Daadkracht door de Dutch Diamond: ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen

4 april 2016 - nr.99
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

Conclusies

In september 2015 aanvaardde de Algemene Vergadering van de VN een omvattende agenda voor duurzame ontwikkeling, met bijbehorende doelen voor een beter milieu, beperking van klimaatverandering en verbetering van welzijn en mensenrechten. De nieuwe agenda heeft betrekking op alle landen en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen zal om goede coördinatie vragen, zowel nationaal als internationaal.

Het complexe karakter van de agenda vergt ook nieuwe vormen van samenwerking. Gerekend wordt op de inbreng van vele actoren. Naast centrale en lokale overheden en internationale instanties zal uiterste inspanning worden gevraagd van ondernemingen, maatschappelijke organisaties, kennisinstituten en financiële instellingen. Gezamenlijk vormen zij het publieke domein dat verantwoordelijk is voor het realiseren van de duurzame ontwikkelingsdoelen. Governance is daarmee niet -anger de vanzelfsprekende taak van overheden alleen. Het komt aan op een samenspel van alle betrokkenen.

De AIV erkent dat internationaal bezien enkele grote Nederlandse ondernemingen vooroplopen in hun streven om bij te dragen aan duurzame ontwikkeling. De intrinsieke motivatie van deze bedrijven om duurzaamheid te incorporeren in hun bedrijfsvoering weerspiegelt de omslag die zich breder in de samenleving voltrekt: van een defensieve houding van duurzame ontwikkeling als bijzaak naar het besef dat een duurzame grondslag van de samenleving de enige manier is om welvaart en economische ontwikkeling ook in de toekomst te behouden.

Maar ook de koplopers stuiten nog op forse beperkingen. Geen van hen kan bogen op een volledig duurzaam businessmodel. Zij zien goede intenties gehinderd door de realiteit van markt en concurrentie. Ook voor deze ondernemingen blijkt het een voortdurende opgave om interne bedrijfsbelangen af te stemmen op duurzame ontwikkeling. De AIV constateert voorts dat de rol van het midden- en kleinbedrijf, sociale ondernemers en financiële instellingen in hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling in het buitenland nog steeds bescheiden is.

Vooral ten aanzien van mensenrechten laat de praktijk het nog op belangrijke onderdelen afweten. Bedrijven leggen weliswaar groeiende belangstelling aan de dag voor de werken arbeidsomstandigheden van eigen werknemers en in toenemende mate ook die van toeleverende bedrijven in de keten, maar de aandacht lijkt vooral te zijn ingegeven door defensieve overwegingen. Beduchtheid voor reputatieschade en aansprakelijkheidsrisico’s vormen een belangrijke drijfveer. De richtlijnen van de VN mogen inmiddels de status hebben verkregen van regulatory ecosystem for business and human rights,1 hun toepassing door bedrijven gebeurt vooralsnog op vrijwillige basis. Daarom juicht de AIV het toe dat internationaal stappen zijn gezet om tot een juridisch bindend verdrag op het gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen te komen.

De vaak nog afwachtende houding binnen de financiële sector jegens financiering van initiatieven ten behoeve van duurzame ontwikkeling vormt een ander aandachtspunt, zo meent de AIV. Behalve enkele pensioenfondsen als ABP en instellingen als de FMO, Triodos bank en ASN bank kent men nog te weinig prioriteit toe aan duurzame ontwikkeling. Een doorn in het oog is de belastingontwijking op grote schaal door multinationale ondernemingen. Dit kost overheden wereldwijd en zeker ook in ontwikkelingslanden jaarlijks vele miljarden en de AIV roept de regering op om de maatregelen die recent in EU-verband zijn uitgebracht, volop te steunen.

Nu de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzame ontwikkelingsdoelen zijn vastgesteld, dient het Nederlandse beleid specifiek op deze agenda te worden afgestemd, zowel voor wat betreft het aandeel dat in Nederland zal worden gerealiseerd als in het buitenlandse beleid. Door daarbij aandacht te geven aan de verwachte inbreng door Nederlandse bedrijven zullen deze ertoe aangespoord worden om hun strategieën voor duurzaam ondernemen te spiegelen aan de agenda voor duurzame ontwikkeling.

De Nederlandse overheid heeft een aantal interessante initiatieven in gang gezet om Nederlandse bedrijven die (ook) in het buitenland actief zijn te steunen bij het maken van de overstap naar duurzaam ondernemen. Twee toonaangevende instrumenten zijn publiek-private partnerschappen en het overeenkomen van convenanten in risicovolle sectoren. Niettemin laat naar het oordeel van de AIV het beleid dat in het teken staat van economische diplomatie, nog kansen onbenut. Zo zou de koppeling tussen handel en ontwikkelingssamenwerking en het topsectorenbeleid sterker tot uiting dienen te komen.

De vierdubbele pet van de overheid als wetgever, partner, subsidiegever en marktmeester stelt hoge eisen aan afstemming – niet alleen binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken maar ook in relatie tot andere ministeries en andere actoren. De ervaring leert dat de timing en onderlinge coördinatie van interventies belangrijker zijn dan hun omvang. Juist een gevarieerde aanpak blijkt het meeste effect te sorteren.

Bij het instrument van partnerschappen constateert de AIV dat het moeilijk blijkt voor de overheid om de rol van subsidiegever (faciliteren) en partner met elkaar te combineren. Gewaakt moet worden voor het risico dat de overheidsrol van partner ten koste gaat van de andere rollen en verantwoordelijkheden. In een partnerschap zien andere spelers de overheid mogelijk niet meer als staande boven de partijen. De rol van partner kan bovendien ten koste gaan van de motivatie om wet- en regelgeving aan te scherpen. Dit laatste verdient voortdurende aandacht en opvolging, meent de AIV.

Ook het instrument van marktmeesterschap dient beter ontwikkeld te worden. Ten aanzien van mededingingsbeleid (wet- en regelgeving) is de constatering dat deze momenteel nog te weinig gekoppeld is aan het faciliteren en wellicht endorsen van partnerschappen. Dat vergt toepassing van een breder welvaartsbegrip (zie hoofdstuk IV.4) en ook zoals de praktijk van partnerschappen laat zien, een andere inschatting en wellicht ook definitie van wat ‘marktverstoring’ inhoudt. Een partnerschap dat bedoeld is om bij te dragen aan duurzame ontwikkeling kan op korte termijn marktverstorend werken maar op langere termijn een nieuwe markt creëren waarbij een race to the bottom wordt tegengegaan.

