Duurzame ontwikkelingsdoelen en mensenrechten: een noodzakelijk verbond

2 juli 2019 - nr.110
Samenvatting

Samenvatting en aanbevelingen

Zeventig jaar geleden – op 10 december 1948 – werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aangenomen door de lidstaten van de Verenigde Naties. Het was het eerste document waarin de ‘inherente waardigheid en onvervreemdbare rechten van de mens’ door de internationale gemeenschap werden erkend en bevestigd. De Universele Verklaring is geen verplichtend verdrag, maar haar grote betekenis als morele en gewoonterechtelijke mensenrechtenstandaard is universeel aanvaard.

De basis voor de Universele Verklaring werd al zeven jaar eerder gelegd door president Franklin D. Roosevelt. In zijn ‘Four Freedoms’-speech schetste hij zijn visie op een wereld waarin ieder mens kon rekenen op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van religie, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van angst. Roosevelt zag scherp in dat deze vier vrijheden niet van elkaar kunnen worden losgekoppeld. Zonder basisbehoeften als voeding en veiligheid heeft de vrijheid van meningsuiting slechts beperkte waarde. Andersom is het recht om vrij te kunnen spreken een noodzakelijke voorwaarde om sociale en economische rechtvaardigheid op te kunnen eisen. Dit inzicht vond na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn weg in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens waarin zowel burger- en politieke rechten (art. 1-21) als sociale, economische en culturele rechten (art. 22-27) zijn neergelegd.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is de bron van een netwerk van juridisch bindende mensenrechtenverdragen waaraan alle staten ter wereld zich op een of andere manier hebben gebonden. Samen vormen deze verdragen het zogeheten multilaterale mensenrechtenstelsel, waarvan de betekenis niet mag worden onderschat. Mensenrechtenverdragen, en de daaruit voorvloeiende uitvoerende nationale wetgeving, hebben de rechten en vrijheden van honderden miljoenen mensen overal ter wereld zichtbaar en tastbaar gemaakt, hen geholpen zich uit te spreken voor betere levensomstandigheden en zichzelf te kunnen zijn en zich te kunnen ontwikkelen. Dit is een mondiale verworvenheid die moet worden gekoesterd en verdedigd, zo nodig tegen de verdrukking in.

Tegelijkertijd tonen voortdurende armoede, honger, (economische) ongelijkheid, milieuschade, oorlog en geweld op indringende wijze aan dat de verwezenlijking van menselijke waardigheid veel meer vergt dan de ondertekening van verdragen waarvan de naleving afdwingbaar is in juridische procedures bij een nationale of internationale rechterlijke instantie. Waarachtige universaliteit van mensenrechten vereist tevens een langdurige en breed gedragen ondersteuning van ontwikkelingsprocessen, internationaal en in eigen land. Ontwikkeling is aldus een voorwaarde voor het kunnen realiseren van mensenrechten, en mensenrechten zijn noodzakelijk voor ontwikkeling.

Ten onrechte zijn mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking lange tijd gescheiden beleidsterreinen gebleven. Met name Westerse overheden en mensenrechtenorganisaties hebben bovendien lange tijd prioriteit gegeven aan de bevordering van burger- en politieke rechten. Hoewel sociale, economische en culturele rechten wel degelijk onderdeel zijn van het in verdragen geregelde mensenrechtenstelsel, hebben zij niet altijd de aandacht gekregen die zij verdienen. Mensenrechten, waartoe ook milieurechten behoren, zijn immers naar hun aard ondeelbaar. Pas vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw is geleidelijk meer interactie ontstaan tussen ontwikkelings- en mensenrechtenorganisaties, al blijft dit een voortdurende uitdaging. Belangrijke multilaterale spelers zoals de Wereldbank lijken nog steeds terughoudend te zijn om mensenrechten een centrale plek te geven in hun programma’s.

