De EU en de band met de Nederlandse burger

1 maart 2006 - nr.10
Samenvatting
Niet van toepassing.
Adviesaanvraag
Niet van toepassing.
Regeringsreacties

Aan de Voorzitter van de Adviesraad

Internationale Vraagstukken                                                        Directie Integratie Europa

Mr. F. Korthals Altes                                                                  Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061                                                                           Postbus 20061

2500 EB  Den Haag                                                                    2500 EB  Den Haag

 

 

Datum     13 juli 2006   

Kenmerk   DIE-996/06   

Betreft     Reactie op AIV-briefadvies 'De EU en de band met de Nederlandse burger'

 

 

Zeer geachte Heer Korthals Altes,

 

Namens het kabinet dank ik de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voor het briefadvies ‘De EU en de band met de Nederlandse burger’, dat tot stand is gekomen op initiatief van de AIV naar aanleiding van het Nederlandse referendum van 1 juni 2005 over het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa.

 

De AIV meent dat het belang van de Europese Unie voor Nederland moeilijk kan worden overschat. De EU is, in de woorden van de AIV, voor Nederland pleitbezorger van onze belangen op het wereldtoneel en heeft een grote rol onder meer bij het creëren van welvaart en het dempen van conflicten. Nu Nederland zich meer en meer gesteld ziet voor problemen die om een internationale oplossing vragen, is dit van belang. De AIV stelt dat de EU als project van het vreedzaam samenvoegen van soevereiniteit uniek is in de geschiedenis; iets om zuinig op te zijn. Het kabinet onderstreept deze noties. De toekomst van Nederland is onlosmakelijk verbonden met de Europese Unie. Dat betekent niet dat het proces van Europese integratie vrij is of zou moeten zijn van debat, integendeel. Een politiek en breed maatschappelijk debat over de toekomst van de Europese samenwerking, en over de rol van Nederland daarin, is geboden. Het kabinet waardeert dit briefadvies van de AIV als een bijdrage daaraan.

 

De AIV constateert dat na het referendum een impasse is ontstaan. Vanuit het besef van het belang van de Europese Unie voor Nederland volgen enkele aanbevelingen om de kloof tussen burger en Europa te verkleinen. Het kabinet verheugt zich erin dat de aanbevelingen van de Raad in hoge mate aansluiten bij de door het kabinet ingenomen standpunten ter zake. Evenals de Raad meent het kabinet dat politisering van het Europadebat cruciaal is voor het verkleinen van de kloof tussen burgers en Europa.

 

De Raad richt zijn briefadvies tot de nationale beleidsmakers die betrokken zijn bij de vormgeving van het Europabeleid, met name het kabinet, parlement, ambtenaren en ook maatschappelijke organisaties. Hieronder reageert het kabinet op de aanbevelingen die primair tot het kabinet gericht zijn. Daarmee wil het kabinet niet afdoen aan het belang van de overige constateringen en aanbevelingen, maar het kabinet laat de reactie daarop graag over aan de geadresseerden, met name de Eerste en Tweede Kamer.

 

De kloof en het referendum

Het kabinet deelt de analyse van de AIV dat de uitslag van het referendum kan worden beschouwd als de culminatie van een sluipend proces, dat al vele jaren gaande is. In de woorden van de AIV: een proces van toenemende onvrede en onzekerheid.  Deze zorgen werden door de burger ook geprojecteerd op ‘Europa’. Tegelijk blijkt, zoals de Raad ook opmerkt, de steun in Nederland voor Europese samenwerking onverminderd groot. In de Kamerbrief verslag inzake de Geannoteerde Agenda Europese Raad d.d. 14 juni 2005 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 628) en in de Staat van de Unie 2005-2006 (Kamerstuk 30303, nr. 1) heeft het kabinet zijn analyse van de oorzaken van het nee gegeven en aangegeven hoe het vertrouwen van burgers te herwinnen. Een evaluatie van de publiekscommunicatie door de regering in de aanloop naar het referendum werd op 7 november 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden (29 993, nr. 24). Gebrek aan identificatie met en vertrouwen in bestuurders en gebrek aan vertrouwen in het functioneren van de Europese instellingen als zodanig, spelen immers, zoals de AIV terecht stelt, een belangrijke rol.

