Commentaar op de notitie mensenrechten 2001

30 september 2005 - nr.23
Samenvatting

Commentaar op de mensenrechtennotitie

 

 

 

Inleiding

 

In de Nota ‘De rechten van de mens in het buitenlands beleid’ van 1979 1 schreven de beide bewindslieden in het voorwoord, dat zij hoopten met hun beleidsnota ‘een bijdrage te leveren tot een samenhangende benadering van de zaak van de mensenrechten in de gedachtewisseling tussen Regering en parlement’. Tevens hoopten zij dat de Nota ook voor belangstellenden buiten het parlement van nut kon zijn ‘zowel door de daarin gegeven beschrijving van historische ontwikkelingen en bestaande regelingen als door de uiteenzetting van de problemen van het beleid’. Tenslotte hechtten de bewindslieden eraan ‘te onderstrepen dat, wanneer de Regering zich inspant voor de eerbiediging en waarborging van de rechten van de mens waar ook ter wereld, zij een beleid voortzet dat reeds vele jaren wordt gevoerd en dat aansluit bij ons geestelijke en politieke klimaat.’

Een dergelijk voorwoord ontbreekt in de notitie mensenrechtenbeleid 2001. Het doel van de notitie is op blz. 2 daarvan onder woorden gebracht. Het gaat om: 1) het bieden van een actuele kijk op het mensenrechtenbeleid (‘effectief inbedden van beleid’) en 2) het geven van een overzicht van de recente (Nederlandse) inzet en resultaten op een aantal belangrijke mensenrechtenthema’s en -doelgroepen. Dit roept de vraag op: is dat voldoende? Dit ‘doel’ is nogal mager. De notitie gaat al te zeer uit van de verworvenheden van het reeds gevoerde mensenrechtenbeleid en legt te weinig accent op de lacunes in datzelfde beleid. Dit probleem wordt overigens versterkt door het gekozen woordgebruik.2 Daarnaast komt verschillende keren de vraag op hoe de regering zich voorstelt één en ander te operationaliseren.

In de notitie wordt gesteld dat: ‘De Nota van 1979 nog immer de basis van het beleid vormt.’ (notitie, blz. 1). Vermoedelijk wordt met deze zinsnede vooral gedoeld op de delen III (Analyse) en IV (Beleidsconclusies) van de Nota. Daarin treft men onder andere de sedertdien veel geciteerde zinsnede aan dat de rechten van de mens een wezenlijk bestanddeel vormen van het Nederlands buitenlands beleid. Dat is en blijft een belangrijke constatering die door de AIV van harte wordt onderschreven. Dat neemt niet weg dat bepaalde onderdelen van de Nota van 1979 inmiddels zijn achterhaald. Dat geldt niet zozeer voor de delen I (Inleiding) en II (Beschrijving), die vooral beschrijvend van aard zijn. Maar bijvoorbeeld de hoofdstukken 9 (Mensenrechten en Ontwikkelingssamenwerking) en 10 (Mensenrechten in de Oost-West betrekkingen) zijn uiteraard in de toenmalige vorm niet meer actueel;3 zo zijn er na 1979 fundamentele veranderingen opgetreden in de Oost-West-relatie. Ook voor andere hoofdstukken geldt dat men zich bij herlezing de vraag moet stellen wat precies daarvan nog wordt onderschreven door de regering. Het zou ook opmerkelijk zijn, als een nota die meer dan 20 jaar geleden tot stand is gekomen, nu nog steeds onverkort als basis van het beleid zou gelden. Aangezien de Nota van 1979 lang niet meer voor eenieder toegankelijk is, zou het de moeite waard zijn geweest als men had aangegeven welke ervaringen in de praktijk met de Nota in het kader van het buitenlands beleid zijn opgedaan. De AIV beveelt daarom aan dat de regering expliciet aangeeft welke van de toen geformuleerde 55 beleidsconclusies nog steeds worden onderschreven en welke thans niet meer bruikbaar en/of achterhaald zijn. Dat biedt tevens de gelegenheid tot de formulering van nieuwe beleidsconclusies, in het licht van de inmiddels gewijzigde omstandigheden.

