De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa

4 oktober 2005 - nr.40
Samenvatting
  1. De PA is de oudste, internationale pluralistisch samengestelde vertegenwoordiging gebaseerd op een intergouvernementeel verdrag. Het is de motor achter veel activiteiten van de Raad op het terrein van normstelling en toezicht op de naleving van normen. Omdat de PA de bevoegdheid heeft zich uit te spreken en aanbevelingen te doen over alle aspecten van het mandaat van de RvE, vervult deze instelling een belangrijke rol binnen de Raad van Europa. De AIV wenst deze te onderstrepen en formuleert hierna een aantal aanbevelingen ter verdere versterking van deze rol. De AIV doet zulks echter met aarzeling omdat hij het eigenlijk niet op zijn weg vindt liggen zich in een advies aan de regering uit te spreken over de wijze waarop de PA haar taken vervult.
     
  2. De AIV constateert dat de PA zich door de tijden heen niet onbetuigd heeft gelaten in het debat over de normstelling en over de naleving van de overeengekomen normen. De PA heeft daarbij vaak goed werk verricht en laat bovendien met enige regelmaat een krachtiger geluid horen dan bijvoorbeeld het CM. Het is daarbij echter noodzakelijk dat de PA voortdurend nagaat in hoeverre haar bevindingen serieus worden genomen en dat zij waar nodig aandringt op vervolgmaatregelen.
     
  3. Ook voor de PA is het nuttig en noodzakelijk zich regelmatig te bezinnen op haar eigen functioneren, zich te richten op kerntaken en niet bij te dragen aan de proliferatie van de RvE-werkzaamheden buiten het kerndomein. De beperkt beschikbare tijd voor plenaire vergaderingen, de veelheid van geluiden, interesses en belangen en de aard van parlementen als zodanig nopen weliswaar tot enige bescheidenheid voor wat betreft de mogelijkheden van de PA in dezen, maar voorkomen moet worden dat de leden van de PA het takenpakket van de RvE laten blijven uitdijen. De discussies die binnen de PA worden gevoerd en de besluiten waartoe deze leiden, zullen steeds moeten bijdragen aan realisering van de kerntaken en het is in de visie van de AIV dan ook vooral aan de PA als geheel, maar ook aan de individuele leden van en/of fracties binnen de PA om zich voortdurend bewust te zijn van zowel de positieve mogelijkheden een bijdrage te leveren aan de realisering van het kernmandaat van de RvE als van het negatieve risico van verdere uitwaaiering van de activiteiten. Naast het CM en het Secretariaat heeft de PA daarbij een eigen rol te spelen.
     
  4. De AIV beveelt aan dat de PA zich terughoudend opstelt bij regelgeving die uitgaat boven het door de AIV geformuleerde kernmandaat. Van de meer dan honderd Parlementaire aanbevelingen en resoluties uit 2004 kan worden gesteld dat naar schatting bij 20 á 30 daarvan vraagtekens kunnen worden geplaatst. In dit verband herhaalt de AIV ook zijn eerder geformuleerde aanbeveling om het huidige conventiebestand nog eens kritisch te toetsen en bovendien terughoudend te zijn met het aannemen van nieuwe conventies. Ook beveelt de AIV aan nog eens kritisch te kijken naar de verschillende vaste en ad hoc commissies van de PA. Sommige daarvan lijken weinig betekenis te hebben voor de realisering van de kerntaken van de Raad. De AIV gaat er daarbij van uit dat de mogelijkheid bestaat om eventuele deeltaken van de nietrelevante (sub)commissies die wel behoren tot het kerndomein van de Raad over te hevelen naar andere commissies. Verder dient, voordat besluitvorming kan en mag plaatsvinden, steeds een zorgvuldige raming te worden gemaakt van de te verwachten financiële consequenties. Op die manier wordt de besluitvorming eens te meer gedragen door realiteitszin en wordt het risico van hobbyismen en toevallige interesses verder verkleind.
     
