Het mensenrechtenbeleid van de Nederlandse regering; zoeken naar constanten in een veranderende omgeving

22 maart 2011 - nr.73
Samenvatting

Slotopmerkingen

In het voorafgaande werden diverse beleidsaanbevelingen opgenomen. Omdat zij zijn opgenomen aan het eind van elk blok, met bovendien een speciale lay-out, acht de AIV het niet nodig deze hier te herhalen. Wel reflecteert de AIV hierna nog op een aantal thema’s die in de geraadpleegde Kamerstukken slechts zijdelings aan de orde kwamen, terwijl ze wel van groot belang zijn voor een goed begrip van de gedachtegang en inzet van de AIV.

  • .Het valt de AIV op dat de regering tijdens de Kamerdebatten vaak over de rechten van de mens sprak als ‘morele verplichtingen’. De AIV wijst erop dat veel van die verplichtingen zijn vastgelegd in juridisch bindende verdragen of zelfs dwingendrechtelijk van aard zijn. Het zou de regering, daar waar zij een en andermaal heeft gesteld pal te staan voor de internatonale rechtsorde, naar de opvatting van de AIV sieren indien zij mondiale en nationale debatten zoveel mogelijk zou voeren met de internationaalrechtelijke verworvenheden en bijpassende, op het recht gestoelde argumenten bij de hand. Sterker: de bevordering van het internationale recht lijkt zozeer bij Nederland te horen, dat de regering als het ware de eigen aard van ons land verloochent als zij discussies niet op die manier voert. Dat laat onverlet dat internationaalrechtelijke antwoorden niet altijd en overal het laatste noch het enige antwoord hoeven te zijn.1
  • De verbinding van de rechten van de mens met andere beleidsterreinen is essentieel, zoals door de regering met kracht betoogd en door de AIV ten volle onderschreven. In de eerste grote mensenrechtennota van Nederland, uit 1979, werden de rechten van de mens benoemd als ‘een wezenlijk bestanddeel’ van het Nederlandse buitenlands beleid. De nota zegt in de beleidsconclusies echter ook dat de regering zich inspant om aan de bevordering van de rechten van de mens bij te dragen ‘zonder onaanvaardbare schade toe te brengen aan andere waarden en belangen die zij dient te behartigen’.2 Het klinkt bekend in het licht van de actuele Kamerdebatten, maar is dus al van langer tijden. Het zijn ook vergelijkbare gedachten geweest die eerdere kabinetten hebben ingegeven te spreken over ‘ontschotting’ van het buitenlands beleid, een notie trouwens waaraan ook de AIV zijn vormgeving heeft te danken. Dat de mogelijkheden van de economie op het vlak van de realisering van de mensenrechten lange tijd zwaar onderbelicht zijn gebleven is te herleiden tot de Oost-West-tegenstelling, maar ook tot het feit dat te vaak werd gedacht in termen van sectoren of beleidsgebieden die elkaar hooguit aan de buitenkant raken. Iets vergelijkbaars lijkt te gelden voor de Nederlandse regering, zoals in dit advies besproken onder het kopje ‘Beleidscoherentie’. Daarbij geldt dat velen die actief zijn in de internationale economische en financiële wereld in de praktijk van alledag nog altijd weinig denken in termen van te beschermen mensenrechten en ook niet graag samenwerken met mensenrechtenspecialisten omdat deze in hun ogen moralistisch en te weinig pragmatisch georiënteerd zouden zijn. Op dat vlak is er aan veel kanten nog een wereld te winnen.
  • Bij het formuleren van desiderata voor het mensenrechtenbeleid van de Nederlandse regering had de AIV geneigd kunnen zijn de nota uit 1979 of latere beleidsnota’s, zoals meest recent die uit 2007 (‘Naar een menswaardig bestaan’), als een vaststaand referentiepunt te hanteren. De AIV heeft dat niet willen doen, omdat tijden en politieke inzichten veranderen en ook mogen veranderen. Zo bijvoorbeeld gaat de nota uit 1979 nog uitvoerig in op ‘Mensenrechten en de Oost-West-betrekkingen’ en bespreekt hij wel al de rol van NGO’s, maar dan met veel accent op de vraag hoe deze kunnen worden beschermd tegen aanvallen van regeringen, terwijl nog niet werd uitgegaan van de veel grotere rol die zij thans spelen, ook en vooral op het vlak van de mondiale realisering van de rechten van de mens. Bovendien hebben nieuwe kabinetten het recht nieuwe prioriteiten te stellen. Niettemin: waar het in dit advies om gaat is wel de kernboodschap uit nota’s als de genoemde overeind te houden, op zoek naar constanten in het beleid. Bestudering van recente Kamerstukken laat zien dat het voorgenomen buitenlands beleid op het vlak van de rechten van de mens op papier en op hoofdlijnen wellicht weinig verandering zal ondergaan. Waar het dan op aankomt is in concrete situaties aan de rechten van de mens – in ‘enge zin’ of in interactie met andere beleidsterreinen − een ten minste gelijkwaardige plaats toe te kennen, ook als dat (op de korte termijn) ongemak veroorzaakt.
  • Tot slot: wie extern effectief wil zijn moet intern niet (al te) kwetsbaar zijn voor kritiek. ‘Practice what you preach.’ Het principe kwam in de Kamer en in dit advies enkele malen kort aan de orde, en werd tijdens de begrotingsbehandeling expliciet door het kabinet onderschreven. Nu is dit een principe waar niemand spontaan tegen zal zijn. De vraag is dan hoe ver het reikt en wanneer het in het geding is. Zo doet de wens verdragen en richtlijnen op het terrein van asiel en migratie te herzien, de – objectieve en neutrale – vraag rijzen wat dat betekent voor de geloofwaardigheid van Nederland in het buitenland. Een concreet antwoord op die vraag is vooralsnog niet te geven en hangt bovendien sterk samen met het perspectief van waaruit naar de zaak wordt gekeken. Toch wil de AIV de regering aanbevelen bij de vormgeving van haar (interne) beleid op het terrein van asiel en migratie – met zijn uiteenlopende aspecten, waarvan sommige potentieel raken aan fundamentele rechten en andere zijn gericht op verbetering van de integratie en daarmee op het dienen van de belangen van asielzoekers en migranten − scherp voor ogen te houden wat dat doet met het gelijktijdig voorgestane beleidsdoel van de bevordering van de internationale rechtsorde. Formeel-juridisch zijn beide actielijnen wellicht verenigbaar, maar de voorgenomen inspanningen op het vlak van asiel en migratie zullen de externe effectiviteit en geloofwaardigheid van het regeringsbeleid op mensenrechtengebied naar de inschatting van de AIV wel degelijk beïnvloeden en op de proef stellen, en vragen vanuit dat perspectief om aanhoudende en serieuze aandacht.

