Naar betere mondiale financiële verbondenheid: het belang van een coherent internationaal economisch en financieel stelsel

4 augustus 2014 - nr.89
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

De voorgaande hoofdstukken geven een beeld van een internationaal economisch en financieel stelsel dat steeds minder goed aansluit bij zich wijzigende omstandigheden. Ondanks aanpassingen die zijn doorgevoerd in de loop der jaren doet het verouderd aan. Ontwikkelingen als de sterk in omvang toegenomen financiële stromen, vervlechting van financiële markten, accumulatie van vermogen, soms uitbundige groei van de hoeveelheid geld door ruim monetair beleid en doorwerking van handelsoverschotten zoals in China vanwege strikt vasthouden aan een te lage wisselkoers aldaar, doen de financiële stabiliteit in de wereld afnemen. Voeg daarbij de snelle uitbreiding van innovatieve en vaak moeilijk beheersbare financiële diensten, het groeiende aantal verdragen en instellingen en de opkomst van regionale financieringsregelingen en het is duidelijk dat toekomstige uitdagingen minstens zo complex zijn.

Zijn verdere aanpassingen in het huidige stelsel, die vooral reactief van aard zullen zijn, afdoende? Of is de wereld beter af met een hernieuwde opzet van internationale financiële architectuur die de belangen van een grotere groep landen behartigt?

Het is de mening van de AIV dat het internationale economische en financiële stelsel niet opnieuw ontwikkeld hoeft te worden. Wel is het huidige stelsel aan grondige herziening toe en kunnen onderdelen op termijn mogelijk worden samengevoegd om te voorkomen dat (terechte) onvrede over aspecten ervan leidt tot verdere opsplitsing en uitholling ervan. Dergelijke hervormingen lijken zeker haalbaar. Volgens de AIV ligt de sleutel in het bereiken van intergouvernementele overeenstemming over aanpassingen in beleid en beheersstructuren en mogelijk de creatie van een overkoepelende supranationale laag.

Een duidelijker politieke opstelling met betrekking tot veranderingen in het internationale economische en financiële stelsel wordt echter belemmerd door een sterk toegenomen wantrouwen van de politiek en de publieke opinie jegens de financiële sector. Ondanks maatregelen die vele regeringen genomen hebben om het vertrouwen in nationale economische en financiële stelsels terug te winnen (zoals vergrote regulering, uitgebreider banktoezicht, aanmaning tot versobering van beloningsen bonusregelingen en zelfs overname van banken) is het publieke vertrouwen in nationale financiële systemen niet hersteld. Het terugwinnen van dergelijk vertrouwen zou het draagvlak voor gewenste veranderingen in het internationale economische en financiële stelsel vergroten. De AIV ziet daarom een nieuw advies van de WRR over de gevolgen van ‘financialisering’ in Nederland, dat naar verwachting in de loop van 2015 zal verschijnen, met belangstelling tegemoet.

Samengevat ziet de AIV als kernproblemen: (i) het ontbreken van een coherente en breed gedragen visie op hoe mondiale financieel-economische stabiliteit te bereiken en duurzame economische groei in de wereld te stimuleren; (ii) het ontbreken van een duidelijke coherente en mondiaal gedragen agenda inclusief prioriteiten en posterioriteiten, mede in de hand gewerkt door prevalerende nationale belangen; en (iii) een achterblijvende beheersstructuur, tot uiting komend in onder andere het ontbreken van slagvaardige en representatieve mondiale toezichtmechanismen.

Specifiek voor lage-inkomenslanden geldt dat hun economieën minder geïntegreerd zijn in de wereldeconomie. Daardoor bleven deze landen buiten schot van de directe gevolgen van de mondiale crisis in 2008. De effecten werden wel gevoeld in de jaren daarna, als gevolg van financiële instabiliteit en hevige schommelingen in kapitaalbewegingen wereldwijd. De groep lage-inkomenslanden als geheel zag een vervijfvoudiging van investeringen door buitenlands kapitaal binnen tien jaar tijd. Maar de verschillen onderling waren groot. Na de crisis bleven kapitaalstromen naar deze landen redelijk op peil al werd het karakter ervan volatieler. Sommige lageinkomenslanden lieten zelfs een netto uitstroom van kapitaal zien, vermoedelijk in de hand gewerkt door het ontbreken van markten en beleggingsmogelijkheden, fiscale motieven en risico’s van slecht beleid. Van remmende invloed was ook de door sommigen als te negatief ervaren perceptie van hun risicoprofiel. De AIV is daarom van mening dat aanpassing van het internationale economische en financiële stelsel ook voor hen van grote betekenis is.