Ingaand op specifieke aandachtspunten in de adviesaanvraag zijn de conclusies van de AIV als volgt:

  • Ongelijk speelveld: Dit vormt een extra uitdaging voor Nederlandse ondernemingen die zich geconfronteerd zien met concurrentie door bedrijven die vanuit andere wettelijke kaders opereren en een andere visie op duurzame ontwikkeling hanteren. Globalisering en de economische opkomst van Azië zijn hier debet aan. Toch biedt dit ook kansen. De ervaring op het gebied van milieu leert dat het ontbreken van een level playing field ook een stimulans kan betekenen om met behulp van innovaties een betere concurrentiepositie te verwerven. Vroeger of later zullen alle landen de duurzaamheidskaart moeten spelen. Door steeds hogere eisen te stellen worden bedrijven aangemoedigd om zich aan te passen en zo te innoveren dat ze én duurzamer worden én concurrerend blijven. De betere bedrijven profiteren hiervan. Dit laat onverlet dat een ongelijk speelveld bestreden moet worden; dit zal enkel kunnen wanneer weten regelgeving en toezicht op naleving internationaal geharmoniseerd worden.
  • Publiek-private partnerschappen: Bemoedigende ervaringen verhullen dat veel van de partnerschappen op het gebied van duurzaamheid nog work in progress zijn. Positief van de Nederlandse aanpak is dat een breed scala van initiatieven door de Nederlandse overheid ondersteund en geïnitieerd wordt. Dat heeft weliswaar tot fragmentatie geleid, maar biedt ook interessante ‘experimenteerruimte’. Momenteel gaat de aandacht binnen programma’s vooral uit naar de effectiviteit en efficiëntie van individuele partnerschappen. Wat ontbreekt, is een regelmatig systematisch (intern) onderzoek naar mogelijke hiaten in de gehele verzameling – een onderzoek langs alle onderdelen van de agenda van duurzame ontwikkeling.
  • Mededingingsrecht: De adviesaanvraag vooronderstelt dat de huidige wetgeving op het gebied van mededinging een wissel trekt op veel duurzaamheidsinitiatieven. Dat is niet in alle gevallen zo. De beperkende werking van mededingingsrecht mag voor een deel als een ‘emotiefactor’ worden beschouwd, zo blijkt uit gesprekken die de AIV heeft gevoerd. Er lijkt meer mogelijk dan bedrijven (willen) beseffen. Van belang is dat er duidelijk onderscheid bestaat tussen wat wel en niet is toegestaan en de AIV spreekt waardering uit voor het feit dat de regering hierover de consultatie is aangegaan met betrokken marktpartijen. Wel tekent de AIV aan dat de gehanteerde opvatting van breed welvaartsbegrip nog steeds vrij beperkt van aard is en dat ruimte gegeven zou kunnen worden aan het meewegen van aspecten als marktcreatie (in plaats van marktverstoring), een bredere opvatting van preconcurrentiële samenwerking, internationale afstemming en vooral ook naar belangen voor de keten als geheel.

Aanbevelingen

Op grond van deze bevindingen adviseert de AIV de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking om:

Regulerend op te treden waar zelfregulering tekortschiet, nationaal én internationaal

  • Gelet op het maatschappelijke belang van duurzame ontwikkeling en het feit dat ondernemingen gebaat zijn bij duidelijke wet- en regelgeving, adviseert de AIV de Nederlandse regering prioriteit te (blijven) geven aan haar wet- en regelgevende taak ten behoeve van het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen, boven de andere onderscheiden rollen van faciliteren, stimuleren van partnerschappen en als marktmeester.
  • Met name voor deze wet- en regelgevende rol is internationale afstemming nodig, om te beginnen in Europees verband. De AIV roept de regering op om zich in te blijven spannen voor gemeenschappelijke kaders met Europese partners, VN-organen zoals de Human Rights Council en internationale financiële instellingen, op tenminste de volgende drie terreinen:
    - Verduurzaming van internationale ketens en een gelijk speelveld: De AIV dringt er bij de Nederlandse regering met kracht op aan om in vervolg op de internationale conferentie ‘EU and Global Value Chains’ en de bijeenkomst van Europese ministers voor ontwikkelingssamenwerking en voor handel (respectievelijk op 7 december 2015 en 2 februari 2016, beide te Amsterdam), uitvoering te geven aan een actieplan dat in EU-verband zal worden overeengekomen. Dit kan bijvoorbeeld door in te zetten op een brede discussie met Europese partners (ondernemingen, brancheverenigingen, deskundigen op gebied van duurzame ontwikkeling, mededingingsjuristen) over gesignaleerde belemmeringen in wet- en regelgeving die zich in de praktijk voordoen, met als doel om de transparantie van wet- en regelgeving te verbeteren en een level playing field mogelijk te maken. Verdere harmonisatie van mededingingsrecht in Europees verband geldt daarbij als speciaal aandachtspunt.
    - Eerbiediging van mensenrechten: Gezien de getoonde beperkingen van zelfregulering op dit terrein, beveelt de AIV de regering aan om onomwonden steun te verlenen aan het tot stand komen van een internationaal juridisch bindend verdrag op het gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen.
    - Tegengaan van belastingontwijking: Evenzo dient naar het oordeel van de AIV de regering alle steun te verlenen aan uitvoering van de maatregelen die recent in EU-verband zijn gepresenteerd om belastingontwijking door multinationale ondernemingen te beteugelen. Als speciaal aandachtspunt geldt daarbij verdere harmonisatie van aspecten van mededinging.

Uitvoering te geven aan de Dutch Diamond en het actief betrekken van relevante actoren

  • De AIV adviseert de overheid erop toe te zien dat naast ondernemingen en kennisinstellingen ook maatschappelijke organisaties en financiële instellingen uitdrukkelijk worden betrokken bij beleidsformulering en -uitvoering. Dit met het doel om de werking van de zogeheten Dutch Diamond-aanpak te optimaliseren.
  • Met betrekking tot het IMVO-convenant dat in voorbereiding is voor de financiële sector beveelt de AIV de regering aan om kritisch toe zien op het opnemen van concrete afspraken over transparante rapportage.
  • De AIV adviseert om ook andere lagen van de publieke sector actief te betrekken bij uitvoeringsplannen voor de agenda van duurzame ontwikkeling. Overheden van grote steden beschikken over kennis die ook internationaal van belang is zoals stedelijke agglomeraties die in door het klimaat bedreigde delta’s en kustlocaties liggen.

Diplomatie meer ten dienste te stellen van duurzame ontwikkeling

  • De internationale agenda voor duurzame ontwikkeling dient publiekelijk én onder bedrijven grotere bekendheid te krijgen. Daarbij moet duidelijk zijn welke bijdrage vanuit Nederland wordt verwacht, op welke gebieden en door wie. De AIV geeft in overweging om hiertoe een visiedocument op te stellen dat boven (politieke) partijen staat en tot uiting brengt hoe ons land de komende jaren aan het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen zal bijdragen.
  • Hieraan gekoppeld bepleit de AIV om in het buitenlandse beleid naast direct economische belangen de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling expliciet tot uiting te laten komen en het instrumentarium daarop af te stemmen. Aandacht voor sociale aspecten van duurzame ontwikkeling, met name mensenrechten, verdient hierin nadruk.

Zich sterker rekenschap te geven van haar eigen voorbeeldfunctie

  • Van het publiek en ondernemingen verlangen alles in het werk te stellen om bij te dragen aan duurzame ontwikkeling, komt enkel geloofwaardig over als de overheid hier zelf het goede voorbeeld biedt. Hierin wordt naar de mening van de AIV nog tekortgeschoten. Het gaat om grote zaken als druk op het milieu (door onder meer energieopwekking en waterbeheer) maar bijvoorbeeld ook om het eigen inkoopbeleid. De AIV beveelt de regering aan om zich sterker rekenschap te geven van haar voorbeeldfunctie op het gebied van duurzame ontwikkeling en om hierin coherent handelen aan de dag te leggen.

