Energiek buitenlands beleid, energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling

13 januari 2006 - nr.46
Samenvatting

Samenvatting en aanbevelingen

 

De laatste jaren is er krapte ontstaan op de wereldenergiemarkten, en in het bijzonder op de olie- en gasmarkten. Door de sterke vraagstijging en het achterblijvende aanbod, voor een belangrijk deel ook veroorzaakt door achterblijvende investeringen in de olie- en gassector, is het waarschijnlijk, dat er grote concurrentie ontstaat tussen energie-importerende landen en regio’s (met name Noord-Amerika, Europa, China, India en Japan/Korea/Taiwan) om het aantrekken van energie. Verwacht wordt dat deze ontwikkeling de zichtperiode van dit advies (tot 2025 à 2030) zal overheersen. Deze concurrentie om energie vormt het decor, waarin de voor Nederland als vanzelfsprekend beleefde energievoorzieningszekerheid, dankzij ‘ons Groninger gasveld’, erodeert. De omvang van de nog resterende Nederlandse aardgasreserves zijn zodanig beperkt, dat Nederland nog binnen de zichtperiode van dit advies afhankelijk zal worden van importen.

Tegelijkertijd hebben verstoringen in de energievoorziening (met name in de elektriciteitsvoorziening) de afgelopen decennia getoond, hoe kwetsbaar de moderne samenleving is geworden. Een energietekort kan, afhankelijk van omvang en duur, de samenleving ontwrichten. Het is niet zonder reden dat meerdere landen het bevorderen van energievoorzieningszekerheid als hoge prioriteit van het beleid bestempelen, en vaak zelfs als een onderwerp van nationale veiligheid beschouwen.

De adviesraden kiezen voor een bredere benadering. De analyse van de wereldenergiesituatie en de daarbij relevante geopolitieke tendensen in hoofdstuk 2 en de beoordeling van energiebelangen van en voor Nederland in hoofdstuk 3, hebben de adviesraden duidelijk gemaakt dat ook voor Nederland energievoorzieningszekerheid geen vanzelfsprekendheid meer kan zijn.

De risico’s en belangen die met een goede energievoorziening gemoeid zijn overstijgen het domein van het energiebeleid zelf. De problematiek die hier aan de orde is, zowel waar het gaat om de middellange- en lange termijn voorzieningszekerheid als de acute verstoringen van het energieaanbod (energiecrises), vergt overheidsaandacht en beleidsinzet aan een breder front. Door de substantiële groei van het wereldwijde energieverbruik en de milieuproblematiek (vooral klimaatverandering) als gevolg daarvan, wordt de noodzaak hiertoe nog scherper. In het buitenlands beleid van Nederland zullen met name prioriteiten herschikt moeten worden om energievoorzieningszekerheid een adequate plaats in het totale beleidspakket te geven.

Om een beter beeld te krijgen van de mogelijke geopolitieke ontwikkelingen, waar het de wereldenergiesituatie betreft, hebben de adviesraden aan het Clingendael International Energy Programme gevraagd deze problematiek te bestuderen. Mede aan de hand van die studie oordelen de adviesraden, dat er ten principale met twee toekomstscenario’s rekening moet worden gehouden. Een, waarin de wereldeconomie - ook waar het energie betreft - steeds verder mondialiseert en integreert, en waarin vrijhandel het adagium zal zijn (de economisch gedreven wereld). Dit betekent, dat energiestromen via marktwerking hun weg zullen vinden naar de consument en dat de rol van overheden relatief beperkt en meer faciliterend van aard is.

In het tweede scenario zullen landen, vanuit hun nationale belangen, meer politiek-strategisch opereren, althans wat energie betreft. Energiestromen zullen gepolitiseerd worden, en de energiehandel komt vooral tot stand met behulp van overheidshandelen. Het uiteindelijke beslissingscentrum over belangrijke kwesties omtrent de energiestromen ligt in dit scenario bij de overheid (de politiek gedreven wereld).

