Europa Inclusief II

24 juni 2005 - nr.5
Samenvatting

Europa Inclusief II

Nummer 5, november 1998

Op 12 juni 1997 kreeg de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) het verzoek in twee fases te adviseren over de uitbreiding van de Europese Unie. In oktober 1997 heeft de AIV het interim-advies Europa Inclusief uitgebracht. Met dit advies Europa Inclusief II gaat de AIV nader in op een aantal met de uitbreiding verbonden aspecten.

Aangaande de Europese Monetaire Unie kan naar het oordeel van de AIV het hanteren van een overgangsregime stimulerend werken om de nodige convergentie tot stand te brengen. In het geval van een overgangsregime op dit gebied dient wel een tijdschema te worden opgesteld waarin de loslating van de kapitaalrestricties zijn opgenomen. De voorwaarde voor het verbod van monetaire financiering en voor het verbod van bevoorrechte financiering 14 dient in ieder geval strikt te worden gehanteerd omdat gezonde overheids-financiën tezamen met het voorkomen van buitensporige tekorten een belangrijk element vormen voor de convergentie ter voorbereiding van toetreding tot de EMU.

De grotere beleidsvrijheid voor de landen die niet deelnemen aan de EURO kan nadelige gevolgen hebben voor de economische/monetaire situatie in de Unie. Bij de aanvang van de derde fase van de EMU zal, zo meent de AIV, moeten worden bezien hoe met deze situatie kan worden omgegaan opdat de lidstaten, die hun eigen munt hebben opgegeven voor de EURO, geen nadeel ondervinden ten opzichte van de lidstaten die niet bereid zijn deze stap te zetten.

Met betrekking tot de institutionele capaciteit zal er in de landen in Midden en Oost-Europa meer nodig zijn dan uitsluitend het overnemen en het toepassen van het acquis. Het is om die reden terecht dat in de op 30 maart 1998 door de Raad aangenomen Accession Partnerships als één van de prioriteiten op zowel de korte als middellange termijn wordt geïdentificeerd de noodzaak om de institutionele en administratieve capaciteit van de betrokken staten te versterken. Daaronder vallen onder meer zaken als de verbetering van diverse controle-procedures en -instanties, de verbetering van het justitieel apparaat en instanties op het gebied van grenscontroles, politie, ministeries en gerechtelijke instanties, de versterking van het wetgevingsproces, alsmede de opleiding van rechters in Gemeenschapsrecht.

Uitgangspunt voor de AIV is dat toetredende landen het acquis communautaire dienen over te nemen. Om uitdrukking te geven aan de gedeelde verantwoordelijkheid van de huidige lidstaten en de toetredende landen uit Midden- en Oost-Europa voor overname van het acquis stelt de AIV voor in het kader van de pre-toetredingsstrategie meer middelen vrij te maken.
In de voorstellen van de Europese Commissie is van de 45 miljard voor de toetredende staten zeven miljard bestemd voor de pre-toetredingsfase en 38 miljard voor de tijd (tot 2006) na toetreding. De Europese Commissie is er bij dit voorstel vanuit gegaan dat Estland, Hongarije, Polen, Slovenië en Tsjechië in 2002 tot de Europese Unie zullen toetreden. Bij deze verdeling kunnen vraagtekens worden geplaatst, zeker nu er steeds meer vanuit lijkt te worden gegaan dat deze landen pas later tot de Europese Unie zullen toetreden. Het bedrag dat voor pre-toetreding is bestemd, is laag vergeleken met het bedrag dat na toetreding beschikbaar zal komen. Gezien het belang van tijdige voorbereiding op overname van het acquis door de toetredende landen uit Midden- en Oost-Europa dienen hiervoor gedurende de pre-toetreding meer middelen te worden vrijgemaakt. Hierbij kan in eerste instantie worden gedacht aan middelen uit de structuurfondsen, die kunnen worden aangewend om de bestuurlijke en administratieve capaciteit van de Midden- en Oost-Europese landen verder te ontwikkelen zodat deze landen beter worden toegerust het acquis toe te passen.

De geschiedenis leert dat overname van het acquis dynamisch dient te worden opgevat. Gezien de economische en bestuurlijke achterstand die de kandidaatleden in Midden- en Oost-Europa kenmerkt is het onvermijdelijk dat op ruime schaal toevlucht zal moeten worden genomen tot het hanteren van overgangsregelingen. Over de lengte van de overgangsperioden zal van geval tot geval geoordeeld moeten worden. Er zal naar de mening van de AIV daarbij een evenwicht moeten worden betracht tussen enerzijds de wens de uitzonderingsposities zo beperkt mogelijk te houden en anderzijds de overweging dat een geforceerde overname van het acquis het aanpassingsvermogen van de nieuwe lidstaten te boven kan gaan.

Over de overname van het acquis mag niet het misverstand rijzen dat het een eenzijdige opdracht is voor de toetredende landen van Midden-en Oost-Europa. De AIV is van oordeel dat het hier gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid van de landen die tot de Europese Unie wensen toe te treden én van de huidige lidstaten. In geen geval mag het uitgangspunt van volledige overname van het acquis ertoe leiden dat de toetreding van Estland, Hongarije, Polen, Slovenië en Tsjechië op de lange baan wordt geschoven. Een dergelijke aanpak van de onderhandelingen zou op gespannen voet staan met bij deze landen gewekte verwachtingen omtrent toetreding op een termijn van vijf á zeven jaar en geen recht doen aan de politieke betekenis van de komende ronde van uitbreiding.

De AIV is van mening dat het belang van de (uitgebreide) Unie niet is gediend met een uitstel (en mogelijk een afstel) op grond van het feit dat de landen in Midden- en Oost-Europa niet kunnen voldoen aan het gehele acquis. De Unie zal derhalve uiteindelijk dienen te accepteren dat landen volwaardig lid van de Unie gaan worden, terwijl deze nog niet het gehele acquis toepassen.

Bestaande opt-outs in de Verdragen van Maastricht en Amsterdam zijn toegekend voor specifieke situaties. De AIV heeft zich gebogen over de vraag hoe ter zake in de toekomst gehandeld zou moeten worden. Er zijn goede argumenten die een meer flexibele benadering zouden kunnen rechtvaardigen zoals nagenoeg blijvend of tenminste zeer langdurig onvermogen om onderdelen van het acquis te accepteren tegenover de volstrekte verbondenheid om tot de Unie te willen behoren. Keuzemogelijkheden voor toetredende landen om meer invloed op de eigen bestemming te hebben zouden bijdragen aan een versterking van het draagvlak voor de uitbreiding. Vanzelfsprekend zouden die delen van het acquis voor niet toepassing uitgesloten moeten zijn, die essentieel zijn voor het functioneren van de markt zoals concurrentiebeleid en handelspolitiek. Alles afwegende heeft de AIV per saldo gemeend geen aanbeveling in algemene zin voor de mogelijkheid van opt-out te moeten doen. Eventuele verzoeken in die richting zullen van geval tot geval moeten worden bezien. Duidelijk is dat vanuit een algemeen communautair gezichtspunt terughoudendheid geboden is.

Aangaande het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) acht de AIV een verdere verdieping (binnen sectoren) en verbreding (naar andere sectoren) van de hervormingen om de volgende redenen noodzakelijk:
- ter voorkoming van mogelijk dreigende overschotten van met name granen en rundvlees;
- het streven reeds nu rekening te houden met handelsliberalisatie die voortkomt uit de komende besprekingen in het kader van de wereldhandels-organisatie (WTO);
- het vergemakkelijken van de integratie van nieuwe lidstaten;
- het behouden van toegang tot de wereldmarkt.

