De wil van het volk? Erosie van de democratische rechtsstaat in Europa

23 juni 2017 - nr.104
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

‘De rechtsstaat is geen rustig bezit, geen huis waarin we onbezorgd kunnen gaan slapen’.1 Deze uitspraak, gedaan door wijlen senator Willem Witteveen in een Kamerdebat over de rechtsstaat in 2014, is onverminderd relevant. De democratische rechtsstaat heeft voortdurend onderhoud nodig, ook in Europa. De sinds het begin van deze eeuw zich steeds duidelijker manifesterende vervreemding tussen de instellingen van de democratische rechtsstaat en delen van de bevolking wier levenssituatie en vooruitzichten precair zijn geworden en/of die de nationale culturele identiteit bedreigd zien, leidt tot een riskant krachtenveld. In verschillende Europese staten hebben zich meer of minder invloedrijke bewegingen gemanifesteerd die democratisch verworven macht willen inzetten om de politieke positie van en juridische garanties voor andere groepen in te perken. Dit wijst erop dat door hen de constitutionele democratie, d.w.z. de democratische rechtsstaat, te weinig wordt ervaren als ook in hun – want ieders – belang.

In de inleiding van dit advies is erop gewezen dat het een wezenlijke maar delicate taak is om bij het in internationaal verband opkomen voor de rechtsstaat, het democratisch karakter van de betrokken staten te respecteren en juist de democratische kwaliteit ervan te versterken. In samenlevingen die steeds complexer worden, moeten rechten, plichten en uiteenlopende maatschappelijke belangen continu tegen elkaar worden afgewogen en conflicten beslecht. Dit vereist een balans tussen enerzijds responsiviteit van bestuurders voor de wensen van burgers en anderzijds de mogelijkheid om op basis het algemeen belang een zelfstandige afweging te kunnen maken. Door een groot aantal ontwikkelingen en factoren die in dit advies zijn beschreven, is deze balans de afgelopen decennia geleidelijk verstoord. Veel burgers in heel Europa hebben inmiddels het gevoel dat de instituties van de democratische rechtsstaat vooral ten gunste staan van anderen waaronder ‘het establishment’ of van minderheidsgroepen. Dit ongenoegen creëert momentum voor politieke alternatieven die meer inspraak en betere overheidsprestaties beloven.

In Europa is een brede inzet nodig om het maatschappelijk draagvlak voor de democratische rechtsstaat te herstellen en te versterken. Voor een ieder moet duidelijk zijn dat de rechtsstaat geen belemmering vormt voor de democratie maar deze juist ondersteunt. Eveneens moet het besef groeien dat democratie pas waardevol is voor alle burgers als die samengaat met rechtstatelijke waarborgen. Ook moeten burgers zich op internationaal niveau gehoord weten. Europese instellingen moeten zichtbaar en voelbaar ten dienste staan van de burger. Dat is momenteel onvoldoende het geval.

Voor het onderhoud van de democratische rechtsstaat in Europa zijn alle lidstaten van de Raad van Europa en de Europese Unie verantwoordelijk. Het feit dat nationale regeringen niet bereid blijken te zijn elkaar binnen de Europese samenwerkingsverbanden aan te spreken op de uitholling van de democratie, rechtsstaat en mensenrechten, doet de geloofwaardigheid van Europa bij de eigen burgers geen goed. Dan wordt slechts het reeds breed gedragen beeld bevestigd van een Europa dat wel menselijke waardigheid belooft maar er niet effectief voor opkomt.

Het gaat hier echter niet alleen om een aantasting van normen en waarden die tot de kern van de Europese identiteit behoren; ook de stabiliteit in Europa is in het geding. Waar de bescherming van individuele rechten en minderheden afbrokkelt, ontstaan al snel binnenlandse spanningen, bilaterale conflicten en onvermijdelijk migratiestromen die soms onbeheersbare proporties kunnen aannemen. En waar de erosie van de democratische rechtsstaat vaak hand in hand gaat met de ondermijning van gezamenlijke Europese instituties, zijn die instituties steeds minder in staat om de vereiste daadkracht aan de dag te leggen die nodig is voor de oplossing van dergelijke crises.