De adviesraden pleiten ervoor, dat Nederland een energievoorzieningszekerheidbeleid formuleert, dat effectief en robuust is voor beide scenario’s. Het is immers nog onduidelijk welk scenario in de zichtperiode van dit advies dominant zal blijken te zijn. De belangen van Nederland liggen primair bij bevordering van de wereldwijde vrijhandel. Dit impliceert, dat Nederland hierop inzet door middel van een multilaterale aanpak. Complementair hieraan zal Nederland echter ook, ter bevordering van de energievoorzieningszekerheid, moeten inzetten op bilaterale relaties. In dit stadium moet Nederland zo veel mogelijk de verschillende opties openhouden en een én-én-benadering kiezen.

De adviesraden doen de volgende aanbevelingen:

Aanbeveling 1: De bevordering van energievoorzieningszekerheid dient een aparte, nieuwe hoofddoelstelling van buitenlands beleid te zijn, naast de bestaande hoofddoelstellingen.

Dat er tussen verschillende doelstellingen soms conflicten kunnen ontstaan en bepaalde belangen moeten prevaleren boven andere is niets nieuws. Nieuw is, dat energievoorzieningszekerheid in het vervolg duidelijker op de agenda wordt geplaatst en voor het volle pond wordt meegewogen.

Energie behoeft grotere beleidsaandacht. Uit de analyse van dit advies - maar ook uit andere gezaghebbende publicaties die als bron hebben gediend – blijkt, dat energievoorzieningszekerheid niet langer een vanzelfsprekendheid is. Bovendien wordt energievoorzieningszekerheid - ook die van Nederland - in toenemende mate (mede) bepaald door buitenlandse, zo niet geopolitieke ontwikkelingen.

Het energiebeleid, waarvoor het Ministerie van Economische Zaken verantwoordelijkheid draagt, dient door de groter geworden buitenlands-politieke component bij de zorg voor de energievoorziening gecompleteerd te worden door de mogelijkheden en instrumenten van Buitenlandse Zaken.

Aanbeveling 2: De beleidscoördinatie tussen Buitenlandse Zaken en Economische Zaken, en waar relevant ook met VROM en Defensie, dient op het hoogste ambtelijk en politiek niveau geborgd te worden.

Energievoorzieningszekerheid dient als beleidsthema te figureren in periodiek (interdepartementaal) overleg op hoogambtelijk (DG-)niveau, en vaker op ministerieel niveau geagendeerd worden, in bijvoorbeeld de REIA.

Aanbeveling 3: Stel het gehele instrumentarium voor het buitenlands beleid, met inbegrip van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, ook voor energievoorzieningszekerheid ter beschikking.

Naar de mening van de adviesraden is het bestaande buitenlands beleidsinstrumentarium ook goed bruikbaar voor de bevordering van energievoorzieningszekerheid. Het gaat er nu om dit in de nabije toekomst ook te benutten voor het bevorderen van energievoorzieningszekerheid. Tot nu toe speelden energiebelangen slechts een beperkte rol in het buitenlands beleid.

Aanbeveling 4: Zet primair in op de totstandkoming van een extern (gemeenschappelijk) Europees energiebeleid, zonder bilateraal beleid te verwaarlozen: een en-en-beleid.

De ontwikkeling en inzet van communautaire middelen is daarbij een voorwaarde. Daarbij is het noodzakelijk dat de lidstaten ervoor open staan om bevoegdheden over te dragen aan de EU. Dit betekent dat de verschillende lidstaten van de EU op één lijn zullen moeten komen en gemeenschappelijke belangen zullen moeten formuleren. Te denken valt aan terreinen als vraagmanagement, crisisbeleid, strategische voorraden en exploratie- en productierechten. De adviesraden wijzen erop dat dit onverlet moet laten dat het oliecrisisbeleid bij de IEA blijft om de effectiviteit daarvan te kunnen handhaven. Olie speelt immers een rol op de wereldmarkt en is niet beperkt tot een regionale markt als bijvoorbeeld de EU. Dat ligt anders bij aardgas waar de EU wel een regionale afzetmarkt voor vormt. Bij een en ander achten de adviesraden het in het kader van een en-en-aanpak wel van belang, dat Nederland zich niet alleen op ‘Brussel’ richt. In voorkomende gevallen moet Nederland voor andere fora of partners (kunnen) kiezen. Dat geldt zeker voor de tussenliggende periode, totdat een gemeenschappelijk extern EU-beleid werkelijkheid is.

