Demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking

25 augustus 2009 - nr.66
Samenvatting

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
 

De adviesaanvraag
Op 15 januari 2009 heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking een adviesaanvraag over Bevolking en Ontwikkelingssamenwerking aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voorgelegd. Hij verzoekt daarin de AIV om aanbevelingen te formuleren voor de wijze waarop het ministerie van Buitenlandse Zaken in het beleid beter kan inspelen op demografische ontwikkelingen om duurzame ontwikkeling te bereiken. Meer specifiek worden twee onderzoeksvragen gesteld:

  1. Welke zijn de grootste knelpunten en mogelijkheden van demografische ontwikkelingen voor het behalen van de millenniumdoelstellingen (MDG’s)?
  2. Hoe kan het Nederlands buitenlandse beleid voor ieder van de 8 MDG’s beter inspelen op deze knelpunten en mogelijkheden, met speciale aandacht voor innovatieve wijzen van aanpak (IS 2.0), inclusief het innovatief gebruik maken van het huidige BZ-instrumentarium en suggesties voor nieuwe instrumenten?

Demografische ontwikkelingen verdienen nationaal en internationaal hernieuwde aandacht
Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 hebben grote demografische ontwikkelingen plaatsgevonden. De wereldbevolking is in die tijd meer dan verdubbeld. In de 20ste eeuw vond bijna 90% van de bevolkingstoename plaats in de minder ontwikkelde landen. De vooruitzichten zijn dat tussen 2008 en 2050 de wereldbevolking verder zal groeien van 6.8 miljard naar 9.2 miljard. Dit ondanks een algemene trend van daling van de vruchtbaarheidscijfers. De bevolkingstoename van de minder ontwikkelde landen zal 2.3 miljard zijn, de bevolkingstoename van de meer ontwikkelde landen 0.1 miljard. Bijna de gehele bevolkingstoename zal dus plaatsvinden in de minder ontwikkelde landen. Zo zal de bevolking van 29 voornamelijk minst ontwikkelde landen waarschijnlijk verdubbelen en die van sommige landen zelfs verdrievoudigen. Afrika is de regio met de hoogste geboortecijfers en het hoogste verwachte bevolkingsgroeipercentage voor 2050.

De bevolkingsexplosie die in bepaalde landen en regio’s tussen nu en 2050 zal plaatsvinden vormt niet alleen een ernstige bedreiging voor het bereiken van de MDG’s, waaronder de inkomensdoelstelling, maar meer in het algemeen ook voor het milieu, en vrede en veiligheid. Ook zal het de druk om te migreren in bepaalde landen sterk doen toenemen, met directe gevolgen voor zowel Zuid-Zuid migratie als Zuid-Noord migratie. Deze bevolkingstoename zal, zoals hierboven vermeld, bijna uitsluitend plaatsvinden in de ontwikkelingslanden, met name in sub-Sahara Afrika, Zuid-Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Ondanks deze grote toename van de bevolking zullen deze regio’s wel afnemende jaarlijkse bevolkingsgroeicijfers tonen: ongeveer 2% in 2000 en 1% in 2050. Reeds in 2030-2035 zal een ander demografisch verschijnsel in deze regio’s relevant gaan worden dat nu al in de geïndustrialiseerde landen en in een aantal grote ‘emerging economies’ (China, Zuid-Afrika) een rol speelt, namelijk de vergrijzing. Het aandeel van de 60- en meer jarigen in de wereldbevolking zal in 2050 22% bedragen tegenover 10% in 2000. Ongeveer 80% van deze laatste groep leeft in 2050 in ontwikkelingslanden tegenover 60% in 2000.

Demografische ontwikkelingen, zoals hoge vruchtbaarheidscijfers (dat wil zeggen een hoog gemiddeld aantal kinderen per vrouw) en daarmee verband houdende sterke toename van de bevolking hebben vergaande consequenties voor ontwikkelingslanden, waaronder de fragiele staten. Zij zullen het bereiken van de MDG’s in 2015 in de weg staan, maar vormen zeker ook een bedreiging voor het bereiken van toekomstige MDG’s na 2015. Dit vraagt naast beleid voor de korte termijn om aandacht voor strategieën voor de langere termijn om op effectieve wijze op bevolkingsvraagstukken te kunnen inspelen.

Het is in dit opzicht verbazingwekkend dat het onderwerp demografische ontwikkelingen heden ten dage internationaal zo laag op de agenda staat en nationaal als zodanig geen rol van betekenis speelt. Wel wordt er in het OS-beleid bij de inzet op bepaalde MDG’s impliciet rekening mee gehouden. Echter de grotere verbanden, waaronder de relatie met economische groei en duurzame ontwikkeling, alsmede vrede en veiligheid worden nog nauwelijks gelegd.

Demografische transitie
Demografische transitie is een overgang die een bevolking doormaakt van een situatie met hoge geboorte- en sterftecijfers naar een situatie met lage geboorte- en sterftecijfers. Door afname van de sterfte (die altijd eerst plaatsvindt), maar aanhoudende hoge vruchtbaarheid zal de bevolking eerst toenemen. Dit is de aanvang van het demografische transitieproces. De fase waarin een land zich in het transitieproces bevindt, wordt weerspiegeld in de leeftijdsopbouw van de bevolking. Eerst jonge, snel groeiende bevolkingen; vervolgens bevolkingen met een lage afhankelijkheidsratio; en als laatste vergrijzende bevolkingen. De veranderingen die gedurende demografische transitie optreden in de verhouding tussen het aandeel jeugdigen (onder 15 jaar), het werkzame gedeelte van de bevolking (15 tot 65 jaar) en de vergrijzende bevolking (boven 65 jaar), hebben belangrijke implicaties voor overheidsbeleid en ontwikkelingsperspectieven.

Urgente thema’s
De AIV identificeert en gaat in op een aantal ontwikkelingsrelevante, urgente thema’s die niet in alle gevallen met het demografisch transitieproces te maken hebben, maar waarbij wel demografische variabelen een rol spelen. Het betreft moedersterfte, scholing van meisjes, HIV/AIDS, seksuele voorlichting, migratie/mobiliteit en urbanisatie, een jonge bevolking zonder scholing of perspectief en gevaar voor conflicten, en het thema vergrijzing en armoede.

De verschillende fasen van demografische transitie en beleidsconsequenties
Elke fase van het demografische transitieproces wordt gekenmerkt door zijn eigen profiel en vraagt om overheidsbeleid dat daarop gericht is. Er moet echter ook rekening gehouden worden met de volgende fase van het transitieproces, om op tijd te kunnen inspelen op de veranderingen die in deze fase gaan optreden. Het ontwikkelen van goed bestuur en de versterking van de kwaliteit van instituties zijn noodzakelijke voorwaarden om demografische transitie in landen goed te doen verlopen.

Fase I Jonge, snel groeiende bevolkingen
Landen in deze fase kenmerken zich door een hoog vruchtbaarheidscijfer en een grote jeugdige bevolking. De jaarlijkse groei van de bevolking is 2% of meer, en meer dan 40% van de bevolking is jonger dan 15 jaar. De meeste ontwikkelingslanden, waaronder fragiele staten, bevinden zich in deze fase.

