Nederland en de Responsibility to Protect: de verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen massale wreedheden

26 juli 2010 - nr.70
Samenvatting

Samenvatting en conclusies

Tegen de achtergrond van de vraagstellingen die in het begin zijn geformuleerd, poogt dit advies van de AIV bij te dragen tot grotere helderheid over de inhoud, status en reikwijdte van de Responsibility to Protect. Ook gaat het in op een aantal instrumenten dat de operationalisering van de Responsibility to Protect kan bevorderen. Tot slot wordt de rol die Nederland kan spelen bij de uitwerking en operationalisering van de Responsbility to Protect belicht.

1. De betekenis van de Responsibility to Protect

Integrale benadering
In de visie van de AIV vormt RtoP geen geheel nieuw, op zichzelf staand concept dat pas in 2005 door staatshoofden werd omarmd, maar is het veeleer het kristallisatiepunt van een langdurige ontwikkeling. De AIV plaatst de ontwikkeling van RtoP in een historische context en constateert dat RtoP bestaande elementen van het internationale recht (in het bijzonder waar het de verplichtingen van de staat betreft) verenigt met complementaire en vernieuwende beginselen (voornamelijk ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap). In het algemeen is de AIV van mening dat een belangrijke toegevoegde waarde van RtoP bestaat uit de integrale benadering die het begrip voorstaat. RtoP omvat zowel preventie, als reactie en wederopbouw en heeft betrekking op de rol van de staat én de internationale gemeenschap. Deze integrale benadering is relatief nieuw en is een van de punten waarop RtoP zich onderscheidt van andere benaderingswijzen die zijn geformuleerd ten aanzien van grootschalige mensenrechtenschendingen. In algemene zin sluit RtoP hiermee aan bij de zogenaamde comprehensive approach in het kader van crisisbeheersingsoperaties, die uitgaat van een soortgelijke integrale benadering, waarbij het diplomatiek-, defensie- en ontwikkelingsinstrumentarium in samenhang worden ingezet.

Beginsel van internationaal recht in wording
Naar de mening van de AIV dient RtoP sinds de aanvaarding in 2005 als een beginsel (principle) te worden beschouwd. Staten hebben aanvaard dat RtoP een uitgangspunt voor handelen wordt, ook al dient de wijze waarop dit gebeurt nog verder vorm te krijgen. Wel is duidelijk dat het beginsel van RtoP thans in toenemende mate inspiratie biedt en richting geeft aan de wijze waarop het geldende internationale recht inzake soevereiniteit, mensenrechten en vrede en veiligheid wordt geïnterpreteerd. De AIV zou in dit stadium daarom willen spreken van een beginsel van internationaal recht in wording. In zekere zin is het een overkoepelend beginsel dat het samenstel definieert van verplichtingen en verantwoordelijkheden van staten en van de internationale gemeenschap op juridisch, moreel en politiek vlak bij specifieke grootschalige mensenrechtenschendingen of de dreiging hiervan.

Verschil met humanitaire interventie
RtoP verschilt in belangrijke mate van c.q. is onverenigbaar met hetgeen onder humanitaire interventie wordt verstaan en dient hiermee volgens de AIV ook niet te worden verward. Het legt meer nog dan bij humanitaire interventie de nadruk op het perspectief en het primaire belang van de bedreigde bevolking. Zoals in het Slotdocument van de VN-top is omschreven, omvat de verantwoordelijkheid tot bescherming – in tegenstelling tot humanitaire interventie – een continuüm van preventie, reactie, en wederopbouw, en kunnen de middelen variëren van early warning-mechanismen tot diplomatieke druk, dwangmaatregelen, het aansprakelijk stellen van de daders en internationale hulp. Vanwege het continuüm waarop RtoP betrekking heeft, kan de inzet van militaire middelen ook plaatsvinden in de preventieve fase en hoeft het niet noodzakelijkerwijs te leiden tot het gebruik van geweld. Bovendien gaat RtoP zoals omschreven in het Slotdocument ervan uit dat militair ingrijpen plaatsvindt met VR-autorisatie, welke vaak geen noodzakelijke voorwaarde wordt geacht voor humanitaire interventie.

Soevereiniteit en mensenrechten
Het beginsel van RtoP is gebaseerd op het idee dat soevereiniteit en mensenrechten twee zijden van dezelfde medaille zijn en elkaar dus niet uitsluiten. Soevereiniteit als verantwoordelijkheid, die – ook internationaal – plichten met zich meebrengt, is historisch gezien geen nieuwe notie, maar werd niet altijd als zodanig benoemd.

De verantwoordelijkheid van staten om personen binnen hun jurisdictie te beschermen tegen grootschalige mensenrechtenschendingen staat nauwelijks meer ter discussie, maar de consensus ten aanzien van de rol van de internationale gemeenschap is fragiel. Een aantal lidstaten lijkt zich oprecht zorgen te maken over de toepassing van RtoP, met name waar het de rol van de internationale gemeenschap betreft en de mogelijkheid tot gewapend ingrijpen. De zorgen van deze staten behoeven naar de mening van de AIV serieuze aandacht, en waar nodig en mogelijk tegemoetkomingen, wil operationalisering van RtoP een stap naderbij worden gebracht. In het algemeen wordt de discussie over soevereiniteit in hoge mate gedomineerd door de mogelijkheid tot (selectief) gebruik van militair geweld, hetgeen uiteindelijk slechts één aspect van RtoP is, dat bovendien als uiterste redmiddel moet worden beschouwd.

Reikwijdte
Voor de levensvatbaarheid van RtoP acht de AIV het van belang om het beginsel te beperken tot de vier genoemde misdrijven, zoals ook in het Slotdocument is bepaald (genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering en misdrijven tegen de menselijkheid), waarbij wel moet worden aangetekend dat de beschermingsplicht van staten ten aanzien van hun bevolkingen verder gaat dan RtoP. Daarmee is niet gezegd dat de internationale gemeenschap zich onverschillig zou moeten tonen ten overstaan van systematische mensenrechtenschendingen die buiten het beginsel van RtoP vallen. De AIV kan zich ook voorstellen dat het beginsel op den duur voor uitbreiding vatbaar is, maar dit is een ontwikkeling die zich geleidelijk zal moeten voltrekken, op basis van internationale rechtsontwikkeling.