Ook in het Nederlandse buitenlandbeleid is van een daadwerkelijk geïntegreerde benadering nog geen sprake. In het mensenrechtenbeleid nemen de klassieke burgerrechten een centrale plaats in, terwijl de inzet op ontwikkelingssamenwerking zich richt op het creëren van sociale, economische en milieuvoorwaarden voor ontwikkeling.Naar het oordeel van de AIV is deze verkokerde aanpak historisch gezien wellicht begrijpelijk maar leidt deze tot inhoudelijke verschraling en is die contraproductief. De Adviesraad verwelkomt de initiatieven van de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking om tot meer afstemming te komen, maar de samenhang tussen beide beleidsterreinen, zoals uiteengezet in de Mensenrechtenrapportage 2017 en de beleidsnota ‘Investeren in perspectief. Goed voor de wereld, goed voor Nederland’, is per saldo nog maar mager onderbouwd.

De AIV meent dat Agenda 2030 for Sustainable Development een bruikbaar wereldwijd kader biedt voor een samenhangende (integrale) benadering van duurzame ontwikkeling en mensenrechten. De Sustainable Development Goals zijn concrete doelen op sociale, economische en milieuthema’s. Door de SDG’s te realiseren, kan ook een groot aantal mensenrechtendoelen op deze terreinen worden verwezenlijkt. In Agenda 2030 is tevens erkend dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en internationale mensenrechtenverdragen het kader vormen waarbinnen de SDG’s moeten worden verwezenlijkt. Met de SDG’s wordt aldus de onderlinge samenhang tussen mensenrechten en (duurzame) ontwikkeling – zoals oorspronkelijk verwoord in de vier vrijheden van president Roosevelt – hervonden en onderkend. Agenda 2030 en de SDG’s bieden daarmee een unieke kans invulling te geven aan deze nauwe verbondenheid, zowel in theorie als in beleid en praktijk. Deze kans mag Nederland niet laten lopen. In het licht van de grote sociale, economische en klimaatuitdagingen waar de wereld voor staat, is urgente actie vereist, terwijl internationale solidariteit tegelijkertijd stevig onder druk staat.

De aanvaarding, ook door het Koninkrijk der Nederlanden, van de SDG’s maakt het mogelijk om het traditionele buitenlandse speerpunt van de bevordering van de rechten van de mens meer handen en voeten te geven. De AIV meent dat duurzame ontwikkelingsdoelen en de mensenrechten elkaar op een aantal terreinen kunnen versterken.

Opening voor dialoog

De SDG’s bieden Nederland de kans om een gesprek over mensenrechtenthema’s te voeren met landen die terughoudend of zelfs afwijzend staan tegenover de traditionele, gejuridiseerde en soms tot een ritueel vervlakte mensenrechtendialoog. Een goed uitgangspunt is daarbij het streven naar menselijke waardigheid, dat in de kern een universeel erkend en breed gedragen concept is. Duurzame ontwikkeling en mensenrechten hebben beide de verwezenlijking van de menselijke waardigheid tot doel. De SDG’s benadrukken bovendien het overkoepelde principe dat niemand mag worden uitgesloten (leave no one behind). Voorts is voor het realiseren van de SDG’s een dialoog vereist op thema’s die direct raken aan sociale, economische en milieurechten. Te denken valt aan goede gezondheidszorg, onderwijs, schoon drinkwater, voedselzekerheid, gendergelijkheid, goede arbeidsomstandigheden, huisvesting etc. Op een groot aantal van deze thema’s zijn rechten van toepassing die reeds zijn vastgelegd in internationale verdragen. Besprekingen kunnen plaatsvinden over de manier waarop deze mensenrechten in samenhang met de SDG’s kunnen worden verwezenlijkt.

Draagvlak

Agenda 2030 is unaniem aangenomen door de leiders van de VN-lidstaten. De legitimiteit van de SDG’s komt voorts tot uiting in de bereidheid van het grote aantal landen om vrijwillig te rapporteren aan het High Level Political Forum dat toezicht houdt op de voortgang van de SDG’s. Het draagvlak voor het multilaterale mensenrechtenstelsel kan worden versterkt door met behulp van de SDG’s de mensenrechten een bredere zeggingskracht te geven. De allergrootste problemen waar honderden miljoenen mensen mee worden geconfronteerd, zijn ongelijkheid, schrijnende armoede en een leven in angst. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat zij aan een beroep op andere mensenrechten doorgaans niet eens toekomen. Door te werken aan een integrale rechtenbenadering van de sociale, economische en milieudimensies van duurzame ontwikkeling, kan duidelijk gemaakt worden dat mensenrechten concreet bijdragen aan het verbeteren van de dagelijkse levensomstandigheden van burgers en kan voor het verwezenlijken daarvan ook draagvlak worden gecreëerd.