  5. De AIV beveelt aan dat de afstemming van activiteiten tussen het CM en de PA verder wordt verbeterd. Er bestaan legio mogelijkheden tot regelmatige, tijdige en intensieve consultaties tussen beide gremia. Het CM heeft weliswaar ingestemd met het voorstel de PA te consulteren bij het opstellen van ontwerpverdragen en -protocollen, maar dat consultatieproces behoeft in de visie van de AIV duidelijk verdere versterking, zodat de PA haar betrokkenheid beter kan vervullen en verder kan opschuiven in de richting van een ‘mederegelgever’.
     
  6. De AIV herhaalt zijn aanbeveling tot terughoudendheid bij het instellen van nieuwe instituties, tenzij deze echt noodzakelijk zijn voor het vervullen van kerntaken. Indien al wordt overgegaan tot het instellen van nieuwe instituties, dient kritisch te worden bezien of er wellicht sprake is van doublures met al bestaande activiteiten, organisaties en instellingen in Europa. Complementariteit is hier het kernwoord, terwijl een bewust verkozen overlap in takenpakketten vraagt om nadere uitleg en rechtvaardiging. De AIV heeft verder met instemming kennisgenomen van het recente besluit van zowel de RvE als de OVSE om te komen tot een verbeterde samenwerking tussen beide organisaties.
     
  7. De AIV erkent de grote rol van de PA bij de verkiezing van rechters in het EHRM, zowel in de voorfase als bij de selectie zelf. Zowel op nationaal als op RvE-niveau valt in dat verband echter nog wel het nodige te verbeteren. De bijzondere aandacht voor de man-vrouwverhouding blijft noodzakelijk en verder kan de wijze waarop de voorgedragen kandidaten worden gehoord naar de opvatting van de AIV op een meer professionele wijze worden georganiseerd. Door te kiezen voor een langere interviewperiode, gehouden door een tripartiete panel waaraan ook rechters van het Hof en andere deskundigen deelnemen kan de oordeelsvorming verder verbeteren. Zolang de huidige procedure van kracht blijft, dient er evenwel voor te worden gezorgd dat het horen van de kandidaten door leden van de PA met de nodige terughoudendheid plaatsvindt; dit omdat deze leden als nationale parlementariërs meewerken aan wetgeving die in beginsel onderworpen is aan toetsing door het EHRM.
     
  8. De PA sprak recent nog eens haar waardering uit voor de jaarlijkse rapportages van de Commissaris voor de Rechten van de Mens en uitte het voornemen meer actie te zullen ondernemen op de door de Commissaris geformuleerde aanbevelingen. Ook de rol van de Commissaris ten aanzien van de tenuitvoerlegging van uitspraken als ten aanzien van de mogelijkheid om zelf zaken voor het Hof te brengen, zou moeten worden vergroot. De AIV onderschreef en onderschrijft het belang van de functie van deze Commissaris, maar ziet diens rol met betrekking tot het EHRM veeleer op het terrein van de executie van uitspraken en het verminderen van het aantal aanhangig gemaakte zaken bij het EHRM dan in een eigen klachtrecht. Voorts herhaalt de AIV zijn aanbeveling het mandaat van de Commissaris grondig te evalueren. De Nederlandse regering en de PA kunnen daarbij verschillende aanbevelingen uit het eerdere en het onderhavige advies inbrengen.
     
  9. De AIV onderstreept de belangrijke rol die de PA speelt bij interactie met nationale parlementen en de opbouw van nationale democratieën en op het terrein van de bewaking van de uniforme Europese rechtsruimte. De PA doet dit door bij afzonderlijke lidstaten, kritisch of aanmoedigend, de maat te nemen, maar ook door bij voortduring alert te zijn op de eisen die aan een democratisch bestel mogen worden gesteld. De in dit advies genoemde resolutie over nieuwe concepten om de stand van zaken met betrekking tot democratische ontwikkeling te meten, is daarvan een goed voorbeeld, maar ook de activiteiten van de Venetië-Commissie zijn daarbij uiterst relevant.
     