Ook zonder dat het tot grootschalige escalaties komt, vreet de erosie van de democratische rechtsstaat bovendien aan de fundamenten van de interstatelijke samenwerking die in Europa belangrijk zijn. Politiesamenwerking, het Europees Aanhoudingsbevel, de overdracht van asielzoekers onder het zogeheten Dublin-systeem: al die vormen van samenwerking zijn gebaseerd op wederzijds vertrouwen in de kwaliteit van rechtssystemen en de bescherming van rechtsstatelijke kernwaarden. Maar als de feitelijke basis aan dat wederzijds vertrouwen komt te ontvallen, komen vroeg of laat ook de wederzijdse erkenning én solidariteit onder druk te staan.2

Aan deze overwegingen kan nog worden toegevoegd dat een gemankeerde democratische rechtsstaat leidt tot een onaantrekkelijk investeringsklimaat. Vertrouwen in constitutionele stabiliteit en in eerlijke en effectieve overheidsrechtspraak is daarvoor immers een basisvoorwaarde. Ontbreekt dat vertrouwen, dan zijn investeerders gedwongen hun toevlucht te nemen tot arbitrage en andere vormen van investeringsbescherming – waarbij ze dan enerzijds te kampen krijgen met een steeds kritischer publieke opinie, en anderzijds geconfronteerd worden met juridische bezwaren.3

Aanbevelingen

De AIV doet hieronder een aantal beleidsaanbevelingen voor de wijze waarop Nederland zich in de daarvoor ingerichte internationale samenwerkingsverbanden en bilaterale relaties kan inzetten om de constitutionele structuren van de democratische rechtsstaat te behoeden voor (verdere) erosie. Nederland moet bereid zijn tegen de stroom in te roeien en op dit punt zijn betrokkenheid te blijven tonen, met als doelstelling te voorkomen dat de werking van het democratisch bestel leidt tot een erosie van de eigen uitgangspunten.

Van zulke inspanningen moet uiteraard volstrekt helder zijn dat ze de democratische werking van staten – met in de eigen geschiedenis van elke staat gevormde kenmerken – ondersteunen: de formele en de materiële kenmerken van een democratie moeten niet verder uit elkaar worden getrokken, maar op een overtuigender wijze met elkaar verbonden. Dit vereist respect voor de verscheidenheid die kan bestaan tussen bij de Raad van Europa en bij de Europese Unie aangesloten staten. Voortdurend dient aansluiting te worden gezocht bij de door alle betrokken volkeren aanvaarde gemeenschappelijke democratische en rechtsstatelijke grondwaarden. De aanbevelingen die hier worden gedaan bouwen dan ook steeds voort op wat met en door de andere staten is aanvaard.

Hierbij is behoedzaamheid geboden. Om verschillende redenen is enige discrepantie tussen de complexiteit van de problematiek die in dit advies is beschreven en de hieronder gepresenteerde aanbevelingen onvermijdelijk. Allereerst bestaat er geen silver bullet om de erosie van de democratische rechtsstaat in Europa op een eenvoudige manier een halt toe te roepen. Deze wordt immers beïnvloed door een groot aantal complexe omgevingsfactoren (zie Hoofdstuk II). Dit vraagt een gedifferentieerde aanpak op verschillende niveaus: nationaal, internationaal, gouvernementeel, maatschappelijk etcetera. Ten tweede kan de democratische rechtsstaat slechts vanuit een samenleving zelf worden verwezenlijkt. Personen en organisaties kunnen vanuit andere landen hierbij een ondersteunende rol spelen. De inzet van de Nederlandse regering – waarop veel van de aanbevelingen betrekking hebben – kan logischerwijs vooral ondersteunend zijn ten opzichte van maatschappelijke ontwikkelingen en hun verankering in de rechtsstaat. Ten derde biedt het politieke krachtenveld binnen Europa en met name in de Europese Unie momenteel beperkte ruimte voor een krachtig tegengeluid. In Europa is slechts een beperkt aantal landen bereid zich hard te maken voor rechtsstatelijkheid. Ten slotte moet rekening worden gehouden met de ook in Nederland gegroeide maatschappelijke scepsis ten opzichte van Europese samenwerking.

