Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging

30 september 2005 - nr.21
Samenvatting

Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging

 

 

 

Op 13 februari 2001 is de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) door de minister van Buitenlandse Zaken gevraagd te adviseren over de volgende vragen:

  1. Wat voor soort problemen ondervinden gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging als gevolg van wetgeving die vergaande beperkingen op registratie en herregistratie legt?
  2. Welke rechten en vrijheden komen toe aan vooralsnog niet-geregistreerde gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging op grond van normen op het gebied van de internationale mensenrechten?
  3. Aan welke normen op het gebied van de internationale mensenrechten ontleende minimumeisen moet wetgeving inzake registratie of herregistratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging voldoen, daarbij in acht nemend de legitieme beperkingen op de vrijheid van godsdienst of overtuiging?

In zijn brief benadrukte de minister dat de vrijheid van godsdienst of overtuiging een fundamenteel en intrinsiek onderdeel van het Nederlands mensenrechtenbeleid is. Beperkingen op de vrijheid van godsdienst of overtuiging mogen slechts worden opgelegd onder strenge voorwaarden. Daarnaast gaf hij aan dat sinds de val van de communistische regimes in Midden- en Oost Europa in 1989, zich daar een groot aantal kleine gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging heeft gevestigd, waarvan sommige worden gezien als een bedreiging voor de regering of traditionele gevestigde kerken. Dit heeft ertoe geleid dat in sommige landen restrictieve eisen zijn gesteld aan gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging. Deze vloeien soms voort uit een discriminerende houding door de overheid, bijvoorbeeld in Azerbeidjan, Macedonië, Oezbekistan, de Russische Federatie en Turkmenistan. Nederland en de Europese Unie hebben kritiek geleverd op dergelijke nieuwe restrictieve wetgeving binnen de context van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Daarnaast is kritiek gekomen van kleine godsdienstgemeenschappen op de restrictieve opstelling van sommige Westerse staten en de maatregelen die zij als gevolg daarvan hebben genomen. De minister wees in het bijzonder op de verplichting van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging zich te registreren. Ieder vereiste dat gerelateerd is aan registratie of herregistratie, moet ondubbelzinnig, transparant en niet-discriminerend zijn, en voldoen aan normen van internationale mensenrechten (zie adviesaanvraag).

 

Met het oog op de beperkte tijd die beschikbaar was ter voorbereiding van dit advies, besloot de AIV het advies te beperken tot de onderwerpen die direct relevant zijn voor het probleem van registratie of herregistratie. Dit betekent dat andere interessante en belangrijke aspecten gerelateerd aan de vrijheid van godsdienst of overtuiging niet zijn behandeld.

Dit advies is voorbereid door een subcommissie van de Commissie Mensenrechten (CMR) van de AIV. Deze Commissie bestaat uit de volgende personen: prof. dr. P.R. Baehr*, mw. prof. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn (vice-voorzitter), prof. mr. Th.C. van Boven, mw. dr. M.C. Castermans-Holleman, mw. prof. mr. C.P.M. Cleiren, prof. dr. P.B Cliteur, drs. T. Etty, prof. mr. C. Flinterman* (voorzitter), prof. dr. W.J.M. van Genugten*, mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You, mw. mr. C. Hak, mw. mr. M. Koers-van der Linden, mr. F. Kuitenbrouwer, mw. A.L.E.C. van der Stoel*, mr. J.G. van der Tas en mw. mr. H.M. Verrijn Stuart. De leden van wie de naam is gemarkeerd met een asterisk (*) hebben actief deelgenomen aan de subcommissie die het conceptadvies heeft voorbereid.

Prof. dr. B. de Gaay Fortman van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking (COS) heeft bovendien bijgedragen aan de voorbereiding van het advies. Prof. mr. Th.C. van Boven (CMR) en prof. mr. J.W. de Zwaan van de Commissie Europese Integratie (CEI) hebben overwegend als corresponderend lid deelgenomen.