Er is een duidelijke relatie tussen hoge vruchtbaarheidscijfers en armoede. Het blijkt dat landen met een hoger percentage mensen dat leeft in armoede vaak hoge vruchtbaarheidscijfers hebben. Vrouwen met veel zwangerschappen en levenslange zorg voor kinderen vinden het moeilijk deel te nemen aan scholing en deel uit te maken van de formele arbeidsmarkt. Hoge vruchtbaarheidscijfers hebben tevens een negatieve invloed op kinder- en moedersterfte. Gebrek aan toegang tot contraceptie (een unmet need voor family planning) is een belangrijke factor in de hoge vruchtbaarheidcijfers in de landen met dit profiel.

Scholing van meisjes heeft een zeer positieve invloed op ontwikkeling en gezondheid en is in belangrijke mate gecorreleerd met lagere niveaus van vruchtbaarheid. Beter geschoolde en goed voorgelichte vrouwen gebruiken eerder voorbehoedsmiddelen, hebben kleinere gezinnen en hebben een lager risico om te sterven als gevolg van zwangerschap of bevalling (moedersterfte) en leveren een grotere en productievere bijdrage aan economische groei. Ook hun kinderen hebben minder kans om op zeer jeugdige leeftijd te sterven of om hun leven in armoede door te brengen.

In het algemeen zal overheidsbeleid in deze fase gericht moeten zijn op het verlagen van de vruchtbaarheidcijfers door het bevorderen van sociale rechten als SRGR (met name toegang tot family planning), gezondheid en onderwijs vooral ten behoeve van meisjes. Belangrijk is dat SRGR (voorlichting, family planning) expliciet onderdeel uitmaakt van een geïntegreerd gezondheidssysteem, maar ook van het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s.

Daarnaast zal het beleid gericht moeten zijn op het door onderwijs/opleidingen en het bevorderen van productieve werkgelegenheid bieden van een toekomstperspectief aan de grote groep jongeren onder de 15 jaar. Een grote jeugdige bevolking, met name jonge mannen, zonder scholing en toekomstperspectieven vormt een potentiële bron van politieke- en sociale instabiliteit. Dat wil zeggen een bedreiging voor de vrede en veiligheid op nationaal, maar ook regionaal niveau. Ook zal het gebrek aan bestaansmogelijkheden de migratiedruk doen toenemen.

Deze groep landen met jonge, snel groeiende bevolkingen omvat de meeste fragiele staten. Daarmee zijn zij ook doel van andersoortige programma’s van internationale samenwerking zoals noodhulp, hulp bij wederopbouw, hulp bij het versterken van instituties en de rechtsstaat, ‘soft power’ van defensie en vredesmachten. Het verdient aanbeveling om ook in deze programma’s een structurele plaats in te ruimen voor SRGR, met aandacht voor toegang tot family planning.

Fase II Bevolkingen met een lage afhankelijkheidsratio
In bevolkingen met dit profiel daalt, als gevolg van de afname van de vruchtbaarheid, het aandeel van de jongeren onder de 15 jaar in de afhankelijkheidsratio en stijgt het aandeel van de bevolking in de economisch productieve leeftijd. Het ‘demografisch dividend’ dat aldus ontstaat, kan bijdragen aan een versnelling van de groei van het per capita inkomen, de nationale besparingen en de nationale economie. Dit is het moment waarop een land de mogelijkheid heeft een aanzienlijk hogere economische groei te realiseren en tevens te investeren in de toekomst. Dat wil zeggen dat een land in deze periode kan investeren in voorzieningen die nodig zullen zijn als de bevolking in een latere fase van het transitieproces gaat vergrijzen. Het potentieel van dit ‘demografisch dividend’ wordt echter niet automatisch gerealiseerd. Voor deze grote groep van de bevolking in de werkzame leeftijd is een overeenkomstige vraag naar arbeidkrachten/aanbod van productieve werkgelegenheid nodig. Zonder adequaat beleid, kan het extra aanbod van arbeid, werkloosheid tot gevolg hebben met een potentieel risico voor politieke en sociale instabiliteit. Ook zal het de druk om te migreren verhogen.

Een voorwaarde voor het realiseren van het ‘demografisch dividend’ is dat landen een goed bestuur voeren en er voldoende geïnvesteerd is in de ontwikkeling van instituties.

Het profiteren van het demografisch dividend en het in een latere fase verminderen van negatieve gevolgen van vergrijzing wordt bevorderd door: betere gezondheidszorg en meer voeding, meer onderwijs en scholing, goed functionerende arbeidsmarkten, ontwikkeling van de private sector, een vrije wereldhandel en door een versterkte financiële sector en betere pensioensystemen (via fondsvorming).

Fase III Vergrijzende Bevolkingen
In deze fase kan vergrijzing leiden tot een aanzienlijke daling van het inkomen per hoofd van met name de oudere bevolking. Het effect van deze daling wordt gemitigeerd door het feit dat ondanks deze inkomensdaling de consumptie per hoofd van de oudere bevolking niet hoeft te dalen door een netto-inkomenstransfer via de overheid naar dit oudere deel van de bevolking. Andere welvaartsbevorderende factoren die de inkomensdaling van het oudere deel van de bevolking kunnen mitigeren zijn: een verbeterde gezondheidstoestand, grotere arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen, alsmede immigratie.

Het is duidelijk dat wanneer in de tweede fase van het transitieproces onvoldoende geïnvesteerd is in het rekening houden met de gevolgen van vergrijzing, de ouderen in de bevolking in een later stadium, een dramatische teruggang in economische en sociale zekerheid kunnen ervaren.

Door demografische transitie zullen op den duur kleinere families ontstaan. Kleinere families en aanhoudende armoede kunnen van invloed zijn op zorg voor en inkomenszekerheid van het oudere deel van de bevolking, speciaal in ontwikkelingslanden, waar juist de familie de ouderen hoofdzakelijk ondersteunt. Het traditionele familieondersteuningssysteem kan onder druk komen te staan, ook door migratie en HIV/AIDS.

Het gebrek aan vooruitzicht op pensioen levert voor de meerderheid van de mensen die in ontwikkelingslanden leven een aanzienlijke inkomensonzekerheid voor de oude dag op. Dit geldt met name voor kleine boeren, rurale arbeiders en werkers in de informele sector. Dit zal vaak betekenen dat zij bij gebrek aan andere mogelijkheden ook op hoge leeftijd door moeten werken. Naast inkomensonzekerheid moet ook gezondheidszorg voor ouderen aandacht krijgen.

Beleid gericht op vergrijzing moet er rekening mee houden dat in de meeste landen met vergrijzende bevolkingen het aantal oudere vrouwen veel groter is dan dat van oudere mannen. Dit verschil neemt met het klimmen der jaren alleen maar toe. Veelal bevonden deze vrouwen zich in hun jongere jaren ook in een meer kwetsbare positie, waardoor zij zelf geen oudedagsvoorziening hebben kunnen opbouwen. Dit heeft te maken met gebrek aan scholing, levenslange zorg voor familie en bepaalde ongunstige sociale en culturele omstandigheden zoals de gebrekkige toegang tot en rechten op eigendom van land.

