemende mate ook uit commerciële opdrachten halen. Bekende dochterinstituten zijn het "Hydroakoestisch Institut", het "Deutsche Institut für Luft- und Raumfahrt" (DLR) en het "Institut für die Chemie der Treib- und Explosivstoffe" (ICT).

Daarnaast is er de IABG in Ottobeuren, nabij München. Deze is in handen van de "Bayerische Landesbank" die op zijn beurt eigendom van de overheid is. De IABG heeft een brede defensiepoot, waaronder het "Zentrum für Europaïsche Strategieforschung", en sterke banden met de Beierse defensie-industrie (DASA, Kraus Maffei Wegmann).

Op het gebied van veiligheidsbeleid is er de "Bundesakademie für Sicherheitspolitik". De "Bundesakademie" valt organisatorisch onder het Duitse ministerie van Defensie en de medewerkers hebben een ambtenarenstatus.

Daarnaast zijn er de "Stiftung Wissenschaft und Politik" (SWP, tevens bekend van de NL/DL "Ebenhausen-seminar"), de "Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik" (DGAP) en de "Hessische Stiftung für Friedens- und Konfliktforschung". Deze drie hebben gemeen dat zij een civielrechtelijke status hebben, maar zich grotendeels dienen te bedruipen van overheidsgeld. Ze zijn niet politiek gebonden. Enigzins hiermee verwant is het "Bonn International Centre for Conversion" (BICC), dat op een zeer specifiek veld actief is en nogal eens uit eigen beweging een studie uitbrengt ter bevordering van het politieke debat. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij het Bondsdagdebat over de aanschaf van de "Eurofighter".

Ten slotte zijn er de zogenaamde "Politische Stiftungen", een typisch Duits fenomeen, dat meer omvat dan de wetenschappelijke bureaus van de Nederlandse politieke partijen. Deze stichtingen hebben vaak honderden medewerkers en beschikken tezamen over een budget (door de centrale overheid toegekend) van ongeveer DM 200 miljoen. Hoewel in naam onafhankelijk geven deze stichtingen adviezen die toch wel redelijk in de lijn liggen van de politieke kleur van de partij waarmee zij verwant zijn:

- "Friedrich Ebert Stiftung" – SPD;

- "Konrad Adenauer Stiftung" – CDU;

- "Heinrich Böll Stiftung" – Groenen;

- "Friedrich Naumann Stiftung" – FDP;

- "Rosa Luxemburg Stiftung" – PDS.

Overigens is op defensieterrein in strikte zin de expertise van deze stichtingen beperkt en wordt er in de praktijk minder gebruik van gemaakt. Van veiligheidspolitieke analyses wordt meer gebruik gemaakt.

2.4 Verenigd Koninkrijk

2.4.1 Parlementaire commissie

Wanneer het parlement beleid inzake defensievraagstukken ("Strategic Defence Review", Kosovo, massavernietigingswapens) wil onderzoeken, gebeurt dat meestal in het desbetreffende "House Select Committee", waarin alle partijen evenredig zijn vertegenwoordigd. Deze "Select Committees" hebben vergaande bevoegdheden "to take written or oral evidence" van deskundigen binnen de regering (ambtenaren, militairen) of buiten de regering (deskundigen, academici). Het "Defence Select Committee of the House of Commons" houdt zich binnen het Britse parlement specifiek bezig met het defensiebeleid.

2.4.2 Onderzoeksbureau

Het Britse parlement heeft geen eigen onderzoeksbureau, maar wel een zeer uitgebreide bibliotheek met deskundige medewerkers (vergelijkbaar met de "Library" van het Congres in Washington).

Deze bibliotheek heeft in totaal circa 200 medewerkers en een speciale "International Affairs and Defence Section" (IADS) met vijf onderzoekers en acht "supporting staff". Ofschoon slechts "anderhalf" van deze onderzoekers gespecialiseerd zijn in pure defensie, zijn bijvoorbeeld tijdens de Kosovo crisis vier van de vijf onderzoekers vrijwel permanent met Kosovo bezig geweest. De onderzoeksafdelingen van de "Library" zijn overwegend "demand driven". Wel wordt bestaande documentatie regelmatig up-to-date gebracht. Ook anticiperen de onderzoekers op ontwikkelingen; zo wordt momenteel gewerkt aan een rapport inzake NMD.

Het totale budget van de bibliotheek is £ 8 miljoen per jaar. De bibliotheek specificeert niet hoeveel hiervan wordt uitgegeven aan onderzoek naar veiligheidsonderwerpen. Dit deel kan grofweg worden geschat door ervan uit te gaan dat "anderhalve" persoon fulltime met onderzoek hiernaar is belast.

 

In verklaringen en vragen van parlementsleden wordt verwezen naar de Bibliotheek, waarvan de kennis en kundigheid een zeker gezag vertegenwoordigen.

2.4.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Binnen het Britse parlement bestaat geen specifiek onderzoeksbureau gericht op defensiebeleid.