De werkzaamheden ten behoeve van het opstellen van het advies zijn in het bijzonder ondersteund door de (ambtelijk) adviseurs drs. H.J. Hazewinkel (DMV) en mw. dr. B.G. Tahzib-Lie (DMV/MR). Onder uitdrukkelijke dankzegging wil de AIV wijzen op de steun van de externe specialisten mw. dr. S.C. van Bijsterveld en dr. C.D. de Jong bij het opstellen van dit advies.

Het secretariaat werd gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink (secretaris CMR) met assistentie van de heren M.M.T. Keyte en A.R. Walrecht (stagiairs).

De AIV heeft dit advies op 1 juni 2001 (in het Engels) vastgesteld.

 

Inleiding

Door de geschiedenis heen zijn gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging verplicht geweest zich te laten registreren. De problemen die uit registratie voortvloeien, zijn door de jaren heen in wezen onveranderd gebleven. Het vereiste van registratie van zulke gemeenschappen moet in het licht van de vrijheid van godsdienst of overtuiging als een individueel recht worden gezien, en meer in het bijzonder in het licht van de collectieve en gemeenschappelijke dimensies van deze vrijheid. Het raakt de intrinsieke betekenis van deze vrijheid en de organisatie van de relaties tussen staat en godsdienst op nationaal niveau.

Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging en de betekenis hiervan in het licht van de vrijheid van godsdienst of overtuiging moeten ook in de context van de functie van registratie binnen een rechtssysteem worden bezien; het betekent dat de vereisten voor registratie moeten worden beoordeeld in het kader van de juridische gevolgen ervan.

Het is niet registratie op zich, maar juist de aard van de rechtsgevolgen die registratie veelal tot een probleem maken. Deze gevolgen verschillen van land tot land. In sommige landen is registratie een vereiste om te worden getolereerd of geaccepteerd als een ‘godsdienst’ of ‘overtuiging’, terwijl ze in andere landen functioneert als een voorwaarde voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid. Er kunnen ook andere rechtsgevolgen aan verbonden zijn, bijvoorbeeld in de fiscale sfeer. Staten verschillen aanzienlijk in de manier waarop ze zich verhouden tot deze gemeenschappen; de plaats van godsdienst of overtuiging binnen het recht verschilt even zeer. Waar in het juridische kader voor gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging uitdrukkelijk een plaats is ingeruimd, kunnen criteria worden ingevoerd of zelfs noodzakelijk zijn. Verschillende juridische technieken zijn beschikbaar, waar registratie er één van is. Wetgeving verschilt aanzienlijk van land tot land.

Afhankelijk van de precieze criteria voor en de gevolgen verbonden aan registratie, kan de weigering een gemeenschap te registreren ofwel een betrekkelijk neutrale bestuurlijke handeling zijn of vergaande negatieve gevolgen hebben.

Een beoordeling van de vereisten voor registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging in het licht van het internationale recht moet rekening houden met deze elementen. Met andere woorden, de beoordeling van registratie moet altijd in verband worden gebracht met de juridische gevolgen die eraan zijn verbonden.

Registratie of herregistratie vindt soms plaats in situaties van vergaande sociale verandering. Onder dergelijke omstandigheden kan een weigering om gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging te registreren gemakkelijk tot conflicten leiden. Registratie kan daarom soms door de overheid worden gebruikt als instrument ter handhaving van orde en rust binnen een samenleving. Onder dergelijke omstandigheden kan registratie echter een tegengesteld effect hebben en juist gevoelens van onrust veroorzaken. In zulke situaties vragen zowel de positieve als de negatieve aspecten van registratie om extra aandacht, aangezien registratie verdraagzaamheid tussen groepen zowel kan bevorderen als bemoeilijken.