Toezicht en monitoring

Zowel het SDG-proces als het mensenrechteninstrumentarium zijn gericht op het meten en beoordelen van geleverde inspanningen en prestaties en op het bij elkaar brengen van informatie en data. Nu gebeurt dit nog vaak separaat. Als er meer uitwisseling en gezamenlijk gebruik van informatie zou zijn, levert dat naar verwachting meer en betere kennis en inzichten op. Integratie van SDG- en mensenrechtendata draagt ook bij aan het verlichten van de vele internationale rapportageverplichtingen die Agenda 2030 en mensenrechtenverdragen met zich meebrengen. Dergelijke verplichtingen vormen met name voor landen met een minder goed ontwikkelde overheidsbureaucratie een forse belasting. De data en de rapportageverplichtingen creëren echter wel een informatiebasis die een regering hoe dan ook moet hebben om zinvol en effectief beleid te kunnen maken. De integratie van SDG- en mensenrechtendata en –rapportages heeft daarmee een gewenst multipliereffect en kan aldus een flinke impuls geven aan nationale probleemanalyse, planning en beleid.

Op basis van bovenstaande conclusies komt de AIV tot de onderstaande beleidsaanbevelingen. Voor iedere aanbeveling wordt een aantal handvatten aangereikt om het buitenlandbeleid op deze punten te operationaliseren:

1. INTEGREER HET ONTWIKKELINGS-, MENSENRECHTEN- EN MILIEUBELEID.

Nederland dient in het buitenlandbeleid consequent uit te dragen en in de praktijk te brengen dat duurzame ontwikkeling een voorwaarde is voor de verwezenlijking van mensenrechten, en dat mensenrechten noodzakelijk zijn voor ontwikkeling. Het behalen van de SDG’s vereist een integrale (rechten)benadering van de sociale, economische en milieudimensies van ontwikkelingsprocessen. Er bestaat een sterke inhoudelijke samenhang en interactie tussen deze dimensies die niet genegeerd kan worden.

De AIV meent dat het ontwikkelings-, mensenrechten- en milieubeleid van Nederland nog kan worden versterkt door er meer samenhang in aan te brengen. Agenda 2030 en de duurzame ontwikkelingsdoelen bieden een goed kader om deze integratie te verdiepen. Het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is reeds expliciet in het kader van Agenda 2030 geplaatst, maar het mensenrechtenperspectief van dat beleid dient beter te worden uitgewerkt. Andersom kan in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage worden verduidelijkt hoe de inzet op de verschillende prioritaire thema’s bijdraagt aan het behalen van de SDG’s. Een mensenrechtenbenadering van duurzame ontwikkeling moet intra- en interdepartementaal breed worden opgezet en mag niet vrijblijvend zijn. Idealiter wordt gestreefd naar één overkoepelend beleidskader.

De ondeelbaarheid van mensenrechten vraagt dat er meer consistentie in het buitenlandse beleid komt tussen aandacht voor politieke en burgerrechten enerzijds, en die voor sociale, economische, culturele en milieurechten – individueel of collectief – anderzijds. Een belangrijke stap om de samenhang met het binnenlandse mensenrechtenbeleid te versterken is de ratificatie van het facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

Het is belangrijk dat binnen prioriteit 4 van het Nederlandse mensenrechtenbeleid – ondersteuning van mensenrechtenverdedigers – voldoende ruimte bestaat voor steun aan personen die zich inzetten voor sociale, economische, culturele en milieurechten.

Nederland kan zijn donorpositie gebruiken om er bij multilaterale ontwikkelingsorganisaties, zoals de Wereldbank, op aan te dringen dat een mensenrechtenbenadering een centrale plaats krijgt in hun ontwikkelingsprogramma’s.

De AIV beveelt aan dat de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de minister van Buitenlandse Zaken beiden deelnemen aan parlementair overleg over het mensenrechtenbeleid.

