De wereldconferentie tegen racisme en de problematiek van rechtsherstel

30 september 2005 - nr.22
Samenvatting

De wereldconferentie tegen racisme

 

 

 

Inleiding

 

Op 27 april 2001 is de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gevraagd te adviseren over de Wereldconferentie tegen Racisme, die van 31 augustus tot 7 september 2001 in Durban, Zuid-Afrika, zal worden gehouden.

In de adviesaanvraag (zie bijlage I voor tekst) wordt onder meer aangegeven dat het formuleren van maatregelen en beleid op nationaal, regionaal en internationaal niveau ter bestrijding van hedendaagse vormen van racisme, discriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van intolerantie het doel is van de Wereldconferentie. In de aanloop naar de Wereldconferentie hebben staten en regio’s zich, tijdens regionale conferenties, met name op de eigen problemen gericht. Het is de bedoeling dat de Wereldconferentie ‘action oriented’ en ‘forward looking’ resultaten gaat opleveren, die zullen worden samengebracht in een Verklaring en Actieprogramma.

Voorts wordt ingegaan op ontwikkelingen tijdens de voorbereiding van de conferentie en wordt aangegeven dat uit de tot nu toe gevoerde discussies is op te maken dat op vele punten aanvaardbare compromissen te bereiken zijn, maar ook dat een aantal probleemgebieden blijft bestaan. Eén van deze gebieden betreft het thema compensatoire maatregelen voor slachtoffers van slavernij en kolonialisme; een thema waarop met name door de Afrikaanse staten sterk is ingezet. Daarbij gaat het om de vraag of staten met een koloniaal en/of slavernij-verleden financiële compensatie verschuldigd zijn aan bepaalde personen, groepen of staten die zich heden ten dage in een positie van achterstand bevinden ten gevolge van slavernij of kolonialisme in het verleden.

Ook wordt gewezen op het gegeven dat de Europese Unie (EU), tijdens de Europese Conferentie in Straatsburg, plechtig heeft bevestigd dat leed veroorzaakt door slavernij of voortgekomen uit kolonialisme in herinnering gehouden moet worden. In de afgelopen maanden is de EU tot het volgende standpunt over rechtsherstel en compensatie gekomen. Onderkend wordt dat bewustzijn van slavernij en kolonialisme, die in hun

historische context moeten worden geplaatst, noodzakelijk is en breed moet worden uitgedragen, met name onder jongeren, zodat het aangerichte leed in de toekomst niet wordt herhaald. Daarnaast is de EU van mening dat de doelstellingen van de Wereldconferentie niet zijn gediend met een debat over financiële compensatie met betrekking tot de gebeurtenissen uit het verleden. Een dergelijk debat zou de conferentie afleiden van haar hoofddoel, te weten het behalen van resultaten die gericht zijn op het heden en de toekomst, en niet het vereffenen van rekeningen uit het verleden. Ook zou een dergelijk debat niet in overeenstemming zijn met een aantal juridische beginselen inzake rechtsherstel. Bovendien meent de EU dat een debat tijdens de conferentie over financiële compensatie de strijd tegen racisme en discriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van intolerantie eerder zou belasten dan bevorderen.

Tegen bovenbeschreven achtergrond wordt om advies verzocht over de volgende vragen:

1. Nederland wil - voortbouwend op de EU-positie zoals hierboven uiteengezet - op positieve wijze bijdragen aan de discussie over hoe invulling te geven aan de onderkenning van het leed dat de slachtoffers van slavernij en kolonialisme hebben ondergaan en de mogelijke gevolgen daarvan voor hun nabestaanden. Welke mogelijkheden doen zich in dit verband voor?

 2. Hoe vallen eventuele positieve maatregelen jegens nabestaanden van slachtoffers van slavernij en kolonialisme in te passen in een breder antiracisme beleid, dat ook andere groepen omvat die met racisme, discriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van intolerantie worden geconfronteerd?