De Europese Commissie is van mening dat het huidige beleid aanvulling behoeft, namelijk door ook de nodige aandacht te geven aan de ontwikkeling van het platteland. De AIV is echter van oordeel dat bij een correcte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel het bevorderen van plattelandsontwikkeling niet een zaak is die tot de taak van de Europese Unie moet worden gerekend maar tot de taak van de lidstaten.

Voor de verdere toekomst en zeker na afloop van de overgangsperiode, ziet de AIV slechts één uitweg en dat is het verminderen van de inkomenssteun tot een EU-basis- inkomenssteun, welke binnen vastgestelde EU-randvoorwaarden door de nationale lidstaten tot een bepaald niveau kan worden aangevuld. Bij deze nationale aanvulling wordt rekening gehouden met het welvaartspeil alsmede het kostenniveau in de betreffende lidstaat.

Het is om verschillende redenen opmerkelijk dat analyses van de sociale aspecten van de uitbreiding nagenoeg ontbreken. Ten eerste is werkgelegenheid door de Europese Raad uitgeroepen tot topprioriteit van de Europese Unie. De toetreding van Oost-Europese landen heeft onmiskenbaar effecten op de werkgelegenheid, zowel in de huidige als in de nieuwe lidstaten. Een tweede reden om meer aandacht te schenken aan de sociale aspecten van de uitbreiding betreft de politieke discussie over het vrij verkeer van werknemers en de gevolgen voor de arbeidsmarkten in de huidige lidstaten. Er gaan vooral in Duitsland stemmen op om een overgangstermijn voor het vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten in te stellen om de huidige lidstaten te beschermen tegen toestroom van Oost-Europese werknemers. Voor Nederland lijkt een dergelijke bescherming niet nodig: het is niet aannemelijk dat er op de Nederlandse arbeidsmarkt een verdringing ontstaat door goedkope Oost-Europese arbeidskrachten. Kern van het vrij verkeer van werknemers is immers dat een werknemer uit een andere lidstaat niet gediscrimineerd mag worden op de arbeidsmarkt en recht heeft op dezelfde beloning als autochtone werknemers. Ondanks begrijpelijke bezwaren in Duitsland lijkt het beter te streven naar duidelijke wetgeving op het terrein van minimumlonen in alle lidstaten, waarbij het de primaire verantwoordelijkheid is van de lidstaten zelf om verstoring van de arbeidsmarkt te voorkomen. Een derde reden waarom sociale aspecten meer nadruk verdienen houdt verband met de finaliteit: juist de Europese hoge levensstandaard en het Europese sociale model worden als wezenskenmerk ten opzichte van Japan en de VS genoemd. Het Europese model bestaat uit nationale stelsels aangevuld met Europese coördinatieregels ten behoeve van het vrij verkeer van werknemers, met normen omtrent de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, met beleid ten aanzien van de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers en met een aantal voorzieningen dat onder andere informatie en raadpleging van werknemers betreft. De uitbreiding zal onmiskenbaar een weerslag op de ontwikkeling van het Europese sociale model hebben.

Bij de voorstellen van de Commissie voor de verdeling van de Cohesie-en structuurfondsen valt op dat de nadruk blijft liggen bij de huidige lidstaten. Deze verdeling vindt, naar het oordeel van de AIV, geen rechtvaardiging in de economische achterstand die de landen in Midden-en Oost-Europa hebben ten opzichte van de huidige lidstaten. De AIV raadt de regering dan ook aan niet in te stemmen met de voorstellen van de Europese Commissie ter zake, doch om aan te dringen op scherpere degressie bij de huidige lidstaten naar welke de fondsen in de praktijk vloeien, zodat, spiegelbeeldig, deze worden vrijgemaakt voor in aanmerking komende regios in de toetredende landen. Op deze wijze kunnen deze fondsen geloofwaardig worden ingezet ten behoeve van de inspanningen om werkelijk overname van het acquis communautaire te bereiken. Onder verwijzing naar de beperkte capaciteit stelt de Commissie voor de hulp te beperken tot maximaal 4 procent per jaar. De AIV is van mening dat deze limitering te statisch is en te zeer ingegeven door budgettaire- en verdelings-overwegingen. Een meer dynamische benadering is gewenst. Deze zou er juist op moeten zijn gericht de absorptiecapaciteit te vergroten door het versterken van de institutionele capaciteit. Indien meer geld gaat naar het versterken van de institutionele capaciteit kan bijvoorbeeld overeengekomen worden de gelden bestemd voor de landen in Midden- en Oost-Europa in de periode 2000 tot 2006 elk jaar met 10 procent te laten stijgen.

Er is derhalve alle reden de landen in Midden- en Oost-Europa voor een groter deel uit het cohesiefonds, op degressieve wijze, in aanmerking te laten komen dan de huidige lidstaten uit dit fonds ontvangen.

Samenvattend acht de AIV het dus van grote betekenis in Agenda 2000 tot andere besluitvorming te komen dan de Europese Commissie voorstelt door een fasegewijze afbouw van de middelenstroom en door, bij de fundamentele herziening, beduidend meer ruimte te scheppen voor in aanmerking komende regios van de toetredende landen. Op deze wijze wordt geloofwaardig uitzicht geboden op de toetreding en op overname van het acquis. De AIV pleit hiervoor niet alleen uit principiële politieke motieven, maar ook omdat dit zal leiden tot nieuwe economische dynamiek en groei in de Europese Unie.

Wat betreft de financiering van de Unie wordt in het regeerakkoord 1998 uitgegaan van grotere bijdragen uit de fondsen voor Nederland onder gelijktijdige verlaging van de Nederlandse bijdrage oplopend tot 1,3 miljard in 2002, welke slechts het resultaat van onderhandelingen kan zijn, die op onderdelen eenstemmigheid zouden vereisen. De vooronderstelling, dat die onderhandelingen met zekerheid tot het gewenste kwantitatieve resultaat zullen leiden, is op zijn minst zeer twijfelachtig. Voor de AIV geldt dat de problematiek van meer moeten afdragen of minder netto ontvangen voor alle 15 huidige lidstaten geen belemmering mag worden voor een evenwichtige voortzetting van het onderhandelingsproces en de uiteindelijke toetreding van nieuwe lidstaten.

De uitbreiding heeft ook gevolgen voor de Institutionele aspecten van de Unie. De AIV is van mening dat, met het oog op het behoud van de slagvaardigheid van de Commissie, het aantal commissarissen beperkt dient te worden en wel tot 10 à 15. Het gevolg hiervan zal zijn dat in de toekomst niet langer elke lidstaat permanent een onderdaan in de Commissie zal hebben. De AIV is van oordeel dat dit ook dient te gelden voor de grote lidstaten en dat deze landen geen recht dienen te krijgen op permanente basis een onder-daan in de Commissie zitting te laten nemen.

Het onlangs door Notre Europe (het instituut van Jacques Delors) gedane voorstel 15 om de benoeming van de voorzitter van de Commissie een meer politiek karakter te geven past in het streven de democratische legitimiteit van de Unie te versterken en haar een duidelijk gezicht te geven.