Aanbeveling 5: Breng de Nederlandse energiebelangen sterker naar voren in multilaterale fora.

Waar het nog niet lukt om in EU-kader op te treden kan Nederland zelfstandig of beter nog in allianties invloed uitoefenen in fora als onder meer de IEA-OESO, WTO en VN. In een toekomstige crisissituatie heeft Nederland, naar het zich laat aanzien, het meest te verwachten van een aanpak in het IEA en zo nodig NAVO-verband. Via het IEA kan ook overleg plaatsvinden met landen, die geen OESO-lid zijn, waaronder belangrijke spelers zoals China en India vallen. Het zou de slagkracht van het IEA vergroten, wanneer deze toekomstige grote consumerende landen formeler betrokken kunnen worden bij het IEA. Dit zou de effectiviteit van vraagmanagement en crisisbeleid (strategische voorraadvorming en –beheer) doen toenemen. De stabiliteit van de oliemarkt, die een wereldwijde is, is een gemeenschappelijk belang.

Ten aanzien van de VS dient energie regelmatig te figureren als onderwerp van gemeenschappelijk belang. Via het bilaterale overleg en in het reguliere EU-VS overleg, alsmede uiteraard in het overleg van het IEA, zou dit kunnen plaatsvinden. Zowel de EU als de VS hebben belang bij een grotere energie-efficiëntie, voorraadmanagement en een gunstig investeringsklimaat en zouden hier gezamenlijke inspanningen kunnen doen. Men mag tegelijkertijd de ogen niet sluiten voor het feit dat de VS voorzieningszekerheid in hoofdzaak benaderen vanuit een strikt nationaal gezichtspunt en dat nu mogelijk minder begrip bestaat voor Europese belangen en opvattingen, vergeleken bijvoorbeeld met de situatie ten tijde van de oliecrisis van 1973.

Aanbeveling 6: Wees bereid zo nodig een bijdrage te leveren aan de militaire bescherming van internationale transportroutes.

In het voorafgaande is uiteengezet dat de energievoorzieningszekerheid kan worden bedreigd door het kwetsbaarder worden van de aanvoerroutes (zeetransport en pijpleidingen). Er kan een moment komen dat militaire middelen moeten worden ingezet om deze routes te beschermen teneinde een ongestoorde aanvoer te verzekeren. Nederland zou zich reeds nu bereid moeten verklaren hieraan indien nodig een bijdrage te leveren, indien een dergelijke operatie door een uitdrukkelijk internationaal mandaat gelegitimeerd zou zijn (van bij voorkeur de VN-Veiligheidsraad). Ter voorbereiding daarop zou het vraagstuk ook nadrukkelijker de aandacht moeten krijgen van de NAVO.

Aanbeveling 7: Herformuleer de relatie met Rusland op basis van ‘gelijkwaardigheid’, ‘wederzijds begrip’ en ‘reciprociteit’ en tracht dat juist ook op EU-niveau te (helpen) bewerkstelligen.

De Europese relatie met Rusland is meer verstoord dan nodig of dienstig is. Gezien de grote geopolitieke- en energiebelangen, die gemoeid zijn met een betere verstandhouding tussen de EU en Rusland, zou Nederland zich daarop moeten richten. Juist door de relatief goede relatie die Nederland met Rusland heeft moet het mogelijk zijn in Brussel daar een oor voor te krijgen. Bezien zou moeten worden, of beduidend verdergaande vormen van samenwerking tussen de EU en Rusland mogelijk zijn. Gezien de wederzijdse (energie)belangen, is er een gezamenlijk belang om in de energierelatie meer over en weer langetermijnzekerheid in te bouwen. De EU zal dan wel meer oog moeten hebben voor Russische bezwaren, in het bijzonder op energiegebied.

Aanbeveling 8: Onderhoud goede relaties en treed in overleg met energierelevante landen, verruim waar mogelijk het aandachtsgebied tot (aspecten van) een verbrede economische en sociale ontwikkeling en bevorder daarbij investeringen over en weer.

