De receptorbenadering: een kwestie van maatvoering

16 april 2012

Den Haag, maandag 16 april 2011

De receptorbenadering: een kwestie van maatvoering

In de Tweede Kamer is de laatste tijd herhaaldelijk van gedachten gewisseld over de receptorbenadering, een concept dat steeds meer een centrale plaats lijkt in te nemen in het mensenrechtenbeleid van de regering. Daarbij was aanvankelijk onduidelijk wat de receptorbenadering precies inhoudt. De minister van Buitenlandse Zaken heeft echter op 7 maart jl. een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin hij toelicht wat hij met de receptorbenadering bedoelt. In reactie op de brief schreef de AIV het briefadvies “De receptorbenadering: Een kwestie van maatvoering”. Hij heeft dit vastgesteld op 13 april 2012. Het briefadvies is geschreven op verzoek van de Tweede Kamer.

De receptorbenadering gaat over de vraag op welke wijze de bevordering van de rechten van de mens het beste kan aansluiten bij de vele verschillen die landen wereldwijd laten zien. Volgens de receptorbenadering kan meer dan nu het geval is gebruik worden gemaakt van de lokale cultuur en traditionele sociale instituties als aanknopingspunten om in bepaalde gevallen internationale mensenrechtenverplichtingen in de praktijk te brengen. De brief van 7 maart jongstleden stelt dat westerse landen teveel nadruk leggen op vastlegging van mensenrechten in nationale wetgeving en in individuele rechten en bovendien te vaak het opgeheven vingertje gebruiken tegen landen die niet aan hun verplichtingen voldoen.

De AIV wijst er in het briefadvies op dat het concept van de receptorbenadering niet nieuw is en dat Westerse regeringen al decennia gebruik maken van andere methoden om mensenrechten te bevorderen; het recht was en is niet het enige middel. De AIV geeft bovendien aan dat het internationale recht aan staten ruimte laat (‘margin of appreciation’) om rekening te houden met die lokale context: ‘universaliteit is geen uniformiteit’. Er zijn echter minimumnormen. Lokale tradities en gewoonten worden vaak gehanteerd als excuus om fundamentele rechten te schenden. Internationale verdragen en de daarbij horende handhavingsmechanismen zijn dan hard nodig ter correctie, bijvoorbeeld als het gaat om rechten die tot doel hebben burgers tegen hun eigen overheden of lokale leiders te beschermen.

Verder stelt de brief van 7 maart dat de mensenrechten universeel zijn, maar dat implementatie een nationale aangelegenheid is. De AIV heeft in dat verband eerder de term ‘universalisering’ geïntroduceerd: universaliteit van de rechten van de mens is het uitgangspunt, maar de weg ernaar toe vraagt blijvende aandacht. De AIV stelt daarnaast dat de naleving van mensenrechten niet meer uitsluitend een nationale zaak is, maar dat de internationale gemeenschap ook een grote, complementaire verantwoordelijkheid heeft. Deze krijgt vorm door toezicht op de naleving van verdragen en bijvoorbeeld via de Responsibility to Protect, zoals in 2005 vastgelegd in een document van de Algemene Vergadering van de VN.

De brief van 7 maart stelt verder dat met een ‘opgeheven vingertje’ landen aanspreken niet effectief is en dat dialoog en concrete samenwerking om de mensenrechtensituatie te verbeteren meer nut hebben. De AIV geeft, net als de regering, de voorkeur aan dialoog en samenwerking. Het ‘vingertje’ komt al gauw over als belerend en de wijsheid in pacht hebbend. Toch moet Nederland, samen met de EU-partners, zich in de ogen van de AIV niet alleen laten drijven door dialoog, pragmatiek en economische motieven maar ook steeds principiële standpunten over mensenrechten blijven uitdragen. De AIV meent dat andere staten wel degelijk kunnen worden aangesproken op de naleving van universele mensenrechten zonder hen de les te lezen (‘opgeheven vinger’). De AIV: ‘Daarvoor is onder meer nodig dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande juridische verplichtingen, zodat debatten worden geobjectiveerd, (…) en van het in acht nemen van de eigen geloofwaardigheid: practice what you preach, zoals de minister pleegt te zeggen en ook schreef in zijn brief van 7 maart 2012.’

De minister schrijft dat hij het hele beleidsinstrumentarium zal blijven inzetten. De AIV steunt die lijn maar maakt daarbij ook kanttekeningen. De AIV: ‘Teveel aandacht voor de lokale cultuur en traditionele sociale instituties als aanknopingspunten om mensenrechten te bevorderen kan ertoe leiden dat er te weinig aandacht is voor de slachtoffers van mensenrechtenschendingen als gevolg van deze traditionele culturele praktijken.’ Het gaat in de visie van de AIV uiteindelijk om balans en maatvoering.