2. GRIJP AGENDA 2030 AAN OM HET MULTILATERALE MENSENRECHTENSYSTEEM TE VERSTERKEN.

Het risico bestaat dat de SDG’s met hun nadruk op (collectieve) sociale, economische en milieurechten door sommige landen kunnen worden aangegrepen om juridische verplichtingen in internationale mensenrechtenverdragen te ondermijnen. Dit vraagt van Nederland grote oplettendheid in internationaal overleg. Nederland dient in bilaterale en multilaterale gesprekken steeds te benadrukken dat bij het behalen van de SDG’s juist de mensenrechten – met hun vastgestelde internationale ondergrens – bakens van expliciete en handhaafbare verplichtingen zijn.

Nederland moet in onder meer de VN-Mensenrechtenraad, de internationale financiële instellingen, de Europese Unie en de Raad van Europa structureel aandacht vragen voor de onverbrekelijke relatie tussen respect voor mensenrechten en het realiseren van de duurzame ontwikkelingsdoelen van Agenda 2030.

Het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap tonen aan dat een bindend verdrag een nuttig instrument kan zijn om specifieke mensenrechten vast te leggen en te operationaliseren. Andere instrumenten die daartoe worden gebruikt zijn onder meer VN-Verklaringen (mensenrechtenverdedigers), Resoluties (Agenda 2030), Global Compacts (bedrijfsleven,migratie) of bijvoorbeeld de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. De AIV beveelt aan dat Nederland nagaat of één of meer specifieke sociaaleconomische rechten, zoals het recht op schoon drinkwater en het recht op een gezond milieu, nader kunnen worden uitgewerkt met behulp van een van deze mensenrechteninstrumenten.

3. WERK AAN DE VERBETERING VAN HET TOEZICHT EN DE VERANTWOORDING VAN DE UITVOERING VAN AGENDA 2030. LEG DAARBIJ STEEDS DE VERBINDING MET INTERNATIONAAL ERKENDE MENSENRECHTENINSTRUMENTEN.

Om van Agenda 2030 een succes te maken, is een transparant en eenduidig systeem van verifieerbaar toezicht en verantwoording nodig. Juist op dit terrein valt nog veel resultaat te boeken. Nederland zou daarin een leidende rol op zich kunnen nemen.Nederland dient de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te vragen om voorstellen te doen tot stroomlijning en verlichting van de rapportagelast aan het High Level Political Forum en de VN-Mensenrechtenraad. Nederland kan de verwevenheid tussen mensenrechten en de SDG’s benadrukken door in de eigen aanbevelingen voor de Universal Periodic Review steeds het verband te leggen met Agenda 2030.

Nederland kan het Advisory Committee van de VN-Mensenrechtenraad vragen om in kaart te brengen hoe de internationale beleidscoherentie ten aanzien van de SDG’s kan worden bevorderd. Ook dient Nederland te bepleiten dat in de nationale rapportages, die ondertekenaars van een mensenrechtenverdrag verplicht zijn uit te brengen, wordt ingegaan op relevante SDG’s.

Nederland zou voorts (financiële, personele) middelen beschikbaar kunnen stellen om minder ontwikkelde landen te helpen capaciteit op te bouwen op het gebied van dataverzameling, interpretatie van data, en SDG- en mensenrechtenrapportage. Tevens kan Nederland nationale mensenrechteninstituten en maatschappelijke organisaties ondersteunen om nationale rapportageverplichtingen te verbeteren.

Nederland kan binnen de Inter-agency and Expert Group on SDG Indicators (IAEG-SDGs) voorstellen doen voor de verdere concretisering en operationalisering van de SDGindicatoren.Daarbij kan gebruikt gemaakt worden van mensenrechtenindicatoren die zijn ontwikkeld om onder meer inclusie, (gender)gelijkheid en non-discriminatie te meten. Het Kantoor van de VN-Hoge Vertegenwoordiger voor de Mensenrechten en het EUGrondrechtenagentschap bieden expertise op dit terrein.

De AIV verwelkomt de betrokkenheid van het College voor de Rechten van de Mens bij het opstellen van de derde SDG-rapportage aan de Tweede Kamer. Deze betrokkenheid moet structureel zijn en tevens gelden voor de Voluntary National Review van het Koninkrijk der Nederlanden aan het High Level Political Forum.