Van belang is dat de bovengenoemde "Select Committees" een eigen staf van deskundigen hebben. Het "Select Committee for Defence" heeft vijf fulltime stafleden, inclusief support staf. Deze kost ca. £ 150.000 per jaar (salarissen). Hierbij komen de kosten voor reizen e.d. In het jaar 1998/1999 beliepen de kosten voor dergelijke "expenses" voor het gehele "Committee" ca. £ 126.000. Zegsman schatte dat de kosten in totaal zouden neerkomen op gemiddeld ca. £ 300.000 per jaar. Voorts kan voor de verslaglegging en samenstelling van een rapport een tijdelijke staf worden aangetrokken.

2.4.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Geen.

2.4.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Er zijn buiten het parlementaire circuit een aantal goede, (min of meer) onafhankelijke onderzoeksinstituten op veiligheids- en defensiegebied. Het parlement maakt zeer regelmatig gebruik van de deskundigheid van deze instituten. Te beginnen met de meest afhankelijke instelling, zijn de belangrijkste:

- "Royal United Services Institute" (RUSI) dat verbonden is aan het "Ministry of Defence" en zuiver defensie- en veiligheidsonderzoek doet.

- Het "Royal Institute of International Affairs" (RIIA, "Chatham House") dat zich richt op internationale relaties waaronder veiligheidsvraagstukken.

- Het vrij recentelijk opgerichte "Centre for European Reform" richt zich op Europese vraagstukken waaronder – maar niet primair – veiligheids- en defensievraagstukken.

- Het gezaghebbende "International Institute for Strategic Studies" (IISS) dat geheel onafhankelijk is en defensie en veiligheid in ruime zin onderzoekt. Voorts verricht een aantal universiteiten onderzoek op defensie- en veiligheidsgebied.

 

2.5 Frankrijk

2.5.1 Parlementaire commissie

De parlementaire controle op het regeringsbeleid wordt in Frankrijk uitgeoefend door de Assemblée Nationale en de Senaat tezamen. Op dit moment telt de Assemblée 577 afgevaardigden, de Senaat 321. De parlementaire controle op het defensiebeleid wordt in Frankrijk uitgevoerd door de vaste commissie voor Defensie van de Assemblée en de Senaat.

Beide Kamers kennen zes vaste commissies, onder meer voor Buitenlandse Zaken en voor Defensie. Kenmerkend is dat deze commissies een aantal vaste medewerkers hebben, die voorbereidend en ondersteunend werk doen. De commissies doen tevens onderzoek dat vooraf gaat aan politieke besluitvorming.

2.5.2 Onderzoeksbureau

De staf van de vaste commissie voor Defensie bestaat uit zeven personen. Deze ambtenaren beschikken over expertise op het gebied en hebben binnen het bureau ieder een eigen specialisme. Ten behoeve van het werk van de commissie stellen zij dossiers samen en doen zij enig onderzoek. Daarnaast kunnen zij praktische taken uit handen van de afgevaardigden nemen, dat wil zeggen namens de commissie voor Defensie optreden. Informatie over de hoogte van het budget kon niet worden gegeven, de commissie wordt betaald door de Assemblée zelf.

De Assemblée beschikt daarnaast over een eigen onderzoekscapaciteit, maar deze is niet in de eerste plaats gericht op defensie. Deze eigen onderzoeksinstelling, de "Service des Etudes et de la Documentation" functioneert binnen de organisatie van de Assemblée als bureau waar afgevaardigden met informatieverzoeken terecht kunnen. De vier thema-divisies van deze dienst staan onder leiding van een secretariaat. Volgens de statuten van de Assemblée heeft de dienst tot taak afgevaardigden te voorzien van de informatie die nodig is voor de uitvoering van hun mandaat. Deze informatie wordt geleverd in de vorm van studies, dossiers en antwoorden op specifieke vragen.

De Service heeft zesendertig medewerkers, die allen onder de verantwoordelijkheid van het Presidium van de Assemblée vallen. De vier divisies die onder het secretariaat vallen zijn:

- Cultuur, werk en volksgezondheid

- Sociale zekerheid

- Economische en Financiële zaken

- Juridische en Bestuurszaken

De kosten van de "Service des Etudes" worden gedragen door de Assemblée. De hoogte van het jaarlijkse budget kan niet worden achterhaald.

2.5.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Binnen het Franse parlement bestaat geen specifiek onderzoeksbureau gericht op defensiebeleid.

2.5.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Geen.

2.5.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Buiten het parlement zijn er verschillende onderzoeksinstituten op het gebied van defensie:

- Het "Centre de la Documentation de l’Armement" (CEDOCAR) maakt deel uit van het ministerie van Defensie. Dit expertise-centrum richt zich voornamelijk op bewapeningsvraagstukken, zowel technisch als politiek-strategisch. Het staat hoofdzakelijk ten dienste van Defensie zelf en de Franse defensie-industrie. Het is niet gebruikelijk dat de Assemblée het centrum inschakelt om beleidsvragen te beantwoorden. Wel bestaat altijd de mogelijkheid om de goed geëquipeerde bibliotheek te raadplegen.