  10. Eén van de kern-functies die de PA, naast het uitvoeren van haar kerntaken, voor zichzelf zag en ziet weggelegd is het bieden van een forum voor (vertegenwoordigers van) jonge democratieën en nieuwe lidstaten. Dat biedt onder meer de gelegenheid tot het in de praktijk uittesten van democratische omgangsvormen. Omgaan met democratie is niet rationeel te regelen, maar betreft een ervaringsproces. De leerfunctie is overigens ook van toepassing op parlementariërs uit de oudere Europese democratieën. Ook voor hen is het hebben van een democratisch bestel niet een vaststaand en probleemloos gegeven, dat het zou kunnen stellen zonder voortdurend onderhoud en zonder aandacht voor de zaken die een democratisch bestel bedreigen of juist duurzaam kunnen legitimeren. De wederzijdse leerschoolfunctie wordt voorts nog versterkt door het feit dat er sprake is van een ‘dubbelmandaat’, waardoor de Europese ervaringen ook kunnen doorwerken op nationaal niveau. De AIV is een sterke voorstander van deze functie van de PA en beveelt haar aan daarin verder te investeren.
     
  11. Ook uit dit advies blijkt weer welk belang de AIV hecht aan de rol van de PA op het terrein van toezicht op de naleving van het Raad van Europa-acquis. Deze activiteit, vaak gebaseerd op kwalitatief goede rapportages van de PA zelf, heeft in sterke mate bijgedragen aan een versterking van het democratisch gehalte van de RvE-regio en verdient het op alle niveaus van de Raad door te werken. De AIV gaat er daarbij vanuit dat een verder verbeterde samenwerking tussen de verschillende instituties van de Raad van Europa – het CM, de PA, het Secretariaat, het EHRM, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en onder meer de Venetië-Commissie – zal bijdragen aan een nog beter profiel van de Raad op de kerndomeinen waarop hij actief is.

     

Adviesaanvraag

 
Aan:
De Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken
Mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage

Den Haag, April 2004

Hierbij stuur ik u een adviesaanvraag over de rol en positie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa. Dit advies moet gezien worden als een aanvulling op het in 2003 ontvangen advies titel 'De Raad van Europa, minder en (nog) beter'.

Op 7 april 2004 bereikte mij het verzoek van de voorzitter van de Nederlandse delegatie naar de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa om de Adviesraad Internationale Vraagstukken uit te nodigen een aanvulend advies uit te brengen over de rol en de positie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa alsmede over de rol en positie van vergelijkbare vergaderingen in Europa. Dit in aansluiting op het in 2003 uitgebrachte advies onder de titel 'De Raad van Europa, minder en (nog) beter,'

Overweging voor dit verzoek vormde met name de constatering door zowel de Eerste Kamer in november 2003 als door de Nederlandse delegatie naar de Assemblee in het overleg met leden van de AIV op 16 maart jl. dat in het uitgebrachte advies 'De Raad van Europa, minder en (nog) beter,' te weinig aandacht was geschonken aan de rol en positie van de Parlementaire Assemblee. In mijn reactie op het advies heb ook ik hierop gewezen.

Ik wil het verzoek van de delegatie dan ook gaarne ondersteunen en zal het op hoge prijs stellen indien de Adviescommissie in de gelegenheid is mij nader te adviseren over de rol, positie en functies van de Parlementaire Assemblee binnen de Raad van Europa.

Ik teken daarbij nog het volgende aan. In mijn reactie heb ik gewezen op het belang dat ik, met U, toeken aan een concentratie van werkzaamheden van de Raad van Europa. Ik zal erkentelijk zijn voor de visie van Uw commissie op de bijdrage die de parlementaire vergadering kan leveren ten behoeve van een samenhangende en (nog) betere uitoefening van de taken die de Raad met betrekking tot de aan hem toevertrouwde kernactiviteiten kan vervullen.

