De OESO van de toekomst

2 april 2007 - nr.54
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

 

In dit hoofdstuk passeren de belangrijkste conclusies en aanbevelingen de revue.

 

Uitbreiding en taken

De vraag naar de uitbreiding kan naar de opvatting van de AIV niet los worden gezien van het toekomstige takenpakket en de ambities van de OESO. Dit brengt de AIV tot de volgende conclusies en aanbevelingen:

?  De OESO zal zonder incorporatie in enigerlei vorm van de grote opkomende economieën snel minder relevant worden.

?  Op korte termijn moet worden bepaald welke landen die zelf hebben aangegeven lid te willen worden, op basis van het voldoen aan de vier ‘Noboru-criteria’ (likemindedness, significant player, mutual benefit en global considerations) en het daaraan door de AIV toegevoegde vijfde criterium – aanvaarding en (toegroeien naar) naleving van het OESO-acquis in de vorm van de voornaamste onderliggende conventies, regelingen en principes – daadwerkelijk voor het lidmaatschap in aanmerking komen, respectievelijk met welke landen die geen lid willen worden dan wel daarvoor (nog) niet in aanmerking komen, een vorm van associatie moet worden aangegaan. Het eerste zou kunnen gelden voor landen als Brazilië, Chili, Israël en Zuid-Afrika. Desgewenst kan, met wederzijds goedvinden, een overgangstermijn worden vastgesteld waarbinnen stapsgewijs wordt toegewerkt naar een volledig lidmaatschap van deze landen. Het tweede zou kunnen gelden voor bijvoorbeeld China, India en Rusland. Voor deze laatste landen geldt dat ze dusdanig grote problemen hebben op het terrein van de rechtsstaat en/of op economisch vlak dat een lidmaatschap naar de opvatting van de AIV vooralsnog niet voor de hand ligt.

?  De AIV heeft kennisgenomen van het EU-besluit dat de acht laatst toegetreden EU-landen lid moeten worden van de OESO. De AIV is het daarmee eens, maar heeft wel enige zorg over de consequenties van gelijktijdige toetreding. De AIV acht het gewenst op het moment van toetreding van deze nieuwe EU-lidstaten af te spreken dat de Europese Commissie in OESO-kwesties op het terrein van de eerste (economische) EU-pijler namens de EU-lidstaten optreedt.

?  In de visie van de AIV is het riskant een te groot aantal informele vormen van samenwerking à la carte te accepteren, omdat daarmee de harde kern van de organisatie zal worden aangetast. Een essentieel onderdeel van het (bredere) acquis dat tevens moet gelden voor geassocieerde leden betreft de bereidheid tot het aanleveren van de vereiste statistische gegevens.

?  Door de combinatie van intensivering van de samenwerking met grote landen die evenwel geen lid van de OESO willen of kunnen worden en de wens een grotere invloed te hebben op mondialiseringsterrein, loopt de OESO het risico geleidelijk aan politieker te worden. Tegen die achtergrond beveelt de AIV de regering aan de voor- en nadelen van een ‘twee-pijlerstructuur’ opnieuw te laten verkennen. In de ene ‘pijler’ kan de denktank- en onderzoeksfunctie ten behoeve van nationale beleidsvergelijking worden ondergebracht, terwijl de andere de internationale beleidsvoorbereidende functie kan omvatten. Voor beide ‘pijlers’ kunnen niet alleen verschillende besluitvormingsmechanismen gelden, maar ook verschillende soorten lidmaatschappen.

 

Internationale architectuur

De vraag over de positie van de OESO in de internationale institutionele architectuur (met name in relatie tot de EU, de Wereldbank, het IMF, de WTO en de G-8) heeft de AIV vooral praktisch benaderd. De conclusies en aanbevelingen luiden:

?  De positie van de OESO staat in algemene zin niet ter discussie. Integendeel: de organisatie wordt zeer gewaardeerd.

?  Vaak blijken de deelnemers aan OESO- bijeenkomsten tevens actief binnen andere organisaties, hetgeen natuurlijkerwijs zorgt voor de nodige afstemming. In algemene zin wordt geconstateerd dat de praktische samenwerking tussen de genoemde organisaties goed verloopt. Er is eerder sprake van complementariteit dan van competitie.

?  Op het terrein van de monetaire beleidscoördinatie heeft de OESO naar de opvatting van de AIV geen echt voordeel ten opzichte van bijvoorbeeld de Wereldbank en het IMF. Evenmin is dit het geval ten opzichte van bijvoorbeeld de G-8.

?  Los van de ‘klassieke taken’ van de OESO bestaat bij velen de wens de organisatie een rol te laten spelen als ‘medemanager’ van de mondialisering. De AIV stelt vast dat er voor een sturende rol op dat vlak weinig ruimte lijkt, terwijl het niet reëel is te denken dat een instantie als de G-8 de OESO als haar secretariaat zal willen accepteren. Wel kan de OESO vanuit haar kerntaak – beleidsvergelijkend onderzoek – belangrijke diensten verrichten voor andere organisaties en fora, als de G-8.

