Associatieovereenkomst EU-Oekraïne: de noodzaak tot ratificatie

8 december 2016


Den Haag, 8 december 2016

In een vandaag uitgebracht briefadvies ‘Associatieovereenkomst EU-Oekraïne: de noodzaak tot ratificatie’, komt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) tot de conclusie dat Nederland alsnog tot ratificatie van de Associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne dient over te gaan na in de Europese Raad aanvullende verzekeringen, ook op punten zoals de bestrijding van corruptie en versterking van de rechtsbescherming van de burgers, te hebben ontvangen.

De overeenkomst biedt kansen om Oekraïne te helpen zich te ontwikkelen in de richting van rechtsstaat en economische modernisering. Daarnaast gelden daarvoor steekhoudende internationaal-politieke argumenten. De EU wordt bij de uitvoering van haar nabuurschapsbeleid ten opzichte van Oekraïne gedwarsboomd door Rusland, dat aanspraak maakt op een eigen invloedssfeer in het gebied van de voormalige Sovjetunie. Verwerping van de Associatieovereenkomst, die immers ingeval van een Nederlandse afwijzing niet in werking kan treden, doet afbreuk aan de eensgezindheid onder de Europese landen. Deze eensgezindheid is een voorwaarde voor een succesvol EU-beleid en internationale stabiliteit. Verwerping zal waarschijnlijk door de Russische president Poetin worden gezien als een teken van zwakte van Europa en hem kunnen aanmoedigen activiteiten gericht op destabilisatie van Oekraïne te intensiveren. Het risico van hernieuwde druk van Rusland op dit land is alleen maar groter geworden door de onzekerheid over de toekomstige Amerikaanse opstelling na de verkiezing van Donald Trump tot president. Onder deze omstandigheden mag Nederland de solidariteit met zijn EU-partners niet verbreken. De AIV acht het van belang bij inwerkingtreding van het goedkeuringsverdrag ook onder ogen te zien hoe in de toekomst complicaties rond referenda  over verdragen kunnen worden vermeden.

Het feit dat de wetgever de mogelijkheid van een raadgevend referendum heeft gecreëerd, brengt mee dat Kamerleden zich bij de hernieuwde beoordeling rekenschap moeten geven van de kiezersuitspraak. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de Wet raadgevend referendum constitutioneel geen verplichting kan inhouden om de door een meerderheid gegeven raad zonder meer te volgen. De Grondwet draagt de wetgevende macht mede op aan de volksvertegenwoordigers. Alleen door een grondwetswijziging zouden de Kamerleden kunnen worden gebonden aan een kiezersuitspraak, maar zo’n grondwetswijziging heeft niet plaatsgevonden. Het zijn dus de kiezers zelf die deze Kamerleden als vertegenwoordigers hebben aangewezen om namens hen te beslissen. Dat legt ook na een raadgevend referendum aan de leden van het parlement de verplichting op, de gevolgen van hun besluit onder ogen te zien, inclusief nieuwe ontwikkelingen.