 

De AIV stelt in dit kader dat de referendumuitslag verschillende kloven aan het licht heeft gebracht: een kloof tussen burger en buitenwereld, een kloof tussen burger en belangenorganisaties en een kloof tussen burgers en politieke bestuurders. De aanbevelingen van de AIV richten zich op het verkleinen van die laatste kloof. 

 

Wat Nederland zelf kan doen

Nederland zelf kan een aantal initiatieven nemen om de kloof tussen burgers en beleidsmakers te verkleinen, zo meent de AIV.

 

In de eerste plaats is politisering van het Europadebat dringend geboden. Hiertoe is een kritische discussie over Europees beleid tussen regering en parlement -met betrokkenheid van leden van het Europees Parlement- onontbeerlijk, zo is het kabinet met de AIV van mening. De politieke benadering maakt het voor burgers mogelijk het debat beter te volgen; het voeren van een scherp debat in de nationale politieke arena maakt bovendien duidelijk dat Nederland zelf mede-vormgever is van Europees beleid en dat ‘Brussel’ derhalve geen autonoom proces van Europese regelgeving voortbrengt: Nederland zit daarbij zelf aan tafel. In zijn reactie “ Nederland in Europa – Europa in Nederland” op het advies van de Raad van State over de gevolgen van Europese arrangementen voor de positie en het functioneren van de nationale staatsinstellingen en hun onderlinge verhouding (29993, nr. 27 d.d. 23 mei jl.) stond het kabinet uitvoerig bij dit onderwerp stil. De analyse van de AIV en die van de Raad van State in dit kader zijn van gelijke strekking. Het kabinet onderschrijft de argumenten van beide Raden ter zake; een actief maatschappelijk Europadebat wordt gestimuleerd door een actief en geïnformeerd politiek Europadebat en vice versa.

 

In reactie op de concrete voorstellen die de AIV doet om zulks te verwezenlijken het volgende: evenals de AIV steunt het kabinet het advies van de Raad van State dat de Tweede Kamer tijdig en voorafgaand aan het innemen van een Nederlands standpunt voor de onderhandelingen in Brussel de Commissievoorstellen aan een kritisch onderzoek onderwerpt. In zijn brief aan Eerste en Tweede Kamer van 14 april jl. over toetsing van subsidiariteit en proportionaliteit van EU-wetgevingsvoorstellen (22112, nr. 433) roept het kabinet het parlement op met regelmaat debatten te voeren met het kabinet over voorstellen tot EU-wetgeving. De nieuwe Commissievoorstellen worden door het kabinet in zogenaamde BNC-fiches beoordeeld, onder meer op opportuniteit, subsidiariteit en proportionaliteit. Deze BNC-fiches zijn openbaar en worden aan het parlement toegezonden.

In de reguliere Europa-overleggen met de Kamer en in de brieven die voor en na vergaderingen van de Raad van ministers en van de Europese Raad aan de Kamer worden gezonden, legt het kabinet steeds verantwoording af over de in te nemen en ingenomen standpunten, conform de aanbeveling van de AIV.

Het kabinet onderstreept het belang van een actief nationaal parlement voor een politiek en scherp Europadebat en heeft zich in het afgelopen jaar sterk gemaakt voor een grotere rol van nationale parlementen bij de toetsing van de subsidiariteit en proportionaliteit van EU-wetgevingsvoorstellen, hetgeen op de Europese Raad van juni 2006 tot resultaat leidde. Het kabinet verwelkomt daarom zeer dat de gemengde commissie uit de beide Kamers, onder voorzitterschap van dr. J.J. van Dijk, zich actief opstelt tegenover het kabinet en de instellingen van de Europese Unie om het standpunt van de Staten Generaal ten aanzien van de subsidiariteit en proportionaliteit van Europese wetgevingsvoorstellen kenbaar te maken, zoals ook de AIV aanbeveelt. Dit leidde onder meer tot een eerste Algemeen Overleg in de Tweede Kamer op 21 juni jl. met de minister van Justitie en de staatssecretaris voor Europese Zaken over de vraag of de voorgestelde richtlijn inzake strafrechtelijke maatregelen van intellectuele eigendomsrechten voldoet aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. In een nota-overleg in de Tweede Kamer op 5 december 2005 heeft het kabinet bovendien uitvoering gesproken over het wetgevingsprogramma 2006 van de Europese Commissie, conform de aanbeveling van de AIV.