Het antwoord op de adviesvraag: ‘zijn de kleinere opkomende en armere landen voldoende vertegenwoordigd in het huidige financiële stelsel?’ luidt volmondig: nee. Onverkort is dat een probleem dat zich voor veel meer landen voordoet. Ook middeninkomenslanden voelen zich in het huidige stelsel tekort gedaan. Op het punt van representatie komen multilaterale instellingen als het IMF en de Wereldbank er beter van af dan informele overlegorganen als de G20. Per slot van rekening zijn landen formeel lid van die instellingen en weten ze zich vertegenwoordigd in kiesgroepverband. Dit staat in contrast met een orgaan als de G20 waarvan de regievoering en besluitvorming goeddeels buiten hen om plaatsvindt.

De aanbevelingen hieronder zijn geldig voor alle ontwikkelingslanden, inclusief de groep lage-inkomenslanden. Ze zijn ingegeven door het besef dat marktkrachten in het financiële stelsel onvoldoende gericht zijn op het bereiken en behouden van stabiliteit:

  • kapitaalstromen vertonen procyclische neigingen;
  • krediet zoekt gunstige risico/rendementverhoudingen en niet zozeer investerings- mogelijkheden die maatschappelijk meest gewenst zijn; en
  • voortschrijdende technologie leidt tot moeilijk te beheersen schaalvergroting en complexiteit van financiële producten, waardoor systeemrisico’s toenemen en voortdurende aanpassing van internationale regulering vereist is.

Een deel van de aanbevelingen richt zich op sterker en efficiënter overheidsingrijpen al realiseert de AIV zich dat dit als mogelijke keerzijden heeft:

  • moral hazard, ofwel het bieden van de mogelijkheid om ongestraft financieel risico te nemen in de wetenschap dat overheden indien nodig te hulp komen;
  • oneigenlijk gebruik van middelen, misbruik en corruptie; en
  • toenemende complexiteit en administratieve belasting, wat kan worden beperkt door (ondersteunen van) opbouw van expertise.

Aanbevelingen ten behoeve van global governance en representativiteit

  • De regering dient de oprichting van een Global Economic Coordination Council (GECC) te ondersteunen. Een dergelijk verdragsorgaan zou op een verbeterde manier de rol spelen die de G20 naar zich heeft toegetrokken, met eenzelfde capaciteit om zich op elk moment te concentreren op cruciale economische en financiële kwesties die leiderschap op het hoogste politieke niveau vereisen en de institutionele grenzen van de verschillende internationale gremia overschrijden.
     
  • Nederland moet pleiten voor het laten evolueren van de FSB tot een mondiaal coördinatieorgaan, of in ieder geval een mondiale beleidsinstelling voor het gehele internationale financiële stelsel met deelneming – in evenredigheid – van alle landen. Doel van een dergelijk geëvolueerde Board zou zijn: het ontwikkelen van een breed gedragen visie over hoe monetair en financieel beleid kan worden geharmoniseerd (dollar-euro) en een agenda hoe op coherente wijze relevante onderdelen van architectuur kunnen worden aangepast. Hervormingen op nationaal niveau maken hier onderdeel van uit.
     
  • Sinds de Vienna Declaration on Human Rights van 1993 wordt internationaal onderkend dat de de rechten van de mens in brede zin en de werking van het internationale economische en financiële stelsel met elkaar verbonden zijn. Mede daarom moet de post-2015 ontwikkelingsagenda meer aandacht schenken aan governance. Indachtig het belang van financiering van deze agenda zou Nederland een nieuwe VN-conferentie Financing for Development, zoals ook werd gehouden om financiering van Millennium Development Goals te bespreken, kunnen voorstellen en eventueel organiseren.
     
  • Nederland moet zich blijven inzetten voor een grotere rol van SDRs ter aflossing van de rol van de dollar. Hoewel een meervoudige doelstelling als monetair instrument ten behoeve van ontwikkelingsfinanciering moeilijk te realiseren blijkt en de omvang van huidige reserves relatief beperkt is, kan uitgifte van SDRs van belang zijn voor lage-inkomenslanden omdat hen zo toegang wordt geboden tot stabielere reservemunteenheden.
     
