Adviesaanvraag EMU-verdieping

10 oktober 2016

Aan de voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
Mr. J.G. de Hoop Scheffer
Postbus 20061
2500 EB  Den Haag

Datum    6 oktober 2016
Betreft    Adviesaanvraag EMU-verdieping

Geachte voorzitter,

De verdere ontwikkeling van de eurozone is een van de kernvraagstukken van het huidige Europese integratieproces.

In het rapport ‘De voltooiing van Europa’s Economische en Monetaire Unie’, opgesteld door de voorzitter van de Europese Commissie in nauwe samenwerking met de voorzitter van de Eurotop, de voorzitter van de Eurogroep, de president van de Europese Centrale Bank en de voorzitter van het Europees Parlement (het zgn. vijf presidentenrapport), worden stappen aangegeven die zouden moeten leiden tot een beter economisch bestuur van de eurozone en uiteindelijk tot de verwezenlijking van een financiële- en een begrotingsunie. Het kabinet gaf op dit rapport en op daaruit voortvloeiende voorstellen haar visie in diverse kabinetsreacties (ref. Kamerstukken 21501-20, nr. 996 en nr. 1051).

De nodige stappen zijn gezet ter versterking van de eurozone. De Europese Commissie buigt zich op basis van het vijf presidentenrapport over de voorbereiding van stappen over de langere termijn. Het kabinet ziet geen aanleiding tot grote stappen richting verdergaande integratie van de Eurozone. Niettemin ziet het kabinet de noodzaak om behoedzaam te kunnen afwegen welke opties er zijn om binnen de huidige Verdragskaders de Economische en Monetaire Unie te versterken. Het kabinet zou het op prijs stellen hierover van de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV) een advies te ontvangen in het komend voorjaar, aan de hand van de volgende vragen:

  1. Welke stappen kunnen binnen de grenzen van het huidige Verdragskader worden gezet om governance van de EMU te versterken ten behoeve van grotere groei en schokbestendigheid in individuele lidstaten en de EMU als geheel?
  2. Welke stappen kunnen binnen de grenzen van het huidige Verdragskader worden gezet om reële economische convergentie binnen de eurozone te bevorderen?
  3. Kan de Adviesraad hierbij aangeven welke implicaties de afzonderlijke stappen uit de vragen 1 en 2 hebben voor de Nederlandse economische en financiële belangen?
  4. In hoeverre kunnen de afzonderlijke stappen gericht op versterking van governance van de EMU en op reële convergentie de politieke en economische samenwerking op breder EU-niveau – met EU-lidstaten buiten de Eurozone – beïnvloeden? Bijvoorbeeld in het kader van besluitvorming over en integriteit van de interne markt.

Ik zie uw advies met belangstelling tegemoet.

De Minister van Buitenlandse Zaken,
Bert Koenders