2. De toepassing van de Responsibility to Protect

De AIV vindt het van belang om helderheid te scheppen over de conceptuele aspecten van RtoP, ook om op operationeel gebied vooruitgang te kunnen boeken. Het werken aan een breder draagvlak voor de verdere invulling van de normatieve aspecten is echter een langetermijnproces en de AIV is van mening dat de operationalisering van RtoP gelijktijdig moet worden bevorderd.

Instrumenten
De instrumenten die kunnen worden ingezet om RtoP te realiseren, omvatten een wijd scala aan activiteiten. Het gaat zowel om instrumenten waarmee een effect op lange termijn wordt nagestreefd (zoals het bevorderen van economische ontwikkeling, mensenrechten en goed bestuur) als instrumenten waarmee een effect op korte termijn wordt nagestreefd (zoals preventieve diplomatie en (de dreiging met) sancties of internationale strafvervolging). Ten behoeve van dit advies heeft de AIV een aantal specifieke instrumenten nader belicht die, indien ze verder worden ontwikkeld en uitgewerkt, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het operationaliseren van RtoP. Bij de keuze is rekening gehouden met de vraag of Nederland een rol zou kunnen spelen bij de bevordering en verdere ontwikkeling van deze instrumenten. Er wordt vooral ingegaan op de rol die staten en internationale organisaties kunnen spelen bij de operationalisering van RtoP. Maar de AIV merkt tevens op dat ook niet-statelijke actoren, zoals NGO’s, vaak een belangrijke factor zijn bij de implementatie van RtoP.

VN-instrumentarium
Ten aanzien van het VN-instrumentarium, komt de AIV onder andere tot de conclusie dat het early warning-systeem verdere versterking behoeft. Hiertoe zullen onder meer criteria moeten worden ontwikkeld om te beoordelen of er sprake is van een (zich ontwikkelende) RtoP-situatie. Een zorgwekkende situatie zou op basis hiervan op dusdanige wijze moeten kunnen worden geanalyseerd, dat er een reële inschatting kan plaatsvinden van de dreiging van een genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering of misdrijven tegen de menselijkheid. Hierbij is het van belang oog te hebben voor de wijze waarop specifieke groepen (zoals vrouwen, kinderen en inheemse volkeren) door de situatie worden geraakt.

Zowel de Mensenrechtenraad, de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, als het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs, kunnen bij de verzameling en analyse van gegevens een grotere rol spelen. Het verzamelen en analyseren van informatie als zodanig lijkt echter minder problematisch te zijn dan de vraag wat hiermee vervolgens gebeurt en hoe dit internationaal tot besluitvorming kan leiden. Een van de belangrijkste oogmerken van RtoP zou naar de mening van de AIV moeten zijn dat de kloof tussen beschikbare informatie en handelend optreden in de toekomst wordt overbrugd. In VN-verband is de versterking van de early warning-capaciteit in dit opzicht essentieel. De AIV meent dat het daarnaast zinvol zou kunnen zijn dat een internationaal adviesorgaan bestaande uit onafhankelijke eminente personen vroegtijdig risicovolle situaties kan signaleren en beveelt aan dat de mogelijkheden tot de instelling van een dergelijk adviesorgaan op korte termijn nader worden onderzocht.

Over de in 2005 opgerichte Peacebuilding Commission merkt de AIV op dat de PBC, om een factor van betekenis te kunnen worden in wederopbouwprocessen, meer situaties in behandeling dient te nemen en tevens ook in een eerder stadium. Het blijft een ernstige weeffout dat het mandaat van de PBC vooralsnog beperkt is tot post-conflictsituaties en niet preventie en de conflictfase zelf omvat. Daarnaast zou de capaciteit moeten worden ontwikkeld om ook bij zware gevallen als Afghanistan en Irak betekenisvolle bijdragen te leveren.

Regionale samenwerking
De toekomst van RtoP ligt volgens de AIV in belangrijke mate op regionaal niveau. Het nemen van maatregelen, ook preventief, op regionaal niveau kan, vanwege de nauwere relatie met de lokale context, effectiever zijn dan op mondiaal niveau en bovendien kan een groter gevoel van ownership het controversiële karakter aan sommige maatregelen ontnemen. Hierbij moet worden aangetekend dat een zekere mondiale verantwoordingsplicht wel gewenst is. Regionale samenwerking die is gekoppeld aan mondiale samenwerking biedt de beste perspectieven. Waar mogelijk zouden de relatie en communicatie tussen de VN en regionale actoren dan ook (verder) moeten worden versterkt. De AIV pleit daarnaast voor steun aan regionale capaciteitsopbouw en uitwisseling van best practices tussen regio’s onderling. Hierbij kan de EU een belangrijke rol vervullen. De kracht van de EU is dat de organisatie zowel intern als extern een instrumentarium heeft ontwikkeld dat kan bijdragen tot de preventie van gewelddadige conflicten en aan de bevordering van de rechtsstaat en de rechten van de mens.

Niet-militaire pressiemiddelen
Wanneer het gaat om een situatie van (dreigende) escalatie dienen in eerste instantie de mogelijkheden aan de orde te komen om niet-militaire pressiemiddelen in te zetten, zoals financiële of economische sancties, wapenembargo’s of politieke sancties. In dit verband moet met name worden gedacht aan targeted sanctions of smart sanctions; doelgerichte sancties die zijn gericht tegen specifieke politieke leiders of leden van hun regime van wie het handelen een bedreiging vormt van de vrede en veiligheid. Het Stockholm process on the Implementation of Targeted Sanctions en met name de concrete aanbevelingen die zijn gedaan om de effectiviteit van smart sanctions te bevorderen, verdienen in het licht van RtoP verdere aandacht. Hierbij moet tevens in ogenschouw worden genomen dat de preventieve ontplooiing van troepen van wezenlijk belang kan zijnom de effectiviteit van niet-militaire pressiemiddelen te bevorderen.

Voorts meent de AIV – in lijn met hetgeen de SGVN heeft bepleit – dat ook de AVVN op dit terrein een zinvolle bijdrage zou kunnen leveren, vanwege de legitimatie die besluitvorming door de AVVN met zich meebrengt. De in de Uniting for Peace-resolutie uit 1950 neergelegde procedure kan hiervoor de basis bieden.