  • Nederland moet blijven aandringen op versnelde aanpassing van de zeggenschapsverhoudingen in de voornaamste onderdelen van het financiële stelsel zoals het IMF en de Wereldbank, waarbij westerse landen ruimte moeten gunnen aan al opgekomen en opkomende landen. Als dit niet gebeurt, verliest het IMF gezag bij deze landen en wordt internationale coördinatie bemoeilijkt. Het opdelen van de Nederlandse zetel bij het IMF mag als voorbeeld gelden.
     
  • Nederland moet krachtiger pleiten voor een universeel debt-workout mechanisme. Een groot mankement in het internationale financiële stelsel is de afwezigheid van een algemeen aanvaard schuldafhandelingsmechanisme dat van belang is voor lage-inkomenslanden maar ook, zoals de huidige crisis in Europa laat zien, voor het Westen. Een debt-workout mechanisme kan verschillende vormen aannemen.

Aanbevelingen ter wille van vergroting van financiële stabiliteit

  • Nederland moet zijn beleidsinvloed in de FSB en het IMF aanwenden voor ondersteuning van initiatieven voor een prudente regulering van inkomende kapitaalstromen, met als doel om grote schommelingen daarin tegen te gaan. Nederland moet ervoor waken dat de beleidsruimte van met name lage-inkomenslanden om inkomend kapitaal te reguleren, niet geheel wordt beperkt door liberaliseringseisen in internationale verdragen.
     
  • Nederland moet ook pleiten voor initiatieven om uitgaande kapitaalstromen tot op zekere hoogte te reguleren, wederom met als doel om grote schommelingen daarin tegen te gaan. Dergelijke regulering zou wereldwijd moeten gelden, vanuit de erkenning dat daarmee de stabiliteit van het gehele stelsel wordt bevorderd, wat gunstig is voor alle landen, maar zeker voor meer kwetsbare ontwikkelingslanden. Dergelijke regulering kan bijdragen aan een afname van kapitaalvlucht, al liggen daaraan verschillende, veelal moeilijk beheersbare krachten ten grondslag.
     
  • Nederland moet zijn relatief zware stem in het Basel Committee for Banking Supervision aanwenden voor het steunen van de maatregelen die leiden tot het verminderen van de systeemrisico’s van zeer grote particuliere financiële instellingen.
     
  • Nederland moet blijven bijdragen aan de anticyclische faciliteiten van het IMF, als uiterste hulpmiddel ter mitigatie van grote schommelingen in kapitaalstromen naar meest kwetsbare ontwikkelingslanden. De faciliteiten mogen niet leiden tot het ongestraft nemen van onverstandige kredietrisico’s.

Hulp bij de opbouw van binnenlandse financiële sectoren

  • In het besef dat overheden van ontwikkelingslanden als eerste verantwoordelijk zijn voor een evenwichtige samenstelling van het bankwezen in hun landen, zou Nederland in dialoog kunnen aandringen op een ruime doelstelling van toezicht, zodat naast inflatiebeteugeling aandacht bestaat voor groei en werkgelegenheid.
     
  • Nederland kan zijn positie in multilaterale ontwikkelingsbanken (Wereldbank, regionale ontwikkelingsbanken) aanwenden om te bepleiten dat deze instellingen voldoende aandacht besteden aan bovengenoemde elementen van opbouw van binnenlandse financiële sectoren.
     
  • Nederland kan deskundigheid en financiële steun aanbieden voor het verder ontwikkelen van toezicht dat is toegesneden op omstandigheden in lageinkomenslanden, en van innovatieve financiële diensten zoals mobiel betalen, opbouw van pensioenstelsels, inclusieve en gendersensitieve kredietverlening en coöperatieve vormen van bankieren en verzekeren. In overleg met grootbanken kan onderzocht worden of een innovatief instrument als garantiestelling kan fungeren als hefboom bij internationale financiering in lage-inkomenslanden rekening houdend met eisen van maatschappelijk verantwoord ondernemen en transparantie.