- Daarnaast financiert het ministerie van Defensie bepaalde technische onderwijsinstellingen als de prestigieuze "École Polytechnique" te Parijs.

- Het "Institut Français des Relations Internationales" (IFRI) is de tegenhanger van het Nederlandse Clingendael. Groot verschil met de Nederlandse instelling is de grote betrokkenheid van het Franse bedrijfsleven bij het IFRI, dat een deel van de financiën opbrengt. Activiteiten van het IFRI richten zich op het organiseren van seminars, het doen van onderzoek in de internationale betrekkingen en het publiceren over onderwerpen in deze velden.

De verhouding van deze instellingen tot het parlement is niet direct hecht te noemen. Natuurlijk is de informatie die zij verzamelen toegankelijk voor de leden van de Assemblée.

Navraag bij de Assemblée leert echter dat men bij het nemen van beslissingen zelden gebruik maakt van adviezen van onafhankelijke, externe organisaties.

 

2.6 België

2.6.1 Parlementaire commissie

De parlementaire controle op het defensiebeleid wordt in België uitgevoerd door de Commissie van de Landsverdediging.

2.6.2 Onderzoeksbureau

Het Belgisch parlement beschikt niet over een eigen onderzoeksbureau dat helpt de parlementaire controle over het regeringsbeleid gestalte te geven.

2.6.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Voor zover bij de ambassade bekend, bestaat ook niet een dergelijk onderzoeksbureau specifiek op het terrein van defensie.

Al bestaat er geen onderzoeksbureau dat het parlement helpt inzake het defensiebeleid, dan beschikt de regering, in casu de minister van Landsverdediging, wel over een centrum waarin wordt nagedacht over en onderzoek verricht naar veiligheidsvraagstukken. Het Defensiestudiecentrum maakt deel uit van het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1998). Het centrum heeft echter niet als hoofddoel van zijn werkzaamheden het verrichten van grondig onderzoek zoals bedoeld in de vraagstelling van de AIV.

2.6.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Wat grote bestedingen betreft, oefent de Kamer van Volksvertegenwoordigers en met name de Ad Hoc Commissie Legeraankopen, zelf haar controlebevoegdheid uit. Deze controle geschiedt niet slechts post factum. De Ad Hoc Commissie kan de minister eveneens adviseren.

2.6.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen (KIIB) is een onafhankelijk onderzoeksinstituut, maar de activiteiten zijn geenszins beleidsgericht of -voorbereidend zoals die van Clingendael. Het KIIB werkt wel mee aan het tijdschrift de "Internationale Spectator".

 

2.7 Noorwegen

Grosso modo kan worden geconcludeerd dat de Noorse Tweede Kamer, de Storting, feitelijk geen middelen ter beschikking staan om zich op onafhankelijke wijze, dus buiten de regering om, te laten informeren over defensievraagstukken. De indruk is dat dit ook nooit een punt van discussie was geweest nog los van het feit dat de parlementariërs over te weinig staf zouden beschikken om eventuele meerinformatie adequaat te kunnen interpreteren. Ook de overheid kent feitelijk geen adviesorganen die als onafhankelijk, buiten hun eigen circuit, kunnen worden bestempeld. Niettemin is recentelijk ingevoerd dat de geoffreerde prijs voor aankopen van boven de NOK 500 miljoen, door een onafhankelijke ad hoc expertise moeten worden getoetst, echter niet de beleidsonderbouwing ervan.

2.7.1 Parlementaire commissie

Het "Standing Committee on Defence" houdt zich binnen het Noorse parlement specifiek bezig met het defensiebeleid.

2.7.2 Onderzoeksbureau

De Noorse Tweede Kamer, de Storting, beschikt niet over eigen onderzoeksbureaus. De parlementaire controle - voornamelijk van financiële, administratieve en management aard - is ex-post en dus niet ex-ante besluitvorming. Eén en ander is uiteraard voorbereid door de vaste kamer commissie voor Defensie. Deze commissie kan voor uitleg/onderzoek een beroep doen op de minister, die zich daarbij kan laten bijstaan door zijn deskundigen.

2.7.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Geen. Wel kent de Noorse defensiestructuur de Raad voor Defensie Onderzoek. Deze bestaat uit vijf personen, voorgezeten door een voormalig Chef Defensie Staf en vier leden van goede reputatie afkomstig uit de overheidsadministratie. Deze Raad controleert in grote trekken de consistentie van het gevoerde beleid terzake van financiering, beleid en programma’s en kan alternatieven presenteren. Deze Raad is in de praktijk beschikbaar voor de minister/regering, alsmede met name voor de Chef Defensie Staf, doch niet voor de Storting. Zegslieden zeiden niet precies te weten of dit laatste reglementair was dan wel een kwestie van gewoonterecht.