Modaliteiten van militair optreden
De AIV hecht eraan om te benadrukken dat ook in het preventieve stadium en na afloop van een conflict de aanwezigheid van goed uitgeruste internationale troepen een belangrijke rol kan vervullen. Militair optreden met gebruik van geweld, ook wel gekwalificeerd als een coercive protection mission, dient als uiterste middel te worden beschouwd, nadat is gebleken dat een staat zelf niet in staat of bereid is om mensen te beschermen en als alle vreedzame middelen hebben gefaald.

De geloofwaardigheid en de impact van de VN bij de implementatie van RtoP hangen grotendeels af van de consistentie waarmee het beginsel kan worden toegepast en van de mate waarin willekeur kan worden voorkomen. Met het oog hierop is de AIV een voorstander van het opstellen van criteria voor het gebruik van geweld in het kader van RtoP. De lijst met criteria die de International Commission on Intervention and State Sovereignty heeft opgesteld, zou hierbij als richtlijn kunnen worden gebruikt. Hierin staan centraal: a) de ernst van de dreiging; b) het juiste motief voor militaire actie; c) uiterste middel (‘last resort’); d) proportionaliteit; en e) evenwichtige afweging van de gevolgen.

Als zich een situatie voordoet waarin de voorwaarden voor RtoP zijn vervuld, maar de VR niet tot besluitvorming kan of wil komen, moet worden geconstateerd dat de internationale gemeenschap, zoals belichaamd in de VN, er niet in is geslaagd haar verantwoordelijkheid te nemen en dat het beginsel van RtoP strikt genomen heeft gefaald. De AIV hecht eraan om te benadrukken dat het gebruik van geweld in RtoP-situaties zonder autorisatie van de VR volgens het geldend internationale recht niet is toegestaan. Mede op basis van de ontwikkelingen van de afgelopen jaren, pleit de AIV voor grote terughoudendheid op dit terrein. Bij het ontbreken van een VR-mandaat zou dergelijk ingrijpen met een beroep op de uitzonderlijke humanitaire noodsituatie kunnen worden gelegitimeerd, maar dit zou nimmer als vrijbrief mogen gelden voor eigenmachtig optreden van derden.

De AIV is er voorstander van dat dergelijk ingrijpen uiteindelijk een plaats zal krijgen binnen het internationale recht. De AIV pleit er daarom voor dat binnen het internationale recht ruimte wordt geschapen om in geval van uitzonderlijke nood met geweld in te grijpen in RtoP-situaties, zelfs als hiertoe een VR-mandaat ontbreekt. Hiermee zou het spanningsveld tussen legaliteit enerzijds en legitimiteit anderzijds, dat nu aan het ontstaan is en dat de AIV in principe onwenselijk acht, op den duur kunnen worden weggenomen.

Capaciteit civiel en militair optreden
In vrijwel alle post-conflictsituaties is sprake van een public security gap; de rechtsstaat en alle organen die ermee samenhangen zijn afgebroken of ernstig ondermijnd. Herstel hiervan vereist onder meer ondersteuning bij de (weder)opbouw van een politiemacht, de rechterlijke macht en publieke instellingen. In deze fase zal doorgaans wel een (geringe) internationale troepenmacht nodig zijn, maar daarnaast zal de inzet noodzakelijk zijn van onder andere politie, rechters, officieren van justitie en adviseurs op het gebied van openbaar bestuur, alsmede civiele organisaties die actief zijn op het terrein van onder meer traumaverwerking, het voorkomen van seksueel geweld en het rehabiliteren van jongeren.

Civiele componenten maken inmiddels deel uit van VN- en andere vredesoperaties, maar het (gefragmentariseerde) systeem dat op dit moment bestaat, behoeft verbetering en versterking. De noodzaak om het systeem van civiele standbycapaciteit te verbeteren zal – mede gezien het grote aantal vredesmissies van de VN met een civiele component – de komende jaren in VN-verband onverminderd aandacht behoeven. Hetzelfde geldt voor andere intergouvernementele (regionale) organisaties en lidstaten die deelnemen aan vredesoperaties.

Ten aanzien van militaire capaciteit heeft de AIV geconstateerd dat het draagvlak voor de ontwikkeling van een snelle reactiecapaciteit binnen de VN (standing force) gering is. De enige weg die momenteel begaanbaar lijkt te zijn om in de benodigde militaire capaciteit te voorzien, is zorg te dragen voor adequate standbyarrangementen van de VN, regionale organisaties, of afzonderlijke lidstaten.

Een beperkt aantal internationale organisaties heeft tot op zekere hoogte de competentie en de capaciteit om militair op te treden in het geval van genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering en misdrijven tegen de menselijkheid: de VN, EU, AU, ECOWAS en de NAVO. De AIV beveelt aan dat de opbouw van regionale capaciteit in het kader van de ASF en de ESF waar mogelijk verder wordt ondersteund. De NAVO en eventueel adhoccoalities bieden vooralsnog de beste perspectieven als met grote urgentie op zeer korte termijn met een aanzienlijke troepenmacht moet worden ingegrepen in het hogere geweldsspectrum.

Zowel internationale organisaties als individuele staten blijken nauwelijks te beschikken over doctrinevorming en training die specifiek zijn toegesneden op de bescherming van burgers onder onmiddellijke bedreiging van de massale wreedheden die in dit advies aan de orde zijn. In VN-verband wordt inmiddels gewerkt aan een operationeel concept dat een strategisch raamwerk moet bieden voor de bescherming van burgers bij VN-vredesoperaties. De AIV acht het wenselijk dat ook andere organisaties en individuele staten civiele bescherming als aandachtspunt opnemen bij de herziening van hun beleid ten aanzien van vredes- en stabilisatieoperaties. Bijvoorbeeld de herziening van het Strategisch Concept van de NAVO biedt hiertoe een mogelijkheid.

3. De rol van Nederland

De inbedding in het internationale recht van RtoP, de invulling en de operationalisering ervan hebben tijd, inzet en consistente aandacht nodig. Parallel hieraan – misschien deels vooruitlopend hierop – zal het beginsel in de praktijk langzaam maar zeker verder vorm moeten krijgen.