?  Op een aantal deelterreinen van mondiale coördinatie ziet de AIV een belangrijke rol weggelegd voor de OESO, zoals bij het overleg over ontwikkelingssamenwerking (in het DAC), op het terrein van de belastingproblematiek (en daarmee ook corruptie), wetenschap en technologie, economisch structuurbeleid, milieu, migratievragen, energiezekerheid en het aanleveren van statistieken.

 

Prioritaire werkterreinen

De vraag naar de prioritaire werkterreinen en onderwerpen die zich bij voorrang lenen voor behandeling door de (uitgebreide) OESO en de vraag naar de specifieke toegevoegde waarde van de OESO voor het door Nederland te voeren beleid liggen in elkaars verlengde en zijn door de AIV in samenhang beantwoord. De conclusies en aanbevelingen luiden als volgt:

?  De beleidsvorming binnen de OESO kenmerkt zich door een gebrek aan een samenhangend langetermijnperspectief.

?  Om gefundeerde uitspraken te kunnen doen over de prioriteiten, zou de AIV een grondige studie moeten maken van alle materiële OESO-werkzaamheden en deze bevindingen moeten correleren aan bestaand en toekomstig Nederlands beleid rond het brede spectrum van onderwerpen waarmee de OESO zich bezighoudt. Pas daarna kan worden bepaald waar sprake is van overlapping en behoefte aan innovatie. De AIV heeft gemeend dat hij niet het geschikte orgaan is om een dergelijke studie te verrichten.

?  Dit advies kan er wel toe bijdragen dat de verschillende ministeries zich nog eens grondig afvragen wat de actuele betekenis van de OESO voor hun werkterrein is en bij welke thema’s zij in de toekomst meer aan de OESO kunnen hebben dan thans het geval is. Bovendien kunnen periodieke evaluaties en koppeling van de levensduur van commissies en werkgroepen aan ‘sunset clauses’ bijdragen aan een permanent waakzame houding: waarom werken ministeries mee aan de OESO, wat krijgen ze daarvoor terug en wat hebben ze ervoor over?

?  De AIV constateert dat een sterk ‘eigenaarschap’ van de OESO ook in Nederland van belang is. Hij beveelt daarom aan na te gaan in hoeverre de OESO hoger op de nationale agenda kan belanden. Dit kan onder meer door goede interdepartementale en ministeriële beleidsvoorbereiding, het onderhouden van contacten met het bedrijfsleven en de NGO-wereld en het bevorderen van de benoeming van gekwalificeerde Nederlanders in de OESO.

 

OESO-methoden

De vraag hoe de AIV het belang van het behoud van de voor OESO kenmerkende werkmethoden beoordeelt, leidt tot de volgende conclusies en aanbevelingen:

?  De AIV is zeer te spreken over het instrumentarium dat de OESO in de ruim 45 jaar van haar bestaan heeft ontwikkeld (kernwoorden: peer pressure, peer reviews, best practices en soft law). Het zijn methoden waarbij niet wordt gedreigd met sancties, maar veeleer wordt gewerkt met begrippen als vrijwillige naleving van de gemaakte afspraken, samenwerking, overtuiging, het aanreiken van alternatieve gezichtspunten en het systematisch vergelijken van sterktes en zwaktes.

?  Een belangrijke kracht van de OESO blijft dat haar ‘producten’ worden aanvaard door de beleidsmakers en -uitvoerders van de lidstaten, en dat zij haar kwalitatief hoogstaande rapporten mede kan vervaardigen omdat de staten gegevens ter beschikking stellen waartoe particuliere instituten niet of nauwelijks toegang hebben.

 

Organisatorische veranderingen

De vraag welke veranderingen de OESO als organisatie moet ondergaan om na uitbreiding en inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren leidt tot de navolgende conclusies en aanbevelingen:

?  Het huidige besluitvormingsproces moet verder worden aangepast, teneinde de slagvaardigheid te vergroten. Het stelsel van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid (inclusief consensus minus one or two) moet worden uitgebreid, ook bij echt belangrijke beslissingen, zij het met een open oog voor de positieve zijden van consensus.

?  De toelatingseisen moeten worden herzien. De oproep van de AIV het criterium ‘aanvaarding en naleving van het acquis’ toe te voegen aan de vier ‘Noboru-criteria’ past in dit kader.

?  Het gezag van de SG over de interne organisatie en in relatie tot de Raad moet worden versterkt. Het is van belang dat een SG zelf gezag verwerft, onder meer door het stellen van goede prioriteiten. Het doel van de versterking van de positie van de SG moet zijn de aansturing van de werkzaamheden verder te verbeteren en om tot een betere prioriteitstelling te komen ten aanzien van de grote vraagstukken waarmee de OESO zich bezighoudt.