Ook kent Noorwegen een Instituut voor Defensie Studies, een soort Clingendael maar dan geheel gericht op defensievraagstukken. Dit presenteert zich als een onafhankelijk instituut doch wordt begeleid/gecontroleerd/geassisteerd door o.a. het ministerie van Defensie, maar ook door de Universiteit van Oslo. Het Instituut doet vooral onderzoek naar defensie en veiligheidsvraagstukken hoewel meer ex-post dan ex-ante. Voor deze onderzoeken moet betaald worden.

2.7.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Zoals hierboven gemeld laat de Storting zich niet bijstaan door onderzoeksbureaus, ook niet voor grote bestedingen. Wel is dit jaar ingesteld dat aankopen boven de NOK 500 miljoen (ongeveer HFL 125 miljoen) moeten worden beoordeeld (quality risk assessment) door een onafhankelijk orgaan b.v. een expertisebureau, echter niet de beleidsonderbouwing ervan. De regering is de opdrachtgever en de resultaten van het onderzoek worden in principe alleen aan de regering overhandigd. In het geval van de aankoop van de vijf marinefregatten besloot de minister kortgeleden de onderzoeksresultaten eveneens aan de vaste kamercommissie voor Defensie bekend te maken.

2.7.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Als onderzoeksbureau op defensiegebied buiten het parlementaire circuit werd hierboven reeds het redelijk onafhankelijke Instituut voor Defensie studies genoemd. Het betreft hier alleen een beleidsgerichte organisatie. Technische kwesties, waar in Nederland beroep zou worden gedaan op b.v. het TNO, worden in Noorwegen op ad hoc basis uitgezet bij bijvoorbeeld expertisebureaus (ook in het buitenland). De gegevens komen ter beschikking van de minister c.q. het direct verantwoordelijke Materieel Management. De Storting zal hierom niet vragen.

 

2.8 Denemarken

Denemarken heeft geleidelijk aan een traditie opgebouwd het land te besturen met minderheidskabinetten. Dit heeft er vrijwel automatisch toe geleid, dat parlement en Regering veelvuldig om de tafel zitten om oplossingen te zoeken voor beleidszaken, regeringsvoornemens en regelgeving. Dit overleg leidt vanzelf tot het zoeken naar compromissen tussen Regering en Parlement. De Deense politieke partijen en de parlementariërs "are more focussed on their political responsibilities". Behoefte aan veel technische informatie zou

derhalve wat minder zijn in Denemarken. Dat geldt zowel voor de voorbereiding van besluiten als voor de controle (achteraf).3

Op grond daarvan is er een grote mate van vertrouwen en openheid ontstaan tussen regering en parlement, waarbij parlementariërs zich voor hun standpunten sterk baseren op de door de regering (ministers) verstrekte informatie.

3 Terzijde zij opgemerkt, dat de wet over openbaarheid van documenten, brieven e.d. in Denemarken relatief ver gaat, hoewel binnen de administratieve diensten van het Parlement daarover enigszins anders wordt gedacht in verband met het grote aantal uitzonderingen.

2.8.1 Parlementaire commissie

De vaste kamercommissie voor Veiligheid en Defensie houdt zich binnen het Deense parlement specifiek bezig met het defensiebeleid.

2.8.2 Onderzoeksbureau

Het Deense parlement (Folketinget) beschikt niet over eigen onderzoekbureaus (afgezien van de gebruikelijke, haar ter beschikking staande (beleids-) secretariaten) om haar controlefunctie te kunnen uitoefenen.

Binnen de diensten van het parlement staat wel een secretariaat ter beschikking van het parlement, dat heel korte analyses/rapporten opstelt over een beperkt aantal onderwerpen, die vrijwel uitsluitend te maken hebben met het Deense EU-beleid.

Daarnaast heeft elke politieke partij (elke partij heeft minimaal vier parlementsleden als drempel) de beschikking over minstens vier academici als beleidsmedewerkers. Daaraan worden er meer toegevoegd naarmate de partij groter is.

2.8.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Geen.

2.8.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Geen.

2.8.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Het parlement, incl. haar vaste kamercommissie voor Veiligheid en Defensie, kan in haar besluitvorming wel beroep doen op expertise buiten het parlement.

- Zo is in 1995 het DUPI ("Dansk Udenrigspolitisk Institut") opgericht, dat onderzoek en analyses opstelt over actuele onderwerpen op het terrein van de buitenlandse politiek, inclusief defensievraagstukken en zich bezig houdt met beleidsgerichte adviezen. DUPI is enigszins vergelijkbaar met Instituut Clingendael; is onafhankelijk, maar is verantwoording schuldig aan de minister van Buitenlandse Zaken vanwege de financiering door dat ministerie (11 mln DKK/jaar).

De Deense minister van Buitenlandse Zaken benoemt de 9 leden van de beheerraad in hun persoonlijke capaciteit.