Dit advies is als volgt opgebouwd. Eerst wordt een kort overzicht gegeven van garanties van internationale mensenrechten die betrekking hebben op de vrijheid van godsdienst of overtuiging (Hoofdstuk II). Dit geeft enig inzicht in de basisgaranties waar niet-geregistreerde gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging recht op hebben. Daarnaast vormt het een uitgangspunt voor verdere analyse van de vereisten waaraan registratie moet voldoen volgens internationale mensenrechten (Hoofdstuk III). Het laatste hoofdstuk bevat de conclusies en aanbevelingen van de AIV (Hoofdstuk IV).

 

Conclusies en aanbevelingen

In dit advies heeft de AIV een aantal onderwerpen behandeld die zijn gerelateerd aan de vrijheid van godsdienst of overtuiging. Gezien de beperkte tijd die beschikbaar was ter voorbereiding van dit advies, besloot de AIV zich te beperken tot de onderwerpen die direct relevant zijn voor de problematiek rond registratie of herregistratie. Dit betekent dat andere interessante en belangrijke aspecten van de vrijheid van godsdienst of overtuiging niet zijn behandeld.

Het thema van registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging is verwant aan de intrinsieke betekenis van de vrijheid van godsdienst of overtuiging, en aan de organisatie van de relaties tussen kerk en staat op nationaal niveau. De registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging en de betekenis hiervan in het licht van de vrijheid van godsdienst of overtuiging moet ook in de context van de functie van registratie binnen een rechtssysteem worden bezien; de vereisten voor registratie moeten worden beoordeeld in het kader van de rechtsgevolgen die aan deze registratie verbonden zijn. Het is niet registratie op zich, maar juist de aard van de eraan verbonden rechtsgevolgen die de grondslag van de problematiek rond registratie vormen voor gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging. Deze gevolgen verschillen van land tot land.

 

Het voorgaande brengt de AIV tot de volgende conclusies:

  • De vrijheid van godsdienst of overtuiging is een diepgeworteld recht van de mens. Deze wordt algemeen beschermd als een individueel recht, maar is gelijkelijk geldig voor gemeenschappen die gezamenlijk hun recht op godsdienst of overtuiging uitoefenen. Zelfs in tijd van oorlog of noodtoestand waarbij het voortbestaan van de staat op het spel staat, mag niet aan dit recht voorbij worden gegaan.
  • Hoewel het interne recht een godsdienst of overtuiging al dan niet aan te hangen of ervan te veranderen niet mag worden beperkt (forum internum), kan het recht uiting te geven aan een godsdienst of overtuiging aan beperkingen worden onderworpen. Deze beperkingen moeten voldoen aan strikte criteria, zijn voorgeschreven bij wet, en noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare veiligheid, orde, volksgezondheid, goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
  • In de context van de OVSE zijn de genoemde beperkingscriteria ook juridisch bindend, aangezien de deelnemende staten partij zijn bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Meer in het bijzonder stellen de OVSE instrumenten dat ‘iedere beperking in overeenstemming moet zijn met het internationale recht’.
  • Internationale garanties inzake de vrijheid van godsdienst of overtuiging zijn veelomvattend: zij richten zich tot eenieder.
  • Internationaal recht op zich weert noch bevordert de registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging.
  • Door het hanteren van een registratiesysteem voor gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging (forum externum) kan de staat (op een positieve manier) de uitoefening van het recht op vrijheid van godsdienst of overtuiging faciliteren indien daarmee het functioneren in het maatschappelijk verkeer van die gemeenschappen wordt mogelijk gemaakt, bijvoorbeeld via rechtspersoonlijkheid of door bepaalde rechten aan gemeenschappen toe te kennen.
  • Een registratiesysteem moet in overeenstemming zijn met het internationale recht.
  • Registratie als een godsdienst of overtuiging mag nooit als zodanig verplicht worden gesteld: een nationaal registratiesysteem mag niet-geregistreerde gemeenschappen niet hun rechten en vrijheden onder het internationale recht ontnemen.
  • Indien een registratiesysteem is vereist, moet het zijn vormgegeven en worden uitgevoerd op een transparante, duidelijke en non-discriminatoire wijze.