?  De OESO kent een aantal verdragen met dwingende vormen van toezicht. De AIV pleit er niet voor het stelsel van verplichtende vormen van toezicht uit te breiden. Wel is de AIV van opvatting dat de OESO via de klassieke methoden van peer reviews, peer pressure en best practices, mits strikter toegepast en uitgewerkt, de naleving van gemaakte afspraken verder kan bevorderen. Ook is nog vooruitgang te boeken bij de versterking van de externe relaties en communicatie en het beter uitdragen van successen.

 

 

Adviesaanvraag

Aan de voorzitter van de Adviesraad                                                 Directie Economische en

Internationale Vraagstukken                                                            Ecologische Samenwerking

                                                                                                    Afdeling Transport en OESO                                                                                                                Bezuidenhoutseweg 67

                                                                                                    2594 AC  Den Haag

 

 

 

Datum                7 maart 2006                                                         Auteur    Ciska Dijk

Kenmerk             DES/TO-79/06                                                      

Betreft                Adviesaanvraag over de positie van de                     

                        OESO in de internationale institutionele

                        architectuur en prioritaire werkterreinen

                        voor de OESO

 

 

 

In 1960 is de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling opgericht. De leden van de OESO behoren tot een groep van zogenaamde like-minded landen die zich hebben gecommitteerd aan de markteconomie en vormen van pluralistische democratie. De samenwerking tussen deze landen, aanvankelijk in de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, opgericht als onderdeel van het Marshall hulpprogramma, richtte zich in eerste instantie op macro-economische en sociale onderwerpen. Door toenemende internationalisering en verdere verstrengeling van economieën is afstemming van het financiële, sociale en economische beleid noodzakelijk geworden. In de loop der jaren is het aantal onderwerpen waar de OESO zich over buigt sterk uitgebreid en staat ook de economische invalshoek van onderwerpen als onderwijs, vergrijzing, duurzame ontwikkeling, gezondheidszorg en migratiestromen op de agenda. De door Nederland zeer gewaardeerde OESO heeft zich op deze terreinen steeds meer ontwikkeld tot een, door middel van soft law, peer pressure en best practices, internationale gezaghebbende normstellende denktank die vaak wordt ingezet als pre-negotiating forum.

 

De sterke toename van het aantal onderwerpen gecombineerd met de relatief beperkte financiële middelen en de wens van een aantal landen om toe te treden, noopt de organisatie tot herbezinning op doelstelling, activiteiten en lidmaatschap. Interne hervormingen om de OESO effectiever en efficiënter te laten opereren vinden plaats op basis van consensus en worden inmiddels stapsgewijs doorgevoerd. Deze initiatieven zijn tot dusver echter onvoldoende om het gewenste resultaat te bereiken.

Daarnaast is er twijfel ontstaan over de relevantie van de OESO. Niet alleen omdat de OESO niet langer aan alle belangrijke economieën onderdak biedt, maar ook vanwege ontwikkelingen in andere fora die (deels) overlappende of vergelijkbare werkzaamheden verrichten als de OESO. Bijkomend probleem is dat de Lidstaten minder bereid zijn de reguliere begroting adequaat te laten groeien, maar wel via de vrijwillige bijdragen specifieke activiteiten door de OESO te laten uitvoeren. Deze toenemende à la carte benadering vereist mogelijk een herziening van de gebruikelijke werkmethoden.

 

Momenteel wordt uitbreiding van het aantal leden overwogen. De Lidstaten en het Secretariaat van de OESO hebben in 2004 en 2005 vastgesteld dat als de OESO relevant wil zijn en blijven zij actieve relaties moet onderhouden en in ieder geval uiteindelijk moet worden uitgebreid met belangrijke (opkomende) economieën zoals China, India, Rusland en Brazilië. Onderdeel van de discussie over toetreding is dat andere,  veelal kleinere, landen het lidmaatschap hebben aangevraagd (waaronder de Baltische landen, Slovenië, Cyprus, Malta en Israël).

 

Onzeker is of met de toetreding c.q. het aanhalen van banden met minder  gelijkgezinde landen als China en Rusland de huidige functies (instrument van internationale ordening, denktank voor internationale beleidsvoorbereiding, denktank met een apolitiek karakter voor nationale beleidsvoorbereiding, normstellende organisatie voor de besteding van ODA-middelen en denktank op het terrein van armoedebestrijding en globalisering) op dezelfde of betere wijze invulling kunnen krijgen. Daarnaast mag de vraag gesteld worden in hoeverre werkzaamheden van de OESO, bijvoorbeeld op gebieden als beleidsvoorbereiding, beleidsvergelijking, normstelling en dergelijke niet deels zijn overgenomen door andere instellingen (EU, IFI’s, VN, gespecialiseerde VN organisaties en Wereldbank). Uitbreiding van de OESO met de grote opkomende economieën lijkt de organisatie de mogelijkheid te bieden een grotere bijdrage te leveren aan de internationale ordening die een globaliserende wereld nodig heeft. Ook hierbij kan echter de vraag gesteld worden of deze functie niet al elders plaatsvindt (VN, G8). Een bezinning op prioritaire werkterreinen en onderwerpen van de OESO is derhalve opportuun.