In de relaties met andere landen zou het belang voor de energievoorzieningszekerheid sterker moeten worden meegewogen. Dit betekent, dat Nederland voor energie een bijzonder belang heeft met producerende landen, vooral Rusland, landen in het Midden- Oosten, in Noord-Afrika en ten zuiden van de Sahara. Voor het veiligstellen van met andere landen gedeelde gemeenschappelijke energiebelangen kan Nederland belang hebben bij allianties, partnerschappen of andere samenwerkingsvormen. Hierin dient Nederland zelfstandig initiatief te nemen.

Daarbij wordt het ‘geven en nemen’ in de handelsrelatie volwaardiger, wanneer Nederland in staat is meer aandacht te geven aan een bredere economische en sociale ontwikkeling van de desbetreffende landen. Daarbij hoort ook het respecteren van fundamentele mensenrechten en internationale arbeidsnormen. De olie- en gasexporterende landen zijn te sterk afhankelijk van uit olie- en gasexport voortvloeiende inkomsten, waardoor onevenwichtigheden bestaan die niet behulpzaam zijn voor bijvoorbeeld een goede ontwikkeling van de werkgelegenheid in die landen.

Aanbeveling 9: Zet in op een vergroting van het nationale en lokale draagvlak voor een verantwoorde exploratie en productie van olie- en gasvoorkomens; help condities scheppen om waar relevant de toegankelijkheid tot energie (elektriciteit) te vergroten en bevorder de toepassing van duurzame energie.

Nederland zou een zelfstandige rol kunnen vervullen op dit gebied, bijvoorbeeld via het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. De inzet van het OS-beleid is de bevordering van toegang tot moderne energieopwekking voor arme bevolkingsgroepen in OS-landen. Bezien zou kunnen worden of meer OS-middelen kunnen worden ingezet in ontwikkelingslanden waar sprake is van Nederlandse of Europese exploratiebelangen. Uiteraard in lijn met het huidige beleid, derhalve op een wijze die aantoonbaar de lokale bevolking (mede) ten goede komt en bijdraagt aan de politieke, economische en sociale stabiliteit.

Daarnaast zouden duurzame energiemodellen in ontwikkelingslanden actiever kunnen worden bevorderd. Ook kan ontwikkelingsbeleid worden ingezet ter versterking van de energieopwekking en bijbehorende infrastructuur in ontwikkelingslanden, gericht op hetzelfde doel, namelijk ook de ontwikkelingslanden minder afhankelijk te maken van de relatief schaarser wordende gas- en oliereserves. Ten slotte zou men in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid veel meer aandacht kunnen besteden aan (grootschalige) biomassaproductie voor duurzame energiedoeleinden. Uiteraard kunnen al dit soort beleidsinitiatieven vergezeld gaan van de lokale versterking van de kennisinfrastructuur die daarvoor nodig is.

Nederland zou de aanwezige kennis en technologie op het gebied van schonere energieopwekking (gastechnologie, schone-kolentechnologie, windenergie, zonne-energie, biomassa, CO2 opslag) en energie-efficiëntie/besparing aan kunnen wenden voor exportdoeleinden. Nederland heeft hierdoor iets extra’s te bieden, wat interessant zou kunnen zijn voor (de onderhandelingen met) olie- en gasproducerende landen. Elke efficiencywinst, die geboekt wordt vermindert de druk op de markt en heeft daardoor gunstige effecten op zowel de prijzen, het milieu als op de relatieve beschikbaarheid.

Voor de uitvoering van hogergenoemde activiteiten zou nauwer overleg kunnen plaatsvinden met de aldaar werkzame ondernemingen.

Aanbeveling 10: Ondersteun het Nederlandse (energiegerelateerde) bedrijfsleven en assisteer het in goed burgerschap ter plaatse. Richt daartoe een ‘Buitenlands-energie-overleg-platform (BEOP) op waarin de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Economische Zaken en indien relevant VROM hun gesprekspartners uit het bedrijfsleven ontmoeten om te zien waar problematiek of kansen aan de orde zijn die (ook) om een beleidsinzet vragen.