Samengevat luiden de antwoorden op de drie gestelde vragen als volgt:

  • Wetgeving inzake registratie of herregistratie waarin beperkingen aan de te registreren gemeenschappen worden opgelegd, is onaanvaardbaar indien deze wetgeving de grenzen van de vrijheid van godsdienst of overtuiging overschrijdt. Zulke beperkingen mogen slechts betrekking hebben op het recht om uiting te geven aan een godsdienst of overtuiging en moeten voldoen aan de bovengenoemde strenge criteria.
  • Volgens internationale mensenrechtennormen moeten zowel geregistreerde als nietgeregistreerde gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging recht hebben om hun godsdienst of overtuiging - zelfs in tijd van noodtoestand waar het voortbestaan van de staat op het spel staat - uit te oefenen.
  • Als minimumvereisten voor registratie moeten nauwgezette voorwaarden in acht worden genomen. Voor zover deze registratie beperkend werkt moet deze zijn voorgeschreven bij wet, noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare veiligheid, orde, volksgezondheid, goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

De voorafgaande conclusies brengen de AIV tot de volgende aanbevelingen:

  • Besluiten genomen in de context van registratiestelsels moeten onpartijdig, non-discriminatoir, consistent en conform het internationale recht worden genomen.
  • Gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging mogen niet worden verplicht zich te registreren voor het kunnen uitoefenen van het recht op godsdienst of overtuiging. Een dergelijke verplichting kan slechts bestaan met het oog op verwerving van rechtspersoonlijkheid, wat kan leiden tot bijkomende rechten, voorrechten en verantwoordelijkheden.
  • De vrijheid van godsdienst of overtuiging voor een ieder staat niet toe dat staten registratiestelsels gebruiken die discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging op het terrein van het burgerlijke, economische, politieke, sociale en culturele leven als doel of gevolg hebben. Daarnaast moeten rechtsmiddelen op nationaal en internationaal niveau aanwezig zijn voor diegenen die menen ten onrechte in hun rechten te zijn beperkt.
  • Registratie mag niet worden gebruikt om een bijzondere status aan bepaalde gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging op grond van de inhoud of aard van een godsdienst of overtuiging toe te kennen, die aan andere gemeenschappen op die gronden wordt onthouden. Dit zou tot discriminatie leiden, en dus een inbreuk leveren op een kernverplichting van het internationale recht.
  • Overheden mogen registratiestelsels niet gebruiken om gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging te beheersen. Ter bevordering van tolerantie kunnen educatieve middelen worden gebruikt. Dergelijke geloofsgemeenschappen moeten de kans krijgen zich te ontwikkelen, te groeien en eventueel langzaam te verdwijnen. Overheden behoren geen standpunt in te nemen in dergelijke zaken.
Adviesaanvraag

 

Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging

 

 

Aan de waarnemend Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Directie Mensenrechten en Vredesopbouw
Afdeling Mensenrechten
Bezuidenhoutseweg 67
2594 AC Den Haag

Datum 13 februari 2001

De bescherming van de vrijheid van godsdienst of overtuiging is een belangrijk en integraal onderdeel van het Nederlands mensenrechtenbeleid. Deze vrijheid is neergelegd in verschillende mondiale en regionale instrumenten op het gebied van mensenrechten. In de betreffende bepalingen wordt specifiek benadrukt dat staten alleen onder strikte voorwaarden uitingsvormen van godsdienst of overtuiging kunnen beperken. Echter, het aanhangen dan wel veranderen van een bepaalde godsdienst of overtuiging mag als zodanig nooit aan banden worden gelegd. Verschillende toezichthoudende verdragsorganen (zoals het VNComité voor de rechten van de mens en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens) hebben nader invulling gegeven aan de evoluerende reeks bepalingen over vrijheid van godsdienst of overtuiging. Uit deze nadere invulling blijkt onder meer dat het begrippenpaar ‘godsdienst of overtuiging’ alle theïstische, atheïstische en non-theïstische overtuigingen - zowel traditionele, nieuwe, bekende als onbekende - bevat.