1. Vergroten institutionele responsiviteit

Raad van Europa

De Raad van Europa is het belangrijkste orgaan in Europa voor standaardsetting en monitoring van mensenrechten en hun doorwerking in de wetgeving, beleid en praktijk van de lidstaten. Toch lijkt de bekendheid van de Raad van Europa als voor hen belangrijk gremium bij velen in Europa beperkt. Nederland zou het voortouw kunnen nemen bij een politieke herwaardering van het belang van de Raad van Europa. Dat kan door:

  1. Zich samen met gelijkgezinde landen in te zetten voor een grotere politieke rol van het Comité van Ministers bij het toezicht op uitvoering van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de lidstaten. Het Comité van Ministers dient de onafhankelijke instituties van de Raad van Europa (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Europees Comité voor Sociale Rechten) niet te matigen maar te ondersteunen en te stimuleren.
     
  2. De uitvoering van de Verklaring van Brussel en het actieplan Strengthening Judicial Independence and Impartiality te stimuleren door met een aantal landen een twinning-relatie aan te gaan en hen te assisteren bij het vergroten van de kennis over de Raad van Europa en het EHRM binnen de overheid, rechterlijke macht, advocatuur en NGO’s, het vergroten van de rol van het nationale parlement in de uitvoering van arresten van het EHRM in de lidstaten en het oprichten van een onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut.
     
  3. Het initiatief te nemen om de traditionele aandacht voor burgelijke en politiek mensenrechten in het Comité van Ministers uit te breiden met de sociale rechten zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest. Nederland zou dit kunnen onderstrepen met extra ondersteuning van het HELP-programma.
     
  4. De regering dient de Commissies Buitenlandse Zaken en Justitie van de Tweede Kamer op gezette tijdstippen op vertrouwelijke basis te informeren over de beraadslagingen in het Comité van Ministers, met name voor wat betreft de uitvoering van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
     
  5. Nederland kan de wederkerigheid binnen de Raad van Europa ondersteunen door de Venetië Commissie ook zelf bij dilemma’s zoals die rond rechterlijke toetsing van wetten en gevolgen van referenda advies te vragen over Nederlandse wetgeving.

Europese Unie

  1. Nederland moet zich binnen de EU blijven inzetten voor de versterking van jaarlijkse rechtsstatelijkheidsdialoog, als opmaat naar een peer review-mechanisme4 waarvoor op dit moment binnen de Unie nog onvoldoende steun bestaat.
     
  2. Nederland kan met gelijkgezinde landen een (informele) kopgroep vormen die reeds met een peer review van start gaat. Een dergelijke kopgroep kan een aansprekend voorbeeld van Europese samenwerking voor burgers in de EU zijn, inclusief in de landen die (nog) niet wensen deel te nemen. Het laat hun zien dat het mogelijk is om in wederzijds vertrouwen en openheid over het onderwerp rechtsstatelijkheid met elkaar van gedachten te wisselen.
     
  3. Een aantal EU-lidstaten, met name Polen en Hongarije, zet zich momenteel stevig af tegen de notie dat het lidmaatschap van de Unie ook bepaalde verantwoordelijkheden op het gebied van de democratische rechtsstaat met zich meebrengt. Tegelijkertijd ontvangen deze landen aanzienlijke bedragen aan EU-subsidies. In de komende onderhandelingen over (de hervorming van) de EU-begroting (het Meerjarig Financieel Kader) moet Nederland inzetten op een koppeling tussen de ontvangsten vanuit de cohesie- en structuurfondsen en resultaten met de oorspronkelijke Kopenhagen-criteria voor EU-toetreding.
     
  4. Nederland kan steun uitspreken voor het voorstel van het Europees Parlement voor een EU Pact voor democratie, rechtsstaat en fundamentele rechten.
     
  5. De Eerste en de Tweede Kamer kunnen een constructieve rol spelen bij het bevorderen van democratische rechtsstatelijkheid in Europa door over dit onderwerp met andere Europese parlementen in gesprek te gaan. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan het opzetten van een parlementair netwerk dat zich richt op praktische samenwerking en kennisuitwisseling inzake de verbinding van democratie en rechtsstaat. Dat kan bilateraal, maar bijvoorbeeld ook door het opzetten van een trilateraal samenwerkingsverband tussen een aantal parlementen. Daarnaast zouden gelijkgestemde leiders van Europese politieke partijen binnen hun fractie in het Europees parlement de dialoog moeten zoeken met die partijen die op nationaal niveau instemmen met maatregelen die de democratische rechtsstaat ondermijnen.
     