In antwoord op de adviesaanvraag wordt door de AIV in de eerste plaats ingegaan op de meer algemene aspecten van het onderwerp, in de vorm van een beschrijving van racisme en rassendiscriminatie in verleden en heden (hoofdstuk II). In hoofdstuk III wordt aandacht besteed aan enkele aspecten van het recht op rechtsherstel van slachtoffers van racisme en rassendiscriminatie.1 Daarbij wordt onder meer ingegaan op het bestaande juridisch kader en de verschillende vormen van rechtsherstel. In Hoofdstuk IV wordt aandacht besteed aan uitkomsten en standpuntbepalingen over dit onderwerp op de regionale bijeenkomsten. Het advies wordt in hoofdstuk V afgesloten met conclusies en aanbevelingen. De AIV heeft zich, mede in het licht van de korte periode die nog rest tot de begin van de Wereldconferentie, bij het opstellen van dit advies noodzakelijkerwijs moeten beperken tot een aantal hoofdlijnen van de onderhavige problematiek.

Het advies hierover is voorbereid in een subcommissie van de Commissie Mensenrechten (CMR) van de AIV. Deze Commissie bestaat uit de volgende personen: prof. dr. P.R. Baehr*, mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn (vice-voorzitter), prof. mr. Th.C. van Boven* (voorzitter subcommissie), mw. dr. M.C. Castermans-Holleman*, mw. prof. mr. C.P.M. Cleiren, prof. dr. P. Cliteur, drs. T. Etty*, prof. mr. C. Flinterman* (voorzitter), prof. dr. W.J.M. van Genugten*, mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You*, mw. mr. C. Hak*, mw. mr. M. Koers-van der Linden, mr. F. Kuitenbrouwer, mw. A.L.E.C. van der Stoel, mr. J. G. van der Tas en mw. mr. H.M. Verrijn Stuart. De leden van wie de naam met een asterisk (*) is gemarkeerd, hebben actief deelgenomen aan de subcommissie die het conceptadvies heeft voorbereid en de heren Cliteur en Kuitenbrouwer hebben geparticipeerd als corresponderend lid.

Aan de voorbereiding van het advies is bovendien bijgedragen door prof. dr. I. Wolffers van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking (COS). De werkzaamheden ten behoeve van het opstellen van het advies zijn in het bijzonder ondersteund door (ambtelijk)

adviseur mw. mr. W.A. van Aardenne (DMV/MR). Het secretariaat is gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink (secretaris CMR) met assistentie van de heren M.M.T. Keyte en M.F. De Lange en mw. W. Neeft (stagiaires).

De AIV heeft het voorliggende advies besproken in zijn vergadering van 1 juni 2001 en heeft daarbij de procedure, leidend tot vaststelling op 18 juni 2001, vastgesteld.

 

  1. Rechtsherstel is hier gebruikt als het equivalent van het Engelse begrip ‘reparation’, dat niet geheel overeenkomt met het Nederlandse woord reparatie.

 

Conclusies en aanbevelingen

• De AIV constateert dat het van cruciaal belang is dat van de in Durban (Zuid-Afrika) te houden Wereldconferentie van de Verenigde Naties tegen Racisme een stimulans uitgaat om op internationaal, regionaal en nationaal niveau rassendiscriminatie, vreemdelingenhaat en daarmee verwante vormen en verschijnselen van onverdraagzaamheid zo effectief mogelijk te bestrijden en een klimaat te scheppen van meer begrip, respect en verdraagzaamheid tussen mensen, groepen en volkeren.

• De AIV sluit zich ten aanzien van het begrip rassendiscriminatie aan bij de ruime definitie vervat in het Internationale Verdrag ter Uitbanning van Elke Vorm van Rassendiscriminatie, welke omvat elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeursbehandeling die gebaseerd is op ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming.

• De AIV constateert dat op vele plaatsen in de wereld, ook in Europa, sprake is van zorgwekkende verschijnselen van rassendiscriminatie, racistisch gedrag en racistische praktijken. De AIV neemt met instemming kennis van de maatregelen die op verschillende niveaus in Europa worden genomen om uitingen van racisme en praktijken van rassendiscriminatie tegen te gaan, en legt de nadruk op de hoge prioriteit die aan deze zaken moet worden gegeven op nationale en Europese agenda’s.

• De AIV constateert dat in het verleden gepleegd onrecht in vele gevallen sporen heeft getrokken en gevolgen heeft gehad die bepalend kunnen zijn voor de situatie waarin mensen zich vandaag de dag bevinden. Het is weliswaar ondoenlijk en onmogelijk al het raciale en etnische onrecht dat in het verleden gepleegd is te vergoeden en te herstellen, maar wel dient te worden onderkend en erkend dat dit onrecht is geschied en voortleeft in de belevingswereld en in de werkelijkheid van vele mensen.