De AIV is van mening dat het voor deze processen van belang is dat er een aantal stuwende krachten is en dat Nederland zich als een van die krachten zou kunnen profileren. Dit komt overeen met de actieve rol die Nederland tot op heden heeft gespeeld ten aanzien van RtoP. Deze profilering is ook in lijn met het belang dat Nederland hecht aan de internationale bevordering en bescherming van mensenrechten en met de grondwettelijke taak die Nederland overeenkomstig artikel 90 van de Grondwet heeft om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Op basis hiervan concludeert de AIV dat het wenselijk is dat Nederland de verdere uitwerking en operationalisering van RtoP een plaats geeft in zijn buitenlands- en defensiebeleid in de bredere context van de bevordering en bescherming van de rechten van de mens. De AIV doet een aantal aanbevelingen voor de wijze waarop dit zich kan vertalen.

Beleidsvorming en organisatie van Nederland
Voor zover het de eigen beleidsvorming en organisatie betreft, acht de AIV het zinvol dat Nederland zich een helder beeld vormt van de inhoud, status en reikwijdte van RtoP – voor zover dit nog niet is gebeurd.

Op operationeel gebied, beveelt de AIV aan dat Nederland het instrumentarium waarover het zelf beschikt tegen het licht houdt om te beoordelen of het adequaat is ingericht om op een (dreigende) RtoP-crisis in te spelen. De AIV pleit voor voortzetting van de structurele inspanningen ter bevordering van ontwikkeling, mensenrechten, de rechtsstaat en hervormingen van de veiligheidssector. Deze inspanningen acht de AIV van belang om met recht te kunnen stellen dat Nederland operationalisatie en implementatie van RtoP hoog in het vaandel heeft. Daarnaast beveelt de AIV aan dat Nederland het eigen apparaat dusdanig inricht dat slagvaardig kan worden opgetreden in diverse stadia van een conflict. Ook dient hierbij te worden bekeken hoe Nederland het diplomatieke instrumentarium optimaal kan benutten.

Ten aanzien van de in Nederland beschikbare civiele capaciteit adviseert de AIV de regering (in lijn met eerdere adviezen op dit punt) om op korte termijn te besluiten over het instellen van een expertpool van snel uitzendbare civiele experts met verschillende achtergronden die bij crisisbeheersingsoperaties van belang zijn.

De AIV adviseert Nederland om bij het ontwikkelen van strategische visies/doctrine’s voor de eigen krijgsmacht de Responsibility to Protect en het concept van civiele bescherming als onderdeel op te nemen c.q. verder uit te werken. Ook bij de beleidsontwikkeling binnen multilaterale organisaties waarvan Nederland deel uitmaakt, geldt dat RtoP een aandachtspunt dient te zijn.

In het verlengde hiervan dient Nederland zich volgens de AIV te beraden op de vraag op welke wijze de Nederlandse bijdrage aan eventueel militair optreden in het kader van RtoP (in VN-, EU- of NAVO-verband of als onderdeel van een ad-hoccoalitie) effectief vorm kan krijgen en onder welke voorwaarden Nederland bereid is troepen te leveren, met inachtneming van het bestaande Toetsingskader voor de besluitvorming over uitzending van Nederlandse militairen. De toepassing van het beginsel van RtoP vereist in ieder geval heldere mandaten en Rules of Engagement voor uit te zenden militairen. De militairoperationele vereisten voor een goede uitvoering daarvan dienen vóór uitzending nader te worden uitgewerkt.

De AIV acht het zinvol dat Nederland meewerkt aan de verdere ontwikkeling van criteria voor het gebruik van geweld in het kader van RtoP – zo mogelijk in een kleiner internationaal verband (de EU, Group of Friends). Deze criteria kunnen richting geven aan het eigen beleid en een impuls geven aan het internationale debat op dit punt.

Nederlands optreden in internationaal verband
Hoewel duidelijk is dat de marges voor een normatief debat over de verdere invulling en afbakening van RtoP in New York momenteel klein zijn, beveelt de AIV wel aan dat Nederland zich ervoor inzet om de dialoog over conceptuele kwesties in kleinere kring te voeren of te faciliteren. Daarnaast adviseert de AIV Nederland de dialoog te zoeken met landen die terughoudend staan ten opzichte van RtoP om op die manier een gemeenschappelijk visie op de invulling van RtoP een stap dichterbij te brengen. Nederland zou de rol van ‘bruggenbouwer’ kunnen vervullen en de desbetreffende landen – waar mogelijk en zinvol samen met gelijkgezinde landen – bilateraal of regionaal kunnen benaderen. Daarbij zou ook aandacht moeten worden besteed aan de meer ontwikkelingsgerichte prioriteiten van staten die terughoudend staan ten opzichte van andere aspecten van RtoP.

De AIV beveelt aan dat Nederland waar mogelijk bijdraagt aan de versterking van het Vninstrumentarium ten behoeve van RtoP, vooral in het preventieve stadium. Nederland zou onder andere – wellicht in EU-verband – een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van nadere criteria om te beoordelen of er sprake is van een (dreigende) RtoP-situatie. Ook zou Nederland zich onder meer kunnen inzetten voor een grotere rol van de Mensenrechtenraad, voor het uitsturen van fact finding-missies en voor tijdig bemiddelend optreden van hiertoe specifiek geselecteerde en opgeleide Speciale Vertegenwoordigers van de SGVN.

De AIV adviseert Nederland om regionale samenwerking en leerprocessen van regio tot regio zoveel mogelijk te bevorderen, financieel of anderszins. De wijze waarop de EU zich heeft ontwikkeld tot een succesvol model van (regionale) samenwerking kan hierbij tot voorbeeld strekken. Het bevorderen van de samenwerking en communicatie tussen regionale actoren en de VN acht de AIV van groot belang. In dit verband wil de AIV ook aanbevelen dat Nederland zich ervoor inzet dat de EU tot een gemeenschappelijke opstelling komt over de gehele problematiek van RtoP.

Het ligt naar de mening van de AIV voor de hand dat Nederland zich inzet voor een goede follow-up van het Stockholm Process on the Implementation of Targeted Sanctions en voor de implementatie van voorstellen ter verbetering van de effectiviteit van sanctieregimes. In dit verband zou verder kunnen worden uitgediept hoe smart sanctions kunnen worden toegepast in het kader van RtoP.