De verschillen tussen de mandaten van de parlementaire vergaderingen van de Raad van Europa, de EU, de WEU en de OVSE acht ik echter van dien aard dat deze zich niet lenen voor een vergelijkend onderzoek in het kader van een advies specifiek gericht op het functioneren van de Raad van Europa. Het komt mij voor dat een aanvullend onderzoek naar de rol en positie van deze belangrijke instelling van de Raad, zich vooral zou dienen te richten op de kenmerken van haar betrekkingen met overige institutionele voorzieningen van de Raad.

Ik zie uw advies over bovenstaand onderwerp met belangstelling tegemoet. Op dit moment wordt binnen het Comité van Ministers gesproken over een Derde Raad van Europa Top die gehouden zou kunnen in mei 2005. In de Nederlandse opstelling terzake heb ik in januari jl. in de Parlementaire Assemblee aangegeven dat een dergelijke top een nieuwe stimulans zou moeten geven aan het functioneren van de instellingen van de Raad van Europa, waarvan de Assemblee er een van is. In dit licht zou ik u erkentelijk zijn indien het advies voor eind 2004 beschikbaar zou zijn, zodat de resultaten verdisconteerd kunnen worden in de verdere voorbereidingen gedurende 2005.

Dr. B.R. Bot

Regeringsreacties

Directie West- en Midden-Europa
Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag
 
 
Datum: 25 juli 2005
 
Betreft: Regeringsreactie op het AIV-advies Parlementaire Assenblee van de Raad van Europa
 
 
Op 21 maart 2005 deed ik u het AIV-advies over de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa toekomen. Graag bied ik u hierbij, mede naar aanleiding van uw verzoek van 12 april 2005 met kenmerk 05-BuZa-29, de reactie van de regering aan op dit advies.
 

De Minister van Buitenlandse Zaken,
 

Dr. B.R. Bot
 


Adviesraad Internationale Vraagstukken
mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Den Haag, 25 juli 2005
 

Naar aanleiding van mijn verzoek d.d. 30 april 2004, bood u mij op 21 maart 2005 het advies 'De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa' aan. Op verzoek van de Tweede Kamer is gewerkt aan een reactie op dit advies.

Gelijktijdig met de verzending van deze reactie aan de voorzitters van de Eerste Kamer en de Tweede Kamer, bied ik u een kopie van deze reactie aan.
 

Dr. B.R. Bot
 


Regeringsreactie op AIV-advies De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa

Met dank en waardering heb ik kennis genomen van het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken over de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa. Het advies is een welkome aanvulling op het eerdere rapport over de Raad van Europa in het algemeen , waarin maar geringe aandacht werd besteed aan de Assemblee. Met name de Eerste Kamer en de Nederlandse delegatie naar de Assemblee drongen aan op een meer diepgaande analyse van de rol en de positie van de Parlementaire Assemblee binnen de Raad van Europa.

Inhoudelijk ligt dit advies in het verlengde van het eerdere rapport. Conform de adviesaanvraag buigt de AIV zich over de vraag hoe de Assemblee op een effectieve en concrete wijze kan bijdragen aan een verdere concentratie van de Raad van Europa op zijn kerntaken. Vanuit dit perspectief richt de AIV zich op het functioneren van de Assemblee en haar plaats in het geheel van de instellingen van de RvE, met name in relatie tot het Comité van Ministers.

Het rapport bevat nuttige aanbevelingen voor de verdere gedachtevorming over het functioneren van de Parlementaire Assemblee en de rol van de RvE als geheel. Onderstaand wordt hier kort op ingegaan. Hierbij zij overigens opgemerkt dat - zoals ook de AIV het niet zijn rol acht de regering te adviseren over het functioneren van de Assemblee - het niet aan de regering is zich uit te spreken over de invulling die de Assemblee geeft aan haar werkzaamheden. De aanbevelingen in het advies zijn vooraleerst aanbevelingen aan de Nederlandse leden van de Assemblee.