4. MAAK DE BESTRIJDING VAN ONGELIJKHEID BINNEN EN TUSSEN LANDEN EEN STRUCTUREEL THEMA VAN INTERNATIONAAL OVERLEG.

De AIV beveelt aan dat Nederland in verschillende internationale fora aandacht vraagt voor het thema ongelijkheid. Tijdens het High Level Political Forum op het niveau van regeringsleiders in september 2019 kan Nederland een prominent side event organiseren met het thema ‘Inkomens- en vermogensongelijkheid en hun relatie met de realisatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen en mensenrechten’. Nederland kan dit doen met een breed partnerschap van een of meerdere gelijkgestemde landen (Noord en Zuid), multilaterale organisaties (Wereldbank, ILO), niet-gouvernementele organisaties (Oxfam, Transparency International) en multinationale ondernemingen en banken. Vervolgens kan Nederland vergelijkbare side events organiseren tijdens bijvoorbeeld de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en het jaarlijkse World Economic Forum in Davos.

5. BEVORDER DE HERVORMING VAN HET MULTILATERAAL BESTUUR (GLOBAL GOVERNANCE).

De AIV is van mening dat Nederland, met een bijzonder open economie en een sterke oriëntatie op het buitenland, zich sterk moet inzetten om internationale beleidscoherentie en mondiaal bestuur te bevorderen. Het mondiaal partnerschap dat nodig is om de SDG’s te behalen kan alleen functioneren op basis van gelijkheid. Nederland moet zich internationaal inzetten om opkomende en ontwikkelingslanden een grotere stem te geven in multilaterale organisaties en samenwerkingsverbanden. Dat geldt in het bijzonder voor hun aandeel in de samenstelling van de Executive Boards van de belangrijkste internationale financiële instellingen. Het netwerk van SDG-partners maakt evenzeer deel uit van de global governance.

6. BEHOUD DE NEDERLANDSE VOORTREKKERSROL OP HET THEMA ‘MENSENRECHTEN EN BEDRIJFSLEVEN’.

Nederland dient een sterkere verbinding na te streven tussen bedrijfsleven, mensenrechten en de SDG-agenda. Het schrappen van het thema ‘Mensenrechten en bedrijfsleven’ als prioriteit van het mensenrechtenbeleid mag in de praktijk niet leiden tot een verminderd internationaal profiel van Nederland op dit onderwerp. Het versterken van de samenwerking met het bedrijfsleven voor het behalen van de SDG’s dient te worden nagestreefd in zowel het mensenrechten- als het buitenlandse handels- en ontwikkelingsbeleid.

Een grote rol voor het bedrijfsleven bij de realisatie van de mensenrechten en de SDG’s, zoals op het terrein van klimaat en milieu, vereist een actieve overheid die toeziet op de wijze waarop het bedrijfsleven deze rol vervult. Het verdient aanbeveling om te komen tot een tweede nationaal actieplan mensenrechten en bedrijfsleven. In een dergelijk plan moet de relatie tussen mensenrechten, bedrijven en de SDG’s worden verhelderd, moet de verplichting van overheden om mensenrechten te beschermen tegen inbreuken door derden (duty to protect) verder worden ingevuld, en moeten instrumenten worden gedefinieerd die bedrijven stimuleren om bij te dragen aan het behalen van de SDG’s met respect voor mensenrechten.

Naast het stimuleren van zelfregulering door bedrijven (de IMVO-convenanten) dient Nederland de mogelijkheid van bindende regelgeving als beleidsinstrument open te houden voor achterblijvers op het gebied van mensenrechten. Nederland moet daarom een actieve en constructief-kritische bijdrage leveren aan de (verkennende) onderhandelingen over een verdrag over het bedrijfsleven en mensenrechten die momenteel plaatsvinden in de VN-Mensenrechtenraad. Internationale afspraken dragen immers bij aan het creëren van een gelijk speelveld voor het (multinationale) bedrijfsleven.

7. MAAK HET TEGENGAAN VAN DE SHRINKING CIVIC SPACE EEN INTEGRAAL ONDERDEEL VAN HET MENSENRECHTEN- EN ONTWIKKELINGSBELEID.