Daarnaast is er de "Council" ter ondersteuning van het beleid van DUPI die bestaat uit 30 leden van diverse pluimage (Folketing, ambtenaren, diverse relevante belangengroeperingen).

Opdrachtgevers kunnen zijn de diverse bewindslieden en het parlement. Zo werd onlangs een rapport aan het parlement overhandigd over de "Developments in the EU since 1992 in the policy areas covered by the Danish opt-outs" (inclusief de defensie opt-out!).

- Het parlement heeft eveneens de mogelijkheid universiteiten analyses te laten verrichten. Daarvoor dient echter betaald te worden. Er is nog geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid van universitaire analyses.

- Afgezien van het bovenbeschreven DUPI, dat zich dus meer richt op algemene beleidsvraagstukken en daarover gevraagd en ongevraagd adviezen uitbrengt, kent Denemarken ook het "Forsvarets Forskningstjeneste" (Danish Defence Research Establishment). Dit is een klein instituut binnen het ministerie van Defensie dat rapporteert aan de Defensiestaf, die op zijn beurt de minister van Defensie adviseert op technische gebieden.

Dit instituut speelt een rol in de technische discussies in gespecialiseerde commissies in Brussel. Het instituut vervult geen enkele rol in de directe advisering van het Folketinget.

- Bij heel belangrijke besluiten vormt het parlement speciale commissies, die bestaan uit vertegenwoordigers van het parlement, de (defensie-) organisatie en relevante maatschappelijke organisaties, die over specifieke deskundigheid beschikken of geïnteresseerd zijn in specifieke onderwerpen. Als een heel bijzonder voorbeeld hiervan kan worden genoemd de oprichting van de "Defence Commission 1997", die een advies voor de verdere ontwikkeling van de Deense defensie organisatie (oriëntatie, beleid, aanschaffingen, herstructurering) heeft uitgebracht. Deze "Commission" stond overigens geheel buiten het parlement. Het advies van deze "Commission" heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij het uiteindelijke "Defence Agreement 2000-2005", een overeenkomst tussen parlement en regering over het defensiebeleid in de toekomst.

- Geheel buiten het parlementaire circuit staat het "Dansk Maritim Institut", een instituut dat volgens de ingewijden vergelijkbaar is met het TNO (zij het in beperkte opzet). Dit instituut, dat zorg draagt voor de technische adviezen op maritiem gebied, moet het eigen budget opbrengen. Het bedrijfsleven is de grote motor achter dit instituut.

 

2.9 Zweden

Officieel heeft de Riksdag, het parlement, geen middelen ter beschikking om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren. Bij de ambassade bestaat de indruk dat daar overigens ook nooit echt behoefte aan is geweest. Indien onderzoek wenselijk geacht wordt, dan kan dat uitgevoerd worden door bestaande defensie-onderzoeksinstituten.

2.9.1 Parlementaire commissie

Er bestaat een defensie comité dat continu bezig is met de voorbereiding van voorstellen betreffende defensie-aangelegenheden. Het comité is samengesteld uit parlementariërs (ongeveer zeventien leden). Het bestudeert regeringsvoorstellen en heeft het recht om additionele informatie te vragen aan ministeries en andere autoriteiten.

Ook is er de defensie commissie, een forum voor consultaties tussen regeringsvertegenwoordigers van politieke partijen t.a.v. strategische defensie en veiligheidsvraagstukken. De commissie bestaat voornamelijk uit parlementariërs en speelt een adviserende rol naar de regering; het doet voorstellen t.a.v. defensie- en veiligheidsbeleid (op langere termijn) t.b.v. de regering.

2.9.2 Onderzoeksbureau

De Riksdag beschikt niet over eigen onderzoeksbureaus. Wel beschikt de Riksdag over een "Research Service" (± 30 personen), maar dat voert geen eigen onderzoek uit. Het is meer een dienstverlening, waarbij bestaande cijfers en onderzoeken uit archieven en publicaties "gelicht" worden t.b.v. parlementariërs.

2.9.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

De Riksdag heeft geen eigen onderzoeksbureau voor defensie. Onderzoeksbureaus die wel door de Riksdag zouden kunnen worden ingeschakeld, zijn het FOA en het FHS.

Het FOA is het Defence Research Establishment en het FHS is het National Defence College.

Verder bestaat er ook nog het FFA, het "Aeronatical Research Institute", dat in 2001 zal samengaan met het FOA, maar dat verricht geen onderzoek als bedoeld in de vragen, zoals deze zijn opgenomen in de inleiding. Alle drie vallen onder het ministerie van Defensie.

Het onderzoek van het FHS is gestructureerd als deel van een academisch proces teneinde een wetenschappelijke basis te geven voor het onderwijs op het college. Onderzoeksprojecten moeten bijdragen tot het onderwijs en moeten niet overlapt worden door studies in andere onderwijsinstituten in Zweden. Het college beschikt over elf (adjunct) professoren, terwijl er ongeveer 25 Ph.D. kandidaten zijn. Een belangrijk aandachtsterrein is dat van veiligheidspolitiek en strategie.