Rol van de Parlementaire Assemblee
Terecht wijst de AIV op de uiterst belangrijke taak van de Parlementaire Assemblee als forum voor de bevordering van de democratie in Europa. Met de opkomst van de jonge democratieën in het voormalig Oostblok en hun toetreding tot de Raad van Europa zijn de regelmatige intensieve contacten tussen parlementariërs uit Oost- en West-Europa en hun gezamenlijke parlementaire arbeid in de Assemblee mede bepalend geweest voor een duurzame verankering van de democratische processen in (bijna) geheel Europa.

De werkzaamheden van de Parlementaire Assemblee zijn van grote betekenis geweest voor de bevordering van gemeenschappelijke waarden in Europa. De Assemblee houdt in dit verband - zoals ook de AIV opmerkt -toezicht op de naleving van verplichtingen door de individuele lidstaten. De AIV noemt de voorbeelden van Griekenland, Turkije, Bosnië en Herzegovina en Rusland/Tsjetsjenië, maar deze zouden met een veelheid aan andere voorbeelden kunnen worden aangevuld. Recentelijk nog, tijdens de plenaire zomerzitting in 2005, boog de Assemblee zich bijvoorbeeld over de situatie in Kosovo, de Russische Federatie, Azerbeidjaan en Armenië.

In die zin oefent de Parlementaire Assemblee een unieke controle uit op de staat van de democratie en het respect voor mensenrechten in Europa. Dankzij het dubbelmandaat kunnen de leden van de Assemblee zich laten inspireren door concrete ontwikkelingen in hun respectievelijke landen en tevens hun ervaring op Europees niveau thuis onder de aandacht brengen. Dit geldt niet alleen voor de nieuwere lidstaten van de Raad van Europa maar ook de oudere. Ik volg de AIV in zijn oordeel dat de rol die de Parlementaire Assemblee speelt in het monitoren en aanscherpen van bestaande normen van de Raad van Europa voortzetting verdient. De bestendiging van de democratische orde, van de rechtsstaat en de bescherming van mensenrechten vergt blijvende aandacht.

Meer geconcentreerde aandacht op kernactiviteiten
Ik deel de mening van de AIV dat de Assemblee in de huidige situatie bijdraagt aan een verbreding van het aandachtsgebied van de Raad van Europa. De AIV stelt dat een aanzienlijk deel van de aangenomen resoluties en aanbevelingen boven het kernmandaat van de Raad van Europa uitstijgt en merkt op dat het verband met de kernthema's mensenrechten, democratie, rechtsstaat niet altijd te leggen is.

Het is niet aan de regering om met voorschriften te komen in deze. De Assemblee en zijn leden zijn zelf verantwoordelijk voor de invulling en vormgeving van hun werkzaamheden. Ik constateer echter dat de Assemblee ook tijdens de recente plenaire zomerzitting onderwerpen heeft geagendeerd die mogelijk thematisch dan wel geografisch buiten de kerntaken vallen die de Raad nog recent tijdens de Derde Top heeft vastgelegd en die de regering onderschrijft. Te denken valt aan het debat over The Environment and the Millenium Development Goals en het debat over de actuele situatie in Oezbekistan. Gezien de recente ontwikkelingen aldaar betreft dit laatste een belangrijk debat. Oezbekistan is echter geen lid van de Raad van Europa en de vraag is of het debat hierover niet beter in de OVSE gevoerd kan worden. Oezbekistan is daar immers wel lid van.

Terecht wijst de AIV op het feit dat het uiterst moeilijk zal zijn om over verdere concentratie op kerntaken overeenstemming te bereiken in de Parlementaire Assemblee. Dit bleek in aanloop naar de Derde Top eveneens een moeilijke opgave in het Comité van Ministers.

Des te belangrijker is het dat, nu de lidstaten onderling duidelijke prioriteiten hebben gesteld - in de zin dat alle activiteiten in dienst moeten staan van de bevordering van mensenrechten, democratie en rechtsstaat - ook in de Parlementaire Assemblee overeenstemming wordt bereikt op dit punt. Ik neem derhalve met voldoening kennis van de in het AIV-rapport opgenomen observatie dat de Nederlandse afgevaardigden naar de Assemblee hebben aangegeven serieus toe te zullen werken naar een verdere concentratie van de activiteiten van de Raad van Europa.