 

Teneinde inzicht te verkrijgen in de rol die een -uitgebreide- OESO in de internationale institutionele architectuur en voor Nederland kan vervullen en om bij te dragen aan de Nederlandse standpunt bepaling over de toekomst van de OESO, verzoek ik u in uw advies met name in te willen gaan op de volgende vraagpunten:

 

  1. Met welke landen, in welk tempo, in welke vorm en eventueel onder welke voorwaarden moet de OESO zich uitbreiden?

  1. Hoe ziet de AIV, mede in het licht van vraag 1,  de positie van de OESO in de internationale institutionele architectuur, met name in relatie tot de EU, Wereldbank, IMF, WTO, G8?

  1. Welke zouden, vanuit internationaal perspectief en het belang dat Nederland aan internationale samenwerking hecht, de prioritaire werkterreinen en onderwerpen zijn die zich bij voorrang lenen voor behandeling door de (uitgebreide) OESO?

  1. Hoe beoordeelt de AIV het belang (zowel internationaal als voor Nederland) van het behoud van de voor OESO kenmerkende werkmethoden (soft law, benchmarking, peer review, peer pressure)?

  1. Welke is volgens de AIV de specifieke toegevoegde waarde van de OESO voor het in Nederland te voeren beleid en welke zouden in dat licht de onderwerpen zijn waar de OESO zich bij voorkeur op zou moeten richten?

  1. Welke veranderingen moet de OESO als organisatie ondergaan om na uitbreiding en inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren?

Aangezien de discussie over de interne hervorming van de OESO momenteel in Parijs gaande is, wil ik u, met het oog op de Nederlandse inbreng in OESO-overleg eind april en eind mei, verzoeken de beantwoording van de laatste vraag over de benodigde organisatieveranderingen met spoed te behandelen.

 

Ik zie met belangstelling uit naar uw spoedige advisering.

 

Afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.

 

De Minister van Buitenlandse Zaken,

 

 

Dr. B.R. Bot

 

Regeringsreacties

 

Aan de voorzitter van de AdviesraadDirectie Economische en Ecologische   
Internationale VraagstukkenSamenwerking  
Postbus 20061Bezuidenhoutseweg 67  
2500 EB Den Haag2594 AC Den Haag  
    
Datum26 juni 2007  
KenmerkDES/TO 2007/342c  
BehandeldCiska Dijk  

Reactie op AIV advies “De OESO van de toekomst”

Inleiding

Met dank en waardering heb ik kennis genomen van het advies “De OESO van de Toekomst” van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV). Het advies van de raad is heel informatief en gebalanceerd en biedt met het historisch overzicht een goed beeld van de ontwikkeling van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) sinds de oprichting in 1961. Door dit te combineren met een sterkte en zwakte analyse komen heel duidelijk de uitdagingen voor de toekomst naar voren; uitdagingen die zowel liggen op het vlak van de aard van de werkzaamheden als op het institutionele vlak van de OESO, en daardoor ook van invloed zijn op de rol en positie van de organisatie in de internationale institutionele architectuur.

Toen in maart 2006 de AIV verzocht werd advies uit te brengen over de OESO vonden binnen de OESO al enige tijd parallel lopende discussies plaats over zowel interne hervormingen als over de uitbreiding van de organisatie met nieuwe leden. Naast de gevraagde appreciatie van de organisatie en de positie van de OESO in relatie tot andere multilaterale instellingen vormden deze vraagstukken de basis voor de adviesaanvraag.

Sneller dan verwacht werd al tijdens hoogambtelijk overleg in april 2006 overeenstemming bereikt over enkele hervormingen in het beheer van de organisatie (in mei 2006 bevestigd door de ministeriële bijeenkomst van de OESO ).

Hoewel de tijd thans -2007- niet rijp is voor heropening van de hervormingsdiscussie, wil dat niet zeggen dat de aanbevelingen van de AIV terzake aan relevantie hebben ingeboet. De op termijn voorziene uitbreiding van de organisatie zal zonder twijfel aanleiding zijn om te zijner tijd vraagstukken als effectiviteit, besluitvorming, prioriteitstelling e.d. opnieuw op de agenda te zetten. Het AIV-advies zal dan kunnen dienen als handvat en leidraad voor Nederland om deze besprekingen aan te gaan. Het advies is tevens een waardevolle inspiratiebron voor de Nederlandse inzet op die gebieden die reeds nu ter tafel liggen. 

De algemene opvatting van de AIV dat het een groot goed is dat de OESO bestaat geeft ook mijn grondhouding ten opzichte van de OESO weer als zijnde een internationaal gezaghebbende normstellende denktank. In dit licht onderschrijf ik in grote lijnen de aanbevelingen van de AIV. In onderstaande zal dit nader worden geadstrueerd aan de hand van de conclusies en aanbevelingen van de AIV. 