De AIV pleit met betrekking tot de stemmenweging in de Raad voor het behoud van de bestaande zes clusters 16 aangaande de indeling van de lidstaten. Op deze wijze kunnen de stabiele verhoudingen tussen de lidstaten, zoals deze de laatste decennia hebben gegolden, behouden blijven. Naar het oordeel van de AIV dienen ook de toetredende lidstaten op basis van hun bevolkingsomvang in deze clusters te worden ondergebracht. In een dergelijke opzet krijgt Polen (vergelijkbaar met Spanje) 8 stemmen en zouden Tsjechië en Hongarije 5 stemmen krijgen en Estland en Slovenië 3 stemmen. Ter voorkoming dat de relatief kleinere lidstaten een te zware stem in de besluitvorming zouden krijgen, omdat hun aantal in de Unie toeneemt, zou het aantal stemmen dat de grote lidstaten hebben kunnen worden uitgebreid.

De AIV is van mening dat met betrekking tot de besluitvorming als regel dient te gelden dat het EP het recht van codecisie heeft, ook bijvoorbeeld ten aanzien van de kaderreglementen van het landbouwbeleid. Slechts in uitzonderlijke gevallen zou van deze regel mogen worden afgeweken. Wat betreft de financiering van de Unie is de AIV van mening dat het onderscheid verplichte versus niet-verplichte uitgaven dient te worden opgeheven, met als gevolg dat het EP ook ten aanzien van de uitgaven voor het GLB het recht van amendement krijgt. Om de controlerende taak naar behoren te kunnen vervullen is de AIV van mening dat het EP niet alleen het recht dient te hebben de Commissie in haar geheel heen te zenden, maar ook individuele commissarissen, hetgeen voor de hand ligt zodra de Commissie niet meer uit onderdanen van alle lidstaten bestaat.

Met het oog op de geloofwaardigheid van het functioneren van het EP dient naar de mening van de AIV een uniforme Europese rechtspositie voor de leden van het EP te worden geïntroduceerd en verdienen de pogingen van het Parlement om misbruik van vergoedingen tegen te gaan ondersteuning.

Het voorzitterschap van de Unie wordt bij toerbeurt door een lidstaat voor een half jaar uitgeoefend. Dit betekent dat momenteel met 15 leden elke lidstaat om de zeven en half jaar het voorzitterschap vervult. De uitbreiding van de Unie met nieuwe lidstaten zal deze termijn nog verder verlengen indien vast wordt gehouden aan een roulerend halfjaarlijks voorzitterschap. Vanuit een oogpunt van het op deskundige wijze uitoefenen van het voorzitterschap is dit een ongewenste ontwikkeling. Naar de mening van de AIV is het systeem van een roulerend voorzitterschap in een Unie van 20 à 25 lidstaten verouderd. De AIV pleit er daarom voor te komen tot een voorzitterschap voor een langere periode (van minimaal twee jaar), dat wordt ondersteund door het Raadssecretariaat.

De voorbereidingen van de Raad van ministers vindt plaats in het Comité van PVs. Tot nu toe wordt dit Comité voorgezeten door één van de leden van het Comité, namelijk de vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap bekleedt. In een nieuwe opzet, met een meer permanente voorzitter verdient het aanbeveling het Comité van PVs te laten voorzitten door de Secretaris-Generaal van de Raad17.

Met betrekking tot het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) is de AIV is van oordeel dat, alhoewel het ontbreken van een geregeld optreden tot op heden geen catastrofale gevolgen heeft gehad voor de Unie, het tegen de achtergrond van de te vervullen politieke rol in de wereld, moet worden betreurd dat tot dusverre weinig inhoud aan het GBVB is gegeven. Naar het oordeel van de AIV is er alle reden voor de Unie om in de toekomst een actiever en breder buitenlands beleid te voeren, dat zich niet alleen richt op politieke relaties maar ook op het beleidsterrein van de mensenrechten en de politieke relaties met ontwikkelingslanden.

De AIV is van oordeel dat het wenselijk is dat toekomstige leden van de NAVO wanneer zij lid worden van de EU ook toetreden tot de WEU. In eerste instantie gaat het hierbij om de landen die een toezegging hebben voor een lidmaatschap van de NAVO, te weten: Hongarije, Polen en Tsjechië. Wil worden voorkomen dat de institutionele structuur verder uiteen loopt dan nu al het geval is, dan dienen deze drie landen ook lid te worden van de WEU. Het precedent van Denemarken, dat geen lid is van de WEU maar wel van de NAVO, verdient geen navolging. Het streven zou er op gericht dienen te zijn van toekomstige leden van de Unie te verlangen dat zij de intentie hebben toe te willen treden tot de WEU indien zij lid worden van de NAVO.

Gelet op de flexibiliteitsclausule in het Verdrag van Amsterdam verdient het ook aanbeveling te onderzoeken of een coalitie van the able and the willing binnen de Unie een hechtere eenheid op het terrein van het GBVB kan smeden18.


14 Bevoorrechte financiering houdt in dat overheden financiële instellingen verplichten in de financieringsbehoefte van de overheid te voorzien.

15 Dit voorstel houdt in dat de Europese (samenwerkingsverbanden van) politieke partijen ieder voor de verkiezingen voor het EP een persoon aanwijzen waarvan zij vinden dat hij of zij voorzitter van de Europese Commissie zou moeten worden. De kiezer kan vervolgens door zijn stem uit te brengen ook zijn voorkeur kenbaar maken voor de persoon die wordt voorgesteld als voorzitter van de Commissie. De gedachte is dat de Europese Raad bij de werkelijke benoeming van de voorzitter van de Commissie niet heen zal kunnen om die kandidaat, wiens partij de grootste is geworden in het EP. Dit te meer daar de voorzitter van de Commissie ook het vertrouwen van (de meerderheid van) het EP moet genieten. Dit voorstel van Notre Europe kan worden uitgevoerd zonder verdragswijziging en vormt een eerste stap op weg naar een gekozen voorzitter van de Europese Commissie.

16 De stemverhouding in de Raad is als volgt:

  10 stemmen Duitsland, Frankrijk, Italië, het VK;
  8 stemmen Spanje;
  5 stemmen België, Griekenland, Nederland, Portugal;
  4 stemmen Zweden, Oostenrijk;
   3 stemmen Denemarken, Finland, Ierland;
  2 stemmen Luxemburg.

17 De noodzaak voor een herkenbaar meer permanent voorzitterschap van de Raad van ministers vervalt, naar het oordeel van de AIV, indien het in paragraaf IV.1 behandelde voorstel van Notre Europe wordt overgenomen.

18 De minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Defensie en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking hebben in een gesprek met de AIV op 27 oktober 1998 aangekondigd advies te zullen vragen over de veiligheidssituatie, in verband met de voorbereidingen van de op te stellen Defensienota. In dit verband kan de AIV ingaan op de relatie tussen het GBVB en de ontwikkeling van een Europees defensiebeleid, mede in het licht van de recente Britse gedachten dienaangaande.
 

Adviesaanvraag

Aan de Voorzitter van de
Adviesraad Internationale Vraagstukken
Drs. R.F.M. Lubbers
Postbus 20061
2500 EB s-Gravenhage


Datum
12 juni 1997
Doorkiesnummer
(348) 62 12
Kenmerk
DIE/AB-526/97

Onderwerp
Adviesaanvraag uitbreiding van de Europese Unie
Dienstonderdeel
Directie Integratie Europa


Hierbij leggen wij u een adviesaanvraag voor over de uitbreiding van de Europese Unie.