Het FOA beschikt over 1000 werknemers (waarvan 700 wetenschappers zijn met een academische graad). Het verricht onderzoek en doet studies. Het is in belangrijke mate gericht op technisch onderzoek en richt zich slechts in beperkte mate op beleidsvraagstukken. Het FOA moet gecontracteerd worden als men er gebruik van wil maken. De krijgsmacht is de grootste klant (62). De Riksdag komt niet op het klantenlijstje voor, het ministerie van Defensie wèl (19). Het jaarbudget bedraagt NLG 155 miljoen.

2.9.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

De Rijksdag laat zich niet bijstaan door onafhankelijke onderzoeksbureaus.

2.9.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Het meest bekende Zweedse onderzoeksinstituut is vanzelfsprekend het Sipri ("Stockholm International Peace Research Institute"). Het onderzoekswerk is gericht op vraagstukken van vrede en conflict in de ruimste zin van het woord. Het Sipri is 1966 opgericht om te vieren/gedenken dat Zweden in dat jaar 150 jaar was gevrijwaard van oorlog. Het Sipri wordt in hoofdzaak gefinancierd door het Zweedse parlement (de Riksdag).

Ook op universiteiten wordt onderzoek gedaan naar veiligheid en defensie.

De eerder genoemde FOA, FFA en FHS hebben weliswaar geen rechtstreekse relatie tot de Riksdag, maar kunnen wel als zodanig ingeschakeld of gecontracteerd worden.

 

2.10 Spanje

2.10.1 Parlementaire commissie

De vaste kamercommissie: "Comisión de Defensa" houdt zich binnen het Spaanse parlement specifiek bezig met het defensiebeleid.

2.10.2 Onderzoeksbureau

Het Spaanse parlement beschikt niet over eigen onderzoeksbureaus die helpen de parlementaire controle over het regeringsbeleid gestalte te geven. Het parlement kan slechts worden geadviseerd door de juristen (van het parlement). Deze juridische adviezen richten zich vrijwel uitsluitend op technische aspecten van regelgeving. De juristen zijn niet partij- gebonden.

2.10.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Geen.

2.10.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

In het algemeen laat het Spaanse parlement zich niet bijstaan door onafhankelijke onder-

zoeken. Alleen voor speciale commissies bijvoorbeeld die inzake professionalisering van de krijgsmacht, worden onafhankelijke deskundigen gehoord. De formele eindverantwoordelijkheid van een parlementair onderzoek blijft bij het parlement berusten.

2.10.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Spanje kent, zoals andere landen, verscheidene onafhankelijke beleidsgerichte onderzoekscentra, maar slechts enkele houden zich uitsluitend bezig met veiligheid en defensie. Voorbeeld van een dergelijk onderzoeksbureau is "Centro Superior de Estudios de la Defensa Nacional" (CESEDEN). In het algemeen betreft het centra die gericht zijn op beleidsgerichte en politieke studies. De organisaties en instellingen die zich bezighouden met veiligheid en defensie hebben vrijwel geen directe relatie met het parlement. Op verzoek van het ministerie van Defensie wordt momenteel gewerkt aan een overzicht van de strategische studies in Spanje door alle centra en specialisten op het gebied van defensie. Het is nog niet duidelijk wanneer deze studies worden afgerond.

 

2.11 Portugal

2.11.1 Parlementaire commissie

De vaste kamercommissie: "Defensa Nacional" houdt zich binnen het Portugese parlement specifiek bezig met het defensiebeleid.

2.11.2 Onderzoeksbureau

Het Portugese parlement, de Assembleia da República (AR), beschikt niet over eigen onderzoeksbureaus.

2.11.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Geen.

2.11.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Omdat de AR geen eigen adviescapaciteit heeft, is men gedwongen om op de informatie die de regering verstrekt af te gaan. Hoewel men op ad hoc basis expertise kan inhuren, gebeurt dit in de praktijk nauwelijks. Het is dan ook voor de AR moeilijk om de regeringsvoorstellen (onder andere bij dergelijke grote bestedingen) adequaat te beoordelen.

2.11.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Op defensiegebied bestaat het "Instituto da Defensa Nacional" dat zich vooral bezig houdt met het geven van cursussen en het organiseren van seminars en conferenties. Ook worden er studies verricht, maar het instituut heeft geen eigen capaciteit om technische adviezen uit te brengen bij militaire aankopen.

Verdere instituten die zich specialiseren op defensiegebied, bestaan in Portugal niet. Op ad hoc basis worden er echter wel (ook meer technische) studies uitgevoerd door instellingen die onder het ministerie van Economische Zaken en dat van Wetenschap en Techno-logie vallen.

Voor politieke advisering bestaan, naast het Instituto da Defensa Nacional:

- Het "Instituto Diplomático" (valt onder het ministerie van Buitenlandse Zaken).