Sinds 1989 is de belangstelling voor vrijheid van godsdienst of overtuiging in Midden- en Oost-Europa toegenomen. Na het einde van de communistische regimes werden de mogelijkheden om uiting te geven aan religieuze of andere levensovertuigingen weer hersteld of vergroot. Dit heeft geleid tot een explosieve groei van kleine, reeds bestaande, alsook nieuwe religieuze gemeenschappen. Zowel traditionele, gevestigde religieuze gemeenschappen als overheden ervaren deze ontwikkeling soms als bedreigend. Hierbij speelt ook een al dan niet vermeende vrees voor religieus extremisme een rol. In verschillende landen in Midden- en Oost-Europa heeft dit geleid tot voorbereiding of aanvaarding van wetten waarin onder meer restrictieve (her-)registratie- en vestigingseisen ten aanzien van religieuze gemeenschappen zijn opgenomen. In het geval van vergaande restrictieve (her-)registratieen vestigingseisen alsook in de toepassing daarvan is vaak sprake van een discriminatoire houding van overheden ten aanzien van kleine, reeds bestaande, alsook nieuwe religieuze gemeenschappen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit wetgeving in Azerbaijan, Macedonië, Oezbekistan, de Russische Federatie en Turkmenistan. In OVSE-kader hebben Nederland en de EU deze nieuwe restrictieve wetten op kritische wijze aan de orde gesteld. Overigens hebben kleine religieuze gemeenschappen de laatste jaren eveneens kritiek uitgeoefend op de restrictieve houding en een navenant optreden van sommige Westerse landen.

Voor de ontplooiing van religieuze gemeenschappen is het onontbeerlijk zich te kunnen registreren en vestigen. Immers, geregistreerde religieuze gemeenschappen komen in aanmerking voor rechtspersoonlijkheid. Aan deze rechtspersoonlijkheid zijn verstrekkende rechtsgevolgen verbonden voor de uitoefening van vrijheid van godsdienst of overtuiging, zoals huren van een ruimte om erediensten te houden, publiceren en verspreiden van religieuze literatuur, aanstellen van religieuze leiders en ontvangen van eventuele subsidies. Het is daarom van groot belang dat eventuele (her-)registratie- en vestigingseisen duidelijk, doorzichtig en non-discriminatoir zijn alsmede in overeenstemming met internationale normen op het gebied van mensenrechten.

 

Het is tegen deze achtergrond dat ik u verzoek om advies omtrent de volgende vragen:

  1. Wat voor soort problemen ondervinden religieuze gemeenschappen als gevolg van wetgeving waarin vergaande restrictieve (her-)registratie- en vestigingseisen zijn opgenomen?
  2. Welke rechten en vrijheden kunnen (nog) niet-geregistreerde religieuze gemeenschappen ontlenen aan internationale normen op het gebied van mensenrechten?
  3. Aan welke vereisten moet wetgeving betreffende (her-)registratie- en vestiging van religieuze gemeenschappen minimaal voldoen op basis van internationale normen op het gebied van mensenrechten, met inbegrip van de toegestane beperkingen op de vrijheid van godsdienst of overtuiging?

Uw advies is in het bijzonder van belang voor een internationaal seminar dat Nederland in het kader van de OVSE op 26 juni a.s. in Den Haag organiseert over deze actuele problematiek. Het doel van het seminar is richtlijnen terzake op te stellen en deze in een later stadium door de OVSE aanvaard te krijgen.