Nederland is een aanzienlijke speler op internationale energiemarkten. Nederland heeft veel gespecialiseerde energiekennis en enkele sterke bedrijven. Voor de energievoorzieningszekerheid is het van belang, dat deze bedrijven ondersteund worden in hun activiteiten. Het is van belang, dat de Nederlandse concurrentiepositie internationaal gehandhaafd blijft en dat er een gelijk speelveld ontstaat. Maar in het kader van een meer algemene bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van energie exporterende landen moeten er mogelijkheden worden geboden dat ook Nederlandse bedrijven uit andere sectoren bij de ontwikkeling van handelsrelaties worden c.q. blijven betrokken.

Ook is het noodzakelijk, zeker voor het veiligstellen van goede betrekkingen op lange termijn, dat de overheid het bedrijfsleven waar mogelijk assisteert in - en zo nodig aanmaant tot - het betonen van goed burgerschap ter plaatse. Met name goed bestuur, transparantie, niet toegeven aan corruptie en een verantwoord milieugedrag, zijn daarbij wezenlijke aandachtspunten.

Aanbeveling 11: Bevorder het investeren in infrastructuur, zodat Nederland een energieknooppunt blijft, waarmee energievoorzieningszekerheid wordt bevorderd, en bevorder een ruime infrastructuur om flexibiliteit van aanbod en concurrentie beter mogelijk te maken.

 

Als Nederland een belangrijk doorvoerland en aanbieder van flexibiliteit wil zijn, is het van belang te investeren in een daartoe passende infrastructuur. Nederland is vooraanstaand op het gebied van gasopslag en als aanbieder van flexibiliteitsdiensten. Om ervoor te zorgen, dat energie via Nederland zijn weg naar derde landen blijft vinden, heeft Nederland belangen bij de bouw van LNG-terminal(s) en vooral ook van ondergrondse opslagsystemen voor gas (zie het AER-advies ‘Gas voor Morgen’). Dit vergroot tevens de eigen mogelijkheden te schakelen tussen verschillende aanbieders van gas, en zo niet te afhankelijk te worden van slechts een of enkele leveranciers.

Aanbeveling 12: Houd bij de verdere vormgeving van het buitenlands beleid en van het energiebeleid, met name ook in Europees verband, de Nederlandse onderhandelingspositie met energieproducerende landen en partijen scherp in het oog ten behoeve van een optimale energievoorziening.

Adviesaanvraag
Ministerie van Buitenlandse Zaken        
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Telefoon 070-3486486

Ministerie van Economische Zaken
Postbus 201012500
EC Den Haag
Telefoon 070-379 8911

         
AAN
de Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
de Voorzitter van de Algemene Energieraad (AER)
p/a Postbus 20061
2500 Den Haag

Den Haag,     14 mei 2005

ONDERWERP
AIV/AER adviesaanvraag inzake ‘Energie en Buitenlands beleid’

Geachte voorzitters,

De komende jaren worden de lidstaten van de EU voor hun energievoorziening steeds afhankelijker van importen van olie en gas. De eigen Europese energiebronnen nemen geleidelijk af en ondanks inspanningen op het gebied van energiebesparing en duurzame energie zal steeds meer van onze energie komen uit een kleine groep landen en regio’s: het Midden-Oosten, Rusland, de landen rond de Kaspische Zee en West-Afrika. Er ontstaat bovendien meer concurrentie om olie en gas met snelgroeiende economieën als China en India.

Hoewel er op dit moment geen sprake is van feitelijke problemen met de aanvoer van olie en gas uit productielanden, baren politieke en veiligheidsrisico’s (instabiliteit, oorlogen, georganiseerde misdaad, kans op terroristische aanslagen) ons in dit verband zorgen.

Energievoorzieningszekerheid speelt als beleidsdoelstelling momenteel geen rol in het buitenlands beleid van Nederland en de EU. De regering is van mening dat dit zal moeten veranderen. Deze opvatting wordt ingegeven door bovenstaande ontwikkelingen en de signalen voortkomend uit analyses van het International Energy Agency, het Clingendael International Energy Programme en het AER-gasadvies. Tegen deze achtergrond wordt advies gevraagd over de vraag of, en zo ja hoe, het buitenlands beleid van Nederland en de EU zou kunnen bijdragen aan de energievoorzieningszekerheid van Europa en in het bijzonder Nederland.