De AIV doet hiertoe enkele concrete suggesties in de vorm van betere toetsing vooraf van de voorgestelde activiteiten en een sanering van de commissies van de Assemblee die zich op beleidsterreinen richten die niet direct onder het kernmandaat vallen.

Tevens stelt de AIV voor om nieuw op te stellen verdragen te onderwerpen aan een toets op hun relevantie met betrekking tot het kernmandaat van de Raad van Europa. Ook de huidige lijst van conventies en verdragen zou onderwerp moeten zijn van een dergelijke toets. Ik onderschrijf het nut van een dergelijke exercitie, maar wijs er op dat ook de overige lidstaten hieraan zullen moeten meewerken. In geen geval mag discussie hierover leiden tot vertraging van de implementatie van de resultaten van de Derde Top, die nu de grootste prioriteit geniet.

De AIV pleit eveneens voor terughoudendheid ten aanzien van het oprichten van nieuwe instituties. Ook hier zou het kernmandaat in het oog moeten worden gehouden. Bovendien wijst de AIV op het belang van voorkomen van doublures en het bevorderen van complementariteit tussen de verschillende internationale organisaties in Europa. Ik deel de visie dat onnodige doublures voorkomen moeten worden. Al tijdens het Nederlands voorzitterschap van het Comité van Ministers van de Raad van Europa en tevens in aanloop naar de Derde Top heeft de regering aangedrongen op betere afstemming en nauwere samenwerking tussen de Raad van Europa, de EU en de OVSE. Hiertoe zijn betekenisvolle stappen gezet tijdens de Derde Top van de Raad van Europa.

De Parlementaire Assemblee kan een waardevolle bijdrage leveren aan een betere samenwerking tussen de Raad van Europa en de overige Europese instituties, in het bijzonder de EU. Toenemende steun lijkt zich thans af te tekenen voor het voorstel om de Parlementaire Assemblee en haar tegenhanger bij de EU, het Europees Parlement, te betrekken bij het periodieke quadripartite overleg tussen de Raad van Europa en de EU. Gezien het belang van een betere samenwerking tussen de Raad van Europa en de EU zal de regering voorstellen hiertoe in beide gremia ondersteunen.

Tot slot vraagt de AIV aandacht voor begrotingsdiscipline. Een duidelijke financiële raming voor nieuw voorgestelde activiteiten zou een stimulans zijn om prioriteiten te stellen. Ik sluit mij hierbij aan. Een belangrijke Nederlandse doelstelling tijdens de Derde Top betrof het creëren van meer ruimte binnen de begroting voor activiteiten aangemerkt als kerntaken van de Raad van Europa. Zoals ik al aangaf in de regeringsreactie op het eerdere AIV-advies over de Raad van Europa zal verdere uitwerking hiervan zijn beslag moeten krijgen in de discussies over de prioriteiten, die periodiek door de Secretaris-Generaal worden voorgelegd aan het Comité van Ministers en in de gebruikelijke planning- en begrotingsprocessen. De discussie die thans in Straatsburg is aangevangen over de follow-up van de Top in Warschau, biedt aanknopingspunten om een werkelijke bijstelling tot stand te brengen.

De rol van de Parlementaire Assemblee ten aanzien van de begroting is beperkt. De Parlementaire Assemblee voert geen controle uit op de begroting en de uitgaven. Deze verantwoordelijkheid ligt statutair bij het Comité van Ministers. De Assemblee zou zich evenwel bij het doen van aanbevelingen rekenschap kunnen geven van implicaties hiervan voor de begroting van de Raad van Europa.

De Parlementaire Assemblee binnen de Raad van Europa
Het advies van de AIV betreft voorts de positie van de Parlementaire Assemblee binnen de Raad van Europa. De AIV beveelt met name aan dat de afstemming van de activiteiten tussen het Comité van Ministers en de Assemblee verder wordt verbeterd.