  6. In internationale diplomatie verdient dialoog altijd de voorkeur boven confrontatie. Dat geldt evenzeer op het gebied van democratie, rechtsstaat en mensenrechten. Waar dialoog echter keer op keer faalt, moet de internationale gemeenschap in het uiterste geval ook bereid zijn een streep in het zand te trekken. Concreet betekent dit Nederland samen met EU-partners duidelijk zou moeten maken dat binnen de Raad van Europa en de Europese Unie geen plaats kan zijn voor Turkije indien dit land besluit tot herinvoering van de doodstraf.
     
  7. Wetgeving zoals de Russische ‘foreign agent’-wet en misbruik van algemene regelgeving ten aanzien van NGO’s dient steeds weer door Nederland aan de kaak te worden gesteld, zowel bilateraal als internationaal, in samenwerking met gelijkgezinde landen.

OVSE

Nederland kan overwegen zich in de nabije toekomst kandidaat te stellen voor het Voorzitterschap van de OVSE. Dat biedt Nederland de kans democratisering en rechtsstatelijkheid nadrukkelijker op de (mensenrechten)agenda van deze organisatie te zetten.

G20/OESO

Nederland neemt momenteel deel aan de G20 op uitnodiging van Duitsland dat op dit moment het voorzitterschap bekleedt. Nederland moet zich inspannen voor blijvende deelname aan dit forum dat buitengewoon geschikt is om, samen met gelijkgezinde landen, de negatieve gevolgen van de globalisering aan de orde stellen. Een discussie over dit onderwerp zou zich, net als in de OESO, niet alleen moeten richten op handel, investeringen en ontwikkeling maar ook op sociaaleconomische rechten, milieurechten en de relatie tussen overheid en burgers. De Sustainable Development Goals vormen hiervoor mogelijk een nuttig handvat.

2. Maatschappelijke diplomatie

De hierboven genoemde aanbevelingen richten zich voornamelijk op het niveau van overheden en van multilaterale instellingen. Eerder in dit advies is echter al gesteld dat internationale politieke druk door regeringen, hoewel essentieel, niet voldoende is om democratie, rechtsstaat en mensenrechten in Europa te waarborgen. Bovenal dient er brede steun voor deze waarden te bestaan in de samenleving en dienen burgers vertrouwen te hebben in de instellingen van de democratische rechtsstaat. Dit vereist een langdurige dialoog met maatschappelijke organisaties, tegenbewegingen en instellingen die een vertaling kunnen maken van internationale mensenrechten naar nationaal niveau. De AIV doet hiertoe de volgende aanbevelingen.

  1. Als onderdeel van het mensenrechtenbeleid zet het Ministerie van Buitenlandse Zaken een democratie- en rechtsstatelijkheidsprogramma op dat zich richt op de lidstaten van de Raad van Europa waar de democratische rechtsstaat zich in de gevarenzone bevindt. Daarbij zou ook de expertise van relevante andere departementen (bijvoorbeeld de ministeries van Onderwijs, van Veiligheid en Justitie en van Economische Zaken) moeten worden betrokken.

    Ter ondersteuning van dit programma wordt een rechtsstatelijkheidsfonds gecreëerd. Gedurende de komende kabinetsperiode worden daartoe middelen in de orde van grootte van jaarlijks EUR 2,5 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het bestaande MATRA-programma dat zich uitsluitend richt op (potentiële) kandidaat-lidstaten van de EU en de landen van het Oostelijke Partnerschap bij de versterking van de rechtsstaat en democratie kan in dit bredere rechtsstatelijkheidsfonds worden geïntegreerd. Het budget van het MATRA-programma loopt af van EUR 13,7 miljoen in 2017 naar EUR 9,1 miljoen in 2018 en 2019. De AIV beveelt aan dat deze verlaging tenminste ongedaan wordt gemaakt.

    Vanuit het rechtsstatelijkheidsfonds worden maatschappelijke organisaties ondersteund die zich (regionaal) onder meer richten op:
  • People-to-people en profession-to-profession-contacten. Door middel van stages en uitwisselingen kunnen kennis en ervaring worden gedeeld tussen maatschappelijk relevante beroepsorganisaties als de rechtsspraak en advocatuur, de ombudsman, onderwijs-, kennis- en cultuurinstellingen en media.
  • Het vergroten van publieke bewustwording van de waarde en het belang van de democratische rechtsstaat. Dit kan onder andere worden gedaan door onderwijs in burgerschap, democratie en mensenrechten te stimuleren, in het bijzonder van jongeren. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de expertise van de Raad van Europa (Directorate of Democratic Citizenship and Participation).
  • Ondersteuning van (burger)initiatieven gericht op onderzoeks- en kwaliteitsjournalistiek in kwetsbare democratieën.
  1. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan in internationale gremia die zich bezighouden met internetvrijheid en governance (bijvoorbeeld de World Summit on the Information Societies/Internet Governance Forum en de Freedom Online Coalition) meer aandacht vragen voor de rol die het internet kan spelen in het versterken van rechtsstatelijkheid in landen waar de democratische rechtsstaat onder druk staat.
     