Demografische transitie en de gevolgen voor het nationale beleid in ontwikkelingslanden en de MDG’s
De genoemde ontwikkelingen en trends hebben belangrijke implicaties voor de desbetreffende landen. Het gaat dan om: de overheidsbegroting, de gezondheidszorg, het onderwijs, het milieu en klimaat en de binnenlandse sociale en politieke stabiliteit. In tegenstelling tot wat vroeger werd aangenomen, is het proces van demografische transitie van invloed op economische groei en daardoor ook op de groei van het per capita inkomen, waarbij de veranderende leeftijdsopbouw van de bevolking een centrale rol speelt. Er lijken met name goede mogelijkheden te zijn om de MDG’s daadwerkelijk te bereiken wanneer landen een bevolkingsstructuur bereiken waarin de afhankelijkheidsratio’s dalen en de positieve effecten van het demografisch dividend gerealiseerd kunnen worden.

Om deze fase te bereiken is, naast overheidsbeleid gericht op het ontwikkelen van goed bestuur en de versterking van de kwaliteit van instituties, het bevorderen van sociale rechten als SRGR, gezondheid en onderwijs van met name meisjes en vrouwen cruciaal. In dit verband is een geïntegreerd gezondheidssysteem waarin aandacht wordt geschonken aan preventieve zorg, seksuele voorlichting en family planning van groot belang, maar ook moet SRGR geïntegreerd worden in het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s. Dit zal leiden tot afname van de vruchtbaarheidscijfers en moeder- en kindersterfte. Daarnaast kan dit door afname van het percentage jeugdige mannen op den duur een vredesdividend opleveren.

Om de MDG’s ook daadwerkelijk te realiseren in de fase waarin het demografisch dividend optreedt, is naast de hiervoor genoemde beleidsprioriteiten inzet op de volgende beleidsgebieden van belang:

  • onderwijs en opleidingen;
  • creëren van productieve werkgelegenheid;
  • vergroten van toegang tot financiële diensten;
  • gelijke toegang voor mannen en vrouwen tot deze opleidingen, financiële diensten en de arbeidsmarkt.

Demografische ontwikkelingen en het Nederlandse beleid ten aanzien van MDG’s
Demografische ontwikkelingen spelen geen expliciete rol in het Nederlandse buitenlandse beleid, inclusief het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Een uitzondering hierop is het Nederlandse beleid gericht op gender (MDG 3) en SRGR (MDG 5), waar ook de implementatie van de Caïro-agenda aan de orde komt.

In het voorafgaande is duidelijk geworden hoe MDG 2 (onderwijs), MDG 3 (gelijke rechten mannen en vrouwen), MDG 4 (kindersterfte), MDG 5 (moedersterfte en SRGR) en MDG 6 (HIV/AIDS) elkaar onderling sterk beïnvloeden en welke belangrijke rol zij spelen op het gebied van demografische ontwikkelingen als geboorten (afnemende vruchtbaarheid) en sterfte. Inzet op deze MDG’s leidt op den duur tot afname van de sterfte- en geboortecijfers, waardoor een land in de fase kan komen waarbij de afhankelijkheidsratio afneemt en de mogelijkheid van een demografisch dividend zich voordoet, met onder de juiste voorwaarden positieve effecten voor armoedebestrijding (MDG 1), vrede en veiligheid en het milieu. De meeste ontwikkelingslanden bevinden zich echter nog in de fase van afname van de sterftecijfers, maar hebben hoge vruchtbaarheidscijfers. De AIV is van oordeel dat het beleid ten aanzien van het bevorderen van sociale rechten als SRGR (met name toegang tot family planning), gezondheid, en onderwijs van met name meisjes en vrouwen, een hefboom vormt voor verdere ontwikkeling van deze landen.

In 2007 heeft de huidige minister voor Ontwikkelingssamenwerking een intensivering van het beleid aangekondigd ten aanzien van gelijke rechten en kansen van vrouwen (MDG 3), en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) (MDG 5). Dit gebeurt in het kader van een brede inzet op gezondheidszorg, dat wil zeggen inclusief het verminderen van kinder- en moedersterfte (MDG’s 4 en 5). Tevens heeft de minister bepaald dat het terugdringen van moedersterfte en het bevorderen van ‘reproductieve gezondheid voor iedereen’ speerpunten van beleid blijven. In dit verband zal Nederland vooral bijdragen aan het versterken van gezondheidssystemen met specifieke aandacht voor SRGR alsmede voor HIV/AIDS-preventie (MDG 6). De AIV is van oordeel dat de minister met deze beleidsintensivering met name ten aanzien van SRGR, een onderwerp dat internationaal gevoelig ligt, de juiste keuze heeft gemaakt.

Tussen 2007 en 2009 zijn de bilaterale budgetten voor de drie begrotingsartikelen 5.3, 5.4 en 5.5 die corresponderen met MDG 3 (gender), MDG 6 (HIV/AIDS) en MDG’s 4, 5 (kinder- en moedersterfte en SRGR) met 20% gestegen. Voor MDG’s 4, 5 en 6 bedraagt de stijging 12%, voor MDG 3 is deze meer dan 800%. De totale voorziene bilaterale budgetten voor 2009 voor MDG’s 4, 5 en 6 bedragen 475 miljoen euro, voor MDG 3 zijn deze 37 miljoen euro.

De totale realisatie van uitgaven voor MDG’s 4, 5 en 6 via het multilaterale, bilaterale kanaal en particuliere kanaal zijn daarbij de afgelopen jaren stabiel geweest. Gemiddeld ging 29% van de uitgaven via het particuliere kanaal, 44% via het multilaterale kanaal en 27% via het bilaterale kanaal. De realisatie van uitgaven via het multilaterale-, bilaterale- en particuliere kanaal voor MDG’s 4, 5 en 6 in 2008 bedraagt 567 miljoen. Wat betreft MDG 3 was er vóór 2007 eigenlijk niet of nauwelijks sprake van een Nederlandse financiële inzet. Voor zover die plaatsvond was dat via het particuliere kanaal. In 2007 is deze inzet verdrievoudigd waarbij vrijwel de gehele verhoging weer via het particuliere kanaal plaatsvond. In 2008 vond weer een verdubbeling van de financiële inzet plaats waarbij ook het bilaterale kanaal een wat belangrijkere rol ging spelen. De gerealiseerde uitgaven voor MDG3 via het multilaterale-, bilaterale en particuliere kanaal bedroegen in 2008 68.9 miljoen euro.

Uitgaande van de desbetreffende budgetten is de inzet van het Nederlandse beleid gedurende 2007-2009 voornamelijk uitgegaan naar MDG 6 (HIV/AIDS), gemiddeld 65% van de totale budgetten voor de MDG’s 4, 5 en 6 in de desbetreffende periode. Opvallend genoeg toont de meerjarenraming 2013 dat vrijwel hetzelfde percentage van de budgetten voor MDG’s 4, 5 en 6 bestemd is voor de bestrijding van HIV/AIDS: 66%. Hoewel er een verwevenheid bestaat tussen HIV/AIDS en SRGR, lijkt de inzet van middelen in het kader van het Nederlandse beleid wel erg ten voordele van HIV/AIDS en ten nadele van SRGR te zijn uitgevallen.