_____________________________

1 Aldus professor John Ruggie tijdens het 3rd UN Forum on Business & Human Rights, Geneva, 3 December 2014.
Adviesaanvraag

Aan de voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Postbus 20061
2500 EB  Den Haag
 

Datum 31 december 2014
Betreft Adviesaanvraag rol bedrijfsleven
 

Geachte voorzitter,

Graag zou het Kabinet uw advies ontvangen over de manier waarop het bedrijfsleven zijn bijdrage aan het bereiken van internationale duurzaamheidsdoelstellingen zou kunnen optimaliseren.

Die vraag is van betekenis, omdat het bedrijfsleven een factor is geworden met toenemende invloed en betekenis. Veertig van de honderd grootste economische entiteiten op de wereld zijn bedrijven en geen landen en zonder de kennis en kunde van bedrijven is het voor overheden lastig duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren. Deze groeiende invloed en betekenis van bedrijven houdt in dat hun mogelijkheden om te sturen op duurzaamheidsdoelstellingen navenant is toegenomen. Er zijn bedrijven die hun verantwoordelijkheid zien en oppakken. De motivatie daarvoor is niet alleen het dienen van een publiek belang, maar ook welbegrepen eigenbelang, bijvoorbeeld als de grondstoffenvoorzieningszekerheid in het geding is. Ook de vraag naar toenemende transparantie over het productieproces door burgers vormt een stimulans tot duurzamer gedrag van bedrijven.

Nederlandse bedrijven die internationaal actief zijn dragen op veel manieren bij aan het dichterbij brengen van doelstellingen op het gebied van duurzaamheid. Bovendien worden zij geacht de OESO-richtlijnen na te leven, waaronder de UN guiding principles op het gebied van mensenrechten en bedrijfsleven vallen, om schendingen in hun productieketen op het gebied van arbeidsomstandigheden, kinderarbeid, milieu, corruptie en mensenrechten zoveel mogelijk te voorkomen. Het zogenoemde due diligence principe. Interessant is dat een toenemend aantal ondernemers een diepere motivatie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen aan de dag legt. Zij ontwikkelen innovatieve business-modellen die ervoor zorgen dat het bedrijf een pro-actieve bijdrage levert aan de verduurzaming van de wereld, zoals bestrijding van armoede en verbetering van het milieu. In het kader van deze ontwikkelingen wordt de AIV gevraagd advies uit te brengen hoe de bijdrage van het internationaal opererende bedrijfsleven aan de realisering van duurzaamheidsdoelstellingen te optimaliseren. Deze vraag valt uiteen in drie subvragen:

  1. Welke kansen en belemmeringen zijn er voor het bedrijfsleven om zijn bijdrage aan het realiseren van duurzaamheidsdoelstellingen te vergroten cq. te optimaliseren? Denk daarbij bijvoorbeeld aan het ontbreken van een gelijk speelveld of onvoldoende marktmacht (in productie- en handelsketens). Wat kan de Nederlandse overheid doen om het bedrijfsleven daarin te stimuleren en te faciliteren?
     
  2. Welke rol vervult het instrument van publiek-private partnerschappen in het realiseren van duurzaamheidsdoelstellingen? Kan de realisatie van publieke doelstellingen voldoende gewaarborgd worden in ppp’s?
     
  3. Welke belemmering kan wet- en regelgeving, in het bijzonder het mededingingsrecht, voor het bedrijfsleven opleveren in zijn streven naar een meer duurzame productie? Een voorbeeld van een dergelijk knelpunt kan het mededingingsrecht zijn. Zie de toelichting in de bijlage voor de actuele steenkolencasus.

Met belangstelling ziet het Kabinet uw advies tegemoet.

Lilianne Ploumen
Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

_______________________________

Bijlage 1: Toelichting

De betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de realisering van duurzaamheidsdoelstellingen kreeg een stevige stimulans tijdens de Top van Johannesburg in 2002. Als middel om die betrokkenheid vorm te geven, kwamen de publiek-private partnerschappen (ppp’s) op de agenda. Tien jaar later, tijdens de Top Rio+20, kreeg het bedrijfsleven, naast andere actoren, nog uitdrukkelijker een verantwoordelijkheid toegekend. De private sector, zo is besloten, moet zijn verantwoordelijkheid nemen bij het realiseren van een groenere groei gericht op duurzame ontwikkeling en gericht op armoedevermindering. Partnerschappen zijn een belangrijk instrument om daarbij in te zetten.1

In Rio is tevens gezegd dat het bedrijfsleven dan wel een faciliterende overheid nodig heeft om deze taak te kunnen uitvoeren. Zij moet zorgen voor regelgeving en beleidskaders die het voor het bedrijfsleven mogelijk maken om duurzame ontwikkeling te bevorderen. Dat kan bijvoorbeeld door investeringen in technologieën voor schone energie mogelijk te maken.

In Nederland is de laatste jaren al meer aandacht gekomen voor de bijdrage die het bedrijfsleven zou kunnen vervullen in het oplossen van maatschappelijke problemen. Vooral het Europese onderzoeksbeleid Horizon 2020 met zijn ‘grand challenges’ is hierin een voorbeeld voor de Nederlandse inzet. De oriëntatie van Nederland op deze maatschappelijke uitdagingen, krijgt vooral vorm in het topsectorenbeleid waarbinnen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen intensief samenwerken. De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) vindt dat de overheid nog sterker met visie en overtuiging een koers moet uitzetten als voor de overige betrokken partijen.2

Een specifiek instrument voor het bedrijfsleven om samen met andere partijen duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren zijn de publiek-private partnerschappen (ppp’s). Ppp’s zijn vormen van samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven waarbij beide partijen het risico en de verantwoordelijkheid voor de samenwerking op zich nemen en er van beide kanten middelen en deskundigheid worden ingebracht. In Nederland is deze vorm van samenwerking tussen overheid en private partijen al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw in gebruik. Dat type ppp’s richt zich vooral op samenwerking bij het realiseren van publieke (sociale) infrastructuur. Anders van karakter waren de ppp’s die in 2002 tijdens de Top van Johannesburg op de agenda kwamen. Die ppp’s zijn samenwerkingsvormen gericht op bredere ontwikkelingsdoelen. De Nederlandse overheid speelde een sterk stimulerende rol bij de realisatie deze ppp’s.