- Het "Instituto de Estudos Estratégicos e Internacionais" (privé). Dit laatste instituut ontvangt fondsen van de Europese Commissie, het ministerie van Defensie, de TEPSA organisatie en o.m. stichtingen als de "Fundação Luso-Americana".

- "Centro de Estudos Internacionais" (valt onder de Universiteit Lusiada in Lissabon).

- Het "Instituto Superior de Ciências e Políticas".

 

2.12 Italië

2.12.1 Parlementaire commissie

Ja, er is een vaste kamercommissie voor Defensie.

2.12.2 Onderzoeksbureau

De Tweede Kamer van het Italiaanse parlement (de "Camera dei Deputati") beschikt over een eigen dienst voor onderzoek, "Servizio Studi", van ca. 40 medewerkers. Deze staat op de begroting van het parlement. De dienst assisteert de parlementariërs en hun medewerkers bij het voorbereiden van dossiers, het vergelijken met wetgeving in andere landen e.d.

2.12.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Geen. Er is ook geen discussie in Rome over de vraag of het parlement over een eigen op defensie gericht onderzoeksbureau zou dienen te beschikken.

2.12.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Geen.

2.12.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Voor adviezen t.a.v. meer specifieke, politieke beleidsvragen of vraagstukken waarvoor een input van technische expertise vereist is, wendt het parlement zich tot van het parlement onafhankelijke instituten. Dit zijn overigens instituten die veelal – tenminste – ten dele door de overheid gesubsidieerd worden.

Van het parlement onafhankelijke instituten, welke genoemd werden door de ambtelijk secretaris van de vaste kamercommissie voor Defensie als incidentele vraagbaak voor beleidsmatig of technisch advies, zijn:

Het "Istituto Affari Internazionali (IAI)" en het "Centro Studi di Politica Internazionale (CESPI)", zijn beide internationaal beleid gerichte onderzoeksinstituten, ruwweg vergelijkbaar met Clingendael. Er is overigens sprake van een fusieplan tussen beide instituten.

Het "Centro Alti Studi di Difesa (CASD)". Dit is vergelijkbaar met het Nederlandse Instituut Defensie Leergangen. Het CASD heeft wel een eigen onderzoeksinstelling (CEMISS).

Het "Centro Militare Italiano di Studi Strategici (CEMISS)". Dit verricht thematisch onderzoek op politiek-militair strategisch terrein. Het instituut maakt deel uit van het CASD.

Het "Istituto Studi Ricerche Informazioni di Difesa (ISTRID)". Dit instituut houdt zich voornamelijk bezig met militair technisch-universitair onderzoek.

 

2.13 Oostenrijk

2.13.1 Parlementaire commissie

Het parlement beschikt over "Ausschüsse", waarin parlementariërs zitting hebben.

2.13.2 Onderzoeksbureau

Geen.

2.13.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

Het Oostenrijkse ministerie van Defensie beschikt over twee onderzoekscentra, te weten het "Militärwissenschaftliche Büro" en de researchafdeling van de ‘Landesverteidigungsakademie’. Beide onderzoekscentra verrichten met name beleidsgericht onderzoek. Het parlement heeft de mogelijkheid deze centra opdracht te geven bepaald onderzoek uit te voeren.

2.13.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

Wanneer beslissingen moeten worden genomen over grote bestedingen, heeft het parlement de mogelijkheid een informatieve bijeenkomst voor afgevaardigden te organiseren, waarvoor onafhankelijke deskundigen worden uitgenodigd. Iedere fractie kan zijn eigen experts voor een dergelijke bijeenkomst benoemen. Dit is overigens, volgens het parlement, sinds lange tijd niet aan de orde geweest.

2.13.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Geen.

 

2.14 Zwitserland

2.14.1 Parlementaire commissie

Beide kamers van het Zwitserse parlement beschikken over commissies nationale veiligheid ter voorbereiding op politieke en parlementaire besluitvorming. De commissie van de Nationalrat (Tweede Kamer) heeft 25 leden en die van de Städeat (Eerste Kamer) telt

dertien leden. Beide commissies delen een klein secretariaat van drie medewerkers.

2.14.2 Onderzoeksbureau

Geen.

2.14.3 Onderzoeksbureau m.b.t. defensie

In Zwitserland bestaat geen onderzoeksbureau specifiek voor defensiebeleid.

2.14.4 Onafhankelijk onderzoek bij grote bestedingen

De parlementaire commissies kunnen zich laten bijstaan door deskundigen bij beslissingen over grote bestedingen. Het is niet ongewoon om vooraanstaande oud-militairen en -politici als experts te horen.

2.14.5 Onafhankelijke onderzoeksinstituten

Geen.