Opgemerkt moet worden dat Nederland alle lof verdient voor de wijze waarop het zich inzet op het gebied van het bevorderen van SRGR, onder meer in het zeer lastige ideologische internationale debat. Nederland heeft in dit verband een unieke meerwaarde vanwege de geloofwaardigheid van het beleid afgaande op behaalde resultaten in eigen land: zeer weinig tienerzwangerschappen, lage HIV/AIDS-prevalentie, lage abortuscijfers, ondanks het feit dat abortus legaal is en vrijwel kosteloos.

Wat betreft de belangrijke inzet op MDG 2 (onderwijs) constateert de AIV dat van 2007-2009 de bilaterale budgetten zijn gestegen met 15%. Het gaat hier om 515 miljoen euro voor 2009, bijna 20% van de totale uitgaven in 2009. Van deze 20% ODA-uitgaven gaat 54% – zowel in 2009 als in 2013 – naar onderwijs en gender en 46% naar de aan gezondheid gerelateerde MDG’s. De AIV constateert dat de forse inzet die de afgelopen jaren op MDG 2 heeft plaatsgevonden belangrijk is om te kunnen inspelen op demografische ontwikkelingen.

Als men uitgaat van de laatste stand van zaken van het Global Monitoring Report (GMR) van 2008 ziet men ook hoe actueel deze onderwerpen zijn. Het GMR geeft aan dat actie dringend noodzakelijk is om de MDG’s in 2015 te bereiken. De vooruitzichten op het gebied van de MDG’s zijn het slechtst voor het verminderen van moeder- en kindersterfte, maar ook de doelstellingen voor het voltooien van basisonderwijs, voeding, gender en sanitatie laten ernstige achterstanden zien. Het ergst is de situatie in fragiele staten. Sub-Sahara Afrika loopt achter op alle MDG’s inclusief MDG 1, hoewel veel landen aldaar wel hogere groeicijfers laten zien. Zuid-Azië haalt MDG 1, maar blijft achter op de human development MDG’s.

De complexe relatie tussen demografische ontwikkelingen en de MDG’s laat zien hoe belangrijk deze ontwikkelingen voor een land zijn. Alleen door actief in te spelen op deze demografische ontwikkelingen, onder meer via activiteiten gericht op het bereiken van de MDG’s, kan duurzame ontwikkeling tot stand komen. Doet men dit niet, dan heeft dit directe consequenties ten aanzien van armoedevermindering en sociale en politieke stabiliteit. Dit vraagt echter ook om een actieve inzet op goed bestuur en de kwaliteit van instituties.

Aanbevelingen
Demografische ontwikkelingen behoren met klimaatverandering tot de grootste uitdagingen waarvoor de wereld zich in de 21e eeuw gesteld zal zien. Zij hebben verstrekkende gevolgen op diverse gebieden. De AIV is van oordeel dat er nationaal en internationaal veel meer aandacht moet komen voor de relatie tussen demografische ontwikkelingen en onder meer economische groei en duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid, schaarste, energieverbruik, milieu, migratie/mobiliteit en menselijke waardigheid. Demografische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende transitieprocessen zouden ook overheidsbreed veel meer aandacht moeten krijgen, om op positieve en adequate wijze in te kunnen spelen op de veranderingen die zich in de wereld tussen nu en 2050 zullen voltrekken.

De AIV beveelt aan om in de nieuwe structuur van het ministerie van Buitenlandse Zaken die momenteel wordt opgezet, het onderwerp demografische ontwikkelingen duidelijk als global issue hoog te positioneren. Belangrijk is daarbij dat het onderwerp niet uitsluitend verbonden wordt aan een specifieke sociale, economische of milieudirectie. Dit om te voorkomen dat er een te eenzijdige aandacht op een van de genoemde terreinen optreedt. Juist een geïntegreerde benadering waarbij alle hierboven genoemde aspecten van dit onderwerp aan bod komen en die zorgdraagt voor coherentie van beleid is essentieel. De AIV beveelt daarom aan om hoog in de structuur van het ministerie van Buitenlandse Zaken een Ambassadeur Bevolkingsvraagstukken en Duurzame Ontwikkeling aan te stellen, die vanuit een overkoepelende positie ervoor kan zorgdragen, dat het onderwerp in de volle breedte nationaal in het beleid wordt geïntegreerd en internationaal prominente aandacht krijgt. Wanneer het onderwerp voldoende in het beleid is ingedaald, zou deze functie weer opgeheven kunnen worden.

De AIV is van mening dat het beleid ten aanzien van de bevordering van sociale rechten als SRGR (met name toegang tot family planning), gezondheid en onderwijs van vooral meisjes en vrouwen, een hefboom vormt voor sociale en economische ontwikkeling. Op basis van de Begroting 2009 en de Resultatenrapportage 2007-2008 is de AIV van oordeel dat door de minister de juiste prioriteiten zijn gesteld, maar dat hier nog sterker nationaal en internationaal via het bilaterale, multilaterale en particuliere kanaal op ingezet kan worden. Naast de belangrijke rechtenbenadering op het gebied van SRGR (onder andere het recht van ieder individu om vrijelijk te kiezen hoeveel en wanneer zij kinderen wensen, en het recht op toegang tot de daartoe benodigde informatie en middelen), zou de inzet sterk gericht moeten worden op een bredere benadering die rekening houdt met de gevolgen van demografische transitieprocessen voor ontwikkelingslanden.

Er moet actief gewerkt worden aan bewustzijnsvorming bij politieke leiders en bestuurders in ontwikkelingslanden met betrekking tot de consequenties van hoge vruchtbaarheidscijfers en daaraan gerelateerde bevolkingstoename voor economische groei en duurzame ontwikkeling en politieke en sociale stabiliteit van landen. Helaas wordt snelle bevolkingsgroei door sommige politieke leiders beschouwd als een middel tot uitbreiding van hun macht. In werkelijkheid houdt dit echter meer kans op armoede, honger en binnenlandse onrust in.

Demografische ontwikkelingen en demografische transitieprocessen zouden onderwerp moeten zijn van de beleidsdialoog met partnerlanden en onderdeel van Meerjarige Strategische Plannen, landenprofielen en PRSP’s. Er kan op deze wijze effectiever en tijdiger ingespeeld worden op demografische transitieprocessen.

Demografische transitieprocessen hebben belangrijke implicaties voor overheidsbeleid en ontwikkelingsperspectieven. Er moet rekening worden gehouden met de veranderingen die zich in de verschillende fasen van het demografische transitieproces voordoen in de verhouding in de leeftijdsopbouw van de bevolking tussen het aandeel jeugdigen (onder 15 jaar), het werkzame gedeelte van de bevolking (15 tot 65 jaar) en de vergrijzende bevolking (boven 65 jaar). De ontwikkeling van goed bestuur en de versterking van de kwaliteit van instituties zijn noodzakelijke voorwaarden om demografische transitie in landen goed te doen verlopen.