Het beleid voor de synergie van hulp en handel vormde een nieuwe stimulans voor de inzet van ppp’s, in het bijzonder voor de speerpunten voedsel en water. In 2014 jaar is door BZ en enkele externe partijen een PPPLab opgericht om het begrip van de werking van ppp’s te verdiepen en de betekenis ervan te vergroten.3 Deze versterkte inzet op expertiseontwikkeling sluit aan bij een aanbeveling van de Inspectie voor Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) uit 2013.4 In het kader van de vraag welke bijdrage het bedrijfsleven aan het realiseren van duurzaamheidsdoelstellingen kan leveren zijn twee aandachtspunten uit deze evaluatie van belang. Allereerst de noodzaak om effecten te meten van ppp’s op de vooraf bepaalde doelstellingen. Nu is er nog onvoldoende bekend over de effecten van ppp’s.5 Een tweede aandachtspunt is de noodzaak van een blijvende betrokkenheid van de Nederlandse overheid bij ppp’s om de publieke dimensie te bewaken. Die betrokkenheid moet volgens IOB vooral tot uitdrukking komen in het scheppen en handhaven van kaders (eisen op het gebied van veiligheid, kwaliteit, toegankelijkheid, etc.).6

Wanneer het bedrijfsleven gestimuleerd wordt om bij te dragen aan de realisering van duurzaamheidsdoelstellingen door productieprocessen te verduurzamen, kan wet- en regelgeving een sta in de weg zijn. Een voorbeeld daarvan is het mededingingsrecht. Dit recht is erop gericht kartels te voorkomen, maar ook misbruik van dominante posities door één bedrijf en het vormen van ongewenste marktconcentratie door fusies en overnames. Van kartelvorming is sprake als bedrijven afspraken maken over productie en prijzen. Het voorkomen daarvan is in het belang van de consument, die zo niet te maken krijgt met hoge prijzen.

Het verbod op het maken van afspraken kan op gespannen voet komen te staan met het streven om de productiewijzen te verbeteren in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat per definitie over bovenwettelijke standaarden. Het is daarom voor bedrijven aantrekkelijker om zich met de gehele sector te verbinden aan hogere standaarden, dan dat als individueel bedrijf te doen.

Dit brengt tot de vraag welke uitzonderingsmogelijkheden er zijn voor het maken van afspraken tussen bedrijven voor duurzamer productiewijzen. Binnen het mededingingsrecht gaat het dan om de vraag in welke mate niet-economische belangen tot een uitzonderingsgrond behoren. Er is in Nederland de laatste tijd al aanwijsbaar meer aandacht voor niet-economische belangen bij de toepassing van de mededingingswetgeving.7

Maar er is nog onvoldoende ruimte voor bedrijven om met elkaar afspraken te maken over een hoger niveau van duurzaamheid. Dit is op verschillende terreinen aan de orde, zoals bij het transparant maken van de herkomst van grondstoffen, bij het voorkomen van kinderarbeid en bij de verdere verduurzaming van de voedselproductie.8

________________
1 Zie voor deze en volgende informatie: http://www.un.org/en/sustainablefuture/
2 AWT, Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen, Den Haag 2013.
3 PPPLab Food & Water, Public-Private Partnerships: a Brief Introduction, Den Haag 2014, p. 25.
4 Een aanbeveling luidt: Systematic analysis of PPP performance could provide more insights in the success and failure factors underlying PPP effectiveness.” IOB Study Public-Private Partnerships in developing countries. A systematic literature review, Den Haag 2013, p. 13.
5 Idem, p. 45.
6 IOB Studie Nieuwsbrief #1307, ‘Publiek-Private Partnerschappen in ontwikkelingslanden. Een systematisch literatuuronderzoek’.
7 Zie SER, Meer werken aan duurzame groei, 2010, p. 119. Zie voor een beschouwing over dit vraagstuk ook T.R. Ottervanger, ‘Maatschappelijk verantwoord concurreren. Mededingingsrecht in een veranderende wereld’ in: Markt & Mededinging, juni 2010, nr. 3.
8 Zie voor dat laatste onderwerp Algemeen Overleg 9 december 2014 over voedsel.
Regeringsreacties

Kabinetsreactie op AIV-advies ‘Daadkracht door de Dutch Diamond: Ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen’

1. Inleiding

Het kabinet dankt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voor zijn gedegen advies over de manier waarop de Nederlandse overheid bedrijven kan steunen om bij te dragen aan Agenda 2030 met daarin de duurzame ontwikkelingsdoelen (hierna: Global Goals). De hoofdconclusies van het advies ‘Daadkracht door de Dutch Diamond: Ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen’ luiden dat: (1) het ongelijke speelveld waar Nederlandse ondernemingen zich internationaal mee geconfronteerd zien, bestreden moet worden door de internationale harmonisatie van wet- en regelgeving en toezicht op naleving; (2) systematisch onderzoek naar de fragmentatie/brede scala van publiek-private partnerschappen op het gebied van duurzaamheid noodzakelijk is; en (3) de gehanteerde opvatting van het breed welvaartsbegrip te beperkt is en dat aspecten als marktcreatie (in plaats van marktverstoring), een bredere invulling van preconcurrentiële samenwerking, internationale afstemming en vooral ook belangen voor de keten als geheel meegewogen kunnen worden.

Het kabinet verwelkomt het advies. Het vormt een bevestiging van het belang dat Nederland in het (inter)nationale beleid hecht aan dialoog en samenwerking met het bedrijfsleven, op basis van de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om maatschappelijk verantwoord te ondernemen, in een open relatie met de samenleving en in samenspraak met andere bedrijven in ketens wereldwijd. Het kabinet onderschrijft verder het belang dat het advies hecht aan het formuleren, internationaal harmoniseren en handhaven van wetten en regels, zoals op het gebied van mensenrechten, milieubescherming en het economisch verkeer. Het kabinet kan dan ook instemmen met veel wat in dit rapport aan de orde komt. In de bespreking van verschillende hoofdconclusies en aanbevelingen uit het rapport, blijkt waar het kabinet een andere opvatting is toegedaan.

2. Global Goals

De AIV geeft een heldere analyse van de ontwikkeling in de afgelopen jaren met betrekking tot duurzame ontwikkeling. Met het vaststellen van de Global Goals wordt thans uitwerking gegeven aan een integrale benadering van het begrip duurzaamheid, zoals reeds in 1987 door de Brundtland Commissie werd geadviseerd, namelijk de People-Planet-Profit (later Prosperity) benadering. De zeventien Global Goals zijn gegroepeerd rondom kernwaarden als menselijke waardigheid, gerechtigheid en mondiale solidariteit. De Global Goals hebben een universele betekenis, hetgeen betekent dat zij, anders dan de Millennium Development Goals, ook gelden voor ontwikkelde landen zoals Nederland.

De AIV adviseert de overheid een visiedocument op te stellen voor de implementatie van de Global Goals voor de langere termijn. Het kabinet is van mening dat deze doelen een helder kader bieden en prefereert aan de hand daarvan een pragmatische aanpak voor de implementatie ervan. Dat doet het kabinet door direct aan de slag te gaan met de uitvoering, in samenwerking met maatschappelijke actoren. Hiertoe is in februari 2016 een Coördinator Nationale implementatie Global Goals aangesteld.

Eén van zijn taken is het betrekken van ministeries en partijen in de samenleving bij de uitvoering van de Global Goals. Het kabinet hecht grote waarde aan de bereidheid van maatschappelijke organisaties, bedrijven en kennisinstellingen om bij te dragen aan de realisatie van de Global Goals. Versterkte samenwerking is daarbij nodig, zoals onderschreven door een groot aantal partijen bij de SDG Charter en de Maatschappelijke Alliantie Nederland. In de SDG Charter1 werken 70 bedrijven en maatschappelijke organisaties samen; de Maatschappelijke Alliantie Nederland2 brengt fondsen, bedrijven en overheid bij elkaar om gezamenlijk de impact van maatschappelijke initiatieven te vergroten.