Met deze initiatieven wordt naar de mening van het kabinet tevens voldaan aan de wens van de AIV dat het kabinet met grotere regelmaat dan in de Troonrede, de Miljoenennota en de Staat van de Unie evaluaties van de stand van zaken van de EU presenteert en met het parlement bespreekt.

 

De AIV beveelt voorts de Tweede Kamer aan, in navolging van de Eerste Kamer, een vaste eenheid te creëren die Kamerleden bijstaat met betrekking tot alle Europese onderwerpen van Nederlandse besluitvorming over Europese zaken. Kamerfracties wordt door de AIV aanbevolen meer menskracht vrij te maken om het Europese wetgevingsproces in alle stadia actief en kritisch te volgen. Naar de mening van de AIV dient de band tussen het Nederlandse parlement en de Nederlandse leden van het Europees Parlement versterkt te worden en zouden de leden van het EP vaker voor overleg naar de Tweede Kamer moeten komen. Het oordeel over deze aanbevelingen van de AIV is aan Eerste en Tweede Kamer.  

 

Wat Nederland samen met andere lidstaten kan nastreven

Om de betrokkenheid en verbondenheid van de burger met de Europese Unie te verbeteren is het ook van belang de politieke interactie tussen de Nederlandse beleidsmakers en de Europese instellingen actief te stimuleren, zo meent de AIV. Het kabinet deelt deze mening. Hiervoor is, zoals de AIV terecht opmerkt, de medewerking van andere lidstaten vereist.

 

Het kabinet zal het Grondwettelijk Verdrag niet opnieuw ter goedkeuring aan het parlement voorleggen. De AIV constateert, daarbij de voorzitter van de Europese Commissie citerend, dat het grondwettelijk Verdrag er in de huidige vorm niet zal komen. De AIV stelt vast dat het grondwettelijk Verdrag een aantal bepalingen bevat die gericht zijn op verbetering van de band van de burger met de Europese Unie, met name ter vergroting van de openbaarheid en het democratisch gehalte van de Europese instellingen. De Raad meent dat de mogelijkheden om deze doelstellingen te verwezenlijken niet moeten worden veronachtzaamd. Het kabinet is dezelfde mening toegedaan. In zijn brief inzake de kabinetsanalyse Europese bezinningsperiode d.d. 19 mei jl. (30303, nr. 20) heeft het kabinet aangegeven dat binnen de kaders van de huidige verdragen verbeteringen kunnen en moeten worden aangebracht in het functioneren van de Europese Unie. De AIV noemt er in dit kader twee.

Ten eerste, het openbaar maken van de vergaderingen van de Raad van Ministers wanneer deze over wetgeving beraadslaagt. Het kabinet heeft zich in de afgelopen periode hiervoor in Europees verband sterk gemaakt. De Europese Raad van 15-16 juni jl. heeft, mede op voorstel van Nederland, besloten tot het openbaar maken van alle Raadsvergaderingen over codecisiewetgeving. Dat betekent dat vanaf nu alle vergaderingen over wetgeving waarbij Europees Parlement en Raad van Ministers op gelijke voet beslissen door burgers en media gevolgd kunnen worden. Zo kunnen zij hun belangenbehartigers in de Europese arena in actie zien, zoals de AIV aanbeveelt. De nieuwe afspraken over openbaarheid worden geïmplementeerd door de Raad en zullen na een half jaar worden geëvalueerd.