De toekomstige uitbreiding van de Europese Unie stelt de Unie voor een historische opgave. Het doel is duidelijk: een stabiel, democratisch en welvarend Europa, waarvoor zes landen veertig jaar geleden te Rome het fundament hebben gelegd. Tien geassocieerde Midden-Europese landen, Cyprus en Turkije hebben een aanvraag voor toetreding tot de Europese Unie ingediend. Ook Noorwegen, Zwitserland en Malta kunnen tot de toetredingskandidaten worden gerekend, alhoewel de bevolking zich vooralsnog in meerderheid tegen toetreding heeft uitgesproken.

De toekomstige EU-uitbreiding is door verscheidene Europese Raden (ERs) besproken:
 

  • de ER van Kopenhagen (juni 1993):

    De criteria
    De ER concludeerde dat een land lid kan worden van de Europese Unie als het beschikt over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen, als het betrokken land een functionerende vrije markteconomie kent en het hoofd kan bieden aan de concurrentiekracht van de Unie. Bovendien dienen kandidaat-lidstaten de verplichtingen van het lidmaatschap op zich te nemen en de politieke, economische en monetaire doelstellingen te onderschrijven;
     
  • de ER van Essen (december 1994):

    De strategie
    De ER concludeerde dat toetredingsonderhandelingen met Cyprus en Malta (N.b. de bevolking van Malta heeft zich in november 1996 vooralsnog uitgesproken tegen toetreding) zes maanden na afloop van de IGC zouden aanvangen. Tevens werd de gestructureerde dialoog ingesteld;
     
  • de ER van Cannes (juni 1995):

    De middelen
    De ER concludeerde dat de financiële middelen ter ondersteuning van het maatschappelijke transformatieproces van de LME, via het Phare-programma, zouden worden gekoppeld aan de duur van het Eigen Middelen-besluit van de EU;
     
  • de ER van Madrid (dec. 1995):

    De kalender
    De ER concludeerde dat toetredingsonderhandelingen met Malta en Cyprus zes maanden na afsluiting van de IGC zullen aanvangen en wenste dat de eerste fase van de onderhandelingen met de LME samenvalt met die van Cyprus en Malta. Tevens vroeg de ER aan de Commissie kort na afsluiting van de IGC de volgende verslagen en documenten uit te brengen:

    * afzonderlijke adviezen over de kandidaat-lidstaten. Deze avis bevatten een analyse van de huidige situatie in de kandidaat-lidstaat en een evaluatie van de voortgang die deze naar verwachting voor de toetreding zal boeken;
    * een impactstudie over de gevolgen van de uitbreiding voor het communautaire beleid, met name ten aanzien van het landbouwbeleid en het structuurbeleid;
    * een overzichtsdocument over de uitbreiding dat een aanvulling dient te vormen op de adviezen en de impactstudie;
    * een mededeling over het toekomstige financiële kader van de EU, rekening houdende met het vooruitzicht van uitbreiding.
    - de ERs van Florence en Dublin bevestigden het te Madrid vastgestelde tijdschema voor het uitbreidingsproces. De Commissie verzekerde de Raad dat hogergenoemde documenten onmiddellijk na afsluiting van de IGC beschikbaar zullen zijn. Voorts werd het voornemen van de Commissie toegejuicht voor een algehele versterking van de pretoetredingsstrategie.

    De Raad zal de hogergenoemde documenten bespreken tijdens de speciale uitbreidings-Top die het Luxemburgse voorzitterschap voornemens is te organiseren 16-17 oktober 1997. Op basis hiervan zal de Europese Raad van Luxemburg van december 1997 onder meer besluiten omtrent de modaliteiten van de toetredingsonderhandelingen. Dan zal, naar verwachting, tevens het startschot kunnen worden gegeven voor het uitbreidingsproces met een familiefoto. Vervolgens zal de Raad een onderhandelingsmandaat voor het voorzitterschap, dat wordt gesteund door de Commissie, moeten vaststellen.

    De Nederlandse regering zou de Adviesraad willen verzoeken haar te adviseren inzake de uitbreiding van de Unie en de te volgen uitbreidingsstrategie, hogergenoemde documenten van de Commissie in overweging nemend. De Adviesraad zou vóór oktober as. een overzicht kunnen opstellen van die landen waarvan de toetreding voor ons land economisch, financieel, politiek e.d. het meest opportuun is. Welke voor- en nadelen kleven er aan toetreding van welke landen in het algemeen? In hoeverre is het tijdpad hierbij een relevante overweging?
    Tevens zou de Adviesraad vóór december as. onderstaande vragen kunnen beantwoorden.

    - Welke rol dient Nederland te spelen in het uitbreidingsproces?
    - Zou Nederland een bepaald land, of een groep landen, moeten gaan ondersteunen, zoals bijvoorbeeld de Scandinavische lidstaten de Baltische landen ondersteunen?

    - De Kopenhagen-criteria zijn vrij algemeen opgesteld; aan welke interne en externe voorwaarden dienen toetreders in ieder geval te voldoen?
    * Intern: welke richtlijnen moeten in ieder geval zijn overgenomen? Die op het terrein van economische en financiële zaken, landbouw, milieu, douaneheffingen en indirecte belastingen? Of ook die op het terrein van industrie, concurrentie, sociale zaken, transport, audiovisualia, telecom, energie, consumentenbescherming?
    * Extern: Hoe kan de Unie voorkomen dat spanningen rond grensoverschrijdende minderhedenkwesties en potentiële grensgeschillen bij toetreding mee de Unie in worden genomen?
    - Is het wenselijk dat een nieuwe lidstaat een veto heeft t.a.v. latere toetreders?

    - Hoe kan de EU-uitbreiding optimaal bijdragen bij aan de stabiliteit in Europa en hoe verhoudt zich de EU-uitbreiding tot de NAVO-uitbreiding?

    - Wat zijn de eventuele gevolgen van uitbreiding voor het Europese integratieproces als zodanig? En hoe kan de Unie het beste met eventuele gevolgen omgaan?

    Een van de belangrijkste kwesties omtrent de uitbreiding behelst de betrekkingen met die landen die niet tot de eerste groep toetreders zullen behoren. Wij zouden de Adviesraad willen verzoeken ons ook vóór december as. te adviseren over de kenmerken en elementen die een versterkte pretoetredingsstrategie minimaal zou moeten hebben. Dient de strategie meer te zijn gericht op de landen die een laatste zetje nodig hebben voor toetreding, of zou de nadruk juist moeten liggen op die landen die vanwege hun geringe aanpassing aan EU-wet- en regelgeving niet tot de eerste groep(en) toetreders zullen behoren? Biedt de idee van een permanente conferentie in combinatie met het Phare-programma, dat sinds eind maart 1997 volledig is gericht op voorbereiding van kandidaat-lidstaten op toetreding tot de Unie, voldoende soelaas? Of dient de Unie met een nieuw idee te komen?

    Het advies van de Adviesraad over de uitbreiding van de Europese Unie zal een vruchtbare bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse standpuntbepaling voor de Europese Raad van Luxemburg van december 1997, waar de EU-uitbreiding en de uitbreidingsstrategie de prioritaire onderwerpen zullen zijn.

    DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN


    H.A.F.M.O. van Mierlo

    DE MINISTER VAN DEFENSIE


    J.J.C. Voorhoeve

    DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGS- SAMENWERKING


    J.P. Pronk

    DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN


    M. Patijn
Regeringsreacties

Europa Inclusief II

 

De Voorzitter van deDirectie Integratie
Adviesraad InternationaleEuropa
Vraagstukken (AIV)DIE/AB
Prof. drs. R.F.M. LubbersBezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061Postbus 20061
2500 EB DEN HAAG2500 EB Den Haag

Datum  20 april 1999
 

Graag wil ik, mede namens de Ministers van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, mijn dank uitspreken voor het AIV-advies, Europa Inclusief II. Met belangstelling heb ik uw advies en de daarin vervatte conclusies en aanbevelingen gelezen en ik neem dan ook graag de gelegenheid te baat hierop een uitgebreide reactie te geven. Voor uw informatie voeg ik bij mijn verslag aan de Tweede Kamer over de uitkomsten van de Europese Raad van Berlijn van 24/25 maart jl. alsmede de conclusies van het Duitse Voorzitterschap terzake.

Uw advies levert een waardevolle bijdrage aan de gedachtenvorming over een aantal belangrijke kwesties, die alle in meer of mindere mate zijn gerelateerd aan het EU-uitbreidingsproces. "Europa Inclusief II" betekent duidelijk een verdieping en aanvulling op uw interim-advies "Europa Inclusief" van november 1997.

Gezien de noodzaak in de periode tussen oktober 1997 en 1998 van actieve beleidsontwikkeling in het licht van de ontwikkelingen met betrekking tot Agenda 2000, werd door het Kabinet in de tweede helft van 1998 een beleidsnotitie opgesteld over de uitbreiding van de Europese Unie, alsmede een notitie over het toekomstig financieel kader (bijgevoegd). Beide werden op 30 oktober 1998 aan de Tweede Kamer aangeboden. Voor een deel sluiten de conclusies en aanbevelingen in uw advies aan bij het beleid van de Nederlandse regering dat in hogergenoemde notities is vervat, voor een deel kiezen zij een andere invalshoek.

Graag zal ik in mijn commentaar bij de behandeling van de afzonderlijke hoofdstukken ingaan op een aantal van de conclusies en aanbevelingen in uw advies. Gezien het belang en breedte van het onderwerp uitbreiding en de mate van detail van uw conclusies en aanbevelingen danwel suggesties, acht ik een uitgebreide reactie voor de hand liggend.

Ad Hoofdstuk II
Economische aspecten

Economische en Monetaire Unie - EMU

De paragraaf uit uw advies over de EMU sluit in het algemeen aan bij de heersende opvattingen binnen de Unie terzake. Ook sluit het gestelde aan bij de uitgangspunten die de Europese Raad van Kopenhagen in juli 1993 hierover ontwikkelde. Ik ben van opvatting dat in het advies terecht aandacht wordt besteed aan de relatie tussen de uitbreiding van de Unie en de EMU. Weliswaar zullen de landen in Midden- en Oost-Europa niet op korte termijn tot de derde fase van de EMU kunnen toetreden, maar ze zullen bij toetreding tot de Unie wel hun plichten als EU-lid moeten kunnen vervullen.

Hoewel het advies aandacht besteedt an de meer structurele eisen voor toetreding tot de tweede fase van de EMU komen de noodzakelijke economische en structurele hervormingen niet aan de orde. Ik onderschrijf uw advies waar het gaat over de eisen voor toetreding tot de tweede fase van de EMU. Tegelijkertijd constateer ik dat de economische en sociale structuur van de nieuwe lidstaten sowieso sterk genoeg moet zijn om tot de tweede fase van de EMU te kunnen toetreden.

U signaleert als potentieel gevaar dat de landen in de Euro-zone nadelige gevolgen zullen ondervinden van de grotere beleidsvrijheid van de landen die noch deelnemen aan de Euro, noch aan het Europees Monetair Stelsel - EMS II. Dat gevaar lijkt echter beperkt. Lidstaten moeten hun wisselkoersbeleid beschouwen als een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang. Dit geldt nog niet voor potentiële toetreders. Deze landen hebben dan ook in theorie een grotere beleidsvrijheid. Zoals u zelf terecht constateert, kan het marktmechanisme hier een sturende werking uitoefenen. In de praktijk is deze grotere beleidsvrijheid daarom sterk ingeperkt. Daarnaast is het in het eigen belang van de betrokken landen om een deugdelijk economisch, financieel en monetair beleid te voeren.

Acquis Communautaire

Terecht neemt u als uitgangspunt dat de toetredende landen het acquis communautaire over dienen te nemen. Desalniettemin kont uit het advies naar voren dat u worstelt met de spanning die bestaat tussen het belang van volledige overname van het acquis en de vrees dat dit ertoe zal leiden dat de daadwerkelijke toetreding van kandidaatlidstaten op de lange baan wordt geschoven. Uw afweging in deze kwestie lijkt, in vergelijking met het gestelde in het interim-advies, Europa Inclusief, aangescherpt te zijn in het voordeel van snelle toetreding boven volledige acquis-overname. Om deze keuze te rechtvaardigen wordt wel ingegaan op de negatieve gevolgen van uitstel van de eerste toetredingen, terwijl aan de gevolgen voor bijvoorbeeld de interne markt van te snelle toetreding voorbij wordt gegaan.

Overigens signaleert ook het Kabinet in haar notitie over EU-uitbreiding de spanning tussen snelheid en dynamiek enerzijds en kwaliteit anderzijds. Deze notitie stelde vast dat de eerste toetredingen, wat Nederland betreft, zo snel als mogelijk kunnen plaatsvinden. Ook de regering streeft dus naar spoedige toetreding van de kandidaat-lidstaten. Zij is sterke voorstander van het behoud van dynamiek en snelheid in het uitbreidingsproces en brengt dit ook in EU-verband naar voren. Natuurlijk geldt daarbij dat formele overname van het acquis alléén onvoldoende is; kandidaatlidstaten dienen ook in staat te zijn dit acquis effectief toe te passen. Daarvoor zijn goed functionerende (semi-) overheidsinstellingen en een goede sociaal-economische infrastructuur noodzakelijk. Dit betekent dat in de meeste gevallen het bestuur in de kandidaatlidstaten een grondige hervorming ondergaat, hetgeen voor die landen een enorme inspanning is. Gelet op het tempo van het hervormingsproces in de betrokken landen, dat veelal de verwachtingen overtreft, heb ik er vertrouwen in dat zij de door henzelf gestelde streefdata ten aanzien van overname en uitvoering op belangrijke onderdelen van het EU-acquis zullen realiseren. Als werkhypothese ga ik derhalve uit van toetreding van de eerste kandidaten in 2002/2003. Een krachtige ondersteuning van de hervormingsprocessen is in mijn visie van groot belang. Daarbij dient ervoor gezorgd te worden dat het draagvlak onder de bevolking in de kandidaatlidstaten voor toetreding tot de Unie behouden blijft.

Overgangstermijnen

Niettegenstaande het voorgaande zullen de kandidaatlidstaten op bepaalde onderdelen van het acquis na toetreding nog tijd nodig hebben voor het doorvoeren van noodzakelijke aanpassingen. Uitzonderingen worden in dergelijke gevallen, zij het van beperkte tijdsduur en omvang, mogelijk geacht. Overgangstermijnen bieden een instrument waarbij het uitgangspunt van volledige overname van het acquis geloofwaardig blijft en tegelijkertijd met enige flexibiliteit rekening wordt gehouden met problemen die de toetreding met zich meebrengt. Binnen de Unie heerst op dit punt een grote consensus. Overgangstermijnen die leiden tot blijvende uitzonderingen op het acquis (derogaties) zijn, wat de regering betreft, echter uitgesloten.