  2. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan samenwerken met de private sector (via oa. grote sociale media platforms en de Global Network Initiative) en NGO’s bij het organiseren van projecten op het gebied van ‘digitaal burgerschap’, democratie en mensenrechten. Een concreet voorbeeld kan het organiseren van een Democracy Hackaton zijn waarbij softwareprogrammeurs en website-ontwikkelaars uit Europa gezamenlijk werken aan ICT-producten (als bijvoorbeeld een app) die in brede zin het vertrouwen tussen burgers en tussen burgers en de (lokale) overheid kunnen verbeteren. Deze hackathon zou zich ieder jaar op een ander thema kunnen richten zoals bijvoorbeeld, internet en privacy, sociale media-etiquette, fake news and fact checking maar ook servicegerichte dienstverlening door de (lokale) overheid, migratie en verkiezingswaarneming, etcetera.

3. Versterking capaciteit Ministerie van Buitenlandse Zaken en ambassades

  1. De AIV dringt erop aan de beleidscapaciteit op het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassades in de lidstaten van de Raad van Europa tegen het licht te houden en waar nodig uit te breiden met noodzakelijke (lokale) kennis om lokale initiatieven en tegenbewegingen op het gebied van democratie, rechtsstaat en mensenrechten te herkennen en daar snel op te kunnen inspelen. Ambassades dienen daartoe over voldoende fondsen te beschikken.5
     
  2. In zijn strategisch detacheringsbeleid zou het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich nadrukkelijker kunnen richten op organisaties, multilateraal maar ook non-gouvernementeel, die zowel direct als indirect invloed hebben op democratisering en rechtsstatelijkheid, zoals bijvoorbeeld de G20, OESO en de World Summit on the Information Societies / Internet Governance Forum en de Freedom Online Coalition.


 
1 Uit inbreng senator Willem Witteveen in het debat over de Staat van de rechtsstaat, Handelingen EK 2013-2014, 22-5-1 (maart 2014).
2 Dan ontkomt bijvoorbeeld Duitsland niet meer aan het besluit geen asielzoekers terug te sturen naar Hongarije. Zie Politico, 11 April 2017, Germany suspends migrant returns to Hungary – Hungary’s been criticized for detaining migrants in camps on its border with Serbia, http://www.politico.eu/article/germany-suspends-migrant-returns-to-hungary/.
3 Zie zaak C-284/16 (Achmea), nu aanhangig voor het HvJEU, die o.a. draait om de vraag of de Nederlands-Tsjechische arbitrageovereenkomst verenigbaar is met EU-recht.
4 Zie eerdere aanbeveling voor een peer review in AIV-advies, De rechtsstaat: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking, no. 87, Den Haag, januari 2014, pp. 35-37.
5 Zie ook AIV, ‘De vertegenwoordiging van Nederland in de wereld’, briefadvies nr. 32, Den Haag, 24 mei 2017.
Adviesaanvraag
In de jaren negentig bestond groot optimisme over de transitie van de voormalig communistische landen in Centraal- en Oost-Europa naar stabiele liberale democratieën. Het hervormingsproces werd onder meer ondersteund door toetreding tot de Raad van Europa en (kandidaat)lidmaatschap van de Europese Unie. Ruim twintig jaar later is het optimisme echter omgeslagen in ongerustheid. Regeringen in een aantal landen beperken opnieuw persoonlijke vrijheden en de onafhankelijkheid van democratische instituties. De Hongaarse premier Viktor Orban sprak in 2014 al de wens uit zijn land om te vormen tot een ‘illiberal democracy’. De AIV werkt op eigen initiatief aan een advies hoe Nederland zou kunnen en moeten omgaan met deze zorgelijke ontwikkeling.
Regeringsreacties
Persberichten

Adviesraad: Gevolgen van globalisering voor democratie onderschat
 

Den Haag, 23 juni 2017

In Europa is sprake van groeiende maatschappelijke vervreemding tussen burgers onderling en tussen burgers en de politiek. Terwijl de overheid geacht wordt haar burgers bescherming te bieden, heeft een groeiend aantal burgers in Europa juist het gevoel langzaam de greep op hun leefomgeving te verliezen en in de steek te worden gelaten door diezelfde overheid. Dat schrijft de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) vandaag in het advies ‘De wil van het volk? Erosie van de democratische rechtsstaat in Europa.’