Het beleid ten aanzien van het bevorderen van sociale rechten als SRGR, gezondheid, en onderwijs van met name meisjes en vrouwen, vormt een hefboom voor ontwikkeling van landen. In dit verband zijn geïntegreerde gezondheidssystemen waarin aandacht wordt geschonken aan preventieve zorg, seksuele voorlichting en family planning van groot belang als ook integratie van SRGR in het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s. Dit zal leiden tot afname van de vruchtbaarheidscijfers en moeder- en kindersterfte. Daarnaast kan dit door afname van het percentage jeugdige mannen op den duur een vredesdividend opleveren.

In het fragiele statenbeleid en bij vredesoperaties moet een structurele plaats worden ingeruimd voor SRGR, met aandacht voor family planning. Deze versterking zou ook in de vorm van additionele financiële middelen moeten plaatsvinden.

Ondanks de belangrijke inzet van Nederland op het terrein van SRGR en de verwevenheid die er bestaat tussen HIV/AIDS en SRGR, lijkt de inzet van middelen in het kader van het Nederlandse beleid wel erg ten voordele van HIV/AIDS en ten nadele van SRGR te zijn uitgevallen. De AIV beveelt aan deze verhouding ten gunste van SRGR te wijzigen.

Om de MDG’s ook daadwerkelijk te realiseren in de fase waarin het demografisch dividend optreedt is het vergroten van toegang voor mannen en vrouwen tot de arbeidsmarkt, opleidingen en financiële diensten van belang. De gelijke toegang van vrouwen en meisjes speelt hierbij een belangrijke rol.

AIV heeft de indruk dat de ‘mainstreaming’ van het onderwerp vergrijzing in nationale ontwikkelingsstrategieën, zoals voorgesteld in het Madrid International Plan of Ageing, niet goed verloopt. Hier zou binnen het beleid aandacht aan moeten worden geschonken. Daarnaast bepleit de AIV om technische assistentie te bieden aan landen voor het opzetten van oudedags- en pensioenvoorzieningen in zowel de publieke als de private sector. Er moet geïnvesteerd worden in institutionele structuren om straks grote aantallen kwetsbare ouderen (waaronder onevenredig veel vrouwen) te kunnen opvangen. Ook zouden als onderdeel van een systeem van micro-financiering, microverzekeringen geïntroduceerd kunnen worden.

Nederland zou in EU-verband specifieke aandacht kunnen vragen voor de consequenties van demografische ontwikkelingen voor duurzame ontwikkeling en dit als onderwerp agenderen voor de politieke dialoog met ontwikkelingslanden.

Demografische ontwikkelingen en met name transitieprocessen en de daarmee verband houdende bevolkingsopbouw zijn een urgent onderwerp van aandacht voor ontwikkelingssamenwerking en zouden op geïntegreerde wijze onderdeel moeten uitmaken van de moderniseringsagenda van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De meeste ontwikkelingslanden, waaronder de fragiele staten worden nog lange tijd geconfronteerd met hoge vruchtbaarheidscijfers en een daarmee verband houdende sterke toename van de bevolking. Dit zal het bereiken van de MDG’s in 2015 in de weg staan, maar vormt zeker een bedreiging voor het bereiken van toekomstige MDG’s na 2015. Dit vraagt naast korte termijnbeleid om aandacht voor lange termijnstrategieën.

Door de verwachte daling van het BNP, zal ook het ODA-deel van de OS-begroting (0,8% van het BNP) afnemen. Er zullen dan keuzes voor bezuinigingen moeten worden gemaakt. De AIV pleit ervoor te waken dat door deze keuzes de zo belangrijke voorzieningen op het gebied van SRGR, gezondheid, onderwijs en gender zo weinig mogelijk aangetast worden. De directe effecten van dergelijke bezuinigingen kunnen zo groot zijn, dat landen voor jaren in hun duurzame ontwikkeling geremd worden.

Adviesaanvraag

De Adviesraad Internationale Vraagstukken
T.a.v. de voorzitter mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB  DEN HAAG

 

Datum              15 januari 2009
Betreft              Adviesaanvraag AIV over bevolking en OS

 
Geachte Voorzitter,

Graag zou ik van de AIV advies verkrijgen over het volgende.

De bevolking van een land verandert van omvang en samenstelling en heeft daarom sterke invloed op het ontwikkelingspotentieel van een land. Deze bevolkingsdynamiek is het gevolg van de interactie van geboorte, sterfte en migratie met een veelheid aan culturele en economische factoren. 99% van de bevolkingsgroei in de komende 40 jaren zal in de ontwikkelingslanden plaats vinden. De leeftijdsopbouw verandert wereldwijd. En migratie is in een globaliserende economie steeds makkelijker en aantrekkelijker.

De integratie van het thema bevolking in het Nederlandse buitenlandbeleid is een delicate gezien de politieke (machts)aspecten van bevolking en de spanning tussen de individuele en macro-economische belangen. Internationaal groeit daarnaast de aandacht voor de factor bevolking in de discussies rond voedselschaarste, energie, klimaatverandering en veiligheid, zij het dat deze met name is gericht op bevolkingsomvang vanuit een macro-economisch perspectief. De uitgangspunten van de International Conference on Population and Development in 1994 en het recht van ieder om te kunnen besluiten over het aantal kinderen en geboortespreiding blijven de basis vormen van het Nederlandse beleid.

In aanvulling op de verschillende internationale studies en in lijn met de ingezette modernisering van het OS-beleid, zou ik u graag willen verzoeken om aanbevelingen te formuleren voor de wijze waarop het Ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn beleid beter kan inspelen op demografische ontwikkelingen om duurzame ontwikkeling te bereiken. Specifiek zijn de onderzoeksvragen als volgt:

  • Welke zijn de grootste knelpunten en mogelijkheden van demografische ontwikkelingen  voor het behalen van de millenniumdoelstellingen (MDGs)?
  • Hoe kan het Nederlands buitenlandse beleid voor ieder van de 8 MDGs beter inspelen op deze knelpunten en mogelijkheden, met speciale aandacht voor innovatieve wijzen van aanpak (IS 2.0), inclusief het innovatief gebruik maken van het huidige BZ-instrumentarium en suggesties voor nieuwe instrumenten?

Ik zie uw aanbevelingen met veel belangstelling tegemoet.

 

Bert Koenders
Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

Regeringsreacties

Mr. F. Korthals Altes
Voorzitter
Adviesraad Internationale Vraagstukken
Postbus 20061
2500 EB  DEN HAAG

 

Datum   15 januari 2010
Betreft   Regeringsreactie op AIV no. 66: Demografische Veranderingen en Ontwikkelingssamenwerking

 

Geachte Voorzitter,

De regering dankt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voor het advies “Demografische Veranderingen en Ontwikkelingssamenwerking” (no. 66 d.d. juli 2009) dat op 18 augustus 2009 aan de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking werd aangeboden.