1. Uitbreiding en taken

Na de laatste toetreding van een nieuwe lidstaat tot de OESO in 2000 (Slowakijë) is de uitbreiding enige tijd stilgelegd. Onduidelijk was of en zo ja in welke mate de OESO zonder interne hervormingen nieuwe leden zou kunnen absorberen. De druk om de discussie over verdere uitbreiding te heropenen nam evenwel toe. Dit niet alleen vanwege de OESO toezegging in 1996 aan Rusland dat het lidmaatschap van dat land een gemeenschappelijk streven was en vanwege nieuwe lidmaatschapsaanvragen, maar vooral ook door het toenemend besef dat de relevantie van de OESO gebaat zou zijn met actieve samenwerkingsrelaties en met uiteindelijke toetreding van belangrijke (opkomende) economieën als China, de Russische Federatie, Zuid-Afrika, Indonesië, India en Brazilië.  

De uitbreidingsdiscussie leek in 2004 in goede banen te worden geleid door de aanvaarding van de zogenaamde Noburu criteria (like-mindedness, significant player, mutual benefit en global considerations) door de ministeriële OESO-bijeenkomst. Nochtans bleef een doorbraak uit, omdat de lidstaten geen unanimiteit konden bewerkstelligen over de vraag welke landen zouden kunnen toetreden.  

Ik deel de visie van de AIV dat door het ontbreken van belangrijke opkomende economieën op de ledenlijst van de OESO, de organisatie mondiale representativiteit en het vermogen tot effectieve uitvoering van een mondiale agenda ontbeert. Ik acht het dan ook van groot belang dat, wil de OESO een relevante speler blijven, de belangrijkste opkomende economieën meer bij de werkzaamheden van de OESO betrokken worden. Van even groot belang acht ik het dat door de nauwere samenwerking of door het lidmaatschap meer convergentie in het internationale denken over macro-economische, financiële en sociale vraagstukken kan worden gerealiseerd.  

Om te voorkomen dat, zoals de AIV schetst, de nieuwe leden een andere invulling willen geven aan het werk van de OESO en mogelijk het karakter en de kwaliteit van de OESO wezenlijk kunnen aantasten, is het van belang heldere toelatingscriteria te hanteren. De bestaande Noburu criteria bieden goede aanknopingspunten, maar een vijfde criterium in de vorm van overneming van het het OESO-acquis, zoals de AIV voorstelt, bouwt aanvullende zekerheden in.  

De gedachte dat nieuwe leden aan het OESO-acquis moet voldoen heeft inmiddels ook ingang gevonden in de uitbreidingsbesprekingen in Parijs. De AIV noemt in dit verband het OESO-acquis ‘de voornaamste onderliggende conventies, regelingen en principes’. Op zich is dat verdedigbaar, maar een nadere uitwerking wat daar dan precies onder wordt verstaan zal nog moeten plaatsvinden om te kunnen beoordelen of kandidaatleden toegroeien naar of voldoen aan de vereisten van een volwaardig lidmaatschap.  

Met de AIV ben ik van mening dat met landen die geen lid willen worden, dan wel daarvoor (nog) niet in aanmerking komen, een vorm van associatie (in OESO-termen ‘enhanced engagement’) moet worden aangegaan. Voor deze landen kunnen op maat gemaakte programma’s of andere al dan niet regionale associatieregelingen een goed alternatief bieden. Hoewel mijns inziens deze samenwerkingsvormen niet automatisch het perspectief van toetreding moeten bieden, zijn in het verleden goede ervaringen opgedaan met landen die onder ‘toezicht’ naar volwaardig lidmaatschap zijn toegegroeid. 

Ik heb kennis genomen van het oordeel van de AIV dat (al dan niet via een overgangstermijn en stapsgewijze toewerking naar het lidmaatschap) Brazilië, Chili, Israël en Zuid-Afrika in aanmerking komen voor het lidmaatschap van de OESO, maar dat het lidmaatschap van China, India en Rusland, vanwege dusdanig grote problemen op het terrein van de rechtstaat en/of op economisch vlak, vooralsnog niet voor de hand ligt.  

Ik deel de opvatting van de AIV voor wat betreft Chili, Israël en Zuid-Afrika. India en Brazilië lijken zelf ambigu tegenover het OESO-lidmaatschap te staan omdat zij dan hun rol in de G-77 moeten opgeven. Van China is nog geen indicatie vernomen dat het lidmaatschap van de OESO nastreeft. Nauwere samenwerking met deze landen in de vorm van een associatieregeling lijkt derhalve in de rede te liggen. 

Hoewel ik begrip heb voor de terughoudende opstelling van AIV ten aanzien van een volledig lidmaatschap voor de Russische Federatie, zijn er andere overwegingen die meegenomen moeten worden in de uiteindelijke analyse. In de eerste plaats heeft de Russische Federatie als enige grote economie 10 jaar geleden daadwerkelijk lidmaatschap aangevraagd bij de OESO en is het Russische lidmaatschap een gemeenschappelijke doelstelling van Rusland en de OESO genoemd. Daardoor is een historische band met de OESO opgebouwd waaraan niet zonder meer voorbij kan worden gegaan.  