De AIV vindt dat Nederland zijn eigen beleid ook moet spiegelen aan de Global Goals, vooral ook, omdat de overheid een voorbeeldrol vervult. Het kabinet is daartoe in alle opzichten bereid. De coördinator heeft inmiddels een inventarisatie gemaakt van de manier waarop de Nederlandse overheid de doelen realiseert of nog gaat realiseren. Tevens werkt het CBS er aan om einde dit jaar een inventarisatie af te ronden waarin duidelijk wordt welke indicatoren voor de Global Goals al beschikbaar zijn en hoe het er voor staat met de duurzame ontwikkeling in Nederland. De coördinator gaat verder een plan van aanpak opstellen voor de uitvoering van de Global Goals in Nederland. Hij zal ook adviseren over de manier waarop de doelen bereikt kunnen worden.3 Dat de overheid haar voorbeeldrol waar wil maken, blijkt ook uit het hernieuwde inkoopbeleid waarin steeds meer aandacht is voor duurzaamheid.4

Het kabinet heeft zich ook al rekenschap gegeven van de manier waarop het de Global Goals wil integreren in zijn beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Uitgangspunt vormt de nota Wat de Wereld Verdient5, aangevuld met de kamerbrief “Inclusieve ontwikkeling in de Nederlandse programma’s voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking”.6

3. Rollen bedrijfsleven en overheid bij het behalen van de Global Goals

De AIV legt een grote verantwoordelijkheid voor de realisatie van de duurzaamheidsdoelstellingen bij overheid en bedrijfsleven. De AIV vindt ook dat beide partijen meer kunnen doen. De overheid zou meer regulerend moeten optreden en het bedrijfsleven levert nog lang niet die inspanning die het zou kunnen leveren.

Om met de prestaties van het bedrijfsleven te beginnen, de AIV geeft aan dat de koplopers nog niet volledig duurzaam zijn en dat 30% van het MKB nog niets doet met MVO. Het kabinet waardeert de inzet op het gebied van MVO en de steun van brancheorganisaties en bedrijven voor de Global Goals. Tegelijk is er meer ambitie nodig: meer bedrijven die MVO-plannen opstellen en met zichtbaar resultaat in de praktijk brengen. Maar ook: het verder integreren van de bijdrage die bedrijven kunnen  leveren aan duurzame ontwikkeling in hun visie, missie en centrale business-strategie.

Het kabinet spreekt Nederlandse bedrijven consequent aan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat betekent dat we verwachten dat zij de OESO-richtlijnen naleven, waaronder de UN guiding principles op het gebied van mensenrechten en bedrijfsleven. Dat voorkomt zoveel mogelijk schendingen in de productieketen op het gebied van arbeidsomstandigheden, kinderarbeid, milieu, corruptie en mensenrechten. Bedrijven kunnen waar nodig rekenen op steun in het ontwikkelen van hun (I)MVO-strategie. Dit gebeurt onder andere door MVO Nederland dat financieel ondersteund wordt door de overheid. Het kabinet werkt aan sectorbrede afspraken in het kader van de IMVO-convenanten (verderop in paragraaf 5.e meer hierover), waarbij het waar mogelijk aandringt op betrokkenheid ook van buitenlandse bedrijven. Bedrijven die met de Nederlandse overheid willen samenwerken of die haar steun zoeken wordt gevraagd hun inzet op MVO inzichtelijk te maken en waar nodig te intensiveren.

Het kabinet is van mening dat ook burgers en consumenten een belangrijke rol kunnen spelen in de realisatie van een duurzame ontwikkeling. Consumenten beïnvloeden door hun aankoopgedrag hoe en wat bedrijven produceren. Naarmate het koopgedrag van consumenten verandert, neemt hun invloed op verduurzaming toe.  Dezelfde consumenten bepalen als burgers door hun stemgedrag binnen welke kaders de overheid opereert op het gebied van duurzaamheid. Ook voor de geloofwaardigheid van de Nederlandse internationale inzet voor duurzame ontwikkeling is het belangrijk dat Nederland de consumptie in eigen land verder verduurzaamt. Dit is onderdeel van afspraken die bedrijven, maatschappelijke organisaties en de Nederlandse overheid hebben gemaakt in het kader van de IMVO-sectorconvenanten. Het kabinet zal daarom de partners bij de convenanten aansporen de communicatie met consumenten over de inhoud van de sectorconvenanten te versterken. Consumenten kunnen dan op basis van goede informatie kiezen voor producten die gemaakt zijn met zoveel mogelijk respect voor mens, dier en milieu. Samen met het bedrijfsleven gaat de overheid een Ronde tafel organiseren om met meerdere organisaties, zoals MVO Nederland, nieuwe paden voor deze communicatie te ontwikkelen.

Niet alleen in het kader van de convenanten maar ook bij de verduurzaming van ketens als die van cacao, hout en palmolie is de overheid betrokken, zodanig dat dit de consumptie verduurzaamt.  Het kabinet maakt afspraken met  bedrijven, winkeliers en supermarkten om het aanbod aan gecertificeerde duurzame producten te vergroten. Ook bevordert het kabinet de transparantie en kwaliteit van informatie over de sociale en ecologische aspecten van de productie van goederen en diensten.

Overheid en bedrijfsleven hebben een leidende rol te vervullen in de realisatie van de Global Goals. De doelen bieden een heldere opsomming van de opgaven waar alle landen in de wereld voor staan. Rijke landen kunnen lage- en middeninkomenslanden helpen om aan de doelen te gaan voldoen. Dat is een kwestie van hulp, maar ook van handel en investeringen. Voor Nederland liggen er groeimarkten op de thema’s die diverse Global Goals representeren. Voorbeelden zijn water, voedsel, gezondheid, energie, infrastructuur, logistiek, duurzame urbanisering en afvalverwerking.

Het kabinet deelt de mening van de AIV dat het niet altijd eenvoudig is voor het (Nederlandse) bedrijfsleven om duurzame ontwikkeling hoog in het vaandel te hebben gezien het ongelijke speelveld waar Nederlandse ondernemingen zich internationaal mee geconfronteerd zien. Op de EU-thuismarkt zijn apecten van duurzaamheid wettelijk verankerd en/of worden door consumenten als vanzelfsprekend ervaren. In het buitenland opereert de concurrentie vaak met lagere standaarden van duurzaamheid. Tegelijk is het kabinet van mening dat de kracht van Nederlandse bedrijven ook in het buitenland ligt in het leveren van kwaliteit op basis van een maatschappelijk verantwoorde productiewijze.

De uitdaging ligt er juist voor een land als Nederland in om zich te blijven onderscheiden in kwaliteit en duurzaamheid, en daarvoor een eerlijke prijs te krijgen in de markt. Nederlandse bedrijven doen er goed aan niet alleen te willen concurreren op prijs, maar daar waar in het buitenland het draagvlak voor duurzaamheid kleiner is, ook kwaliteit en aan duurzaamheid gelieerde aspecten te profileren als ‘selling point’, zoals gemotiveerde werknemers, efficiency in het gebruik van energie en grondstoffen, controle op de productieketen en garanties op het gebied van (voedsel)veiligheid.