ALGEMENE VRAGEN
  • Kan, in aanvulling op het bestaande energiebeleid van de Ministeries van Economische Zaken en van VROM, het Nederlands buitenlands beleid, inclusief het veiligheids- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, op een zinvolle en structurele wijze bijdragen aan het verzekeren van de energievoorzieningszekerheid voor Nederland en de EU?
  • Dient energievoorzieningszekerheid een zelfstandige doelstelling van buitenlands beleid te zijn?
  • Hoe kan er vanuit het buitenlands beleid in brede zin aan worden bijgedragen dat:
    • de politieke, economische en sociale voorwaarden in olie- en aardgasproducerende landen zodanig zijn dat deze landen zich op een stabiele wijze ontwikkelen en op (middel)lange termijn een niveau van olie- en gasproductie en –export wordt gerealiseerd dat de energievoorziening van Nederland en de EU zekerstelt;
    • het investeringsklimaat in producentlanden dusdanig wordt bevorderd dat een voldoende investeringsniveau in olie- en gasexploitatie wordt gewaarborgd;
    • er geen onderbreking van de toevoer van m.n. olie en gas plaatsvindt door ontwrichtingen van de aanvoerroutes (m.n. zeestraten en pijpleidingen);
    • de snelgroeiende mondiale energievraag op een zo duurzaam en veilig mogelijke manier wordt ingevuld waarbij er oog is voor zowel de klimaatproblematiek (clean coal technologies, energieefficiëntie, renewables) als veiligheidsaspecten (nucleaire proliferatie, transportveiligheid);
    • noodzakelijke investeringen in ontwikkelingslanden plaatshebben, enerzijds om toegang tot energie voor de armen te waarborgen en anderzijds om een zo duurzaam mogelijke energievoorziening te stimuleren.

NADERE VRAGEN

DIALOGEN EN COALITIES
Met welke instrumenten van buitenlands beleid in brede zin kan worden bijgedragen aan de ontwikkeling van een constructieve mondiale energiedialoog en effectieve internationale coalities ter verbetering van de werking van de mondiale energiemarkt? Hierbij moet gedacht worden aan de rol van producent-, consument- en doorvoerlanden en het internationale bedrijfsleven.
 
ROL BEDRIJFSLEVEN
Met welke instrumenten van buitenlands beleid in brede zin kan vanuit de doelstelling van energievoorzieningszekerheid worden bijgedragen aan de bevordering van de belangen van het Nederlandse (en Europese) bedrijfsleven? 

Hoe kan het Nederlandse (Europese) bedrijfsleven zodanig worden ondersteund dat het op een effectieve wijze kan bijdragen aan de energievoorzieningszekerheid van Nederland en de EU?

Hoe kan worden bevorderd dat de wereldwijde marktpositie van Nederlandse en Europese bedrijven die energiegerelateerde goederen, diensten en technologieën leveren wordt versterkt en hiermee wordt bijgedragen aan duurzaam energiebeleid in derde landen inclusief de snel groeiende ontwikkelingslanden en economieën?

KANAALKEUZE EN PARTNERS
Waar liggen mogelijkheden voor zelfstandig Nederlands optreden en waar kan Nederland effectiever opereren via multilaterale/ Europese kaders?

Kan de AIV/AER, o.m. door middel van een overzicht van de manier waarop andere landen aandacht schenken aan energie in het buitenlands beleid, komen tot een selectie van producent-, consument en doorvoerlanden waarvan zij denken dat in het licht van de doelstelling van energievoorzieningszekerheid nauwere samenwerking (bilateraal of multilateraal) geboden is?

INTERNATIONALE FORA
In het kader van welke mondiale, internationale en Europese fora en organisaties kan  Nederland de energiegerelateerde doelstellingen in het buitenlands beleid het meest doelmatig verwezenlijken? Fora en organisaties die een rol spelen zijn onder andere IEA, WTO, IEF, Energy Charter, OVSE en NAVO en voor wat betreft het internationale bedrijfsleven o.m. Extractive Industries Transparency Initiative en MIGA.

In hoeverre is de EU geëquipeerd om zich op een effectieve wijze in te zetten ter bevordering van de energievoorzieningszekerheid (o.m. gezien de bevoegdheden van de Unie, inclusief die voorzien in het Grondwettelijk Verdrag, en de doelstellingen van het GBVB) en in welke kaders (bijvoorbeeld de Commissie of de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB)?