Ten aanzien van militair optreden zou Nederland naar de mening van de AIV moeten bevorderen dat vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot de criteria voor het gebruik van geweld (met VR-mandaat) in het kader van RtoP, ook al zijn de marges hiervoor momenteel beperkt. Voorts beveelt de AIV aan dat Nederland (bilateraal dan wel in EU-verband) steun verleent c.q. de bestaande steun voortzet aan capaciteitsopbouw van regionale organisaties als de Afrikaanse Unie en ECOWAS. In het debat over de toekomstige taken van de NAVO zou Nederland zich volgens de AIV op het standpunt moeten stellen dat NAVO-optreden in (dreigende) RtoP-situaties mogelijk moet zijn, mits er een mandaat – en bij voorkeur een expliciet verzoek – van de VR aan ten grondslag ligt.

Tot slot beveelt de AIV aan dat Nederland zich binnen de VN en andere organisaties die de competentie en de capaciteit hebben om militair op te treden, actief inzet voor de operationele vertaling van mandaten om burgers te beschermen.

4. Tot slot

De AIV wil dit advies besluiten met twee algemene opmerkingen.

Ten eerste merkt de AIV op dat de Responsibility to Protect een belangrijke verschuiving belichaamt in het denken over het verbod op inmenging, zoals neergelegd in artikel 2(7) van het VN-Handvest. Dit verbod was in eerste instantie in algemene zin gericht op inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een staat (maatregelen door de VR onder Hoofdstuk VII uitgezonderd). Inmiddels zijn er, zoals ook in dit advies naar voren is gekomen, diverse terreinen waarop bemoeienis van buitenaf in toenemende mate is toegestaan (niet alleen mensenrechten, maar bijvoorbeeld ook handel en milieu). De Responsibility to Protect gaat een stap verder. Als beginsel staat het niet alleen inmenging toe, maar schept het juist een internationale verantwoordelijkheid om in bepaalde gevallen handelend op te treden. Het oorspronkelijke verbod op inmenging, een ‘negatieve’ verplichting, maakt dus plaats voor een verantwoordelijkheid of ‘positieve’ verplichting om juist wel op te treden in situaties waarin de levens van burgers op het spel staan. Deze ontwikkeling houdt verband met de humanisering van de internationale rechtsorde en is volgens de AIV in algemene zin van groot belang. Ze toont aan dat de zorg voor de duurzaamheid van de internationale (staten-)gemeenschap op het terrein van de rechten van de mens, en wellicht meer en meer op andere terreinen, zoals het milieu, als een gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt gezien.

Ten tweede is het op zijn plaats om aan het slot van dit advies over het voorkomen van rootschalige mensenrechtenschendingen een opmerking te maken over het belang van de politieke wil tot handelen. Bij het opstellen van dit advies heeft de AIV zich ten doel gesteld in te gaan op de vragen hoe de invulling en de toepassing van de Responsibility to Protect kunnen worden bevorderd en welke bijdrage Nederland hieraan kan leveren. De AIV is zich ervan bewust dat het afwenden van een (dreigende) genocide meer vereist dan een normatief kader om te handelen en het in stelling brengen van de juiste instrumenten. Zoals eerder is opgemerkt, is een van de belangrijkste oogmerken van de Responsibility to Protect om de kloof tussen de beschikbare informatie en handelend optreden in de toekomst te overbruggen. Hierbij is van doorslaggevend belang dat er op nationaal en internationaal niveau een politieke wil tot handelen is. Hoe deze politieke wil kan worden gemobiliseerd, is een vraag die buiten de reikwijdte van dit advies valt. Wel wil de AIV hierover in algemene zin het volgende opmerken. Het bestaan van een normatief kader dat gebaseerd is op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid tot bescherming en de beschikbaarheid van de instrumenten daartoe, betekenen nog niet dat het optreden van de internationale gemeenschap zoals belichaamd in de VN, kan worden gewaarborgd. Wel zal het steeds moeilijker worden om bij (dreigende) genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering of misdrijven tegen de menselijkheid het uitblijven van de politieke wil tot handelen te rechtvaardigen – ten overstaan van de media, het maatschappelijk middenveld, het bredere publiek, en vooral ten overstaan van de burgers van wie de rechten – en levens – in het geding zijn.

 

Adviesaanvraag

 Dit advies is uitgebracht op eigen initiatief.

 

Regeringsreacties

REGERINGSREACTIE OP HET AIV-ADVIES ‘NEDERLAND EN DE RESPONSIBILITY TO PROTECT’

1. Algemeen
Met waardering heeft de regering kennis genomen van het advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over ‘Responsibility to Protect’ (R2P). Nederland heeft zich de afgelopen jaren een actief pleitbezorger betoond van R2P. Tegen deze achtergrond heeft de AIV het zinvol geacht een advies uit te brengen over R2P. De regering ervaart dit advies als een waardevolle en goed gedocumenteerde ondersteuning van het beleid dat Nederland inzake R2P voorstaat.

De regering gaat in deze reactie op het advies allereerst in op de vraag wat R2P is. Vervolgens geeft de regering toelichting op de wijze waarop R2P geoperationaliseerd kan worden.

2. Normatieve betekenis van Responsibility to Protect
Tijdens de Wereldtop van de Verenigde Naties (VN) in 2005 hebben staatshoofden en regeringsleiders overeenstemming bereikt over R2P.1 Sindsdien heeft de SGVN een tweetal rapporten uitgebracht over R2P. In januari 2009 verscheen het rapport 'Implementing the Responsibility to Protect'. In juli 2010 ging hij in zijn rapport 'Early Warning, Assessment and the Responsibility to Protect' specifiek in op een van de aspecten van operationalisering van R2P.

In zijn eerste rapport onderscheidt de SGVN drie pijlers van R2P. De eerste pijler staat voor de primaire verantwoordelijkheid van de staat om de eigen burgerbevolking te beschermen tegen de vier R2P misdrijven: genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering en misdrijven tegen de menselijkheid. De tweede pijler betreft de toezegging van de internationale gemeenschap om staten daarbij te ondersteunen, onder meer door capaciteitsopbouw. Tot slot staat de derde pijler voor de verantwoordelijkheid van staten om ten aanzien van de vier R2P-misdrijven collectief, op tijd en vastberaden in te grijpen wanneer een staat de eigen bevolking niet kan of wil beschermen tegen massale wreedheden.