Andere EU-partners, inclusief de Europese Commissie, hebben aangegeven dit standpunt te delen.

Interne Markt: landbouwproducten

Op het vlak van de hervorming van het GLB beschouw ik de stellingname van de AIV als een ondersteuning van de tot op heden gevolgde Nederlandse lijn. Nederland steunt de door de Europese Commissie voorgestelde verdieping en verbreding van de hervormingen die in 1993 van start gingen. Ik hecht net als de AIV aan een consequente toepassing van het subsidiariteitsbeginsel bij het bevorderen van plattelandsontwikkeling.

Ook deel ik de stellingname dat bij het landbouwbeleid ten aanzien van de nieuwe lidstaten de nadruk dient te liggen op versterking van de landbouwstructuur en diversificatie van de werkgelegenheid. Gezien het dynamische karakter van het uitbreidingsproces kan ik in dit stadium niet de stelling van de AIV onderschrijven dat de middelen die de Commissie daarvoor wenst uit te trekken onvoldoende zullen zijn. Ik acht, met de AIV, de hantering van overgangsperiodes voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid onontkoombaar.

Nederland heeft nog geen uitgewerkt standpunt over de vormgeving van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op het moment dat de overgangsperiodes voor nieuwe toetreders zullen zijn afgelopen. De door de AIV voorgestelde oplossing, waarbij een EU-basisinkomenssteun wordt voorzien, aangevuld met nationale inkomenssteun binnen EU-randvoorwaarden, verdient in de toekomstige beleidsvorming zeker de aandacht. In het algemeen acht ik overheidsondersteuning slechts gerechtvaardigd in het kader van het stellen van randvoorwaarden aan de productie en met het oog op een tijdelijke stimulering van bepaalde gewenste ontwikkelingen.

Sociale regelgeving

Ik kan mij vinden in de conclusie van de AIV dat het opmerkelijk is dat analyses van de sociale aspecten van de uitbreiding nagenoeg ontbreken. Gezien het belang dat in de Europese Unie aan werkgelegenheid wordt gehecht, zou een diepgaande analyse over de gevolgen van de uitbreiding voor werkgelegenheid op zijn plaats zijn geweest. In het werkprogramma van het Employment and Labour Market Committee voor 1999 zal hieraan aandacht worden besteed. Daarnaast wordt ook de opvatting van de AIV ondersteund dat meet aandacht nodig is voor de te verwachten Europese discussie over het vrij verkeer van migrerende werknemers en de gevolgen voor de arbeidsmarkten in de huidige lidstaten.

Ik ben van oordeel dat het Europese sociale model door de uitbreiding niet onder druk mag komen te staan. Daarom zie ik niets in een sociaal Europa à la carte. In dit verband kan worden gewezen op flexibele vormen van Europese samenwerking, die, hoewel ze een uitkomst kunnen bieden voor verdergaande samenwerking, nooit tot opt-ouds mogen leiden zoals de EU die heeft gekend met het huidige Sociaal Protocol bij het Verdrag van Maastricht.

Op termijn zal er in Europees verband een discussie moeten plaatsvinden over de toekomst van het sociaal beleid in een uitgebreide Europese Unie. In dat opzicht kan de opvatting van de AIV ondersteund worden dat de overleving van het Europees sociaal model niet vanzelfsprekend is. De vier opties die u aangeeft als mogelijkheden om het Europese sociale model te handhaven. kunnen echter niet zonder meer gesteund worden. Het gaat hier immer om niet altijd even vergelijkbare opties. Naar mijn mening zal de toekomst van het Europees sociaal beleid met name liggen bij het verder versterken van Europese beleidscoördinatie (naar het voorbeeld van de coördinatie van werkgelegenheidsbeleid). Naar verwachting zal de behoefte aan verdere uitbouw van regelgeving op Europees niveau afnemen en zal daarmee een nieuwe fase worden ingeluid in de verdere vormgeving van een sociaal Europa.

Vrij verkeer van personen

U heeft in uw advies de samenwerking op JBZ-terrein (Justitie en Binnenlandse Zaken) buiten beschouwing gelaten, zij het dat in het advies Europa Inclusief I is gewezen op de grote uitdagingen die aan de EU gesteld kunnen worden met betrekking tot de grensoverschrijdende vraagstukken als migratie en criminaliteit.

Wel staat u in het voorliggende advies kort stil bij de opname van het Schengen-acquis met betrekking tot het vrije verkeer van personen op de kandidaat-lidstaten. Terecht stelt u op dit punt dat in de toekomst pas sprake kan zijn van het opheffen van de controle aan de binnengrenzen met nieuwe EU-lidstaten, indien de controle aan de buitengrenzen van de betreffende landen is verzekerd.

Ad Hoofdstuk III
De cohesie- en structuurfondsen

Ten aanzien van de Structuur- en Cohesiefondsen onderschrijf ik de door de AIV bepleite algemene lijn. Ook ik ben van mening dat, onder meer in het kader van de aanstaande uitbreiding van de Unie, een hervorming van het structuurfondsen-beleid in de EU-15 noodzakelijk is. Op de Europese Raad van Berlijn is dot door de lidstaten onderschreven. Zo zal de door de Commissie voorgestelde thematische en geografische concentratie in de EU-15 doorgang vinden. Ten aanzien van het totaalbedrag aan structuurfonds-middelen voor de EU-15 is in Berlijn tot een totaalbedrag van 213 miljard euro besloten. Dit totaalbedrag houdt ongeveer een stabilisatie van het uitgavenniveau in 1999 in. In de periode 2000-2006 zal een lichte fasegewijze afbouw van de middelen plaatsvinden, zoals ook door de AIV bepleit.

Ik deel uw zorg dat er voldoende structuurfonds-middelen ten behoeve van de landen van Midden- en Oost-Europa gereserveerd moet worden. Immers, zoals u terecht constateert, kunnen de structuurfondsen zich tot een waardevol instrument bij het toetredingsproces en de overname van het acquis ontwikkelen. In dit verband is het verheugend te constateren dat Agenda 2000 uitgaat van een grote toename van de structuurfonds-middelen voor de landen van Midden- en Oost-Europa per 2002 (de streefdatum van de eerste kandidaatlidstaat ten aanzien van toetreding, nl. 2002,wordt in Agenda 2000 als werkhypothese gehanteerd). Voorts steun ik vooralsnog het streven van de Commissie om, wijzende op de aanwezige absorptie-capaciteit, de hulp te beperken tot maximaal 4 van het resp. BNP van de kandidaat-lidstaat. Hoewel de absorptiecapaciteit in deze landen op termijn zal verbeteren, lijkt deze op dit moment nog te beperkt om nu al een forse verhoging van het budget te rechtvaardigen.

De bijdrage van Nederland in de financiering van de Unie

Ik meen met de AIV dat de voorziene kosten van de uitbreiding binnen een Eigen Middelenplafond van 1,27 van het EU-BNP kunnen worden gegarandeerd. De conclusies van de Europese Raad van Berlijn van 25 maart jl. bevestigen dit. Voorts noemt de AIV de vooronderstelling dat de onderhandelingen over Agenda 2000 met zekerheid tot een verhoging van het Nederlands aandeel in de Structuurfondsen onder gelijktijdige verlaging van de Nederlandse afdrachten van 1,3 miljard gulden in 2002 zullen leiden, op zijn minst zeer twijfelachtig.