Coherentie in eigen huis

Bij de voorbereiding van dit advies en gesprekken met deskundigen is gebleken dat (ook) in Nederland uiteenlopende visies bestaan op de hier behandelde vraagstukken. Dit wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt door de politieke en economische betekenis van de financiële sector en complexiteit van de materie. Onvolledige informatie en gebrekkige kennis van elkaars standpunten dragen niet bij tot een zinvolle en constructieve discussie.

De AIV geeft de regering daarom in overweging om een overlegstructuur te initiëren en faciliteren om die kennis beter te verspreiden en te bediscussiëren. Daarbij zou men Nederlandse vertegenwoordigers bij de in dit advies genoemde onderdelen van de internationale financiële architectuur kunnen uitnodigen, alsmede enkele van hun collega’s uit het Zuiden en vertegenwoordigers van grote Nederlandse banken en maatschappelijke groeperingen die het stelsel deskundig doch kritisch volgen. Ook kan verder onderzoek worden gesteund naar de positie van lage-inkomenslanden in het internationale financiële stelsel en kunnen voorstellen worden gedaan om hierin verbetering aan te brengen. Dit kan bijdragen aan grotere coherentie van Nederlandse bijdragen aan het internationale economische en financiële stelsel. Een internationale presentatie van uitkomsten van dergelijke bijeenkomsten en onderzoeken zou wellicht kunnen bijdragen aan een snellere realisatie van noodzakelijke aanpassingen van het stelsel. Er is een lange en moeilijke weg te gaan, maar de baten kunnen aanzienlijk zijn.
 

Adviesaanvraag

Adviesraad Internationale Vraagstukken
Mr. F. Korthals Altes
Voorzitter
Postbus 20061
2500 EB Den Haag

Datum: 27 augustus 2013
Kenmerk: DMM/IF-148/13
Betreft: adviesaanvraag

Geachte heer Korthals Altes,

Hierbij vraag ik uw Raad advies uit te brengen over het onderwerp
Coherentie op het terrein van de internationale economische en financiële architectuur.

De internationale economische en financiële architectuur staat onder druk door de verschuivende economische en politieke machtsverhoudingen in de wereld. De recente financiële crisis heeft de noodzaak van een versterking van het mondiale bestuur op dit terrein aangetoond, maar de toename van het aantal bepalende spelers bemoeilijkt besluitvorming. Grote opkomende landen zoals de BRICS eisen meer invloed en kiezen hun eigen weg. Nationale politieke belangen domineren de internationale besluitvorming. Dat roept de vraag op wie de belangen van de ontwikkelingslanden vertegenwoordigt in het zich ontwikkelende stelsel.

Juist de kleinere opkomende landen en de armste landen zijn kwetsbaar binnen de huidige mondiale economische en financiële verhoudingen. Om aansluiting te krijgen bij de wereldeconomie hebben zij geen keus en zullen zij in hoge mate afhankelijk blijven van externe markten en financiële stromen. Tegelijk hebben zij behoefte aan beleidsruimte, stabiliteit en bescherming tegen schokken. De instabiliteit die het stelsel de afgelopen periode heeft gekenmerkt is ongunstig voor alle landen maar in het bijzonder ook voor de ontwikkeling van deze groep. Open markten, beschikbaarheid van risicofinanciering, stabiliteitsfondsen en schuldenregelingen zijn belangrijk voor hun groei – en ontwikkelingskansen. Het systeem van handel, investeringen en andere private financiering zal in de komende jaren voor deze landen alleen maar belangrijker worden naarmate de betekenis van de klassieke ODA terugloopt. Drie aspecten van het financiële stelsel hebben in het bijzonder betekenis voor het ontwikkelingsbeleid: stabiliteit op de financiële markten, ontwikkelingsfinanciering via de internationale financiële instellingen en de financiering van Global Public Goods.

Hoewel zij grote belangen hebben zitten de meeste ontwikkelingslanden niet altijd aan tafel als er beslist wordt over aanpassingen van het internationale economische stelsel. Dat geldt met name de ontwikkelingslanden die weliswaar economisch in opkomst zijn maar door de geringe omvang van hun economie niet tot de BRICS-groep behoren en de lage inkomenslanden. Belangrijke vernieuwingen die tot stand zijn gekomen door de recente crisis zijn deels langs hen heen gegaan. De nadruk op de belangen van de grote opkomende landen in de huidige onderhandelingen dreigt de stem van de kleinere ontwikkelingslanden verder te marginaliseren.