De AIV meent dat sinds het Slotdocument van de Wereldtop in 2005 relatief weinig tastbare vooruitgang is geboekt waar het de toepassing van R2P betreft. De regering deelt de mening van de AIV dat het nuttig is helderheid te scheppen over de normatieve betekenis van R2P, ter verbreding van het politieke draagvlak om R2P te operationaliseren. Sinds 2005 is, zoals de AIV stelt, R2P tot een beginsel geworden, een uitgangspunt voor handelen. Delen van R2P, vooral de verantwoordelijkheid van staten om de eigen bevolking te beschermen, zijn gegrond in het internationale recht (o.a. de Geneefse Conventie [oorlogsmisdrijven], het genocideverdrag en het Verdrag tegen Foltering). Als overkoepelend beginsel vormt R2P vooralsnog geen vastomlijnd internationaal recht. R2P behelst voor de regering dan ook vooral, zoals verwoord in de regeringsreactie op het AIV-advies 'Transitional Justice: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties', een politiek morele inspanningsverplichting en niet een juridische resultaatverplichting.

De regering is met de AIV tegenstander van een verbreding van R2P, bijvoorbeeld naar bescherming tegen schending van sociaaleconomische rechten. Het beginsel zou zo kunnen verwateren en aan kracht verliezen en de internationale gemeenschap zou om zeer uiteenlopende redenen kunnen ingrijpen in een soevereine staat. Critici van R2P zien hierin hun vrees voor willekeur en misbruik mogelijk bevestigd.

Nederland zal, zoals de AIV aanbeveelt, het normatieve debat over verdere invulling en afbakening van R2P in EU-verband vervolgen en indien opportuun in New York. De EU is reeds een actief pleitbezorger van R2P. Sinds juli 2010 is Nederland co-voorzitter van de Group of Friends of R2P in New York. Via de Group of Friends zal Nederland brede ‘outreach’ activiteiten ondernemen (variërend van bilaterale gesprekken tot seminars) en daarbij ook de zorgen adresseren van de critici die vrezen voor misbruik van R2P.

3. Operationalisering van R2P
De belangrijkste vraag is op welke wijze R2P in de praktijk vorm kan krijgen. De regering zal in deze reactie, na stil te staan bij regionale organisaties en het belang van vroegtijdige altertering, per pijler ingaan op de operationalisering van R2P en op de mogelijke Nederlandse rol zoals de AIV die voorstelt. De regering onderstreept nog eens dat de primaire verantwoordelijkheid voor bescherming van de bevolking ligt bij de eigen staat.

3.1 Regionale organisaties
De regering kan zich goed vinden in de conclusie van de adviesraad dat de toekomst van R2P in belangrijke mate op regionaal niveau ligt. Juist omdat R2P maatwerk verlangt, zullen (sub-) regionale organisaties immers in de praktijk een belangrijke rol spelen. In 2011 wordt een rapport van de SGVN verwacht dat zal gaan over de samenwerking van de VN met (sub)-regionale organisaties inzake R2P. Nederland zal, o.a. via de Group of Friends, inzetten op een ambitieus rapport met concrete aanbevelingen, adequate betrokkenheid van regionale organisaties in de discussie en tijdig debat in de AVVN.

3. 2 Early warning
Het vroegtijdig herkennen van R2P-situaties is van groot belang. De SGVN heeft in zijn rapport van juli 2010 een aantal voorstellen gedaan om de early warning capaciteit binnen de VN te verbeteren.

Een van de concrete voorstellen in het rapport is de oprichting van een gezamenlijk bureau van de Speciaal Adviseur inzake de Preventie van Genocide en de Speciaal Adviseur voor R2P. Dat zal tot verbetering moeten leiden van zowel informatie als analyse binnen de VN. Nederland heeft er met succes voor geijverd dat dit bureau qua financiering en ophanging regulier onderdeel van het secretariaat van de VN is geworden.

De Speciaal Adviseur inzake de Preventie van Genocide heeft ter beoordeling en analyse van gegevens op het vlak van genocide een early warning framework opgesteld. Dit raamwerk hanteert een achttal toetsingselementen om te kunnen beoordelen hoe situaties zich ontwikkelen.2 De Speciaal Adviseur is bezig om dit raamwerk aan te passen voor alle R2P-situaties. De regering zal deze inspanningen actief ondersteunen.

Tot slot is de bereidheid van actoren om informatie te delen essentieel voor het verwerven van voldoende relevante informatie. Nederland zal er voor blijven pleiten, zoals tijdens het debat in de AVVN over early warning, de bescherming van vertrouwelijke gegevens te verbeteren, hetgeen aan uitwisseling zal kunnen bijdragen.

3. 3 Pijler I - De beschermingsverantwoordelijkheid van de staat
Staten moeten beter toegerust zijn voor de bescherming van de eigen bevolking. De regering zal individuele landen blijven aanmoedigen om partij te worden bij relevante internationale (mensenrechten)verdragen. Het tegengaan van straffeloosheid en bevordering van de internationale rechtsorde zijn verankerd in het buitenlands beleid en in artikel 90 van de grondwet. Van belang is daarom dat landen ook de wetgeving implementeren die leidt tot het beëindigen van straffeloosheid op het gebied van de vier R2P-misdrijven. Toetreding hoeft geen direct preventief effect op plegers te hebben, maar is volgens de regering van belang voor het bestaan van een normatief internationaal gedragen kader. Het is enerzijds voor de bevolking helder welke verantwoordelijkheid de staat aanvaardt. Anderzijds vergroot het de druk op staten om in een R2P-situatie de eigen bevolking te beschermen.

Ook steunt de regering het idee van de SGVN en de AIV om regionale uitwisseling van best practices te bevorderen bij het implementeren van de relevante internationale mensenrechten en humanitaire standaarden. Tot slot ziet de regering een monitoringsrol weggelegd voor de Mensenrechtenraad, de Speciale Rapporteurs en aanvullend via landenexamens op het gebied van mensenrechten.

3.4 Pijler II - Internationale ondersteuning en capaciteitsopbouw
De maatregelen die de internationale gemeenschap kan nemen ter ondersteuning van staten bij bescherming van hun bevolking variëren van aanmoediging tot capaciteitsopbouw. Inzet van bijvoorbeeld de hoge commissarissen voor mensenrechten en vluchtelingen en van de speciale adviseurs, vertegenwoordigers en gezanten kan bijdragen aan het voorkomen van een conflict. De regering benadrukt dat zij zoveel mogelijk binnen en met bestaande structuren moeten werken om de effecten van hun inzet te laten beklijven.