Mijn reactie hierop luidt dat Nederland op het punt van het aandeel in Structuurfondsen en de afdrachten een duidelijke onderhandelingsinzet heeft geformuleerd. Ik ben blij nu te kunnen zeggen dat bij de Structuurfondsen het totaalbedrag ten opzichte van de oorspronkelijke Commissievoorstellen aanmerkelijk is verlaagd, maat dat niettemin het Nederlands aandeel ongeveer gelijk is gebleven. De transparantie in de Nederlandse onderhandelingsinzet heeft de andere lidstaten en de Commissie ervan overtuigd dat de koppeling tussen het continueren van een stringente begrotingsdiscipline in Agenda 2000 en de aanpak van de scheefgroei in de lastenverdeling een hard punt was voor Nederland.

U bent verder van oordeel dat de problematiek van de lastenverdeling binnen de vijftien lidstaten geen belemmering mag worden voor een evenwichtige voortzetting van het onderhandelingsproces en de uiteindelijke toetreding van nieuwe lidstaten. Daarbij meent u dat de Europese Commissie ten onrechte deze problematiek niet ten principale aan de orde heeft gesteld in Agenda 2000. Het laatste beschouw ik als steun voor mijn beleid. De afspraken die in Berlijn ten aanzien van de aanpak van de scheefgroei in de lastenverdeling zijn gemaakt, bevestigen de inspanningen van Nederland om een concrete aanpak van deze problematiek te bewerkstelligen.

De eigenlijke toetredingsonderhandelingen bevinden zich nog niet in een beslissende fase met uitzicht op toetreding op zeer korte termijn; om een werkelijk solide financieel kader tot stand te brengen voor deze toetreding, is het naar mijn oordeel onontbeerlijk gebleken een structurele oplossing te vinden voor de onevenredige lastenverdeling. Nu in Berlijn voldoende middelen zijn veiliggesteld voor de uitbreiding, is de weg nu vrij om al onze energie te richten op het uitbreidingsproces.

Ad Hoofdstuk IV
Institutionele aspecten

In uw advies stelt u zich ten aanzien van de institutionele aspecten van de Unie zeer kritisch op. U bent van oordeel dat de structuur verouderd is en komt dientengevolge met vergaande voorstellen voor institutionele hervormingen. Een aantal daarvan is verenigbaar of in lijn met het beleid tot op heden, op bepaalde punten stroken de voorstellen echter niet met het Nederlandse beleid.
Hierbij doel ik onder meer op het voorstel het aantal Commissarissen te beperken tot 10 à 15. Een consequentie daarvan is dat niet alle lidstaten altijd een eigen Commissaris hebben, hetgeen afwijkt van wat Nederland beoogt. U stelt voorts voor het Voorzitterschap gedurende een periode van minimaal twee jaar door één lidstaat te laten vervullen. Dit zou betekenen dat een land bij een Unie die wordt uitgebreid tot meer dan 25 landen, eens in de vijftig jaar het Voorzitterschap zou bekleden. Ik acht dit een ongewenst lange cyclus.

De EU staat aan de vooravond van een intensieve discussie over institutionele hervormingen. De gedachtenvorming over dit onderwerp zal binnenkort van start gaan. Uw opmerkingen zullen in dat kader door het Kabinet worden meegenomen.

Ad Hoofdstuk V
Het Gemeenschappelijk Buitenlandse en Veiligheidsbeleid (GBVB)

Uw analyse inzake de praktijk van het GBVB vind ik in algemene zin nuttig. De aanbevelingen zijn er ook duidelijk om op een realistische wijze concrete stappen te doen ter verdere verbetering. In het onderstaande wil ik de aanbevelingen afzonderlijk becommentariëren.

Het GBVB in de praktijk

Het ambitie-niveau van het GBVB is met het Verdrag van Amsterdam weer iets hoger komen te liggen. Ook lidstaten die het meest hechten aan de eigen soevereine besluitvorming op buitenlands-politiek gebied lijken thans meer te beseffen, dat omwille van effectiviteit en geloofwaardigheid een krachtig GBVB van de EU noodzakelijk is. Tot nu toe is het GBVB inderdaad onvoldoende van de grond gekomen. De crisis in voormalig Joegoslavië bracht het ontbreken van een krachtig GBVB duidelijk aan het licht. Dat kwam de geloofwaardigheid van de Unie niet ten goede. Geleidelijk wordt meer inhoud aan het GBVB gegeven.

Dit blijft een lastig proces, onder meer vanwege zwaarwegende nationale aspiraties en belangen van de lidstaten ten aanzien van regios en themas in de internationale politiek.

De aanbeveling omtrent de wenselijkheid van een bredere informatie-verschaffing aan EU-partners door de vaste leden van de VN Veiligheidsraad sluit aan bij een meer algemene wens van de regering om resultaten van overleg in kleinere kring (zoals in de Contactgroep voor het voormalig Joegoslavië), waarbij slechts enkele EU-partners zijn betrokken, zoveel mogelijk in te brengen in de reguliere GBVB-structuren. Op die manier zouden ook de niet in deze fora deelnemende partners in alle stadia van besluitvorming volledig worden geïnformeerd en betrokken. Een geloofwaardig en slagvaardig GBVB kan er wellicht op termijn toe bijdragen, dat de behoefte van individuele (vooral grotere) lidstaten om in kleinere kring te besluiten, wordt weggenomen.

Zoals u terecht stelt, is de lotsverbondenheid tussen de huidige EU-lidstaten en de toetredingspartners een belangrijk element. Naar mijn oordeel kunnen het gevoelen en de wens tot onderlinge lotsverbondenheid met landen uit het voormalige Oostblok niet duidelijker vormgegeven worden dan op dit moment reeds het geval is middels het EU-uitbreidingsproces, dat zal leiden tot toetreding van deze landen tot de Unie.

Buitenlands beleid

In toenemende mate wordt geconstateerd, dat de EU in staat dient te zijn een politieke rol te spelen die in overeenstemming is met haar economische en politieke gewicht in de wereld, zeker nu de externe dimensie van de EU zo sterk wordt bepaald door de EMU en de handelspolitiek. De buitenlandse politiek mag niet gereduceerd worden tot de achilleshiel van de EU.

De aanbeveling om een actief en breed buitenlands beleid te voeren, met inbegrip van mensenrechten en politieke relaties met ontwikkelingslanden, kan ik ten volle onderschrijven. Grotendeels gebeurt dit al op basis van de invulling die thans aan het GBVB wordt gegeven. Met de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam komt hierbij nog een extra instrument om een geïntegreerd en pijleroverstijgend beleid te voeren, te weten de Gemeenschappelijke Strategieën.

In dit kader kan nog toegevoegd worden, dat ik ervoor het gepleit om ook de inhoud van de te ontwikkelen Gemeenschappelijke Strategieën te betrekken in het GBVB-acquis dat met de toetredingskandidaten moet worden besproken. Prioriteit bij het opstellen van Gemeenschappelijke Strategieën ligt bij de regios die aan een uitgebreide Unie zullen grenzen.
Begonnen wordt dan ook met Rusland en Oekraïne.

De rol van de voorzitter van de Europese Commissie met betrekking tot het GBVB

De Voorzitter van de Europese Commissie zal, evenals de leden van de Europese Commissie die in het bijzonder de externe betrekkingen van de EU tot hun takenpakket mogen rekenen, nauw betrokken moeten zijn bij de vormgeving van het GBVB. Het Verdrag van Amsterdam biedt hiertoe momenteel al voldoende aanknopingspunten. Op de relaties tussen de EU en respectievelijk de WEU en de NAVO ga ik hieronder nader in.

