Handvest Grondrechten

22 februari 2006 - nr.3
Samenvatting
Niet van toepassing.
Adviesaanvraag
Niet van toepassing.
Regeringsreacties

Adviesraad Internationale Vraagstukken

T.a.v. prof. mr F.H.J.J. Andriessen

Postbus 20061

2500 EB Den Haag

 

 

 

Den Haag, 12 januari 2001

 

 

Op 9 november 2000 informeerde de Adviesraad Internationale Vraagstukken mij over de uitkomst van een nadere beschouwing door de AIV van het (toen nog) ontwerp-Handvest. Gaarne wil ik de Adviesraad mijn dank uitbrengen voor deze nadere beschouwing, die de regering nadrukkelijk bij haar definitieve standpuntbepaling ten aanzien van het ontwerp-Handvest heeft betrokken.

 

Dat dit het geval is geweest, blijkt onder meer uit de brief aan de Tweede Kamer d.d. 17 november 2000 (Kamerstuk 2000-2001, 27 407, nr. 7), waarin ook expliciet naar de brief van de AIV wordt verwezen. Alle drie door de AIV in zijn brief van 9 november 2000 genoemde punten komen ook in de brieven van 17 november 2000 en 28 november 2000 (Kamerstuk 2000-2001, 27 407, nr 8) aan de orde. Ik zal daarom op deze punten in het onderstaande slechts kort ingaan.

 

Ten aanzien van de in artikel 52, lid 1, opgenomen algemene bevoegdheid om grondrechten te beperken is de regering het volgende van mening. In een volgende stap van het proces kunnen formuleringen van bepalingen uit het Handvest verbeterd en gepreciseerd worden, in dat geval dienen de in het Handvest gekozen open en absolute formuleringen van grondrechten gepaard te gaan met precieze bepaling van de daarop mogelijk van toepassing zijnde beperkingen. Deze systematiek is overigens ook in het EVRM en in de Grondwet te vinden.

 

Met betrekking tot de nieuwe grondrechten, die in het Handvest zijn opgenomen, en de grondrechten die daarin ontbreken wordt in de brief aan de Tweede Kamer van 17 november 2000 gesteld dat naar het oordeel van de regering het recht opgenomen in artikel 36 (toegang tot diensten van algemeen economisch belang) minder op zijn plaats is in een grondrechtenhandvest. Het recht van huisvesting, ook genoemd door de AIV, zou daarin wellicht eerder op zijn plaats zijn geweest.

 

In de tekst van het Handvest worden, zoals de AIV terecht opmerkt, afwisselend en schijnbaar willekeurig verschillende formuleringen gebruikt om de rechthebbenden aan te duiden. Verduidelijking van de wijze waarop deze rechthebbenden worden aangeduid is ook naar mening van de regering, wenselijk. Hieraan dient in het totale proces van herziening van de Europese verdragen, dat in de komende jaren ter hand dient te worden genomen en waarin ook de verankering van grondrechten zal moeten worden meegenomen, aandacht te worden besteed.

 

Tenslotte is de regering het uitdrukkelijk eens met de visie van de AIV dat de tekst van het Handvest te zien is als een tussenstap op weg naar een catalogus van grondrechten die wel als bindend recht in de communautaire orde kan worden opgenomen. Het proces van formulering en verankering van grondrechten is immers met de plechtige afkondiging van het Handvest in Nice nog geenszins voltooid. Juridische verankering vergt een volgende stap als onderdeel van een breder debat in de komende jaren over de verdere ontwikkeling van de Unie. De brief van de AIV vormt in dat verband een zeer waardevolle bijdrage.

 

 

[getekend] 

 

J.J. van Aartsen

Minister van Buitenlandse Zaken

Persberichten
Niet van toepassing.