Capaciteitsopbouw voor R2P maakt veelal onderdeel uit van het ontwikkelingsbeleid van internationale organisaties en landen: programma’s ter bevordering van de opbouw van de rechtsstaat, goed bestuur, hervorming van de veiligheidssector of gericht op sociaal-economische ontwikkeling. Deze programma’s stellen landen in staat zelf de bevolking te beschermen en dragen tevens bij aan conflictpreventie. Nederland is als bekend een actieve donor op bovenstaande gebieden en de regering zal hieraan blijvende prioriteit toekennen.

De regering meent daarnaast dat bevordering van mensenrechten integraal onderdeel moet uitmaken van programma’s als die op het gebied van goed bestuur en opbouw van de rechtsstaat. De regering zal in het mensenrechtenbeleid de komende jaren kiezen voor een geïntegreerde benadering van ‘mensenrechten, vrede en veiligheid’. In de geactualiseerde mensenrechtenstrategie zal hier nader op worden ingegaan. De Minister van Buitenlandse Zaken zal deze notitie uiterlijk 1 april 2011 aan het Parlement doen toekomen.

3.5 Pijler III - Tijdige en vastberaden reactie – specifiek militaire en civiele missies
De verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap verandert van aard wanneer staten hun eigen bevolking niet kunnen of willen beschermen tegen de vier R2P misdrijven.

Besluitvorming over het gebruik van instrumenten vindt grotendeels in de VN-Veiligheidsraad plaats. Gedacht moet worden aan bemiddeling, opschorten van lidmaatschappen, gerichte sancties, wapenembargo's, maar ook civiel en militair optreden. Om die besluitvorming tijdig te laten plaatsvinden legt de SGVN zichzelf de verplichting op om de Veiligheidsraad te zeggen 'what it needs to know, not what it wants to hear'. Ook vraagt hij de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad om af te zien van hun vetorecht bij besluitvorming over het ingrijpen in R2P-situaties.

In de ogen van de regering biedt hervorming van de Veiligheidsraad uiteindelijk het meeste zicht op effectiever optreden van de internationale gemeenschap. De regering heeft herhaaldelijk gepleit voor een meer representatieve Veiligheidsraad. De Raad wint daarmee aan legitimiteit. In het kader van de discussies over de hervorming van de Veiligheidsraad steunt Nederland het bovengenoemde idee van een gedeeltelijke beperking van het vetorecht.

Bij bespreking van het instrumentarium voor tijdige en vastberaden actie besteedt de AIV vooral aandacht aan de militaire en civiele missies. Ontplooiing van deze missies kent de grootste uitdagingen. De regering stelt dit instrument daarom eveneens centraal.

a. Capaciteit
Afgaand op de groeiende behoefte van de EU, de NAVO, de OVSE en de VN aan militaire en civiele missies, is de verwachting dat deze organisaties de komende tijd een groot beroep blijven doen op hun lidstaten voor bijdragen. De regering onderkent de grote vraag naar civiele expertise en de geringe beschikbaarheid binnen de publieke sector ondermeer vanwege binnenlandse behoeften en verplichtingen. De regering is voornemens te komen tot een nationale strategie voor de Nederlandse inzet in civiele missies. Hierin zal het ambitieniveau van de Nederlandse civiele inzet, mogelijk ook aangevuld vanuit de private sector, worden vastgelegd en zullen strategische accenten worden gelegd. De regering onderzoekt de oprichting van een interdepartementale expertpool. Intussen werkt BZ aan de verdere professionalisering van de eigen uitzendcapaciteit, de zogenaamde korte missie pool.

Voor Nederlandse militaire capaciteiten zal de vraag zich toespitsen op kwalitatief hoogstaande militaire bijdragen aan operaties in complexe conflictsituaties, waarbij vaak nauw moet worden samengewerkt met civiele partijen.3 Een hoogwaardige krijgsmacht als de Nederlandse kan door de inzet van weinig militairen in kwalitatieve zin relatief veel bijdragen aan zulke operaties en daardoor aan het succes ervan. Naast operaties blijven civiel-militaire samenwerking op het terrein van veiligheid en advisering over de hervorming van de veiligheidssector van grote betekenis.

De regering is het eens met de AIV dat een verdere ontwikkeling van een snelle reactiemacht voor de VN slechts beperkte internationale steun geniet. In de ogen van de regering volstaan de bestaande instrumenten op dit terrein, zoals de EU Battlegroups, de NATO Response Force, maar ook de civiel militaire European Gendarmerie Force. Naast eigen capaciteitsontwikkeling, vindt Nederland ook dat regionale instrumenten, zoals de twee regionale brigades (EASBRIG en ECOWAS) van de Afrikaanse Unie, verdere steun verdienen bij hun ontwikkeling.

b. Modaliteiten militair optreden
Wanneer militair optreden ter sprake komt, wordt vaak automatisch gedacht aan gewapend ingrijpen op basis van Hoofdstuk VII van het VN-Handvest, zo stelt de AIV. De regering is het met de AIV eens dat ook in het preventieve stadium en na afloop van een conflict de aanwezigheid van goed uitgeruste internationale troepen een belangrijke rol kan vervullen.

De toepassing van geweld is evenwel het meest omstreden onderdeel van het scala aan R2P-instrumenten. Voor de visie van de regering op de rechtsgrondslag en mandaat van missies waaraan Nederland overweegt deel te nemen en op het begrip humanitaire interventie zij verwezen naar de desbetreffende notities die het Parlement al eerder zijn toegegaan.4

Voor de Nederlandse bereidheid tot Nederlandse inzet van militairen blijft uiteraard het Toetsingskader uit 2009 leidend.

c. Regionale samenwerking
Goede samenwerking tussen de VN en regionale organisaties komt de effectiviteit van militair optreden ten goede. Samenwerking is temeer van belang daar troepen in toenemende mate via de EU, de NAVO en de Afrikaanse Unie (AU) worden ingezet.

Het groeiend aantal EU-operaties en missies maakt de noodzaak van goede samenwerking tussen de VN en EU groot. Interoperabiliteit, wederzijdse logistieke ondersteuning en gedeelde standaarden voor politie en Rule of Law activiteiten behoeven verbetering. Nederland bepleit in EU-verband concrete stappen op deze terreinen.