Het kabinet stimuleert Nederlandse bedrijven die voorop lopen dan ook om die positie vast te houden en verder uit te bouwen, zeker als zij moeten concurreren met bedrijven die zich minder gelegen laten liggen aan duurzaamheid. Het kabinet is het eens met de opmerking van de AIV dat een duurzaam product of een duurzame productiewijze – op termijn – niet duurder hoeft uit te pakken en zelfs kostenbesparend kan zijn.

Voor het kabinet is het AIV-advies een extra stimulans om bedrijven te ondersteunen in hun internationalisering, juist in combinatie met het leveren van een bijdrage aan duurzame en inclusieve economische ontwikkeling. Nederlandse bedrijven kunnen rekenen op advies vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), diplomatieke steun en waar nodig en mogelijk financiële ondersteuning van hun business-plannen, in het bijzonder als zij met innovatieve oplossingen bijdragen aan uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden.

De AIV adviseert meer middelen ter beschikking te stellen voor innovaties die kunnen leiden tot producten en diensten ten behoeve van duurzame ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke innovaties en onderzoekt hoe die beter te faciliteren. Het huidige instrumentarium biedt reeds mogelijkheden voor ondersteuning van bedrijven in hun innovaties. Zo wordt BopInc ondersteund om bedrijven van advies te voorzien in het ontwikkelen van producten en diensten gericht op de zogenaamde Base of the Pyramid. Belangrijk in dit verband is dat lage- en middeninkomenslanden steeds meer geïnteresseerd zijn in het samen met Nederland ontwikkelen van innovaties voor hun specifieke economische en maatschappelijke behoeften. Het kabinet zal onderzoeken of bestaande programma’s en regelingen voldoende toegankelijk en toegesneden zijn op het ondersteunen van eco- en/of sociale innovaties door bedrijven en kennisinstellingen, ook die met een nog beperkte track-record en/of in meer risicovolle internationale markten.

Gedacht kan worden aan het instellen van challenge funds die gericht zijn op specifieke ontwikkelingsuitdagingen. Het kabinet onderschrijft het advies van de AIV dat bedrijven zich daarbij op zorgvuldige en consequente wijze dienen te houden aan wetten en regels, zoals op het gebied van mensenrechten, milieubescherming en het economisch verkeer. Overheden dienen daarin hun verantwoordelijkheid te nemen en te zorgen voor wet- en regelgeving en toezicht op naleving, die internationaal is afgestemd en duurzaamheid op een effectieve wijze dichterbij brengt.

4. De financiële sector

De AIV wijst op de bijdrage die de financiële sector kan leveren aan het bevorderen van verantwoord ondernemerschap en duurzame ontwikkeling. Het kabinet onderschrijft dit. Op basis van de brief aan de Tweede Kamer ‘Ondernemen voor Ontwikkeling’ bevordert Nederland in lage- en middeninkomenslanden de toegang tot financiële diensten voor het Midden- en Klein Bedrijf (MKB) en arme groepen, met name via het DGGF, de FMO (Massif fonds) en multilaterale instellingen zoals IFC (via de IFC SME Facility). Daartoe ondersteunt het kabinet een breed pakket aan activiteiten, gericht op goede wet- en regelgeving, en steun aan financiële instellingen zoals banken, investeringsfondsen en verzekeraars. Waar noodzakelijk gebeurt dit ook in brede allianties (bijvoorbeeld via het NpM Platform for Inclusive Finance, op gebied van impact investing) of partnerschappen met bedrijven en maatschappelijke organisaties, zoals ook door de AIV wordt bepleit.

De sector zelf ziet ook zijn betekenis voor duurzame ontwikkeling. Dat liet hij blijken tijdens het Sustainable Finance Seminar op 27 november 2015. De President van De Nederlandse Bank (DNB) benadrukte in zijn openingsspeech dat een stabiele financiële sector en duurzame economische groei alleen mogelijk zijn als duurzaamheid geïntegreerd is in de processen en business modellen van de sector. Momenteel verkent DNB in samenwerking met de financiële sector hoe zij door het opzetten van een Sustainable Finance Platform de samenwerking ten behoeve van een duurzame financiële sector kan versterken. Het kabinet verwelkomt deze potentiële bijdrage van de financiële sector.

De AIV signaleert verder dat de financiële sector van mening is slechts indirect betrokken te zijn bij IMVO-risico’s en maar beperkte invloed te hebben op meegefinancierde bedrijven. Het kabinet wil de sector helpen zijn verantwoordelijkheid waar te maken door met de financiële sector een IMVO-convenant af te sluiten. Een dergelijk convenant biedt de sector een platform om samen te werken bij het uitoefenen van invloed, ook met behulp van overheid en maatschappelijk middenveld, zodat de sector meer verantwoordelijkheid kan nemen. De overheid deelt de mening van de AIV over de noodzaak van het maken van afspraken over transparantie en rapportage in de convenanten van de financiële sector en zet hier ook op in. Ook bepleit het kabinet op internationaal niveau en in de EU het hanteren van scherpere duurzaamheidscriteria in beleid. Zo is er bijvoorbeeld tijdens de Global Value Chains conferentie van 7 december 2015 een deelsessie gewijd aan de Europese financiële sector en duurzaamheid en draagt Nederland bij aan de ontwikkeling van een richtsnoer door de OESO voor uitwerking van de OESO-richtlijnen voor de financiële sector.

5. Ondersteuning door de Nederlandse overheid

  1. Rollen overheid
    De AIV pleit voor een juiste balans tussen de diverse rollen van de overheid. De rollen die de AIV onderscheidt zijn de rol van wetgever, facilitator, stimulator van partnerschappen en het geven van publieke ondersteuning (endorsement). Voor een juiste balans moet de overheid volgens de AIV haar wetgevende rol niet uit het oog verliezen. Met dit als uitgangspunt onderstreept de AIV het belang van internationaal juridisch bindende afspraken voor de ondergrens voor mensenrechten. Het advies wijst op de noodzaak een grote groep van achterblijvende bedrijven aan te zetten tot verandering op dit punt. Het kabinet is het eens met de AIV als het gaat om de noodzaak van het bewaken van een ondergrens voor mensenrechten. Overheden zijn primair verantwoordelijk voor de ontwikkeling, uitvoering en handhaving van wettelijke kaders. Bedrijven moeten ook hun verantwoordelijkheid nemen, elk voor zich en in onderlinge samenwerking met andere bedrijven. Dat is in het bijzonder van belang in internationale waardeketens. Het kabinet zet er sterk op in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen goed geïmplementeerd en geaccepteerd te krijgen. Deze richtlijnen bieden handvatten voor bedrijven om met kwesties als ketenverantwoordelijkheid, mensenrechten, kinderarbeid, milieu en corruptie om te gaan.
     
  2. Publiek-private partnerschappen
    De AIV adviseert de opgebouwde, substantiële portefeuille aan publiek-private partnerschappen (PPP’s) kritisch tegen het licht te houden en een grotere coherentie met beleid na te streven door een meer expliciete koppeling te maken met de Global Goals. Ook concludeert de AIV dat het noodzakelijk is een regelmatig systematisch (intern) onderzoek op te zetten naar mogelijke hiaten in partnerschappen en daarbij alle Global Goals te betrekken. Nadruk zou ‘investeren in leren’ dienen te krijgen en niet louter monitoring van activiteiten.