De positie van de kleinere opkomende en armere landen in het internationale economische en financiële stelsel vormt daarmee een belangrijk element in het coherentiebeleid voor ontwikkeling. Nederland kan aandacht vragen voor dit onderwerp in het internationale overleg, zoeken naar gemeenschappelijke belangen en mogelijke nieuwe coalities. Deze adviesaanvraag richt zich daarbij in het bijzonder op mogelijke aanpassingen in het internationale financiële stelsel zoals dat gevormd wordt door instellingen als het IMF, de Wereldbank, FSB, BIS, Club van Parijs en de G-20. Een drietal kernvragen kan worden onderscheiden:

  1. Zijn de kleinere opkomende en armere landen voldoende vertegenwoordigd?

Hoe zijn de kleinere opkomende en armere landen vertegenwoordigd in de belangrijkste instellingen van het internationale financiële stelsel?
Bij de beantwoording van deze vraag zou aandacht kunnen worden gegeven aan verschillende aspecten. Wat is de betekenis van de recente besluitvorming over het quotastelsel van het IMF? Wat is de invloed van de opkomst van de grote ontwikkelingslanden? Is het zinvol een verschil te maken tussen de nieuwe organen zoals G-20 en FSB en de langer bestaande internationale financiële instellingen zoals IMF en BIS? Kan een onderscheid worden gemaakt tussen formele vertegenwoordiging en het uitoefenen van invloed?

Een vervolgvraag is dan hoe de specifieke belangen van deze landen voldoende aandacht kunnen krijgen gegeven de bestaande machtsverhoudingen in het internationale stelsel. Is de beperkte invloed van de groep onvermijdelijk of kunnen wel degelijk betere resultaten worden behaald? Opties die aan de orde zouden kunnen komen zijn een sterkere vertegenwoordiging van deze landen in de internationale financiële instellingen, uitwerking van de ontwikkelingsagenda van de G-20, het opzetten van regionale stelsels of het concentreren van de besluitvorming bij mondiale instellingen waar deze landen ook daadwerkelijk vertegenwoordigd zijn.

  1. Wat zijn de specifieke belangen van deze groep?

De AIV zou kunnen ingaan op de specifieke belangen van de kleinere opkomende en armere landen die afwijken van de belangen van de grote landen. Is er op basis daarvan behoefte aan een specifieke positie van de kleinere opkomende en armere landen binnen het internationale financiële stelsel? Hoe zou dat zich verhouden tot bestaande uitzonderingsposities van minst ontwikkelde landen, fragiele staten en kleine eilandstaten? Wat is de betekenis van de verschillende instellingen voor de betrokken landen? Concentreren hun belangen zich op een beperkt aantal instellingen binnen het stelsel? Onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen het belang voor financiële stabiliteit en het belang voor ontwikkelingsfinanciering.

Bij de beantwoording van deze vraag over de specifieke belangen kunnen worden onderscheiden:

  • Is de groep kleinere opkomende en armere landen kwetsbaarder geworden door hun toenemende afhankelijkheid van private financiering? Welke elementen bepalen die kwetsbaarheid? Is de omvang van de (illegale) kapitaaluitstroom voor hen een specifiek probleem? Wat is het belang van het internationale stelsel voor het financiële stelsel in ontwikkelingslanden zelf? Wat is de invloed van het economische en financiële beleid van de grote opkomende landen? Hoe beïnvloedt hun rol als financiers en de voorwaarden die zij daarbij stellen de rol van de internationale financiële instellingen?
     
  • Hebben de kleinere opkomende en armere landen behoefte aan grotere beleidsruimte? Strakkere internationale normen en regels kunnen immers de mogelijkheden voor hun ontwikkelingsbeleid inperken. Kan een grotere bijdrage van de grote en rijkere ontwikkelingslanden worden gevraagd, ook in de vorm van graduatie?
     
  • Hoe kunnen de betrokken landen optimaal profiteren van de toenemende handels- en kapitaalstromen? Dient de weerbaarheid van de kleinere opkomende en armere landen te worden vergroot door de opbouw van capaciteit, de versterking van good financial governance en het scheppen van een enabling environment? Welke rol kunnen de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken hierbij spelen?
  1. Waar liggen aangrijpingspunten voor het Nederlandse coherentiebeleid?