Veel burgers in Europa zijn teleurgesteld in de traditionele politiek, concludeert de AIV. Volgens hen ontbreekt het aan overtuigende antwoorden op de groeiende bestaansonzekerheid door onder meer de globalisering en de komst van immigranten. Men zoekt beschutting achter nationale grenzen en sommigen zijn zelfs bereid democratische rechten en vrijheden van andersdenkenden ter discussie te stellen. Hier wordt te weinig tegenover gesteld, meent de Adviesraad. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken moet daarom aandacht en middelen – de AIV denkt aan jaarlijks EUR 2,5 miljoen – investeren in een programma om burgers in kwetsbare landen meer bij de democratie betrekken.

‘Een flink deel van de bevolking ervaart geen voordeel van de liberalisering van de wereldeconomie en de flexibilisering van de arbeidsmarkt, maar heeft wel veel last van de afbouw van sociale voorzieningen na de financiële crisis,’ zegt Ernst Hirsch Ballin, onder wiens voorzitterschap het advies is opgesteld. ‘De reactie daarop komt tot uitdrukking in een erosie van de steun voor democratische instellingen, terwijl die instellingen juist onmisbaar zijn om hun rechten te beschermen. Deze vertrouwensbreuk is breder in Europa waarneembaar.’

Democratische rechtsstaat in de gevarenzone

Volgens de Adviesraad is de democratische rechtsstaat in een aantal Europese landen (waaronder Hongarije, Polen, Rusland en Turkije ) in de gevarenzone gekomen. De formele kenmerken van de democratie zoals verkiezingen, politieke partijen, parlement en rechtbanken bestaan daar wel, maar democratische vrijheden zoals onafhankelijke rechtspraak, pluriforme media en de rechten van de oppositie, worden ingeperkt. Vrijheid voor iedereen is in deze landen niet langer een gegeven. ‘Deze landen zijn lid van de Raad van Europa die juist is opgericht om op basis van gedeelde waarden de democratie, rechtsstaat en mensenrechten in Europa te waarborgen’, licht Hirsch Ballin toe, ‘Dat het belang van deze waarden te weinig wordt onderkend, is verontrustend. Europese politici zouden meer oog moeten hebben voor deze vervreemding en de oorzaken en gevolgen daarvan. Burgers willen gehoord worden en moeten zeggenschap kunnen uitoefenen, juist op basis van de waarden die nu in twijfel worden getrokken.’

Rechtsstatelijkheidsprogramma

Voor de versterking van de democratische rechtsstaat in Europa zijn alle lidstaten van de Raad van Europa en van de Europese Unie gezamenlijk verantwoordelijk. De Adviesraad roept de Nederlandse regering op zich in te zetten om beide organisaties ‘responsiever’ te maken, dat wil zeggen zichtbaar en voelbaar in dienst te stellen van de burger. Daarnaast adviseert de AIV het Ministerie van Buitenlandse Zaken jaarlijks EUR 2,5 miljoen te investeren in een rechtsstatelijkheidsprogramma om burgers in kwetsbare Europese democratieën meer vertrouwen in democratie, rechtsstaat en mensenrechten te geven. Uit het programma kunnen onder meer stages en uitwisselingen tussen beroepsorganisaties, onderwijsinstellingen en media worden ondersteund.

De AIV benadrukt dat de erosie van de democratische rechtsstaat in Europa niet op een eenvoudige manier een halt valt toe te roepen. De democratische rechtsstaat kan niet van buiten worden opgelegd maar slechts vanuit de samenleving zelf worden verwezenlijkt. Nederland moet het democratisch gedachtegoed ondersteunen en het debat stimuleren dat daarover binnen die samenlevingen wordt gevoerd, aldus de Adviesraad.