• De AIV wijst erop dat sedert de Tweede Wereldoorlog, vanwege het in deze oorlog toegebrachte leed en lijden en in het kader van de overgang van autoritaire regimes naar een democratisch bestel, in vele landen en soms op ruime schaal voorzieningen zijn getroffen en aanspraken gehonoreerd voor overlevenden/slachtoffers van vervolgingen.

• De AIV constateert dat deze en andere aanspraken ertoe hebben bijgedragen dat meer aandacht wordt besteed aan de gerechtvaardigde belangen en rechten van slachtoffers en dat een politieke rechtscultuur is ontstaan, gericht op erkenning en rechtsherstel. Tegen deze achtergrond moeten ook de voorstellen worden beschouwd omtrent rechtsherstel die zijn geformuleerd met het oog op de aanstaande Wereldconferentie.

• De AIV wijst erop dat naast bij uitstek materiële en financiële vormen van rechtsherstel, in het bijzonder restitutie en compensatoire maatregelen, ook andere vormen van rechtsherstel bestaan zoals rehabilitatie alsmede genoegdoening en waarborgen tegen herhaling van onrecht. Financiële en niet-financiële modaliteiten van rechtsherstel zijn gelijkelijk van belang om recht te doen aan slachtoffers van rassendiscriminatie. Tot de niet-financiële vormen van rechtsherstel, die vooral ook van belang zijn voor erkenning van historisch onrecht, behoren onder andere onderzoek naar feiten en verantwoordelijkheden (accurate geschiedschrijving en onderzoek) en openbaarmaking daarvan, de erkenning van verantwoordelijkheden, herstel van eer en goede naam van slachtoffers, herdenking van onrecht dat geschied is (bijvoorbeeld door middel van slavernijmonumenten) en eerbetoon aan slachtoffers. Via onderwijs, onderzoek en voorlichting en door de media kan een belangrijke rol worden gespeeld om uitvoering te geven aan deze niet-financiële vormen van rechts herstel. De AIV beveelt aan dat al deze vormen van rechtsherstel in ruime zin op de Wereldconferentie over het voetlicht worden gebracht.

• De AIV constateert dat velen een causaal verband leggen tussen historisch onrecht en hedendaags onrecht in gevolgen en effecten op het leven en samenleven van mensen en groepen mensen. Waar het gaat om rechtsherstel voor huidige generaties slachtoffers van rassendiscriminatie bestaat, zoals uiteengezet in hoofdstuk III van dit advies, een juridisch kader. Daarentegen is de AIV van oordeel dat een ander spoor gevolgd moet worden ten aanzien van aanspraken tot compensatie van het leed dat slachtoffers van slavernij en kolonialisme hebben ondergaan. Het bezwaar van deze aanspraken is dat zij op interstatelijk niveau worden gepresenteerd en dat dientengevolge het perspectief van de slachtoffers en hun nabestaanden buiten beeld dreigt te blijven. Bovendien biedt het eerder geschetste juridische kader te veel praktische vraagpunten en onduidelijkheden om adequaat te kunnen worden gehanteerd bij wijze van rechtsherstel van dit historisch onrecht.

• Naar de mening van de AIV moet daarom niet de weg van compensatoire claims en daarop gebaseerde maatregelen te worden ingeslagen om het historische onrecht van slavernij en kolonialisme te redresseren, maar moeten grotere nationale en internationale inspanningen worden getroost om tot een meer rechtvaardige verdeling van welvaart en hulpbronnen te komen. Dergelijke inspanningen en maatregelen dienen in het bijzonder ten goede te komen aan nabestaanden van slachtoffers van historisch raciaal onrecht en aan alle raciaal en etnisch achtergestelde, kansarme en structureel benadeelde groeperingen, in het bijzonder ter verwezenlijking van gelijke rechten op sociaal-economisch terrein. Het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten biedt hiertoe een normatieve basis.

• Indien tegen deze achtergrond de Wereldconferentie tegen Racisme aanbevelingen zou doen tot het treffen van bijzondere voorzieningen, bijvoorbeeld de instelling van een Speciaal Fonds, dan dienen naar het oordeel van de AIV waarborgen worden geschapen dat deze voorzieningen metterdaad ten goede komen aan slachtoffers van raciaal onrecht en discriminatie.