In de tweede plaats kan de OESO een extra platform vormen waar een dialoog met Rusland plaatsvindt over de macro-economische en financiële situatie. Ook het Russische lidmaatschap van de G-8 en het toekomstige lidmaatschap van de WTO moeten een plaats krijgen in de overwegingen.  

In de aanloop naar de ministeriële bijeenkomst van mei 2007, waar onder meer over de uitbreiding is gesproken, heeft bovendien een derde aspect een rol gespeeld. De bijna vastgelopen discussie leek aan te sturen op een besluit de OESO uit te breiden met alleen enkele kleinere landen (waaronder Chili, Israël en twee EU-lidstaten). De Nederlandse inzet in de OESO uitbreidingsdiscussie was dat tenminste één belangrijke opkomende economie op korte termijn zou kunnen gaan toetreden, omdat de OESO moest trachten zijn relevantie (te meten aan het deel van de wereldeconomie dat de organisatie vertegenwoordigt) te vergroten. Aangezien van de andere grote opkomende economieën geen indicatie bestond van belangstelling voor het lidmaatschap en uitbreiding met alleen kleinere landen een verkeerd signaal zou zijn over het belang dat de huidige leden hechten aan de OESO, heeft Nederland het voorstel om met de Russische Federatie gesprekken te gaan voeren over mogelijk lidmaatschap gesteund.  

Met de AIV deel ik de mening dat de acht laatst toegetreden landen van de EU [1]  lid moeten worden van de OESO, zij het niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd. Grote OESO landen hebben immers herhaaldelijk aangegeven niet gecharmeerd te zijn van toetreding van in hun ogen ‘kleine’ landjes en het toenemende eurocentrisme van de OESO.  

Tijdens de ministeriële bijeenkomst van de OESO in mei 2007 is, na de nodige onderhandelingen, uiteindelijk een belangrijke, zij het eerste, stap voorwaarts gezet in de uitbreiding van de OESO. De kern hiervan is dat overeenstemming is bereikt over het vaststellen van het onderhandelingsmandaat voor SG OESO. Hij heeft het mandaat gekregen om:

·         met de Russische Federatie, Estland, Chili, Slovenië en Israël te praten over OESO-lidmaatschap. In dit kader is een verband gelegd met het zgn. OESO acquis.

·         met Brazilië, India, China, Zuid-Afrika en Indonesië verkennende gesprekken te voeren over nauwere samenwerking en mogelijk lidmaatschap van de OESO op termijn.

Tevens is afgesproken dat landen die een aanvraag voor lidmaatschap hebben ingediend of gaan indienen individueel zullen worden beoordeeld. In deze laatst genoemde categorie vallen o.a. Bulgarije, Cyprus, Letland, Litouwen Malta en Roemenië. 

Eén van de grootste uitdagingen waar de OESO de komende tijd voor staat is dan ook het succesvol voltooien van het uitbreidingsproces, met name door vast te stellen op welke wijze en met welke voorwaarden landen of lid kunnen worden of betrokken bij de werkzaamheden van de OESO.  

De aanbeveling van de AIV om op het moment van toetreding van nieuwe EU-lidstaten tot de OESO af te spreken dat de Europese Commissie in OESO-kwesties op het terrein van de eerste (economische) EU-pijler namens de EU-lidstaten optreedt, is interessant en verdient nadere precisering. Het is niet uit te sluiten dat, om lidmaatschap van alle EU-landen voor de andere OESO-leden acceptabel te maken, in de toekomst binnen de OESO op bepaalde terreinen in EU-verband meer gezamenlijk moet worden opgetreden. Hierbij ligt het voor de hand te denken aan dossiers waar de Europese Commissie exclusieve competentie heeft. In dossiers waar sprake is van gemengde competentie ligt dit minder voor de hand, ook al omdat thans EU-lidstaten niet snel geneigd zijn de Commissie te aanvaarden als hun gemeenschappelijke woordvoerder. Met name de beleidsvergelijkende OESO-activiteiten lijken niet gebaat te zijn bij één EU-stem. Juist in de diversiteit van ervaringen en expertise schuilt de rijkdom van informatie en discussie die voor de hoogwaardige OESO-producten van belang is.

Daarentegen is meer gezamenlijk optreden in EU-verband wenselijk bij institutionele en beheersmatige onderwerpen. In de uitbreidingsdiscussie was hiervan al enige sprake, maar dat is nog niet het geval in besprekingen over financiële dossiers. Analoog aan de praktijk bij VN-organisaties zou het EU-voorzitterschap als gemeenschappelijk woordvoerder kunnen optreden, zonodig ondersteund door lidstaten. 

De bedenkingen die de AIV heeft ten aanzien van informele vormen van samenwerking à la carte die kunnen ontstaan door toename van ad-hocbijdragen en inkrimping van het reguliere budget, deel ik niet. Hoewel ik vind dat we te allen tijde moeten voorkomen dat het beeld ontstaat dat sommige spelers een vrijbrief krijgen zich te onttrekken aan de OESO normen en afspraken, kan een meer à la carte benadering, mits in de juiste (financiële) structuur gegoten, de inhoudelijke diversiteit van de OESO vergroten en daarmee het belang van de OESO voor Nederland.  