Ten tweede het verwelkomen van burgerinitiatieven door de Raad, het Europees Parlement en de Commissie. Het kabinet meent dat eventuele invoering van een burgerinitiatief met voldoende voorwaarden en garanties omkleed dienen te zijn, zoals ook in het Grondwettelijk Verdrag het geval was. Bij de totstandkoming van het grondwettelijk Verdrag achtte het kabinet het burgerinitiatief vanuit democratisch oogpunt een stap vooruit. Het referendum noch de uitkomst van de bezinningsperiode noopt tot een wijziging van dit standpunt. Het ligt daarom in de rede eventuele petities waarin wordt verzocht om nieuwe voorstellen van Europese regelgeving, die zijn ondertekend door een groot aantal burgers uit meerdere lidstaten, op te vatten als een informeel politiek signaal aan het adres van de Europese Commissie. Voor een formele invoering van de mogelijkheid tot een Europees burgerinitiatief is een Verdragswijziging nodig; naar de mening van het kabinet loopt de opvatting van het burgerinitiatief als informeel politiek signaal niet vooruit op eventuele Europese besluitvorming tot formalisering hiervan in een later stadium.

 

Op langere termijn kan verdere verbetering van het functioneren van de EU door middel van wijziging van de Verdragen niet uitblijven. De EU moet en kan beter. Deze visie vindt steun bij een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking: de Europese besluitvormingsregels zijn aan herziening toe. Nederlanders vinden de EU over het algemeen inefficiënt. De weg naar wijziging van de Verdragen is echter een lange en dient zorgvuldig te worden voorbereid. Naar verwachting zal het debat over de toekomst van Europa en de Verdragen worden geïntensiveerd in de periode 2007-2008. Het kabinet acht het niet opportuun op dit moment te speculeren over de inhoud van een dergelijke verdragswijziging. Verdragswijzigingen betreffen naar hun aard het totstandbrengen van een evenwichtig pakket aan verbeteringen ten opzichte van de huidige verdragen. Het kabinet wijst ‘cherrypicking’ uit het Grondwettelijk Verdrag mede om deze reden af, zoals reeds werd aangegeven in de brief aan Tweede Kamer d.d. 2 november 2005 inzake de beantwoording van het verzoek van de Tweede Kamer om een inventarisatie van artikelen in het Grondwettelijk Verdrag, die tot een verbetering van het functioneren van de EU kunnen leiden (30303, nr. 16) . Het kabinet neemt derhalve nota van de aanbeveling van de AIV dat bij een eventuele verdragswijziging met voorrang aandacht zou moeten worden gegeven aan opname van het Handvest van de Grondrechten en het uitbreiden van de medezeggenschap van het Europees Parlement over het gehele wetgevingsspectrum en de gehele begroting (verplichte en onverplichte uitgaven).  

 

Europa en het publieke domein in brede zin

Politisering, informatie, communicatie en betrokkenheid van intermediaire organisaties zijn naar de mening van het kabinet schakels in de keten van grotere betrokkenheid van burgers bij de totstandkoming van EU-beleid, hetgeen op zijn beurt bijdraagt tot het dichten van de kloof tussen burgers en Europa.

 

Voor het tot leven brengen van de politieke dimensie van Europa richt de AIV zich niet alleen tot regering en parlement, maar juist ook tot politieke partijen, onderwijs- en culturele instellingen. De AIV meent dat het in Nederland schort aan een politieke en culturele inbedding van Europa. Terwijl in de financiële en economische wereld en in sommige sectoren van de kunst internationalisering inmiddels een vanzelfsprekendheid is geworden, zijn politici, culturele instellingen en media overwegend nationaal en intern gericht naar het oordeel van de AIV. De AIV meent dat de culturele inbedding van Europa een onderwerp is waaraan vanuit diverse sectoren zal moeten worden gewerkt. Het kabinet acht grotere betrokkenheid van maatschappelijke actoren, inclusief decentrale overheden, onmisbaar voor een betere maatschappelijke inbedding van Europa in Nederland; de culturele is één van de dimensies van deze inbedding. Het kabinet heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid verzocht een advies uit te brengen over dit onderwerp. Maatschappelijke actoren kunnen zich bovendien wenden tot het Europafonds van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor financiële ondersteuning van hun activiteiten ter activering van het publieke debat over Europa. Het subsidieplafond van het Europafonds is in het afgelopen jaar verhoogd tot 2,5 miljoen euro.