Maatschappelijke organisaties vervullen een onmisbare rol in het SDG-partnerschap.Daarom zou Nederland in het mensenrechten- en ontwikkelingsbeleid specifieke activiteiten moeten ondersteunen om de bewuste inperking van maatschappelijke organisaties door overheden – zowel in politiek als in financieel opzicht – tegen te gaan. Nederland zou het belang van onafhankelijke maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers vaker publiekelijk moeten benadrukken. Ook de Europese Commissie moet hiertoe worden aangespoord.

Hierbij past ook een vergroting van de kennis en capaciteit op ambassades op het gebied van mensenrechten en aanvallen op het maatschappelijk middenveld. Nederlandse ambassades in landen waar mensenrechtenorganisaties onder vuur liggen, dienen de Eurichtlijnen voor mensenrechtenverdedigers uit te voeren. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op VN-Verklaring over Mensenrechtenverdedigers (1998).

De ondersteuning van maatschappelijke organisaties door het ministerie van Buitenlandse Zaken dient strategisch en flexibel te worden ingevuld. Langdurende basisfinanciering (in plaats van kortlopende projectfinanciering) verdient daarbij de voorkeur. Nederland moet geen maatschappelijke organisaties ondersteunen die door repressieve overheden in het leven zijn geroepen.

8. BETREK JONGEREN ACTIEF BIJ DE UITVOERING VAN AGENDA 2030.

Nederland moet zich sterk maken voor een speciaal vertegenwoordiger binnen het Vnsysteem die zich toelegt op aandacht voor de belangen van toekomstige generaties. Voortbouwend op een voorstel van de Secretaris-Generaal van de VN (zie hoofdstuk I) kan Nederland stimuleren dat het High Level Political Forum voor Agenda 2030 jaarlijks, als vast agendapunt, de rechten van toekomstige generaties bespreekt.

De jaarlijkse SDG-rapportage aan de Tweede Kamer bevat een jongerenbijdrage die wordt opgesteld door de Nationale Jeugdraad. Het is zonder meer positief dat het ministerie van Buitenlandse Zaken hen deze mogelijkheid biedt. De AIV meent evenwel dat de Nederlandse overheid veel meer gebruik moet maken van de activerende rol die jongeren kunnen spelen bij het realiseren van de SDG’s. Jongerenorganisaties zouden standaard betrokken moeten worden bij de Nederlandse beleidsvorming rondom Agenda 2030 en inspraak moeten hebben op SDG-relevante beleidsterreinen zoals onderwijs, klimaat en duurzame ontwikkeling, gezondheid en gelijkheid. Door jongeren een positie aan tafel te garanderen – ook bij vakdepartementen en lagere overheden –draagt de overheid bij aan meer kennis en bewustzijn van mensenrechten en duurzame ontwikkeling bij nieuwe generaties.

9. VERSTERK DE COÖRDINATIE EN SAMENHANG VAN DE BINNENLANDSE EN BUITENLANDSE SDG-INZET.

De coördinatie van het interne en externe SDG-beleid is belegd bij de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Dit kan de indruk wekken dat Nederland primair een op het buitenland gerichte verantwoordelijkheid voor de uitvoering van Agenda 2030 heeft. Echter, Agenda 2030 vraagt om implementatie in alle landen,ook in Nederland. De Nederlandse SDG-inzet in het buitenland kan alleen overtuigen als Nederland ook zijn eigen huiswerk doet. Dit is een verantwoordelijkheid van de regering als geheel.

In de jaarlijkse SDG-rapportage aan de Tweede Kamer over het behalen van de SDG’s in Nederland, moet structureel in een aparte paragraaf aandacht worden besteed aan de SDG-inspanningen in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba), met aandacht voor mensenrechten. Caribisch Nederland is een volwaardig deel van Nederland. Desondanks krijgen de specifieke ontwikkelings- en mensenrechtenuitdagingen aldaar nog niet de bijzondere aandacht vanuit Europees Nederland die zij verdienen. Tevens dient in de jaarlijkse SDG-rapportage te worden ingegaan op de coördinatie van het SDG-beleid tussen de vier landen van het Koninkrijk (Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten).

Rekening houdend met het overweldigende belang van Agenda 2030 voor de samenleving als geheel, roept de AIV de minister-president op om, in aanloop naar de bijeenkomst van het High Level Political Forum op het niveau van regeringsleiders in september 2019, namens Nederland een scherper Europees en internationaal profiel te kiezen met betrekking tot de SDG’s en mensenrechten. De minister-president kan onder meer als gastheer optreden van de side events die onder aanbeveling 4 zijn genoemd.