Hoe kan Nederland optimaal bijdragen aan de totstandkoming van een Europese externe energiepolitiek t.b.v. het creëren van energievoorzieningszekerheid (bijvoorbeeld door middel van de EU-RF Energiedialoog en de EU-OPEC dialoog)?

In het licht van de ontwikkelingen op en tussen betrokken departementen ten aanzien van het onderwerp ‘energie en buitenlands beleid’, is een tijdig advies van de AIV–AER wenselijk. Gestreefd zou moeten worden naar aanbieding van het advies in november en publicatie in december 2005, zodat het maximaal kan worden ingezet ter ondersteuning van de verschillende beleidsontwikkelingen op de betrokken departementen.

Deze aanvraag gaat u toe mede namens de Staatssecretaris voor Europese Zaken.                                                           

 

De minister van Buitenlandse Zaken 
Dr B.R. Bot
De minister van Economische Zaken
Mr L.J. Brinkhorst
Regeringsreacties

Ministerie van                                                                                                           Ministerie van

Buitenlandse Zaken                                                                                         Economische Zaken

Postbus 20061                                                                                                            Postbus 20101

2500 EB 's-Gravenhage                                                                                    2500 EC 's-Gravenhage

Telefoon 070-3486486                                                                                                      070-3798911

 

 

Aan:

De Voorzitter van de

Tweede Kamer der

Staten-Generaal

Binnenhof 4

‘s-Gravenhage

 

 

 

Uw brief                     Uw kenmerk                    Ons nummer                   Datum       mei 2006   

                                                                       DES/MI-355/06                                 

 

Onderwerp: Notitie Energievoorzieningszekerheid en Buitenlands Beleid    

 Reactie advies 46-19 mei 2006.pdf

 

Graag bieden wij u hierbij aan, mede namens de staatssecretaris voor Europese Zaken, de notitie “Energievoorzieningszekerheid en Buitenlands Beleid”.

 

Op 14 mei 2005 verzocht de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER) tijdig een gezamenlijk advies uit te brengen over ‘energie en buitenlands beleid’. Het advies van de AIV en de AER, getiteld “Energiek Buitenlands Beleid. Energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling”, werd door de adviesraden op 13 januari 2006 aan het kabinet alsook aan uw Kamer aangeboden.

 

De notitie “Energievoorziening en Buitenlands Beleid” beoogt uiteen te zetten hoe het beleid van de regering wordt vormgegeven, waarbij tegelijkertijd een reactie wordt gegeven op de aanbevelingen van de adviesraden. Tevens wordt met deze notitie de toezegging van een notitie over energie en buitenlands beleid van de minister van Buitenlandse Zaken tijdens het begrotingsdebat (november 2005) gestand gedaan.

 

Wij willen hierbij gaarne onze grote waardering uitspreken voor het advies van de AIV en de AER als ook voor de tijdigheid waarmee het advies tot stand is gekomen.

 

 

De Minister van Buitenlandse Zaken,                            De Minister van Economische Zaken,

 

     [Getekend]                                                                 [Getekend]

 

Dr. B.R. Bot                                                               Mr. L.J. Brinkhorst

 

 
 
Persberichten

Persbericht Algemene Energieraad (AER) en Adviesraad Internationale
Vraagstukken (AIV) 
 
vrijdag 13 januari 2006, 18.00 uur
 
Advies: 'Energiek buitenlands beleid. Energievoorzieningszekerheid
als nieuwe hoofddoelstelling'.
 
'Energievoorzieningszekerheid' nieuwe hoofddoelstelling buitenlands
beleid
 
De ontwikkelingen op de wereldenergiemarkten maken het noodzakelijk
dat energievoorzieningszekerheid een nieuwe hoofddoelstelling van
het buitenlands beleid wordt. Zo kan op het hoogste ambtelijke en
politieke niveau een goede beleidsafwegingen gemaakt worden met de
juiste prioriteitstelling. Dit is de belangrijkste aanbeveling van
de Algemene Energieraad (AER) en de Adviesraad voor Internationale
Vraagstukken (AIV) in hun gezamenlijk advies 'Energiek Buitenlands
Beleid' dat zij heden aan de regering hebben aangeboden. De
Ministers van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken en de
Staatssecretaris voor Europese Zaken hadden om advies gevraagd.
 