Waar liggen mogelijkheden voor Nederlandse interventies op dit terrein gegeven de relatief sterke Nederlandse positie in het internationale financiële stelsel? Welke coalities kunnen daarbij een rol spelen? Hoe kan het beste gebruik worden gemaakt van de Nederlandse deskundigheid op financieel terrein?

Graag verneem ik uw advies.
 

Lilianne Ploumen
Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
 

Regeringsreacties

Aan de Voorzitters van de Eerste en
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 4
Den Haag

 

Datum:    21 november 2014
Betreft:    kabinetsreactie op advies 89 van de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken
Kenmerk: minbuza-2014.619951

 

In deze brief bied ik u mijn reactie aan op het advies ‘Naar betere mondiale financiële verbondenheid’ van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV).

De AIV is gevraagd te adviseren over de coherentie op het terrein van internationale economische en financiële instellingen. De aanleiding voor dit verzoek was de verschuivende economische en politieke machtsverhoudingen in de wereld en de druk die dit levert op de internationaal economische en financiële architectuur. De vraag die daaruit voortvloeit is wie de belangen behartigt van de ontwikkelingslanden in dit “nieuwe” stelsel. In deze context zijn de volgende vragen gesteld: (1) Zijn kleinere opkomende en armere landen voldoende vertegenwoordigd? (2) Wat zijn de specifieke belangen van deze groep? (3) Waar liggen aangrijpingspunten voor het Nederlandse coherentiebeleid?

Ik dank de AIV voor haar advies en onderschrijf de hoofdconclusie dat het internationale economische en financiële stelsel niet opnieuw ontwikkeld hoeft te worden en dat het zinvol is om te kijken hoe kleinere opkomende en armere landen een betere aansluiting kunnen krijgen op het financiële stelsel.

De AIV heeft haar advies onderverdeeld in aanbevelingen ten behoeve van:

  • global governance en representativiteit;
  • financiële stabiliteit;
  • hulp bij de opbouw van binnenlandse financiële sectoren;
  • coherentie in eigen huis.

Global governance en representativiteit

  • De AIV adviseert de Financial Stability Board (FSB) te laten evolueren tot een mondiaal coördinatieorgaan ter verbetering van global governance en de representativiteit. Ik ben van mening dat het de FSB niet past om door te groeien naar een coördinatieorgaan, aangezien het voornamelijk bestaat uit toezichthouders en centrale bankiers en als doel heeft aanbevelingen te doen over financiële regelgeving. Dit gebeurt op verzoek van de G20, wat het FSB een duidelijk mandaat geeft. Niettemin signaleer ik dat de FSB reeds serieus werk maakt van de vertegenwoordiging van opkomende economieën. Zo heeft de FSB-voorzitter, Mark Carney, aangekondigd de vertegenwoordigingsstructuur van de FSB te herzien. Ik sta voor dat hierbij expliciet rekening wordt gehouden met de rol van opkomende economieën.
     
  • Ik onderschrijf de aanbeveling dat Nederland waar mogelijk moet blijven aandringen op de aanpassing van de zeggenschapsverhoudingen in het IMF. Nederland heeft hieraan reeds haar bijdrage geleverd door het delen van een stoel met België en het ratificeren van de 14e quotaherziening en spoort de VS aan ook op korte termijn te ratificeren. Binnen het IMF zijn we eerder dit jaar overeengekomen dat indien de VS dit jaar niet ratificeert, het IMF begin volgend jaar alternatieve opties in kaart gaat brengen om de quota en governance van het IMF te versterken. Nederland steunt deze aanpak. Het is belangrijk dat de vertegenwoordiging in het IMF een goede weerspiegeling is van de financiële verhoudingen in de wereldeconomie.
     
  • De AIV gaat in op een grotere inzet van Speciale Trekkingsrechten (SDRs) ter aflossing van de rol van de dollar om ontwikkelingslanden beter toegang te bieden tot stabielere reservemunteenheden. Ik onderschrijf dat het voor lage inkomenslanden belangrijk is dat zij toegang hebben tot stabiele financiële middelen wanneer dit nodig is. Momenteel is een uitbreiding van de rol van SDRs, echter niet aan de orde.
     
