Wie zaait zal oogsten: effectieve Nederlandse belangenbehartiging in Europa vergt nieuwe relatie met het Europees Parlement

27 november 2012

WIE ZAAIT ZAL OOGSTEN: EFFECTIEVE NEDERLANDSE BELANGENBEHARTIGING IN EUROPA VERGT NIEUWE RELATIE MET HET EUROPEES PARLEMENT

Den Haag, 27 november 2012

Het Europees Parlement (EP) is door Verdrag van Lissabon per 1 december 2009 een machtige instelling geworden. Wil Nederland hier zijn voordeel mee doen, dan moet het investeren in een betere relatie met het EP. Nederlandse politici moeten het EP gaan beschouwen als potentiële partner en ook haar cruciale functie uitdragen in het politieke debat. Alleen dan kan Nederland meer invloed krijgen op Europese besluitvorming en zal het EP meer vertrouwen krijgen van de Nederlandse bevolking. Dat stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) vandaag in een advies aan de regering, getiteld ‘Nederland en het Europees Parlement: Investeren in nieuwe verhoudingen’.

Het EP neemt, samen met de Raad van Ministers, besluiten op alle terreinen waarop de EU bevoegd is en bepaalt mede de jaarlijkse begroting van de Unie. Ook heeft het EP meer invloed gekregen op de samenstelling van de Europese Commissie. Het EP heeft sindsdien al vaak gebruik gemaakt van zijn nieuwe bevoegdheden. Zo heeft het een voor Nederland belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van het sixpack. Ook heeft het EP zijn veto uitgesproken over een aantal internationale overeenkomsten.

De AIV constateert dat de belangrijke rol die het EP nu vervuld onvoldoende is doorgedrongen tot de Nederlandse politiek. Er is ruimte voor verbetering van beleidsbeïnvloeding. Zo is de aandacht binnen de Haagse departementen nog altijd voornamelijk op de Raad gericht en is de kennis over de organisatie en werkwijze van het EP beperkt. Hierdoor loopt Nederland kansen mis.

De regering en Staten-Generaal kunnen effectiever in Europa opereren door het EP serieus te nemen. Zij moeten investeren in een nieuwe verstandhouding die gericht is op een duurzame samenwerking en een actieve zichtbare betrokkenheid bij het reilen en zeilen in het EP. De Nederlandse regering moet een strategie ontwikkelen richting het EP, waarbij zij telkens afweegt op welke dossiers zij met het EP kan en wil samenwerken. Een dergelijke strategie vereist een goede balans in de aandacht voor de Raad en het EP, intrekking van de Oekaze-Kok, meer kennis over de besluitvormingsprocessen die in het EP plaatsvinden en intensiever contact met Europarlementariërs, zowel uit Nederland als uit andere lidstaten. Aandacht voor het EP moet een ‘tweede natuur’ worden in Den Haag.

In zijn advies constateert de AIV dat de uitbreiding van de bevoegdheden van het EP niet heeft geleid tot een groter vertrouwen van de Nederlandse bevolking in Europa en haar instellingen. Het draagvlak voor Europa staat onder druk en ook het EP geniet nog altijd weinig publiek aanzien. Omdat de oplossingen die op Europees niveau worden genomen om de crisis te bezweren, voorzien in een verdergaande overheveling van bevoegdheden naar Europa, is het des te urgenter dat het draagvlak voor Europa en haar instellingen, waaronder het EP, wordt hersteld. Dit vereist onder andere een voldoende herkenbare democratische structuur en een Europa dat resultaten boekt in het belang van de burgers.

De AIV is van oordeel dat de huidige voorstellen hiertoe niet het gewenste effect zullen hebben als niet ook iets verandert aan de toon waarop door de nationale politiek over Europa en het EP wordt gesproken. Een kunstmatig gecreëerde tegenstelling tussen Den Haag en Brussel komt het imago van de Unie en haar instellingen niet ten goede. Men oogst wat met zaait.