    Het kabinet onderschrijft dat PPP’s van grote waarde zijn voor het genereren van kennis en innovatieve oplossingen, en zeer dienstbaar kunnen zijn aan de realisatie van de Global Goals. Stimulerende voorbeelden in internationaal verband zijn bijvoorbeeld breed samengestelde partnerschappen in de watersector, waarbij een grote groep belanghebbende partijen bij elkaar is gebracht en waaraan ook de Wereldbank deelneemt. Een ander voorbeeld is GAVI The Vaccine Alliance op het gebied van de gezondheidszorg.

    Het kabinet is het verder eens met de AIV dat permanent leren de partnerschappen kan verbeteren. Het kabinet ondersteunt dit onder andere via het Partnership Resource Centre aan de Erasmus Universiteit en het PPP Lab. Het werk van deze instellingen komt ten goede aan de verdere ontwikkeling en realisatie van PPP’s zoals in het kader van de faciliteit voor Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid en het Fonds Duurzaam Water, beide uitgevoerd door RVO.nl. Het kabinet kijkt daarnaast uit naar de door de AIV aangekondigde publicatie van Rob van Tulder en Ton Dietz over ruim zestig PPP’s in Afrika. Ten slotte maakt de Coördinator nationale implementatie Global Goals een volledige inventarisatie van lokale, nationale en internationale publiek-private partnerschappen, die hij koppelt aan de realisatie van de Global Goals. Daaruit valt dan te leren in welke mate de partnerschappen bijdragen aan de realisatie van de Global Goals en hoe dat beter kan.

    De AIV ziet de portefeuille aan PPP’s als basis voor een ‘diplomatie voor duurzame ontwikkeling’. Daarmee wil de AIV de diplomatieke inspanningen van de overheid, inclusief de economische diplomatie, in een breder kader plaatsen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de overheid in relatie tot de partnerschappen haar verschillende rollen zal moeten aanwenden. De overheid moet, zo stelt de AIV, partnerschappen niet alleen financieel ondersteunen, maar ook zelf actief participeren en waar nodig beleid en/of regelgeving aanpassen. Het kabinet is het daar zeer mee eens. De Nederlandse overheid participeert daarom al in verschillende publiek-private partnerschappen zoals de convenanten in het kader van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO). De Nederlandse overheid bevordert verder betrokkenheid van lokale overheden en/of maatschappelijke organisaties in lage- en middeninkomenslanden. Dat doet ze door hen deel te laten nemen in partnerschapen dan wel dat hun gevraagd wordt iets te doen met de aanbevelingen die uit dergelijke partnerschappen naar voren komen. Die aanbevelingen kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op verbeteringen in het ondernemingsklimaat of op de naleving van regelgeving op het gebied van arbeid en sociale voorzieningen. Hier ligt een kerntaak voor Nederlandse ambassades, die de komende jaren zal worden gecontinueerd en waar nodig uitgebreid. Het kabinet acht het niet noodzakelijk economische diplomatie daartoe om te labelen tot diplomatie voor duurzame ontwikkeling, zoals de AIV adviseert.
     
  3. Mededinging
    De AIV stelt dat de huidige wetgeving op het gebied van mededinging niet in alle gevalleninitiatieven op het gebied van duurzaamheid in de weg staat. Maar er doen zich nog wel knelpunten voor en daarom heeft het kabinet eerder al aangegeven maximaal ruimte te zoeken binnen het bestaande mededingingskader voor duurzaamheidsinitiatieven. Daarbij is vooral van belang dat er zoveel mogelijk duidelijkheid bestaat over wat wel en niet is toegestaan. Om die duidelijkheid te verschaffen is op 8 mei 2014 een beleidsregel mededinging en duurzaamheid vastgesteld die moest leiden tot een betere benutting door bedrijven van de ruimte die het mededingingsrecht biedt om afspraken op het gebied van duurzaamheid te maken en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) meer houvast te bieden. Deze beleidsregel bleek nog niet toereikend, hetgeen heeft geleid tot de publicatie van een aangepaste conceptbeleidsregel in december 2015. Na consultatie van verschillende partijen in de samenleving, maar ook van de ACM en de Europese Commissie over de aangepaste beleidsregel, neemt het kabinet drie maatregelen. Ten eerste een beperkte aanpassing van de beleidsregel, zodat die conform Europese regelgeving blijft. Ten tweede het opstellen van een wetsvoorstel waardoor het mogelijk is aan duurzaamheidsafspraken tussen ondernemingen algemene geldigheid te verlenen, en ten derde het voeren van verdere gesprekken binnen de Europese Unie gericht op verduidelijking van de ruimte binnen Europese regelgeving.7
     
  4. Dutch Diamond
    De AIV adviseert om de driehoek bedrijfsleven, kennisinstellingen, overheid, zoals die dragend is voor de Nederlandse topsectoren, uit te breiden met financiële instellingen en maatschappelijke organisaties. Deze samenwerkingsvorm met vijf partijen noemt de AIV de Dutch Diamond. Het beleid voor hulp, handel en investeringen, beschreven in Wat de Wereld Verdient, komt al tot stand door activiteiten met een breed scala aan actoren. Dat zijn de drie partijen die deelnemen in een topsector: overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen, maar ook financiële instellingen en maatschappelijke organisaties, zoals in het kader van Samenspraak en Tegenspraak. Er zijn tal van voorbeelden waarin maatschappelijke organisaties en bedrijven samenwerken aan specifieke uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling. Zo heeft de Topsector Agro regelmatig overleg met ngo’s op projectbasis. Het kabinet bevordert verder bijvoorbeeld de betrokkenheid van financiële instellingen, om zo gezamenlijk meer steun te kunnen geven aan met name het Midden- en KleinBedrijf dat financiering zoekt voor innovatieve oplossingen voor uitdagingen voor duurzame ontwikkeling. In veel gevallen werken groepen dus al onderling samen, waar nodig in de vorm van multistakeholder-partnerschappen. Samenwerking met al deze partijen tegelijk – zoals de AIV bepleit met de Dutch Diamond – kan noodzakelijk zijn als uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling dusdanig complex zijn, dat ze in kleinere verbanden niet of onvoldoende kunnen worden opgelost. Partnerschappen, op de brede wijze van een Dutch Diamond, vergen echter veel investeringen van alle deelnemers en de transactiekosten kunnen daardoor hoog worden. Het kabinet kiest daarom voor maatwerk en investeert dan in complexere samenwerkingsverbanden als die kunnen rekenen op betrokkenheid van alle relevante groepen om zo effectiever gezamenlijk specifieke ontwikkelingsdoelen te realiseren.
     