  • Bij de aanbeveling voor een universeel debt-workout mechanisme plaats ik graag de nuancering dat het mankement in het stelsel vooral het ontbreken van een schuldherstructureringsmechanisme voor (staats)obligaties is. Voor de herstructurering van publieke schuld en private leningen bestaan met de Club van Parijs en de Club van Londen immers reeds ordentelijke en efficiënte mechanismen. Het IMF werkt momenteel aan de versterking van een schuldherstructureringsmechanisme voor obligaties. Dit werk spitst zich onder meer toe op het versterken van het beleidsraamwerk van het IMF en het aanscherpen en verduidelijken van contractuele clausules in obligaties. Good financial governance, waaronder schuldenbeheer, vind ik zeer belangrijk. Ik geef dan ook via Debt Management Facilities bij de Wereldbank, het IMF en UNCTAD technische assistentie voor een verantwoord schuldbeheer om te voorkomen dat landen in de problemen raken.
     
  • Ik onderschrijf het belang van de nieuwe VN conferentie Financing for Development. Deze conferentie zal in juli 2015 in Addis Ababa plaatsvinden. Ik zal hier, ook vanuit mijn rol als covoorzitter van het Global Partnership for Effective Cooperation, een actieve bijdrage aan leveren. Hierbij zal ik ook diverse van de aanbevelingen uit dit advies meenemen.

Vergroting van financiële stabiliteit

  • Ik deel de analyse van de AIV dat grote inkomende en uitgaande kapitaalstromen van invloed kunnen zijn op de macro-economische stabiliteit van opkomende en armere economieën. Ik benadruk hierbij nogmaals het belang van goed financieel bestuur. Opkomende en armere landen zijn hiervoor zelf verantwoordelijk, maar door het toepassen van het Debt Sustainability Framework kunnen rijkere landen hieraan eenvoudig bijdragen. Bestendigheid van (opkomende) economieën jegens de volatiliteit van kapitaalstromen is daarnaast vooral afhankelijk van de stabiliteit en kapitalisatie van hun financiële sector en het toezicht daarop. Het IMF, de Financial Stability Board (FSB) en de Wereldbank helpen hen hierbij. Het surveillance raamwerk van het IMF monitort de wereldwijde opbouw van spillovers en onevenwichtigheden.
     
  • In haar aanbevelingen geeft de AIV het signaal af dat Nederland zich binnen internationale instellingen moet inzetten om tot maatregelen te komen die leiden tot verminderde systeemrisico’s van zeer grote particuliere financiële instellingen. Nederland heeft zich hier op het internationale toneel al met resultaat voor ingezet. In de jaren na de financiële crisis hebben de FSB en het Basel Committee on Banking Supervision (BCBS) een uitgebreid pakket aan beleidsmaatregelen geïntroduceerd ter regulering van systeemrelevante instellingen en het wegnemen van het too-big-to-fail probleem. Nederland blijft bijdragen aan de verdere ontwikkeling hiervan.

Opbouw van binnenlandse financiële sectoren

  • Ik ben het van harte met de AIV eens dat het noodzakelijk is om ontwikkelingslanden te helpen bij de opbouw van binnenlandse financiële sectoren. Nederland doet op dit terrein al veel, vaak in samenwerking met multilaterale ontwikkelingsbanken. Samen met andere donoren financier Nederland sinds 2002 het Financial Sector Reform and Strengthening Initiative (FIRST), dat op vraag gestuurde basis TA van de Wereldbank en het IMF biedt aan ontwikkelingslanden om de benodigde wetgeving, regelgeving en instituties op financieel gebied te helpen opzetten. Daarnaast is Nederland donor van het door de Wereldbank geleide Financial Inclusion Support Framework, dat samenhangende landenstrategieën ondersteunt om toegang tot financiële diensten in brede zin te bevorderen. Via het MASSIF Fonds van FMO stimuleert Nederland kredietverlening voor banken die zich richten op het MKB en microfinanciering. Hieronder vallen ook innovatieve financiële diensten. Ook draagt Nederland bij aan ontwikkeling van nieuwe producten op financieel gebied, zoals via The Currency Exchange Fund (TCX), dat zich richt op het helpen opvangen van risico’s op het gebied van wisselkoersen en rentevoetverschillen bij internationale transacties, en het Health Insurance Fund, dat in een aantal Afrikaanse landen door het introduceren van betaalbare verzekering toegang tot medische diensten voor onverzekerden bevordert.’