Met de AIV deel ik de opvatting dat de kans bestaat dat de combinatie van intensivering van de samenwerking met grote landen (al dan niet lid van de OESO) en de wens een grotere invloed uit te oefenen op het mondialiseringsterrein zal leiden tot een meer politiek getinte OESO. Of dit ook het geval zal zijn, kan thans nog niet worden voorspeld. Eerst zal duidelijk moeten worden welke landen daadwerkelijk lid zullen gaan worden van de OESO en hoe de intensivering van de samenwerking vorm zal krijgen.   

Vanwege deze ongewisheid en het ontbreken van enige beweging in Parijs op het gebied van eventuele verdere hervormingen van de OESO acht ik het door de AIV voorgestane verkenning van de voor- en nadelen van een ‘twee-pijler structuur met differentiatie in taken en lidmaatschappen’ op dit moment niet opportuun. Ik sluit overigens niet uit dat SG OESO,  nadat hij zijn aandacht gedurende het eerste jaar van zijn ambtstermijn in belangrijke mate heeft gericht op het realiseren van een doorbraak in de uitbreidingsdiscussie zich nu wat meer zal gaan richten op de inrichting van de OESO ná de uitbreiding. Indien dat het geval is zal de aanbeveling van de AIV ter harte worden genomen.  

2. Internationale architectuur 

Met voldoening heb ik kennis genomen van de constatering van de AIV dat er weinig bewijs is van overlapping of duplicatie van werkzaamheden tussen de OESO en andere internationale organisaties, aangevuld met de vaststelling dat door de werkwijze en het relatief informele karakter eerder sprake is van complementariteit dan van competitie. De AIV bevestigt daarmee de zelfstandige rol die de OESO binnen de internationale architectuur inneemt. Het is uiteraard aan de lidstaten van de OESO om er voor te zorgen dat duplicatie en overlap ook niet zullen optreden.  

Verdergaande samenwerking op specifieke terreinen van de OESO met mondiaal georiënteerde organisaties als de Wereldbank, WTO en gespecialiseerde VN-organisaties zal worden aangemoedigd. Dergelijke samenwerkingverbanden leveren, mede door de synergie, kwalitatief betere en breder gedragen producten op en werken veelal kostenbesparend. Het meer mondiaal maken van de analyses, zoals de AIV voorstelt, biedt mogelijkheden een grotere rol te spelen op het gebied van globalisering en meer aansluiting te krijgen bij de bovengenoemde organisaties. Dit zou ook een uitgangspunt moeten zijn bij het bepalen van de wijze waarop de grote economieën bij de OESO betrokken worden.  

Gelijk aan de AIV zie ik ook weinig merites in het idee om de OESO formeel als secretariaat van de G-8 te laten fungeren. De G-8 is geen instelling, maar een politieke top die sturing en richting geeft aan bestaande internationale instellingen, zoals de OESO. Wel vind ik dat de OESO een meer proactieve rol zou moeten spelen in de internationale agendasetting en de G-8 zou op haar beurt de OESO effectiever kunnen gebruiken. Het is dan ook een positieve ontwikkeling dat de G-8 in toenemende mate gebruik maakt van de OESO. Tijdens de G-8 top in Heiligendamm is, in het kader van ‘G-8 outreach’ (‘Heiligendamm proces’) naar Brazilië, Mexico, India, China en Zuid-Afrika, aan de OESO gevraagd een faciliterende rol te spelen. De precieze invulling en financiering van deze taak is echter momenteel nog niet uitgekristalliseerd.  

Wat betreft de mondiale coördinatie die de AIV op het terrein van ontwikkelingssamenwerking voor ogen heeft is een gelijke trend waar te nemen. Zo heeft het DAC tezamen met de Wereldbank de Parijs Verklaring opgesteld die door meer dan 100 landen is onderschreven en waaraan de Wereldbank, het IMF, de VN, de regionale ontwikkelingsbanken en de leden van het DAC zich hebben gecommitteerd. De partnerlanden worden aangespoord tot een effectief ontwikkelingsbeleid en verbetering van de openbare financiën. Voorts wordt het DAC ook ingezet bij het oprichten van een ECOSOC Development Co-operation Forum, een initiatief van de VN om haar rol in ontwikkelingssamenwerking te stimuleren. Of dit er toe zal leiden dat het DAC een donorgezelschap blijft, of een meer gedifferentieerd lidmaatschap na zal streven hangt onder meer samen met de uitkomsten van de VN-discussies over effectievere ontwikkelingssamenwerking. Voorlopig blijft het uitgangspunt dat alleen landen die lid zijn van de OESO én zich aansluiten bij het DAC-acquis lid kunnen worden van het DAC. Dit laat uiteraard onverlet dat de samenwerking tussen niet-leden, het DAC en onderliggende werkgroepen en netwerken zoveel mogelijk moet worden bevorderd.  