Adviesaanvraag

Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Voorzitter
Adviesraad Internationale Vraagstukken
Postbus 20061
2500 EB  Den Haag

Datum  18 april 2019
Betreft   Adviesaanvraag Mensenrechten en de SDG's


Geachte voorzitter,

Na de Tweede Wereldoorlog is een breed internationaal mensenrechteninstrumentarium gebouwd, met als startpunt de in 1948 door de Verenigde Naties (VN) vastgestelde de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (UVRM), waarin de universaliteit van mensenrechten voor het eerst internationaal werd bevestigd. Dit luidde een periode van enkele decennia in waarin mensenrechten steeds beter werden beschermd, onder meer door de totstandkoming van verschillende juridisch bindende mensenrechtenverdragen. Mensenrechten kunnen echter niet uitsluitend gedragen worden door het recht; zij dienen verankerd te zijn in de structuren van de samenleving.

De aanname door VN-lidstaten van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in 2015 hebben wereldwijd momentum gegenereerd voor duurzame ontwikkeling en versterkte mondiale samenwerking. De SDGs  stellen concrete doelen om een eind te maken aan armoede, ongelijkheid en klimaatverandering, uiterlijk in 2030. Zij benadrukken daarbij het belang van rechten, respect en waardigheid en hebben het overkoepelende principe dat niemand mag worden uitgesloten (leave no one behind). De grote nadruk op mensenrechten in de SDG’s (meer dan in de milleniumdoelstellingen) biedt een goed houvast voor een politieke en rechtenbenadering van ontwikkeling waarbij de belangen van burgers centraal staan.

Respect voor mensenrechten en voor menselijke vrijheden, zoals neergelegd in internationale verdragen, zijn belangrijke voorwaarden voor duurzame ontwikkeling en voor het voorkomen van conflicten. De SDG-agenda kan niet succesvol zijn zonder de naleving van mensenrechten en vice versa. Ook worden zowel de SDG’s als de mensenrechteninstrumenten door experts gezien als ‘raamwerken’ voor een structurele inzet op de preventie van gewelddadig conflict. Beide agenda’s hebben elkaar veel te bieden.

Specifieke mogelijkheden om mensenrechten te bevorderen via de uitvoering van de SDG’s en vice versa zijn echter nog niet systematisch onderzocht. In het licht van bovenstaande zou het kabinet het op prijs stellen hierover van de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV) een advies te ontvangen uiterlijk voor het einde van 2018, aan de hand van de volgende vragen:

Centrale vraag: Hoe kunnen de Nederlandse inzet op de SDG’s en de inzet van het Nederlandse buitenlands beleid op het terrein van de mensenrechten, zoals vastgelegd in de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, elkaar wederzijds versterken?

En de volgende deelvragen:

  1. Wat zijn de raakvlakken van beide agenda’s en waar vullen ze elkaar aan?
  2. Welke concrete opties bestaan er om de SDG’s (beter) te laten bijdragen aan de internationale bevordering van mensenrechten?
  3. Hoe kan het Nederlandse buitenlands beleid op mensenrechten optimaal bijdragen aan het behalen van de SDG’s op voor Nederland prioritaire terreinen?

Wij kijken uit naar een operationeel advies met concrete handvatten voor het Nederlandse buitenlands beleid, in het bijzonder het mensenrechten- en SDG-beleid.           

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Stef Blok


De Minister voor Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingssamenwerking,

Sigrid A.M. Kaag

Regeringsreacties
Persberichten

Adviesraad Internationale Vraagstukken: geef mensenrechten een centrale plaats in duurzame ontwikkeling.

Den Haag, 2 juli 2019

Duurzame ontwikkeling en mensenrechten zijn twee kanten van dezelfde medaille. De Nederlandse mensenrechteninzet en het beleid voor duurzame ontwikkeling moeten daarom scherp op elkaar worden afgestemd. De duurzame ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals of SDG’s) van de Verenigde Naties bieden een bruikbaar handvat. Het internationale bedrijfsleven speelt daarin een sleutelrol.