Coherentie in eigen huis

  • Ik neem nota van de constatering van AIV dat binnen Nederland uiteenlopende visies bestaan over het verbeteren van de mondiale financiële verbondenheid. Dit is inherent aan de complexiteit van het onderwerp. De suggestie van een nieuw op te richten overlegstructuur neem ik dan ook niet over. Een groot deel van de hierboven behandelde onderwerpen ligt op het terrein van het Ministerie van Financiën, waarmee een uitstekende en intensieve samenwerking bestaat. Wel wil ik binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken de interne kennis over financieel-economische onderwerpen verder versterken. Daarnaast hebben Minister Dijsselbloem en ik contacten met experts werkzaam in de internationale financiële architectuur en zullen deze continueren.

 

De Minister voor Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingssamenwerking,

 

Lilianne Ploumen

Persberichten

INTERNATIONAAL FINANCIEEL STELSEL: OP DE SCHOP OF BUITENSPEL?

Adviesraad pleit voor snelle en grondige hervorming
 

Den Haag, donderdag 11 september 2014

Het internationale economische en financiële stelsel functioneert niet goed en is dringend aan hervorming toe. Als niet snel wordt ingegrepen, raakt het hopeloos achterhaald. Dat stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in zijn meest recente advies ‘Naar betere mondiale financiële verbondenheid’. De AIV wijst er op dat besluitvorming uit de pas loopt met de huidige geopolitieke verhoudingen, dat arme landen nauwelijks vertegenwoordigd zijn en dat de steeds grotere vervlechting van financiële markten en internationale vermogenscumulatie adequate reacties vergen.

De wereld heeft behoefte aan financieel-economische stabiliteit, maar met het internationale stelsel dat zijn wortels heeft in afspraken uit 1944 (Bretton Woods) lukt dat niet, aldus de AIV. De nasleep van de crisis van 2008, de dynamiek van de financiële markten en financiële instellingen en groeiende mondiale ongelijkheid voeren de druk op het stelsel op. Een ondoorzichtige opeenstapeling van verdragen en regelingen, die elkaar deels overlappen, maakt het beheer bovendien extra ingewikkeld.

Dit raakt niet alleen het Westen. Ook lage-inkomenslanden hebben baat bij een goed functionerend stelsel. Door hun beperkte integratie in de wereldeconomie ging de crisis van 2008 deels aan hen voorbij en bleven kapitaalstromen van en naar deze landen redelijk op peil. Maar nu de crisis voortduurt, gaan die stromen meer fluctueren, met alle negatieve gevolgen voor de economische groei vandien.

Het ontbreken van een eendrachtige aanpak om financieel-economische stabiliteit in de wereld te bevorderen is volgens de AIV het hoofdprobleem. Ondanks internationale afspraken blijven nationale belangen de boventoon voeren. Afspraken binnen de G20 bijvoorbeeld doen soms meer kwaad dan goed. Een achterblijvende beheersstructuur en gebrek aan toezicht geven andere reden tot zorg.

Volgens de AIV hoeft er geen nieuw stelsel te komen, maar is een grondige herziening van het huidige stelsel wel dringend nodig. Verdere opsplitsing en uitholling door terechte onvrede zoals de recente oprichting van een eigen ontwikkelingsbank door de BRICS-landen kan dan worden voorkomen.

De AIV beveelt aan meer werk te maken van global governance en representativiteit. Dat kan door een nieuw verdragsorgaan onder auspiciën van de VN (Global Economic Co-ordination Council) en hervormingen binnen het IMF, de Wereldbank en de Financial Stability Board. De AIV pleit verder voor expliciete aandacht voor financiering van de ontwikkelingsagenda na 2015, voor een actieve bijdrage door Nederland aan grotere financiële stabiliteit wereldwijd en voor de opbouw van financiële sectoren in lage inkomenslanden.

De veranderingen die de AIV bepleit zijn ingrijpend en zullen soms tijd vergen. Maar ook op de korte termijn zijn er al mogelijkheden om in het huidige bestel winst te boeken ten behoeve van arme landen. De Adviesraad wijst op het beter benutten van bestaande faciliteiten zoals fondsen die arme landen helpen om financiële instabiliteit op te vangen.