Regio's steeds belangrijker, mate van inspraak blijft achter

11 maart 2016

Den Haag, 11 maart 2016

Decentrale overheden krijgen een steeds grotere rol in de uitvoering van nationale en Europese wetgeving. De EU en het Rijk moeten zich daarom meer rekenschap geven van het toegenomen belang van decentrale overheden bij de totstandkoming van wetgeving, zo constateert de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in een vandaag uitgebracht rapport.

De gevolgen van mondialisering trekken een zware wissel op de inventiviteit van het lokale bestuur, het eerste aanspreekpunt voor burgers. Daarnaast hebben decentrale overheden meer verantwoordelijkheden gekregen bij de uitvoering van nationale en Europese wetgeving en vervullen zij een belangrijke rol bij het creëren van werkgelegenheid. Regio’s zijn al lang geen secundaire spelers meer.

Omdat de directe relatie tussen EU-wetgever en uitvoerder (decentrale overheden) niet formeel is omschreven in de Europese Verdragen, zal dit naar de mening van de AIV, vanwege het toenemend gewicht van de regio bij de uitvoering van wetgeving, op termijn gaan knellen. De Europese Commissie zou de regio’s meer inspraak moeten geven in beleidsontwikkeling, herziening van wetgeving en evaluaties. Dit kan de Commissie bijvoorbeeld doen door regio’s op permanente basis te consulteren. Ditzelfde geldt voor het Europees Parlement, dat meer aandacht moet besteden aan realisatie en uitvoerbaarheid van Europees beleid. Het Comité van de Regio’s zal zich sterker dan voorheen moeten richten op zijn core business, dat wil zeggen dat zij de uitvoerbaarheid van EU-beleid op regionaal niveau in kaart brengt en regionale belangen behartigt. Op dit moment ligt de focus van de leden van het Comité nog teveel op de vertegenwoordiging van partijpolitieke standpunten waardoor de regionale belangen verwateren en de impact van het Comité in het wetgevingstraject minimaal is. Daarnaast wordt op deze wijze het werk van het Europees Parlement gedupliceerd.

Ook het Rijk zal zich meer rekenschap moeten geven van het groeiend belang van decentrale overheden, ondanks dat de consultatie de afgelopen jaren sterk is verbeterd. Decentrale overheden moeten nog nadrukkelijker worden betrokken bij de gemeenschappelijke strategievorming en bij het EU-wetgevingstraject, omdat zij eenvoudigweg de kennis en ervaring in huis hebben en dagelijks geconfronteerd worden met de uitvoering. Onderlinge solidariteit moet het uitgangspunt zijn van ieders opstelling in Brussel, daar waar decentrale overheden en het Rijk nu ieder hun eigen onderhandelings- en lobbyspoor in Brussel volgen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal hierin een veel actievere rol moeten vervullen dan tot nu toe, door als ‘moederdepartement’ van decentrale regio’s de belangen van regio’s te beschermen en deze goed en tijdig te betrekken bij de beleidsvorming over Europa.