  5. IMVO-convenanten
    Zoals het AIV-advies stelt, verbinden bedrijven zich in hun streven bij te dragen aan duurzame ontwikkeling in toenemende mate aan onderlinge afspraken en aan overeenkomsten met een publiek-privaat karakter. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de IMVO-convenanten en verklaringen omtrent de verduurzaming van handelsketens voor bijvoorbeeld hout, palmolie en cacao. Het kabinet ondersteunt deze ontwikkeling en is waar nodig partij bij de totstandkoming van dergelijke overeenkomsten. Het kabinet stimuleert een goede monitoring van de resultaten, zoals via de Monitor Duurzaam Nederland die het CBS samen met de planbureaus periodiek uitbrengt. Het kabinet spreekt partijen ook aan op hun verantwoordelijkheid als voorgenomen doelen niet of onvoldoende worden gehaald. Dit blijkt ook uit de brief van april jl. aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het onderzoek van de Universiteit Utrecht naar de zorgplicht van Nederlandse ondernemingen inzake internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.8 Het kabinet geeft hierin aan dat het met de SER in overleg zal gaan over de invulling van toezicht op naleving van de afspraken in de IMVO-convenanten.
     
  6. Bestrijding belastingontwijking en belastingontduiking
    Het kabinet is het eens met de AIV waar hij grote aandacht vraagt voor belastingontwijking en belastingontduiking en de effecten daarvan op lage- en middeninkomenslanden. De Nederlandse overheid spant zich reeds op verschillende manieren in om de situatie te verbeteren. Nederland implementeert nieuwe internationaal overeengekomen standaarden voor aanpassing van de nationale belastingwetgeving en voor meer uitwisseling van financiële gegevens tussen belastingdiensten. Tijdens het EU-voorzitterschap heeft Nederland zich met succes sterk gemaakt voor een politiek akkoord over een voorstel van de Europese Commissie voor een anti-belastingontwijkingsrichtlijn. Ook steunt het kabinet het recente voorstel van de Europese Commissie voor openbaarmaking van informatie over belastingafdrachten door multinationals.

    Nederland draagt verder bij aan technische assistentie aan lage- en middeninkomenslanden om hun belastingbeleid te verbeteren en hun belastingdiensten tot inning van meer belastingen in staat te stellen. Die assistentie wordt zowel bilateraal als via multilaterale en regionale organisaties geleverd. Een groep landen heeft in 2015, mede op initiatief van Nederland, gezamenlijk met een aantal lage- en middeninkomenslanden afgesproken de inzet op dit gebied te verdubbelen (‘Addis Tax Initiative’). Nederland breidt de technische assistentie de komende jaren dan ook aanzienlijk uit. Nederland werkte verder mee aan de herziening van de transfer pricing guidelines van de OESO. Ook is Nederland bereid het UN Committee of Experts on International Cooperation in Tax Matters te steunen, dat met name lage- en middeninkomenslanden adviseert over hun inzet bij onderhandeling van belastingverdragen.

    Op het gebied van de herziening van de belastingverdragen speelt Nederland een actieve rol. Belastingverdragen gaan over afspraken om dubbele belastingen te voorkomen. Zij voorkomen ook dat er geen of te weinig belasting wordt betaald. Nederland loopt voorop met het heronderhandelen van belastingverdragen met lage- en middeninkomenslanden om antimisbruikbepalingen in die verdragen op te nemen.
 
1 http://www.globalgoalscharter.org/
2 http://www.maatschappelijkealliantie.org/
3 Zie brief Global Goals: implementatie, monitoring en rapportage van Minister Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Tweede Kamer, 24 mei 2016.
4 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/06/18/tussenbalans-groene-groei-2015, p. 10.
5 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnota-s/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen
6 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2015/09/28/kamerbrief-over-de-nederlandse-programma-s-voor-buitenlandse-handel-en-ontwikkelingssamenwerking
7 Zie brief Mededinging en duurzaamheid van de minister van Economische Zaken aan TK, 23 juni 2016.
8 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/04/21/zorgplichten-van-nederlandse-ondernemingen-inzake-internationaal-maatschappelijk-verantwoord-ondernemen
Persberichten

DUURZAAM ONDERNEMEN TE BELANGRIJK OM ALLEEN AAN BEDRIJVEN OVER TE LATEN
Publiek belang duurzame ontwikkeling vergt actieve rol overheid
 

Den Haag, 4 april 2016

Duurzaam ondernemen is te belangrijk om alleen aan bedrijven over te laten. Het maatschappelijk belang van duurzame ontwikkeling vraagt dat de overheid een actieve rol blijft spelen niet alleen met wetten en toezicht, maar vooral met een gecoördineerde inzet van meerdere rollen. Dat stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in het vandaag verschenen rapport ‘Daadkracht door de Dutch Diamond’. Duurzaam ondernemen is van groot belang voor wereldwijde eerlijke ontwikkeling, mensenrechten, klimaatverandering en milieubescherming. Die internationale vraagstukken staan centraal in de vorig jaar in VN-verband afgesproken nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling.

Wet- en regelgeving over duurzaam ondernemen moet zich volgens de AIV concentreren op verduurzaming van internationale productieketens, op het creëren van een gelijk speelveld voor bedrijven, op eerbiediging van mensenrechten en op het tegengaan van belastingontwijking.

Voor effectieve regels en toezicht is internationale afstemming nodig, om te beginnen in Europees verband. De AIV roept de regering daarom op zich te blijven inspannen voor afspraken met Europese partners, VN-organen zoals de Human Rights Council en internationale financiële instellingen.

Beter duurzame ontwikkeling
De AIV pleit er tegelijk voor ondernemingen, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en financiële instellingen goed bij beleidsformulering en -uitvoering te betrekken. Dat geldt ook voor andere lagen in de publieke sector, zoals overheden van grote steden. Daar is bijvoorbeeld veel kennis die relevant is voor internationale urbanisatievraagstukken en voor risico’s verbonden aan stedelijke agglomeraties door het klimaat bedreigde delta’s en kustlocaties.

Als het gaat om de mensenrechten kan duurzaam ondernemen echt beter. De AIV stelt bijvoorbeeld vast dat internationale koplopers, waarvan diverse van Nederlandse origine zijn, mensenrechten nog onvoldoende in hun bedrijfsvoering hebben verankerd. Als dat gebeurt is dat op basis van vrijwillige toepassing van VN-richtlijnen. De AIV juicht daarom het internationale initiatief toe te komen tot een juridisch bindend verdrag over mensenrechten en duurzaam ondernemen.

De AIV vindt verder dat de financiële sector te afwachtend is met het ondersteunen van duurzame ontwikkelingsinitiatieven. En in het buitenlandbeleid moet er naast direct economische belangen ook meer expliciete aandacht komen voor de internationale duurzaamheidsagenda.

Verbreding rollen overheid
De AIV is positief over de actieve steun die de overheid biedt aan Nederlandse bedrijven die (ook) in het buitenland actief zijn, om de overstap naar duurzaam ondernemen te maken. De overheid opereert daarbij als wetgever, partner, subsidiegever en marktmeester. Die vierdubbele pet vraagt wel om een coherente aanpak en de nodige afstemming.

Voor Nederlandse ondernemingen is het ongelijke internationale speelveld vaak nog wel een probleem. Concurrenten opereren vanuit andere wettelijke kaders en andere visies op duurzame ontwikkeling.  Slim opereren door het ontbreken van een level playing field bevordert soms echter ook innovatie en daarmee een betere concurrentiepositie.