Tegen de achtergrond van toekomstige demografische ontwikkelingen heeft de regering de AIV gevraagd te adviseren over de wijze waarop het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het beleid beter kan inspelen op deze ontwikkelingen in haar streven naar duurzame ontwikkeling.

De belangrijkste conclusie van de AIV dat er nationaal en internationaal veel meer aandacht moet komen voor de relatie tussen demografische ontwikkelingen en economische groei en duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid, schaarste, energieverbruik, milieu, migratie/mobiliteit en menselijke waardigheid wordt door de regering gedeeld. Het advies bevestigt de door de regering gekozen prioriteiten binnen het beleid en geeft nuttige inzichten en aanbevelingen om dit beleid in de toekomst verder aan te scherpen. 

De regering deelt de mening van de AIV dat demografische ontwikkelingen samen met klimaatverandering tot de grootste uitdagingen behoren waarvoor de wereld zich in de 21e eeuw gesteld ziet. De urgentie van dit vraagstuk is groot gegeven de rol die de factor bevolking speelt in de wereldwijde uitdagingen en problemen betreffende voedsel- en waterschaarste, energie, economische groei, klimaat en veiligheid. Zeker in landen met een snel groeiende bevolking en een economische groei die hierbij uit de pas loopt, zoals in veel ontwikkelingslanden het geval is, zal het moeilijk worden, zo niet onmogelijk, om genoeg voedsel en water te verschaffen, scholen en huizen te bouwen en banen te creëren voor een snel groeiende groep jongeren.

De regering spreekt haar waardering uit voor de door de AIV gesignaleerde noodzaak om vanuit een breed perspectief naar dit vraagstuk te kijken waarbij duidelijk oog is voor de interactie tussen brede thema’s en actuele vraagstukken. Het advies leert ons met een andere bril te kijken namelijk een bril met een  perspectief dat zich uitstrekt van nu tot 2050. Rekening houdend met dit perspectief zal het niet zozeer gaan om het op korte termijn formuleren van nieuw beleid maar meer om het nadrukkelijker verbinden van dit vraagstuk met bestaande beleidsprioriteiten.

Meer aandacht voor demografische veranderingen

De urgentie van het vraagstuk is voor de regering aanleiding geweest om het afgelopen jaar bij te dragen aan het organiseren van een serie lezingen rond het thema Population and Development. De serie werd georganiseerd door de Society for International Development (SID), World Population Foundation (WPF) en het Institute for Social Studies (ISS), en ge-cofinancierd met UNFPA. Deze lezingen zullen, in aanvulling op het AIV advies, bijdragen tot een actualisering van de inzichten en het hernieuwd agenderen van het bevolkingsvraagstuk.

Om meer aandacht te krijgen voor demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking, beveelt de AIV aan om het onderwerp duidelijker te positioneren als ‘global issue’ binnen de nieuwe structuur van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en stelt voor om hoog in de structuur van het Ministerie een Ambassadeur Bevolkingsvraagstukken en Duurzame Ontwikkeling aan te stellen.

Naar aanleiding van het AIV advies is de regering voornemens om de Ambassadeur Duurzame Ontwikkeling (AMDO) tevens verantwoordelijk te maken voor bevolkingsvraagstukken voor zover ze een relatie hebben met klimaat en milieu. De regering benadrukt daarbij dat haalbaarheid, effectiviteit alsmede personele en budgettaire krapte belangrijke overwegingen zijn bij het besluit om AMDO zich strategisch te laten toespitsen op klimaat en milieu, eerder dan op de volle breedte van het bevolkingsvraagstuk.

Verder wil de regering op een aantal beleidsterreinen meer expliciete aandacht aan demografische veranderingen gaan schenken, ter verdere verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van bestaand beleid. De AIV adviseert demografische ontwikkelingen en demografische transitieprocessen onderwerp te maken van de beleidsdialoog met partnerlanden en van Meerjarige Strategische Plannen (MJSP), landenprofielen en PRSP’s. De regering deelt het standpunt van de AIV om het vraagstuk van demografische veranderingen explicieter onderdeel te maken van de diverse analyse- en planningsinstrumenten. Zo zal in de MJSP 2011 niet alleen een analyse gemaakt moeten worden van de demografische veranderingen in het betreffende land maar ook het identificeren van synergie en risicomanagement in elk van de sectorale programma’s en tussen de verschillende sectoren en thema’s. Hierbij zal het scenariodenken versterkt dienen te worden, zal duidelijker gekeken moeten worden naar de behoeften van de diverse sectoren op lange termijn en zal er een beter begrip moeten komen voor lokale, nationale, regionale en mondiale relaties en de onderlinge verbanden. De regering is van mening dat het gedelegeerde model van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking precies de kracht is waardoor Nederland in een sterke positie zit om deze lokale agenda’s te koppelen aan mondiale vraagstukken. Bij de analyse van het ontwikkelingsproces van landen zullen de demografische dimensies nauwkeuriger in beeld gebracht moeten worden om zo de effectiviteit van en prioriteiten binnen het beleid te verbeteren.

De regering deelt dan het standpunt van de AIV dat in de bilaterale dialoog met politieke leiders en bestuurders in ontwikkelingslanden aandacht geschonken dient te worden aan demografische analyses (zoals de beschikbare informatie van OESO/DAC, Wereld Bank, Commission on Population and Development and UN Department of Economic and Social Affairs) in relatie tot economische groei, duurzame ontwikkeling en politieke en sociale stabiliteit.

Contextspecifieke aandacht voor demografische veranderingen

De regering deelt het standpunt van de AIV dat naast de toename van de wereldbevolking ook demografische transitieprocessen een belangrijke rol spelen bij de analyse van de knelpunten en mogelijkheden van demografische ontwikkelingen voor het behalen van de millenniumdoelstellingen. Demografische transitie wordt hierbij door de AIV gedefinieerd als de overgang die een bevolking doormaakt van een situatie van hoge sterfte- en geboortecijfers naar lage sterfte- en geboortecijfers. Zoals geconstateerd door de AIV heeft de verhouding tussen het aandeel jeugdigen (onder de 15 jaar), het werkzame gedeelte van de bevolking (15 tot 65 jaar) en de vergrijzende bevolking (boven 65 jaar) belangrijke gevolgen voor overheidsbeleid en ontwikkelingsperspectieven. De AIV belicht in haar advies een drietal profielen gekoppeld aan een specifieke demografische fase. Met betrekking tot beleidsontwikkeling vraagt iedere demografische fase niet alleen om specifieke interventies behorend tot ieder profiel maar zal ook rekening gehouden dienen te worden met de overgang naar de volgende fase van het transitieproces, om op deze manier tijdig te kunnen inspelen op de veranderingen die gaan optreden.