In relatie tot de internationale handel lijkt een grotere rol van de OESO in het kader van de WTO moeilijk verenigbaar met de niet-mondiale aard van de organisatie. Zoals de AIV terecht opmerkt, worden OESO studies vaak geïdentificeerd met economisch ontwikkelde landen. Dit maakt dat de OESO – in elk geval in de huidige samenstelling en met de huidige reputatie – ongeschikt is eventuele tekortkomingen van het ondersteunend apparaat van de WTO te ondervangen. Ik deel de visie van de AIV dat een grotere rol van de OESO op het gebied van de mondiale handel gepaard moet gaan met het intensiever betrekken van opkomende economieën bij OESO werkzaamheden. 

Tot slot ben ik van mening dat de zichtbaarheid van de OESO binnen de internationale architectuur verder kan worden vergroot. Een herkenbaar profiel en een helder mandaat ten opzichte van andere internationale organisaties en een coherente en consistente prioriteitsstelling draagt bij aan eenduidige beeldvorming en het opbouwen van een helderder imago. Een grotere politieke betrokkenheid bij de OESO vergroot de mogelijkheden aandacht voor de organisatie te vragen.  

3. Prioritaire werkterreinen 

Het is op zich niet verwonderlijk dat de AIV er niet in is geslaagd de voor Nederland prioritaire OESO werkterreinen aan te geven, omdat dit geenszins een eenvoudige exercitie is.

De door de AIV voorgestelde werkwijze geeft de bestaande praktijk weer. De departementen kijken positief kritisch naar de betekenis van de OESO voor hun eigen werkterrein, zowel voor lopende dossiers als voor vraagstukken die verder in de toekomst liggen. Wel vind ik dat, waar mogelijk en nodig, moet worden bezien waar een sterkere mate van agendasetting door Nederland mogelijk is.  

Waar de AIV in zijn advies de keuzes neerlegt bij de departementen, deel ik die visie voor wat betreft specifieke departementale thema’s. Ten aanzien van meer horizontale vraagstukken, zoals duurzame ontwikkeling, heeft een whole-of-the-government benadering mijn voorkeur. Ik vind het van belang voor de organisatie dat tussen de verschillende OESO disciplines een bepaalde mate van cohesie aanwezig is en dat deze waar mogelijk wordt versterkt. Door het uitdragen van een eenduidig en consistent standpunt op horizontale vraagstukken kan Nederland hier een positieve bijdrage aan leveren.  

Dit laat onverlet dat ook binnen de OESO erkend wordt dat keuzes moeten worden gemaakt, omdat de financiële middelen ontoereikend zijn om alle verlangens van de leden te honoreren. Met het oog daarop zijn uiteenlopende instrumenten ontwikkeld. Naast het door de AIV aanbevolen systeem van ‘sunset clauses’ heeft de OESO ook instrumenten ontwikkeld als  de Program Implementation Reviews (PIR) en de Medium Term Orientations (MTO).  Deze instrumenten zorgen er voor dat de organisatie de aanwezige mensen en middelen zo efficiënt mogelijk aanwendt voor het realiseren van de in het ‘Programme of Work and Budget’ neergelegde doelstellingen.  

4. OESO methoden en Organisatorische veranderingen 

De conclusies en aanbevelingen van de AIV inzake de OESO-methoden worden geheel onderschreven en dat geldt in belangrijke mate ook voor die betreffende de organisatorische veranderingen. Zo deel ik de mening van de AIV dat het van groot belang is, wil de OESO in de toekomst kunnen blijven functioneren, het besluitvormingsproces kritisch te blijven bekijken. Aanpassing van het besluitvormingsproces (m.n. uitbreiding van de toepassing van het principe van een gekwalificeerde meerderheid) is nog steeds onderdeel van de Nederlandse inzet. Aangezien recent een hervormingsproces is afgrond, lijkt het op dit moment echter niet opportuun om hier nu al veel aandacht voor te vragen.  

Eveneens deel ik de mening van de AIV dat het stelsel van verplichtende vormen van toezicht niet noodzakelijkerwijs behoeft te worden uitgebreid, omdat de methoden van ‘peer pressure’, ‘peer reviews’ en ‘best practices’ naar voldoening functioneren. De suggestie ook de zittende lidstaten te vragen zich te houden aan het acquis en de naleving van gemaakte afspraken strikter toe te passen spreekt voor zich en moet ook vooral gezien worden als de verantwoordelijkheid van de lidstaten zelve.   

Voor wat betreft de voorgestelde wijzingen op het terrein van externe relaties en communicatie, ben ik van mening dat de OESO meer middelen moet inzetten om de organisatie, producten en diensten meer bekendheid te geven.


[1] Bulgarije, Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Malta, Roemenië en Slovenië zijn nog geen lid van de OESO.
Persberichten

Er is geen persbericht uitgegaan.