Dat zei AIV-lid prof. dr. Ernst Hirsch Ballin vandaag bij de overhandiging van het adviesrapport ‘Duurzame ontwikkelingsdoelen en mensenrechten: een noodzakelijk verbond’ aan minister Kaag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en VNO-NCW voorzitter Hans de Boer.

‘De vele mensenrechtenverdragen die na de Tweede Wereldoorlog zijn gesloten, blijven van onschatbare waarde, onderstreepte Hirsch Ballin. Alle landen ter wereld hebben zich er op een of andere manier aan gebonden. Maar verdragen alleen zijn niet genoeg om mensenrechten te realiseren. Vrijheid van meningsuiting is weinig waard als je honger hebt of van je leven niet zeker bent. Investeren in economische ontwikkeling, goede arbeidsomstandigheden, gezondheidszorg en een duurzaam milieu is net zo belangrijk. De SDG’s zijn concrete doelen op al deze terreinen’, zei Hirsch Ballin.

Meer samenhang in buitenlands beleid
Volgens de AIV zijn mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking in het Nederlandse buitenlandbeleid ten onrechte gescheiden beleidsterreinen. De minister van Buitenlandse Zaken zet zich vooral in voor burger- en politieke rechten terwijl de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking werkt aan het verbeteren van sociaaleconomische en milieuomstandigheden in armere landen. Door hun activiteiten scherper op elkaar af te stemmen, kunnen betere resultaten worden behaald, vindt de AIV.

Zo bieden de SDG’s volgens de Adviesraad een aangrijppunt om over mensenrechten te spreken met landen die dat eigenlijk niet willen. Met de SDG’s, met hun nadruk op sociale, economische en milieurechten, wordt immers ook een groot aantal mensenrechtendoelen behaald. Wel waarschuwt Hirsch Ballin: ‘Voor landen die minder op hebben met mensenrechten, bieden de duurzame ontwikkelingsdoelen mogelijk een alibi om daar losser mee om te gaan. In de contacten met deze landen moet Nederland daarom steeds duidelijk maken dat de SDG’s niet vrijblijvend zijn en dat de mensenrechten bakens van expliciete en handhaafbare verplichtingen blijven.’

Duurzame ontwikkelingsdoelen
De 17 SDG’s, die in 2015 unaniem door de VN-lidstaten zijn aangenomen, moeten uiterlijk in 2030 een einde maken aan armoede, honger, ongelijkheid en klimaatverslechtering. Verder zijn er doelen voor goede gezondheidszorg, onderwijs, schoon drinkwater, duurzame energie en rechtsbescherming. De lidstaten van de VN hebben erkend dat de SDG’s zijn verankerd in de internationaal erkende mensenrechten. In september 2019 komen de wereldleiders opnieuw om de voortgang van de SDG’s te bespreken.

De AIV benadrukt in zijn advies dat de SDG’s niet alleen bedoeld zijn voor ontwikkelingslanden. Ook rijke landen moeten in eigen land zorgen voor onder meer veiligheid, duurzame economische groei en gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De hulp die Nederland geeft aan arme landen om de SDG’s te halen kan daarom niet worden losgezien van de inspanningen in Nederland zelf. Dit geldt ook voor de Caribische delen van het Koninkrijk.

Partnerschap met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties
Het AIV-advies werd gepresenteerd tijdens een bijeenkomst bij werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland. De AIV onderstreept de belangrijke rol die het bedrijfsleven speelt bij zowel het behalen van de SDG’s als het waarborgen van mensenrechten. De AIV adviseert het kabinet dat Nederland een internationale voortrekkersrol op het gebied van mensenrechten en bedrijfsleven blijft spelen. Dat kan onder meer door intensieve samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid bij het behalen van de duurzame ontwikkelingsdoelen. Ook beveelt de AIV aan dat het kabinet een nieuw Nationaal Actieplan Mensenrechten en Bedrijfsleven opstelt.

Maatschappelijke organisaties zijn eveneens een onmisbare SDG-partner. De AIV maakt zich daarom zorgen over het groeiend aantal maatregelen dat minder democratische landen zoals Hongarije en Rusland neemt om rechtsbescherming en mensenrechtenverdedigers aan banden te legen. De Nederlandse regering zou zich daartegen vaker publiekelijk moeten uitspreken, vindt de AIV.