Nederland en Europa worden in toenemende mate afhankelijk van
importen van olie en gas uit een beperkt aantal landen en gebieden
die politiek minder stabiel zijn. De kwetsbaarheid neemt daardoor
toe. Ook de aanvoerroutes naar Europa zijn kwetsbaar, zoals recent
is gebleken in de Russisch-Oekraïense gascrisis.
Bovendien is de wereldenergiemarkt meer gepolitiseerd dan in het
vorige decennium nog mocht  worden verwacht. Energie wordt door
meerdere landen strategisch gebruikt en ingezet als instrument van
buitenlands beleid.
 
AER/AIV adviseren de regering hiervoor een 'en-en-beleid' te
voeren. Dat wil zeggen, dat de ontwikkeling van een samenhangend
Europees beleid gericht op energievoorzieningszekerheid moet worden
bevorderd. Tegelijkertijd moet ook een nationaal buitenlands beleid
gericht op de versterking van bilaterale relaties met olie- en
gasproducerende landen totstandkomen.
 
Het 'en-en'-beleid is noodzakelijk zolang het Europees beleid
onvoldoende van de grond gekomen is en onvoldoende is gericht op de
externe EU-kwesties die met energievoorzieningszekerheid
samenhangen. AER/AIV vrezen overigens dat met de totstandkoming van
beoogd EU-beleid veel tijd gemoeid zal zijn. Daarop wachten is
gegeven de urgentie van de problematiek niet verantwoord.
 
Daarnaast moet Nederland zich in internationale fora zoals IEA
blijven inzetten voor de energievoorzieningszekerheid.
 
Structurele ontwikkelingen op de wereldenergiemarkten (vooral olie
en gas) maken het duidelijk dat er toenemende markt- en politiek
gedreven concurrentie ontstaat tussen importerende landen/regio's.
Zulke ontwikkelingen zijn de sterk stijgende vraag, onzekerheid
over de tijdige beschikbaarheid van voldoende aanbod van olie en
gas en de al genoemde politisering van energiemarkten.
AER/AIV wijzen er ook op, dat de omvang van de nog resterende
Nederlandse aardgasreserves zodanig beperkt zijn, dat  Nederland
nog binnen de zichtperiode van dit advies (25 jaar) afhankelijk zal
worden van gasimporten.
 
Het advies is voorbereid door een commissie met leden uit de AER en
de AIV, onder leiding van de heer George Verberg (Lid van de
Algemene Energieraad en president van de International Gas Union).
 
Achtergrond AIV
De Adviesraad Internationale Vraagstukken heeft sinds zijn
oprichting in 1997 als taak om de regering en de Staten-Generaal te
adviseren over buitenlands beleid, in het bijzonder het beleid op
de terreinen vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking, de
rechten van de mens en Europese integratie. De AIV wordt
voorgezeten door mr. Frits Korthals Altes, minister van Staat.
 
Achtergrond AER
De Algemene Energieraad adviseert de regering en het parlement over
het te voeren energiebeleid. De Energieraad wil een gewetensfunctie
ten behoeve van de overheid en samenleving vervullen en een
bijdrage aan het maatschappelijk energiedebat leveren, waarbij
steeds het publieke belang centraal staat. De Energieraad is
onafhankelijk. De leden zijn afkomstig uit relevante
maatschappelijke groeperingen, maar vervullen hun adviestaak op
persoonlijke titel. De Energieraad wordt voorgezeten door ir. P.H.
Vogtländer. De taken en positie van de Energieraad zijn wettelijk
geregeld (Wet op de Algemene Energieraad).
 
Noot voor de redactie / niet voor publicatie:
Nadere informatie is te verkrijgen bij het secretariaat van de
Algemene Energieraad, drs. E. (Erik) Janssen (070-3924001;
e.janssen@energieraad.nl). De tekst van het volledige advies is na
vrijdag 13 januari 2006, 18.00 uur te downloaden via 
http://www.energieraad.nl/ en www.aiv-advies.nl