Veiligheidsbeleid

Het AIV-advies concentreert zich in het licht van de uitbreiding van de Unie sterk op de congruentie van lidmaatschappen van EU, WEU (West-Europese Unie) en NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie), en doet in dat kader enkele concrete aanbevelingen.

Ik beschouw de uitbreiding van de EU en de NAVO als autonome processen met elk hun eigen criteria en hun eigen dynamiek. Tegelijkertijd acht ik het wenselijk dat het lidmaatschap van beide organisaties zoveel mogelijk parallel loopt. Hierdoor wordt de samenhang van politieke en militaire lotsverbondenheid in de EU en de NAVO versterkt. Voor een WEU-lidmaatschap wordt zowel EU- als NAVO-lidmaatschap vereist, omdat de uitvoering van de veiligheidsgarantie uit het WEU-verdrag feitelijk aan de NAVO is overgedragen.

In het licht hiervan kan ik dan ook de aanbevelingen van de AIV over de wenselijkheid van de koppeling van WEU- en NAVO-lidmaatschap en over de veiligheids-politieke consequenties van lotsverbondenheid, onderschrijven. Voor wat betreft de tweede aanbeveling wil ik ook duidelijk de noodzaak van een goed buurlandenbeleid van de uitgebreide Unie onderstrepen.

Voorts heeft de verdere gedachtenontwikkeling inzake een Gemeenschappelijk Europees Defensiebeleid een duidelijke impuls gekregen, met name door de gewijzigde opstelling van het Verenigd Koninkrijk terzake.

Er lijkt zich binnen de EU consensus af te tekenen langs de volgende gedachtenlijn:

  • Europa moet op het terrein van de Petersbergtaken (o.a. crisisbeheersing) zelf verantwoordelijkheid kunnen dragen;
  • dit mag niet ten koste gaan van de transatlantische band maar moet deze juist versterken;
  • het GBVB moet verder worden ontwikkeld, en onlosmakelijk daarmee verbonden eveneens het gemeenschappelijk Europees defensiebeleid;
  • er mag geen onnodige duplicatie optreden met NAVO-middelen en structuren.

Nauwere samenwerking of uiteindelijke integratie van de WEU in de EU is ook niet langer taboe. Daarbij moet wel worden bekeken of bij verdere integratie de artikel V-garantie van het WEU-Verdrag kan worden overgenomen in een toekomstig EU-Verdrag. Dit zou op grote bezwaren van de neutrale EU-lidstaten kunnen stuiten.

Inzake uw aanbeveling om te bevorderen dat toekomstige EU-toetredingspartners die NAVO-lid worden ook tot de WEU toetreden wil ik in het licht van het bovenstaande aantekenen, dat dit op termijn achterhaald zou kunnen worden door een ontwikkeling waarbij de WEU uiteindelijk opgaat in de EU, en waarbij het veiligheidsbeleid van de EU in nauwe samenwerking met de NAVO wordt uitgevoerd.

De laatste aanbeveling van de AIV in dit kader (inzake de wenselijkheid van een coalitie van "the able and willing" om verder te gaan op het terrein van het GBVB) zou wellicht enige nadere uitwerking verdienen. In het algemeen kan worden gesteld dat het GBVB bij voorkeur met alle lidstaten gezamenlijk moet worden nagestreefd. Dit streven behoeft echter het optreden van coalitions of the willing bij vredesoperaties niet per se in de weg te staan.

 

De Minister van Buitenlandse Zaken

Persberichten

Den Haag, 19 november 1998


ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN PLEIT VOOR HERVORMING VAN DE EUROPESE UNIE OM SNELLE TOETREDING VAN OOST-EUROPESE LANDEN MOGELIJK TE MAKEN.


Toetreding van de landen van Midden- en Oost-Europa tot de Europese Unie dient in 7 jaar een feit te zijn, ook al kunnen deze landen dan nog niet alle regels van de Europese Unie toepassen.
Deze en andere aanbevelingen zijn opgenomen in het advies Europa inclusief II dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op verzoek van de minister en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de minister van Defensie en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking heeft uitgebracht.

De komende tijd wordt onderhandeld met Estland, Polen, Tsjechië, Hongarije, Slovenië en Cyprus over toetreding tot de Europese Unie. Een belangrijk punt is de noodzaak of deze landen op het moment dat zij lid worden van de Unie, ook alle EU-regelgeving moeten kunnen toepassen. Of dit op korte termijn geheel zal lukken is nog maar de vraag. Indien de landen in Oost-Europa daar niet in slagen bestaat het gevaar dat toetreding tot de Unie steeds meer naar de toekomst wordt verschoven. Dit mag niet gebeuren naar het oordeel van de AIV. De uitbreiding van de Europese Unie is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de huidige lidstaten en de landen die wensen toe te treden. Alles moet in het werk worden gesteld om deze landen binnen 5 à 7 jaar lid van de Europese Unie te maken. Mocht dit betekenen dat dan nog niet alle regels kunnen worden toegepast dan zal, naar het oordeel van de AIV, de Europese Unie dit uiteindelijk dienen te aanvaarden. Juist om de toetreders te helpen bij de toepassing van de regels bepleit de AIV dat meer geld van de zogeheten structuurfondsen, die de huidige lidstaten ontvangen, in de toekomst naar Oost-Europa gaat. Dit geld dient te worden aangewend om de bestuurlijke en administratieve capaciteit van de landen in Oost-Europa verder te ontwikkelen zodat deze landen beter worden toegerust de Europese regelgeving toe te passen, zo stelt de AIV. De AIV roept de Nederlandse regering op de voorstellen van de Europese Commissie, die nog veel te veel op de huidige lidstaten zijn gericht, in deze richting te wijzigen.

De AIV is verder van oordeel dat de Europese Unie meer zou moeten doen om het eigen huis op orde te brengen om zo toetreding van nieuwe landen te bespoedigen. Zo zou het aantal commissarissen in de Europese Commissie beperkt moeten worden tot zon 10 à 15. Dat betekent dat niet elk land in de toekomst meer een onderdaan in de Europese Commissie zal hebben.

Daarnaast komt in Europa inclusief II ook de financiering van de Unie en de Nederlandse netto-bijdrage aan de EU aan de orde. De AIV is er tegenstander van dat de uitbreiding van de Unie afhankelijk wordt gemaakt van de bijdrage die aan de Unie moet worden betaald. De opvattingen van de Nederlandse regering over de financiële afdrachten aan de Unie mag geen belemmering vormen voor een evenwichtige voortzetting van het onderhandelingsproces en de uiteindelijke toetreding, zo stelt de AIV in zijn advies.
Het advies Europa inclusief II is voorbereid in de Commissie Europese Integratie van de AIV onder voorzitterschap van prof. mr. F.H.J.J. Andriessen. Het advies is uitgebracht met het oog op de start van de onderhandelingen door de Europese Unie met de landen die voor toetreding in aanmerking komen.

Europa inclusief II is een vervolg en aanvulling op het advies Europa inclusief, dat de AIV in oktober 1997 heeft uitgebracht.


Noot voor de redactie
Voor meer gegevens: drs. G.J. van der Zwan, secretaris Commissie Europese Integratie (tel.: 070-3485325); bij diens afwezigheid: drs. F. van Beuningen, secretaris AIV (tel.: 070-3485335).