 

Is voortgaande uitbreiding van de EU op basis van de bekende criteria van Kopenhagen en de daarbij gehanteerde procedures goed voor Nederland? In hoeverre moet Nederland in Europa werken aan een verschuiving van de prioriteiten in het EU-beleid: moeten zaken als stimulering van technologie en innovatie, vreemdelingenwetgeving, misdaad- en terreurbestrijding, buitenlands beleid en defensie een hogere prioriteit krijgen en landbouw een lagere? Herkennen kiezers zich in een mogelijk Turks lidmaatschap van de Unie op termijn? En wat kunnen de Europese instellingen al dan niet bereiken als het gaat om economische hervormingen? Deze en soortgelijke vragen zijn naar de mening van de AIV van wezenlijke aard en dienen een plaats te krijgen in het politieke debat over Europa. De AIV adviseert politici –bewindslieden en met name fractievoorzitters en andere gezichtsbepalende Kamerleden- zulke kwesties proactief op de publieke agenda te plaatsen. Het kabinet kan zich zeer vinden in deze aanmoediging. Reeds in de brief van 7 november jl. inzake de activiteiten van de regering in de bezinningsperiode (30303, nr. 18) stelde het kabinet dat het Europa-debat politiek en interactief dient te zijn en dat deze gecentreerd moet worden rond de meest prangende Europese politieke thema’s en dilemma’s. Het onderzoek www.nederlandineuropa.nl was een voorbeeld van deze benadering, waarin de thema’s die de AIV noemt werden aangesneden. Met 128.059 deelnemers behoort www.nederlandineuropa.nl tot de grootste opinieonderzoeken van Nederland.

 

Voorts is voor een goed debat over de toekomst van Europa kennis van EU-zaken van belang. De AIV wijst erop dat het slecht gesteld is met de kennis van de burger over de Europese integratie en meent dat Europa in het onderwijs(beleid) geldt als een onderbedeeld terrein. In het afgelopen jaar heeft het kabinet zich ingespannen voor een betere verankering van Europa in het Nederlands onderwijs, onder meer door een prominenter plaats in de kerndoelen van het basis- en voortgezet onderwijs voor kennis en vaardigheden die scholieren in staat moeten stellen als Europese burgers te functioneren. Op korte termijn stuurt het kabinet een brief over dit onderwerp aan Eerste en Tweede Kamer.

 

De AIV stelt dat het referendum voor diverse maatschappelijke organisaties kan worden gezien als een wake-up call. Zo vanzelfsprekend als de steun van bestuurders van deze organisaties aan het Grondwettelijk Verdrag was, zo kritisch bleken de eigen leden het project te bejegenen, stelt de AIV. De Raad roept bestuurders van maatschappelijke organisaties op tot het voeren van een discussie over Europese thema’s met hun achterban. Voorts roept zij politieke partijen op in hun manifesten of verkiezingsprogramma’s  hun posities over Europa aan te geven op een wijze die meer recht doet aan de Europese context dan in het verleden het geval was. Het kabinet laat het oordeel over deze aanbevelingen over aan de politieke partijen en maatschappelijke organisaties.

 

Ten slotte stelt de AIV dat, als sluitstuk van en in aanvulling op een werkelijke politisering van Europa, een professionele en transparante communicatiestrategie van aanvullende betekenis kan zijn. Het kabinet is dezelfde mening toegedaan. In aanvulling op zijn inzet ter politisering van het debat, heeft het kabinet de campagne-matige benadering van de Europacommunicatie verlaten. Daarvoor in de plaats is een

Europacommunicatie gekomen die interactief is, gecentreerd wordt rond de meest actuele en prangende thema’s en waarin veel ruimte is voor informatievoorziening.  