Ik zie het advies met veel belangstelling tegemoet,

 

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Getekend)

 

J.J. van Aartsen

Regeringsreacties

Aan de waarnemend Voorzitter van de                                                Directie Mensenrechten en

Adviesraad Internationale Vraagstukken                                              Vredesopbouw

Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen                                                             Afdeling Mensenrechten

Postbus 20061                                                                                 Bezuidenhoutseweg 67

2500 EB  Den Haag                                                                          2594 AC  Den Haag

 

 

Datum:             24 augustus 2001

Kenmerk:          DMV/MR-590/01

Bijlage:             Slotverklaring van de moderator van het seminar

                      over vrijheid van godsdienst of overtuiging in het

                      OVSE-gebied, Den Haag 26 juni 2001

Betreft:             Regeringsreactie op AIV-advies inzake

                      “Registration of communities based on religion or

                      belief”

 

 

Graag spreek ik mijn waardering uit voor het advies van Uw Commissie d.d. 1 juni 2001 inzake (her-) registratie- en vestigingseisen ten aanzien van religieuze of levensbeschouwelijke gemeenschappen. Van dit advies is dankbaar gebruik gemaakt bij de voorbereidingen van het op 26 juni in de Ridderzaal gehouden internationale seminar over vrijheid van godsdienst of overtuiging in het OVSE-gebied. Het advies is tevens aan de deelnemers van het seminar uitgereikt.

 

De antwoorden op de aan Uw Commissie voorgelegde vragen zijn richtinggevend geweest bij het seminar. De slotverklaring van de moderator van het seminar (bijgevoegd) is aldus in belangrijke mate gebaseerd op deze antwoorden terwijl ook verschillende conclusies en aanbevelingen van uw advies hierin een weg hebben gevonden. Uw advies zal onderdeel uitmaken van de publikatie, welke naar aanleiding van het seminar in september zal verschijnen.

 

Ook ik onderschrijf, behoudens één onderdeel van uw conclusies (blz. 18 van uw advies, de zesde en de zevende conclusie) graag Uw advies. Mijn vraag betreft de twee conclusies waarin situaties worden omschreven waarin registratie een positieve verplichting kan zijn. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat (her-)registratie voor religieuze of levensbeschouwelijke gemeenschappen een voorwaarde zou kunnen zijn voor het uitoefenen van rechten en vrijheden voortvloeiende uit mondiale en regionale instrumenten op het gebied van de mensenrechten. Deze gedachte lijkt niet in overeenstemming met uw achtste conclusie (blz. 18 van uw advies) en tweede aanbeveling (blz. 19 van uw advies) waarin u zelf ook uitdrukkelijk stelt dat niet-geregistreerde gemeenschappen dergelijke rechten en vrijheden niet mogen worden ontzegd.

De moderator van het seminar heeft in de slotverklaring danook geconcludeerd dat “If a participating State chooses to impose local or national registration requirements, such requirements should not become a precondition for the enjoyment of the rights and freedoms set out in OSCE documents. When certain additional rights and privileges are provided following local or national registration or re-registration, OSCE participating States must ensure that the registration requirements are transparent, non-discriminatory, and serve a legitimate purpose as agreed in OSCE documents.”

(Nog) niet-geregistreerde religieuze gemeenschappen moeten dus ongehinderd rechten en vrijheden kunnen ontlenen aan internationale normen op het gebied van mensenrechten. Hoewel dit niet uitsluit dat staten onder strikte voorwaarden uitingsvormen van godsdienst of overtuiging kunnen beperken, lijkt het middel van (her-)registratie niet de geëigende weg om deze beperkingen op te leggen. Waar het gaat om bepaalde voorrechten zoals belastingvrijdom, is een registratieverplichting uiteraard denkbaar. In een dergelijke situatie kan uw zienswijze wèl worden onderschreven.

 

Zoals ook tijdens het seminar bleek zal het onderwerp vrijheid van godsdienst of overtuiging, in het bijzonder het onderwerp (her-)registratie- en vestigingseisen ten aanzien van religieuze- en geloofsgemeenschappen, naar verwachting voorlopig nog wel actueel blijven. Nederland zal in de komende jaren, onder meer in OVSE-kader en niet in de laatste plaats tijdens het Nederlandse OVSE-voorzitterschap in 2003, aandacht blijven besteden aan dit onderwerp.

 

 

 

De Minister van Buitenlandse Zaken

Persberichten

Van dit advies is geen persbericht gepubliceerd.