De NAVO is voor de VN een belangrijke partner vanwege de grote operationele en militaire capaciteit van deze organisatie. De regering bepleit intensivering van deze samenwerking die een duidelijke plaats kreeg in het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO.

De AU ziet voor zichzelf als regionale organisatie een rol weggelegd bij de handhaving van vrede en veiligheid op het Afrikaanse continent. Daarbij ziet de AU voor financiering, logistiek en militaire ondersteuning een rol voor de VN weggelegd. In lijn met het AIV-advies, ondersteunt Nederland de African Peace and Security Architecture van de AU.

4. Conclusie
De regering stelt vast dat R2P wereldwijd in toenemende mate wordt gezien als een beginsel van internationale betrekkingen. Dit beginsel rust op drie pijlers. Staten hebben een verantwoordelijkheid hun bevolking te beschermen tegen de vier R2P misdrijven: genocide, etnische zuivering, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. De internationale gemeenschap moet staten - die dat nodig hebben - helpen de bescherming van hun bevolking beter te waarborgen. De internationale gemeenschap heeft een verantwoordelijkheid om collectief, op tijd en vastberaden in te grijpen indien een staat de eigen bevolking niet kan of wil beschermen tegen massale wreedheden. Alle landen dienen bij te dragen aan dit beginsel. Delen van het beginsel zijn gegrond in het internationale recht, maar de drie pijlers van R2P gezamenlijk vormen vooralsnog geen vastomlijnd internationaal recht. Dat geldt met name voor de derde pijler van R2P. De komende jaren zal de discussie over een nadere duiding van R2P en mogelijk ook de juridische verankering van het beginsel doorgaan. Dat zal een weerbarstig proces zijn. De uitkomst van dat proces zal mede beïnvloed worden door de manier waarop R2P in de praktijk wordt gebracht.

R2P heeft een belangrijke plaats binnen het Nederlandse buitenlands beleid, meer in het bijzonder in het beleid ten aanzien van de bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde en het mensenrechtenbeleid. Overeenkomstig het AIV-advies zal Nederland trachten de discussie over de normatieve betekenis van R2P te vervolgen en zich blijven inzetten voor de operationalisering van R2P.
____________________________

1 Paragraaf 138 en 139 van het Slotdocument van de wereldtop.
2
http://www.un.org/preventgenocide/adviser/pdf/OSAPG%20AnalysisFrameworkExternalVersion.pdf
3 Eindrapport ‘Verkenningen. Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst’ (29 maart 2010), p111.
4 Notitie rechtsgrondslag en mandaat van missies met deelname van Nederlandse militaire eenheden TK 2006-2007, 29 521, nr. 41, p. 8, waarin ook wordt verwezen naar de Kosovo-crisis van 1999 en Advies humanitaire interventie (2000), p. 25; Notitie humanitaire interventie (2001), TK 2001–2002, 27 742, nr. 5.
 
Persberichten

Adviesraad Internationale Vraagstukken pleit voor betere bescherming tegen massale mensenrechtenschendingen

Den Haag, 26 juli 2010

Hoe moet de internationale gemeenschap reageren op grootschalige wreedheden zoals begaan in onder andere Rwanda, Srebrenica en Kosovo? In reactie op deze vraag aanvaardden regeringsleiders en staatshoofden tijdens de VN-wereldttop in 2005 het beginsel van de Responsibility to Protect. Hiermee werd de verantwoordelijkheid vastgelegd van staten én van de internationale gemeenschap als geheel om bevolkingen te beschermen tegen genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering en misdrijven tegen de menselijkheid. Vijf jaar later brengt de Adviesraad Internationale Vraagstukken een advies uit over de betekenis van dit beginsel en over de wijze waarop Nederland er invulling aan kan geven.

Als een staat zelf niet in staat of bereid is om mensen te beschermen tegen massale wreedheden, gaat de verantwoordelijkheid tot het bieden van bescherming volgens de Responsibility to Protect over op de internationale gemeenschap. De consensus hierover is nog fragiel, maar de AIV meent toch dat er sprake is van een beginsel van internationaal recht in wording, dat in toenemende mate richting geeft aan het denken over soevereiniteit, mensenrechten en vrede en veiligheid.

De AIV doet een aantal voorstellen om het internationale draagvlak voor de Responsibility to Protect te verbreden en om de toepassing van het beginsel in de praktijk te bevorderen. Zo meent de AIV dat de early warning-capaciteit van de Verenigde Naties moet worden versterkt en beveelt de AIV aan om de instelling te overwegen van een onafhankelijk internationaal adviesorgaan dat vroegtijdig risicovolle situaties kan signaleren. Ook pleit de AIV ervoor om optimaal gebruik te maken van pressiemiddelen als gerichte financiële sancties, wapenembargo’s of politieke sancties en van de mogelijkheid tot preventieve stationering van militaire troepen, wanneer een situatie dreigt te escaleren.

Militair optreden met gebruik van geweld is een uiterste middel, waarmee naar de mening van de AIV voorzichtig moet worden omgegaan. Waar de autorisatie van de Veiligheidsraad ontbreekt, pleit de AIV voor grote terughoudendheid. Als militair of civiel optreden – preventief of anderszins – noodzakelijk is, acht de AIV het van belang dat adequate capaciteit voorhanden is. In dit verband constateert de AIV met enige zorg dat internationale organisaties zoals de VN, de Europese Unie, de Afrikaanse Unie en de NAVO, en ook individuele lidstaten, nauwelijks beschikken over strategievorming en training die specifiek zijn gericht op de bescherming van burgers onder de onmiddellijke bedreiging van massale wreedheden.

De AIV pleit ervoor dat Nederland de Responsibility to Protect een plaats geeft binnen zijn buitenlands- en defensiebeleid en hieraan ook concrete consequenties verbindt. Dit impliceert onder andere voortzetting van de inspanningen ter bevordering van ontwikkeling, mensenrechten en de rechtsstaat en een inrichting van het eigen apparaat die slagvaardig optreden in diverse stadia van een conflict mogelijk maakt, met optimale benutting van het diplomatieke instrumentarium. Ook zal Nederland zich volgens de AIV moeten beraden op de vraag hoe een Nederlandse bijdrage aan eventueel militair en/of civiel optreden in het kader van de Responsibility to Protect (in VN-, EU-, of NAVO-verband of als onderdeel van een ad-hoccoalitie) effectief vorm kan krijgen.