_______________________________

Zie ook: Willem van Genugten en Nicola Jägers, ‘Land veroveren gaat niet vanzelf. Over de permanente
   en inherente spanning tussen internationaal recht en (internationale) politiek’, in maart te verschijnen in
   het Nederlands Juristenblad; A. van Staden, Between the Rule of Power and the Power of Rule. In Search
   of an Effective World Order, Leiden/Boston: Martinus Nijhoff Publishers, 2007.
Nota De rechten van de mens in het buitenlands beleid, TK 1978-1979, 15571, nrs. 1-2, p. 6, resp. p. 100.

 

Adviesaanvraag
Regeringsreacties
Persberichten

Adviesraad Internationale Vraagstukken pleit voor behoud constante waarden in Nederlands mensenrechtenbeleid
 

Den Haag, 22 maart 2011

In een advies getiteld Het mensenrechtenbeleid van de Nederlandse regering; zoeken naar constanten in een veranderende omgeving gaat de Adviesraad Internationale Vraagstukken in op de vraag hoe de regering in de steeds veranderende internationale context haar buitenlands beleid vorm geeft en welke plaats daarbij is weggelegd voor het internationale recht, in het bijzonder dat op het terrein van de rechten van de mens.

Het advies is bedoeld als reflectie op het mensenrechtenbeleid zoals gevoerd in de eerste maanden van het nieuwe kabinet en als input voor de notitie over het mensenrechtenbeleid die het kabinet per 1 april a.s. aan de Kamer heeft toegezegd. De AIV gaat onder andere in op de bevordering van de rechten van mens ‘in enge zin’; op de relatie van mensenrechten tot andere beleidsterreinen (vrede en veiligheid; ontwikkelingssamenwerking; handel en economie) en op mensenrechtenschendingen, vredesprocessen en straffeloosheid.

In algemene zin constateert de AIV dat onder invloed van (mondiale en nationale) maatschappelijke spanningen gemakkelijk erosie van het internationale recht en van de internationale rechtsorde kan plaatsvinden. Onderhoud en versterking van deze verworvenheden is dan van fundamenteel belang, juist ook door een land als Nederland, dat de bevordering van de internationale rechtsorde in zijn Grondwet heeft staan en dat het opkomen voor het internationale recht altijd als constante binnen het buitenlands beleid heeft beschouwd.

In dit licht beveelt de AIV onder andere aan dat nationale en internationale debatten over de rechten van de mens worden gevoerd met gebruikmaking van op het recht gestoelde argumenten en niet zozeer op basis van ‘morele verplichtingen’, zoals de regering nu vaak doet. Ook pleit de AIV voor coherentie tussen het externe en het interne mensenrechtenbeleid van Nederland. In lijn hiermee beveelt de AIV de regering aan om bij de vormgeving van haar interne beleid op het terrein van asiel en migratie scherp voor ogen te houden hoe zich dit verhoudt tot het gelijktijdig voorgestane beleidsdoel van de bevordering van de internationale rechtsorde, alsook in welke zin intern gevoerd beleid mogelijkerwijs het externe recht van spreken beïnvloedt.

Op basis van recente Kamerstukken wordt geconcludeerd dat het voorgenomen buitenlands beleid op het vlak van de rechten van de mens op papier en op hoofdlijnen wellicht niet veel veranderingen zal ondergaan. Maar waar het op aankomt, aldus de Adviesraad, is om mensenrechten ook in de praktijk een ten minste gelijkwaardige plaats toe te kennen ten aanzien van andere beleidsterreinen, ook als dat (op korte termijn) ongemak veroorzaakt.

AIV

De AIV is een onafhankelijke raad die de regering en de Staten-Generaal adviseert over buitenlands beleid. Voorzitter is minister van Staat mr. F. Korthals Altes. Het advies Het mensenrechtenbeleid van de Nederlandse regering; zoeken naar constanten in een veranderende omgeving is voorbereid door de Commissie Mensenrechten van de AIV, onder voorzitterschap van prof.dr. W.J.M. van Genugten.