In debatten en in correspondentie met de kamer voorafgaand aan de Derde Top - in de weken na de publicatie van het eerste rapport van de AIV - heeft de discussie hierover zich toegespitst op een tweetal kwesties: in de eerste plaats de versterking van de positie van de Parlementaire Assemblee (ten opzichte van met name het Comité van Ministers); in de tweede plaats mogelijke nationale maatregelen ter bevordering van de betrokkenheid van de Eerste en Tweede Kamer bij de werkzaamheden van de Raad van Europa in de vorm van vroegtijdige informatievoorziening inzake nieuwe verdragen en regelmatige debatten.

Ik volg de AIV in zijn advies dat een betere afstemming wenselijk is. Een dergelijke afstemming is de gedeelde verantwoordelijkheid van het Comité van Ministers en de Parlementaire Assemblee. De Assemblee zou beter gebruik kunnen maken van de ruimte die zij statutair heeft, met name ten aanzien van het toezicht op de follow-up door het Comité van Ministers op aanbevelingen en vragen van de Assemblee. Ook in hun nationale parlementen kunnen de leden van de Parlementaire Assemblee de Raad van Europa breder onder de aandacht van hun collega's brengen. Dit ter bevordering van de politieke controle op het Comité van Ministers vanuit de nationale parlementen.

Ook in de opstelling van het Comité van Ministers is ruimte voor verbetering. Zo zou het Comité transparanter kunnen opereren en zich eerder tot de Parlementaire Assemblee kunnen richten voor opinie en aanbevelingen. Met interesse heb ik kennis genomen van de aanbeveling van de Assemblee tijdens de recente plenaire zomerzitting om een gemeenschappelijke ad-hoc werkgroep in het leven te roepen voor de uitwerking van de resultaten van de Derde Top. Een dergelijke werkgroep zou aanvullend zijn op het bestaande Joint Committee waarin het Comité van Ministers en de Parlementaire Assemblee reeds overleggen.

Ten aanzien van de betrokkenheid van de Assemblee bij de ontwikkeling van nieuwe verdragen binnen de Raad van Europa is eveneens winst te behalen. Gedacht kan worden aan vroegtijdige informatievoorziening door het Comité van Ministers inzake nieuwe verdragen opdat de Assemblee in een vroeg stadium over kan gaan tot het doen van aanbevelingen.

Hetzelfde geldt voor de informatievoorziening aan de nationale parlementen. In Nederland worden de Staten-Generaal reeds periodiek geïnformeerd door middel van een lijst van ontwerp-verdragen over de totstandkoming waarvan voor het Koninkrijk onderhandeld wordt (ingevolge artikel 1 van de Rijkswet Goedkeuring en Bekendmaking Verdragen; verstrekking van de lijst aan de Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba). Publicatie van deze lijst stelt de Kamers in de gelegenheid om over specifieke ontwerpverdragen nadere informatie op te vragen.

In de aanloop naar de Derde Top is vanuit met name de Eerste Kamer voorgesteld om een jaarlijks debat over de Raad van Europa te houden in het Nederlandse parlement en in het debat over de Staat van de Unie ook de Raad van Europa te betrekken. Het werk in Brussel is echter zo breed en grijpt zo diep in in ons dagelijks leven, dat het een eigen overzicht verdient, parallel aan de behandeling van de Rijksbegroting. Tot het voeren van een debat over de wens om te komen tot nauwere samenwerking tussen de Raad van Europa en de EU biedt de Staat van de Unie mijns inziens voldoende ruimte, zoals dat ook in het verleden is gebleken. Over de onderwerpen betreffende de Raad van Europa in het algemeen kan daarnaast op verschillende manieren en momenten van gedachten worden gewisseld, wanneer het parlement hiertoe de behoefte heeft. Een jaarlijks debat behoort tot de mogelijkheden, maar is alleen dan nuttig wanneer ook sprake is van een concrete agenda. Men zou kunnen denken aan een debat voorafgaand aan en ter voorbereiding op de jaarlijkse ministeriële vergadering in het kader van de Raad van Europa.

* * * * *

Persberichten

Er zal van dit advies geen persbericht uitgaan.