Landen in demografische fase 1 kenmerken zich door een jonge, snel groeiende bevolking, door afname van sterfte maar aanhoudende hoge vruchtbaarheidscijfers.  In deze landen zal de aandacht uit moeten gaan naar het verlagen van vruchtbaarheidscijfers door het bevorderen van sociale rechten als SRGR, gezondheidszorg en onderwijs, vooral ten behoeve van meisjes en vrouwen.  Om het toekomstig potentieel van de groeiende groep jongeren te kunnen realiseren zal geïnvesteerd moeten worden in scholing en beroepsopleiding, werkgelegenheid, geïntegreerde gezondheidsystemen, toegang tot financiële diensten en gelijke toegang voor mannen en vrouwen tot deze opleidingen, financiële diensten en arbeidsmarkt.

Demografische fase 2 landen kenmerken zich door bevolkingen met lage afhankelijkheidsratio’s waarbij het grootste gedeelte van de bevolking zich bevindt in de economisch productieve fase van zijn/haar leven. Dit is het moment waarop een land de kans heeft een aanzienlijke economische groei te realiseren en te investeren in de toekomst, kortom het realiseren van het zogenaamde  ‘demografisch dividend’. In deze landen is het van belang te investeren in voorzieningen die nodig zullen zijn als de bevolking in een latere fase van het transitieproces gaat vergrijzen.

Demografische fase 3 landen kenmerken zich door bevolkingen die door daling van de sterftecijfers sterk zullen vergrijzen. In deze landen is het van belang te investeren in voorzieningen voor de oude dag  zowel op het vlak van inkomenszekerheid als gezondheidszorg.  Het vraagstuk van oudedags- en pensioenvoorzieningen en verzekeringen krijgt op dit moment volop aandacht binnen de beleidsagenda Groei en Verdeling.

De regering heeft er bewust voor gekozen om binnen het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid een onderscheid te maken tussen typen partnerlanden op basis van de aard van de ontwikkelingsproblemen, kwaliteit van bestuur en de mate waarin de MDG’s worden bereikt. Gekozen is voor een drietal profielen namelijk een profiel van landen met een redelijke mate van stabiliteit en verbeterd bestuur waarbij het versneld realiseren van de MDG’s centraal staat; een profiel van landen met veiligheidsproblemen of scherpe maatschappelijke tegenstellingen waarbij de MDG's niet snel haalbaar zijn en veiligheid en ontwikkeling prioritair is; en een profiel van landen die de status van middeninkomensland hebben bereikt of binnen niet afzienbare tijd zullen bereiken en waarbij naast ontwikkelingssamenwerking een breed spectrum aan beleidsinstrumenten wordt ingezet. De door de AIV geschetste demografische fasen doen zich in feite in alle drie de landenprofielen voor ontwikkelingssamenwerking voor. In lijn met het regeringsbeleid om minder algemeen en meer landenspecifiek te werken zal er per land gekeken moeten worden naar de demografische doorwerking in beleidsstrategieën. Zo zal onder andere scherp gekeken moeten worden of de demografische veranderingen zich voordoen in rurale gebieden, urbane gebieden of in beide gebieden en waar uiteindelijk het potentieel voor het demografisch dividend wordt gerealiseerd. In de beleidsuitvoering zal hier vervolgens rekening mee gehouden moeten worden bijvoorbeeld wanneer het gaat om het stimuleren van productieve werkgelegenheid in de stad of op platteland.

De regering deelt de conclusie van de AIV dat het noodzakelijk is nog sterker in te zetten op het vergroten van de kansen van jongeren, niet alleen om het potentieel van het demografisch dividend te kunnen verwezenlijken maar ook om risico’s op instabiliteit en sociale onrust als gevolg van uitzichtloosheid te verminderen.  De regering acht het van belang dat binnen de verschillende sectoren nadrukkelijker aandacht geschonken wordt aan jongeren. Het betreft hier met name de verbetering van de gezondheidsdiensten aan jongeren, het relevanter en kwalitatief versterken van het onderwijs en het stimuleren van de vaardigheden die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de vereisten van de arbeidsmarkt, zoals ondernemerschap.

De AIV constateert dat de mogelijkheden om de MDG’s daadwerkelijk te bereiken zich vooral voordoen in landen die een bevolkingsstructuur bereiken waarin de afhankelijkheidsratio’s dalen en de positieve effecten van het demografisch dividend gerealiseerd kunnen worden. Goed bestuur en kwalitatief sterke instituties zijn hiervoor noodzakelijke voorwaarden. Er dient sprake te zijn van een goed functionerende overheid die middelen verantwoord en transparant aanwendt voor publieke doelen en die de benodigde diensten levert aan de bevolking. In de 36 partnerlanden wordt op basis van gedegen analyses van de bestuurssituatie en begrip voor onderliggende oorzaken (zgn. Strategische Goed Bestuur en Corruptie Analyses – SGACA’s) ruime aandacht besteed aan het thema Goed Bestuur. Ambassades worden daarnaast via het Support Programme for Institutional and Capacity Development (SPICAD) ondersteund om de bevindingen uit de politieke analyses te vertalen naar concrete inzet op ontwikkeling van instituties en capaciteit.

De AIV signaleert dat de meeste fragiele staten behoren tot de groep landen met jonge, snel groeiende bevolkingen en beveelt dan ook aan om in de programma’s ten behoeve van deze landen een structurele plaats in te ruimen voor SRGR, met aandacht voor toegang tot family planning. Deze aanbeveling is in lijn met de constatering in andere onderzoeksrapporten (“Aids, Security and Conflict”, Aids Security and Conflict Initiative (2009); “Strategy for Dutch Engagement in Health Recovery Processes in Fragile States”, Netherlands Platform for Global Health Policy and Health Systems Research (2009); “The Security Demographic – Population and Civil Conflict after the Cold War”, Population Action International (2003), waarin specifieke aandacht voor SRGR in fragiele staten wordt bepleit. Internationaal lijkt voor dit onderwerp een zeker momentum te ontstaan (bijvoorbeeld door de mogelijkheid dat de nieuwe VS regering weer actief wordt op dit terrein, nadat onder de vorige regering onder meer steun aan het Reproductive Health Response in Conflict Consortium werd gestopt). De recente samenwerking tussen WHO en UNFPA om meer structureel aandacht te besteden aan SRGR in humanitaire noodsituaties (de zogenaamde Granada consensus, door WHO gepresenteerd in Stockholm op 21 oktober jongstleden) is een initiatief dat door de regering wordt aanmoedigd.

Huidige beleidsprioriteiten en demografische veranderingen

In de beleidsdialoog met betrekking tot bevolkingsvraagstukken dient de rechtenbenadering leidend te zijn. Nederland zal zich blijven verzetten tegen bevolkingspolitiek als symptoombestrijding. Demografisch beleid dient ingebed te zijn in een bredere aanpak gericht op respect voor mensenrechten, gezondheid voor iedereen, vermindering van armoede en bescherming van de leefomgeving. Het Cairo Programme of Action als aangenomen tijdens de International Conference on Population and Development in 1994, blijft daarbij een wezenlijk instrument. Zo biedt de Cairo agenda immers precies de handvatten voor het inspelen op de huidige demografische ontwikkeling, vooral voor de enorme groep jongeren in de wereld. Ook benadrukt de Cairo agenda de noodzaak om in vrouwen en meisjes te blijven investeren (o.m. door onderwijs) en legt het de link tussen SRGR en duurzame ontwikkeling.