In hoofdstuk VII van de notitie (‘Aandachtspunten voor 2001 en verdere beleidsvoornemens’, blz. 14 e.v.) wordt een soort beleidsfilosofie gepresenteerd: ‘In de praktijk moeten er (...) keuzes worden gemaakt. Voor de korte termijn zijn deze bovenal pragmatisch ingegeven: Wat komt er op ons af? Wat is het te verwachten resultaat? Is er internationaal momentum? Is er voor Nederland reden om een trekkersrol te vervullen? ’ De AIV onderkent dat de regering er op het terrein van de rechten van de mens zekere idealen op nahoudt, maar uit de notitie komt een beeld naar voren dat het mensenrechtenbeleid van alledag wel erg lijkt te worden gekarakteriseerd door pragmatische afwegingen. Een dergelijk ‘pragmatisch idealisme’ dreigt de keuzebepaling (en daarmee ook het stellen van prioriteiten, ook al zeggen de bewindslieden te ‘aarzelen’ om die term in dit verband te gebruiken) op het gebied van het mensenrechtenbeleid tot niet meer dan een speelbal van internationale ontwikkelingen te maken. Het is teleurstellend dat ervan is afgezien in deze notitie een meer actuele visie te presenteren. Mede daardoor komen de opgesomde ‘aandachtspunten en verdere beleidsvoornemens’ (notitie, blz. 14-16) als sterk willekeurig over.

De AIV heeft zich de vraag gesteld wat anno 2001 de hoofdpunten zouden moeten zijn die in een beleidsnotitie over de mensenrechten aan de orde zouden moeten komen. Naar zijn opvatting zou een dergelijke notitie in ieder geval de volgende punten moeten bevatten.


  1. Zie hiervoor: Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15571, nrs. 1 en 2.
  1. Enkele voorbeelden:
  • ‘De regering streeft naar een actieve interactie met het maatschappelijk middenveld in Nederland en daarbuiten, teneinde die allianties tot stand te brengen die het meeste effect kunnen sorteren in uiteenlopende situaties.’ (notitie, blz. 2).
  • ‘Wij zoeken (...) naar een betere conceptuele aansluiting tussen het mensenrechtenbeleid en ontwikkelingssamenwerking, ten einde meer synergie tussen beide beleidsvelden tot stand te brengen.’ (notitie, blz. 6).
  • ‘Zo zal de multilaterale standaard – bij de totstandkoming waarvan Nederland heel vaak een voortrekkersrol vervult – nog stringenter moeten worden teruggekoppeld naar de bilaterale praktijk van alledag.’ (notitie, blz. 7).
  • Het begrip ‘good governance’ krijgt in de notitie de nodige aandacht, maar blijft weinig concreet uitgewerkt.
  1. In de notitie wordt in dat verband meer in algemene zin verwezen naar de voortgangsnotities van de regering van 1987, 1991 en 1997.
Adviesaanvraag

Commentaar op de mensenrechtennotitie

de Waarnemend Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken
Prof. mr F.H.J.J. Andriessen
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

 

Zeer geachte Heer Andriessen,

De Tweede Kamer der Staten-Generaal, op voordracht van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, verzoekt u ex artikel 17 van de Kaderwet Adviescolleges, om een advies uit te brengen over de notitie van de regering inzake het mensenrechtenbeleid (Kamerstuk 27 742, nr. 1).

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken is voornemens om uw advies te gebruiken bij de voorbereiding van het debat met de regering.

De Kamer zou het op prijs stellen indien het advies uiterlijk 1 september aanstaande beschikbaar zou kunnen zijn.

 

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,

 

(getekend)

F.W. Weisglas

(plv. Voorzitter)

 

cc.

- de minister van Buitenlandse Zaken
- de minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Regeringsreacties

Dit document is nog niet beschikbaar.

Persberichten

Van dit advies is geen persbericht gepubliceerd.