 

Ik dank u tot slot nogmaals voor het onderhavige advies. Een afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.

 

 

De Minister                                                     
van Buitenlandse Zaken,                                  

 

[getekend]

 

Dr. B.R. Bot 

 

Persberichten
 

Persbericht 13 december 2005

De Europese Unie en de band met de Nederlandse burger

 

AIV-briefadvies no. 10

 

Regering en parlement moeten en kunnen een veel actievere rol spelen in Europese wet- en regelgeving dan in het verleden het geval is geweest. Daarmee kunnen zij een belangrijke bijdrage leveren aan de politisering van het binnenlandse debat over Europa en over de wisselwerking tussen Europees en binnenlands bestuur. Veel eerder dan nu het geval is, kunnen regering en parlement concept-richtlijnen en concept-verordeningen van ‘Brussel’ aan de orde stellen en invloed uitoefenen op het besluitvormingsproces. Het beeld dat in het verleden wel is gecreëerd over regelgeving die “wordt opgelegd door Brussel”, doet geen recht aan de invloed die regering en parlement wel degelijk kunnen uitoefenen op Europese besluitvorming en het wekt bovendien bij de burger de indruk dat niemand meer greep heeft op dat besluitvormingsproces.

De AIV doet een aantal concrete aanbevelingen om politisering van het Europadebat gestalte te geven en daarmee via de nationale staat de kloof tussen burger en Europese besluitvorming te verkleinen.

De AIV sluit zich aan bij enkele aanbevelingen van de Raad van State om Brusselse voorstellen tijdig te toetsten in de Eerste en Tweede Kamer, o.m. de subsidiariteitstoets en de proportionaliteitstoets. Een vaste ondersteuning van beide Kamers om Europese zaken beter te kunnen monitoren is hierbij gewenst. De AIV stelt voor om extra menskracht vrij te maken voor de (grotere) Kamerfracties om het Europese wetgevingsproces actief te kunnen volgen.

Deze en andere stappen kan Nederland zelf zetten. Andere lidstaten kan Nederland tot medewerking bewegen om voortaan de Raadsvergaderingen van de EU openbaar te maken. Ook kan Nederland bevorderen dat het burgerinitiatief – een suggestie uit het grondwettelijk verdrag – alsnog wordt verwelkomd (al kan het burgerinitiatief zonder nieuw verdrag geen bindend karakter krijgen).

Mocht een nieuwe verdragswijziging aan de orde komen dan is het in verband met de betrokkenheid van de burger van belang de rol van het Europese parlement alsnog te versterken (codecisie, volledig budget-recht) en het handvest van grondrechten in zo’n nieuw verdrag alsnog te incorporeren.

Daarnaast adviseert de AIV politici, inclusief bewindslieden, om belangrijke kwesties die spelen in de publieke opinie proactief aan de orde te stellen in het politieke debat. De discussies ten tijde van het Europese referendum hebben laten zien dat er veel vragen en zorgen leven onder de bevolking over onderwerpen, die weliswaar niet in het grondwettelijk verdrag aan de orde kwamen, maar die voor de burger van grote betekenis zijn, zoals de degelijkheid van de Europese munt, de nieuwe uitbreidingen van de Europese Unie (Turkije) e.d.

Politieke partijen kunnen in de aanloop naar landelijke verkiezingen hun posities in deze meer profileren, zodat discussie wordt gestimuleerd.

De AIV signaleert tot slot dat de kennis over Europa moet worden verbeterd. Het schort daarnaast aan een politieke en culturele inbedding in Europa. Hier ligt een verantwoordelijkheid niet alleen bij onderwijsinstellingen, maar ook bij maatschappelijke organisaties. Overheidsinstanties moeten zich hoeden de kloof te willen dichten met meer voorlichting: hoe meer brochures, hoe meer ongenoegen.  Actievere bemoeienis met Europees bestuur en met de gevolgen van Europese wet- en regelgeving daarentegen kan ertoe leiden dat Europa in Nederland onderwerp wordt van boeiende politiek.