 

Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*

1 Europa inclusief, oktober 1997

2 Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998

3 De doodstraf en de rechten van de mens; recente ontwikkelingen, april 1998

4 Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid, juni 1998

5 Europa inclusief II, november 1998

6 Humanitaire hulp: naar een nieuwe begrenzing, november 1998

7 commentaar op de criteria voor structurele bilaterale hulp, november 1998

8 Asielinformatie en de europese unie, juli 1999

9 Naar rustiger vaarwater: een advies over betrekkingen tussen Turkije de Europese Unie, juli 1999

10 De ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie in de jaren negentig: van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999

11 Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, september 1999

12 De igc 2000 en daarna: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000

13 Humanitaire interventie, april 2000 **

14 Dnkele lessen uit de financiële crises van 1997 en 1998, mei 2000

15 Een europees handvest voor grondrechten?, mei 2000

 

 

* De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.

** Gezamenlijk advies van Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de

Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).

Regeringsreacties

Defensie-onderzoek en parlementaire controle

Ministerie van Defensie
Postbus 20701
2500 ES 's-Gravenhage

Aan:
de waarnemend Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
Dhr. prof.mr. F.H.J.J. Andriessen
Postbus 20061
2500 EB DEN HAAG

Datum  15 maart 2001

Regeringsreactie op het AIV-advies "Defensie-onderzoek en parlementaire controle"
 

De regering heeft de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in een brief van 11 juni 2000 om advies gevraagd naar aanleiding van de motie-Zijlstra/Van 't Riet van 14 februari dat jaar, die de regering verzocht na te gaan op welke wijze kan worden voorzien in een onderzoekscapaciteit, gericht op defensievraagstukken in de ruimste zin des woords. De AIV heeft zijn advies, getiteld "Defensie-onderzoek en parlementaire controle", op 11 december jl. uitgebracht. Hierbij doe ik u, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken, de reactie van de regering op het advies toekomen.

De AIV levert met zijn advies een welkome bijdrage aan de gedachtewisseling tussen de Tweede Kamer en de regering over de wenselijkheid en de mogelijkheden om een onderzoekscapaciteit inzake defensievraagstukken vorm te geven. De raad heeft in kort tijdsbestek een overtuigende analyse van de huidige situatie verricht en is op grond daarvan tot realistische conclusies en pragmatische aanbevelingen gekomen. De belangrijkste aanbeveling van de raad aan de regering - "zich te richten op een vorm van bemiddeling tussen de vraag vanuit de Tweede Kamer en het aanbod van deskundigheid op het gebied van defensie in Nederland en daarbuiten en niet op een instituut dat zelfstandig onderzoek zou gaan doen" - laat aan duidelijkheid niets te wensen over, maar biedt evenzeer handvatten om aan de door de Kamer gevoelde wens tegemoet te komen. De regering kan zich in deze aanbeveling vinden, evenals in de conclusie van de raad, "dat het niet zozeer gaat om meer onderzoek op defensiegebied, maar meer gericht onderzoek dat voldoende aansluit bij de behoefte hieromtrent die in het parlement wordt gevoeld en dat nauw aansluit, ook in de tijd, op het politieke proces van besluitvorming waar het parlement voor wordt gesteld", vooral ook omdat deze conclusie berust op het heldere schets van de situatie in het buitenland en op gesprekken die de raad heeft gevoerd met een aantal direct betrokkenen, waaronder de indieners van de motie en de voorzitter van de Tweede Kamer.

De pragmatische oplossingsrichting die de AIV in zijn advies voorstaat, strookt met het recente initiatief van het Presidium van de Tweede Kamer om een klein onderzoeksbureau op te richten. Bezien kan worden in hoeverre dit bureau van meet af aan zal worden belast met defensiegerelateerde vraagstukken, of dat, zoals de raad veronderstelt, een aantal deskundigen de Tweede Kamer ten dienste zou kunnen staan als makelaars in kennis en informatie op het gebied van defensie. De regering verneemt graag van de Tweede Kamer of zij belangstelling heeft voor het aanbod van de AIV zijn deskundigheid beschikbaar te stellen voor een dergelijke makelaarsfunctie en is bereid over de modaliteiten daarvan te overleggen. De regering is het met de raad eens dat dit een tijdelijke oplossing zou zijn in afwachting van de verdere ontwikkeling van de onderzoekscapaciteit van de Tweede Kamer en omdat de structurele taak van de AIV, de strategische beleidsadvisering, niet in het gedrang mag komen (terecht wijst de raad er in dit verband nog eens op dat de Tweede Kamer net als de regering de mogelijkheid heeft de AIV over beleidskwesties om advies te vragen).

Gelet op het advies van de AIV en de ontwikkelingen in het parlement sinds de indiening van de motie-Zijlstra/Van 't Riet komt het de regering voor dat er inmiddels voldoende aanknopingspunten zijn om, met inachtneming van de onderscheiden verantwoordelijkheden, concrete stappen te zetten om de gedachtewisseling over de vormgeving van een onderzoekscapaciteit gericht op defensievraagstukken tot een goed einde te brengen.

DE MINISTER VAN DEFENSIE

mr. F.H.G. de Grave

Persberichten

Van dit advies is geen persbericht gepubliceerd