De Nederlandse regering werkt consistent aan de uitvoering van het Cairo Programme of Action en draagt bij aan het verminderen van de enorme behoefte (zgn. ‘unmet need’) aan family planning (die bijv. in Sub-Sahara Afrika zo’n 30% bedraagt). Nederland is internationaal één van de weinige landen die daarbij bereid is bestaande taboes (zoals het bespreekbaar maken van seksualiteit, en seks onder jongeren) aan de orde te stellen, inclusief in de politieke beleidsdialoog. Wat betreft abortus (opnieuw een taboe onderwerp dat Nederland niet uit de weg gaat), zet ons land zich onverminderd in voor het bespreekbaar maken van abortus en de consequenties van onveilige abortus (hoge moedersterfte). Nederland ziet abortus niet als methode van family planning, maar maakt zich (op basis van eigen ervaring met nationaal beleid) sterk voor veilige abortus en minder restrictieve wetgeving want wereldwijd is onveilige abortus verantwoordelijk voor niet minder dan 13% van de moedersterfte.

Gegeven het belang voor sociale en economische ontwikkeling heeft de regering, in aansluiting met het AIV advies, bij de keuzes voor bezuinigingen binnen de OS-begroting als gevolg van de daling van het BNP deze prioriteiten zo weinig mogelijk aangetast. Zoals verwoord gedurende de recente “High Level Meeting on Maternal Health – Millennium Development Goal 5” in Addis Abeba, zal het bereiken van vooral MDG 3 en MDG 5  alleen dichterbij komen wanneer sterker hierop wordt ingezet. Dit betekent voor de aanbevolen integratie van demografische ontwikkelingen in beleid, dat hierbij de verbetering van de positie van vrouwen en meisjes specifieke aandacht dient te krijgen, en de wereldwijde investeringen in SRGR fors moeten toenemen. Voor wat betreft de begroting 2010 heeft de regering dan ook besloten om het financiële niveau ten behoeve van SRGR op hetzelfde niveau als voorgaande jaren te handhaven. Tegelijkertijd roept de regering andere donoren op om hetzelfde te doen. Zoals ook geconstateerd door de AIV is er binnen het Nederlandse beleid sprake van een sterke verwevenheid en integratie van de thema’s HIV/AIDS en SRGR. Zo benadrukt Nederland het belang van het thema SRGR en gender in de steun die zij geeft aan o.a. het Global Fund (GFATM) en UNAIDS.

De regering is verheugd met de conclusie van de AIV dat de juiste prioriteiten binnen het beleid zijn gesteld. Het bevorderen van sociale rechten als SRGR, gezondheid en onderwijs van met name meisjes en vrouwen, is van groot belang voor ontwikkeling van landen. Geïntegreerde gezondheidssystemen waarin aandacht geschonken wordt aan preventieve zorg, seksuele voorlichting en family planning zijn van groot belang alsook de integratie van SRGR in het onderwijs en andere ontwikkelingsprogramma’s. In lijn met het AIV advies zal de regering, zoals hierboven aangegeven, zowel op nationaal als internationaal niveau via de daartoe geëigende fora, kanalen en instrumentaria nadrukkelijker aandacht vragen voor de gevolgen van demografische transitieprocessen voor ontwikkelingslanden.

 

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

 

Bert Koenders

Persberichten

SCHEVE BEVOLKINGSOPBOUW ONTWIKKELINGSLANDEN BELEMMERT ECONOMISCHE GROEI EN ONTWIKKELING

Adviesraad bepleit urgente aandacht voor effecten demografische ontwikkelingen

 

Den Haag, 25 augustus 2009
 

Veel ontwikkelingslanden kampen met een scheve bevolkingsopbouw. Sterftecijfers dalen, maar geboortecijfers blijven hoog. Het resultaat - een zeer jonge en snel groeiende bevolking – belemmert economische groei en levert risico’s op ten aanzien van vrede en veiligheid, energieverbruik, milieu en migratie. Dit staat het behalen van de Millenniumontwikkelingsdoelen in de weg. Dat stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in het rapport ‘Demografische ontwikkelingen en ontwikkelingssamenwerking’. De Raad, die regering en parlement adviseert over buitenlands beleid, noemt demografische ontwikkelingen een even grote uitdaging als klimaatverandering. Nationaal en internationaal moet er veel meer – geïntegreerde - aandacht voor komen.

De AIV beveelt onder meer aan het onderwerp ‘demografische ontwikkelingen’ hoog te positioneren in de nieuwe structuur van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De Raad bepleit ook meer geld voor het omgaan met de negatieve gevolgen van wat in vakjargon demografische transitie wordt genoemd.

Demografische transitie
Demografische transitie is een overgang die een bevolking doormaakt van een situatie van hoge sterfte- en geboortecijfers naar een van lage sterfte- en geboortecijfers. Door afname van de sterfte (die altijd eerst plaatsvindt), maar aanhoudende hoge vruchtbaarheidcijfers (een hoog gemiddeld aantal kinderen per vrouw), ontstaat er eerst een zeer jonge, snel groeiende bevolking. In de volgende fase ontstaat een bevolking waarin het aandeel mensen in de economisch productieve leeftijd groter is vergeleken met het aandeel afhankelijke jongeren en ouderen. Een derde fase is die van vergrijzing. Veranderingen in elke demografische fase hebben ingrijpende gevolgen voor overheidsbeleid en perspectieven op ontwikkeling. Om die goed op te vangen is goed bestuur en goed beleid nodig.

Veel ontwikkelingslanden bevinden zich in de eerste fase. Tussen 2008 en 2050 groeit de wereldbevolking volgens schattingen van 6,8 tot 9,2 miljard mensen. De minder ontwikkelde landen nemen daarvan 2,3 miljard voor hun rekening. In 29 minst ontwikkelde landen zal de bevolking verdubbelen en in sommige zelfs verdrievoudigen. Afrika is de regio met de hoogste geboortecijfers en het hoogste verwachte bevolkingsgroeipercentage tot 2050. Hier is een belangrijke factor dat nog steeds miljoenen vrouwen daar geen toegang hebben tot contraceptie en familyplanning.

Hefboom
De AIV benadrukt in zijn advies dat er een duidelijk verband is tussen hoge vruchtbaarheidscijfers en geringe economische groei, armoede, honger, gevaar voor interne en externe conflicten en geringe vooruitgang ten aanzien van de Millenniumdoelen. Bevordering van sociale rechten als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), gezondheid en onderwijs van vooral meisjes en vrouwen vormt volgens de AIV dan ook een belangrijke hefboom voor sociale en economische ontwikkeling. Ook moet de inzet sterk worden gericht op een brede benadering, die rekening houdt met de gevolgen van demografische transitieprocessen voor ontwikkelingslanden.  De AIV vindt dat onder minister Koenders (Ontwikkelingssamenwerking) weliswaar de juiste prioriteiten zijn gesteld, maar adviseert om hier nog sterker nationaal en internationaal op in te zetten.