Adviesaanvraag

 

De wereldconferentie tegen racisme

 

 

Betreft Adviesaanvraag inzake mogelijke maatregelen voor nabestaanden van slachtoffers van slavernij en kolonisatie

  

Van 31augustus tot en met 7 september 2001 zal in Durban, Zuid Afrika, de Wereldconferentie tegen Racisme gehouden worden. Doelstelling van de Wereldconferentie is het formuleren van maatregelen en beleid op nationaal, regionaal en internationaal niveau ter bestrijding van hedendaagse vormen van racisme, discriminatie,vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van intolerantie. In de aanloop naar de Wereldconferentie is het de bedoeling dat elke staat en elke regio zich op de eigen problemen richt. Dit geschiedt in de vorm van regionale conferenties ter voorbereiding op de Wereldconferentie. De Wereldconferentie zelf moet "action oriented" en "forward looking" zijn. Het resultaat zal neergelegd worden in een Verklaring en Actieprogramma. Deze moeten op hun beurt de basis vormen voor regionale en nationale Actieplannen ter bestrijding van racisme.

In het voorbereidingsproces op de Wereldconferentie wordt steeds gewezen op de noodzaak van specifieke aandacht voor achterstandsgroepen in de samenleving die potentieel kwetsbaar zijn en voor positieve maatregelen die hun positie in de samenleving versterken. Voor de agenda van de Wereldconferentie is een vijftal hoofdthema’s geïdentificeerd. De aandacht van de Westerse landen is daarbij vooral gericht op preventieve maatregelen en beschermingsmechanismen op het gebied van wetgeving, beleid en praktijk. Dit vergt het creëren van een infastructuur waardoor de burger niet alleen op nationaal niveau, maar ook op lokaal niveau beschermd wordt tegen uitingen van racisme.

Met name vanuit de Afrikaanse groep is sterk ingezet op het thema compensatoire maatregelen voor nabestaanden van slachtoffers van slavernij en kolonisatie. Daarbij gaat het om de vraag of staten met een koloniaal en/of slavernij-verleden financiële compensatie verschuldigd zouden zijn aan bepaalde personen, groepen of staten die zich heden ten dagen in een achterstandspositie bevinden ten gevolge van slavernij of kolonialisme uit het verleden.

Tijdens de Europese Conferentie in Straatsburg heeft de EU plechtig bevestigd dat het leed veroorzaakt door slavernij of voortgekomen uit kolonialisme in herinnering gehouden moet worden. In de afgelopen maanden is de EU tot de volgende positie over reparatie en compensatie gekomen. Onderkend wordt dat bewustzijn van slavernij en kolonisatie, die in hun historische context moeten worden geplaatst, noodzakelijk is en breed moet worden uitgedragen, met name onder jongeren, zodat het aangerichte leed in de toekomst niet wordt herhaald. Daarnaast is de EU van mening dat de doelstellingen van de Wereldconferentie niet gediend zijn met een debat over financiële compensatie met betrekking tot de gebeurtenissen uit het verleden. Een dergelijk debat zou de Conferentie afleiden van haar hoofddoel, te weten het behalen van resultaten die gericht zijn op het heden en de toekomst, en niet het vereffenen van rekeningen uit het verleden. Zo’n debat zou voorts niet in overeenstemming zijn met een aantal juridische beginselen inzake reparatie.1 Bovendien meent de EU dat een debat over financiële compensatie de uitkomst van de Conferentie wel eens heel ineffectief zou kunnen maken voor wat ons betreft de werkelijke strijd tegen racisme en discriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van intolerantie.

Het is tegen deze achtergrond dat ik u verzoek om advies omtrent de volgende vraag:

  1. Nederland wil – voortbouwend op de EU-positie zoals hierboven uiteengezet – op positieve wijze bijdragen aan de discussie over hoe invulling te geven aan de onderkenning van het leed dat de slachtoffers van slavernij en kolonisatie hebben ondergaan en de mogelijke gevolgen daarvan voor hun nabestaanden. Welke mogelijkheden doen zich in dit verband voor?

    Daarnaast zou ik uw advies op prijs stellen omtrent de volgende vraag:

  2. Hoe vallen eventuele positieve maatregelen jegens nabestaanden van slachtoffers van slavernij en kolonisatie in te passen in een breder anti-racisme beleid, dat ook andere groepen omvat die met racisme, discriminatie, vreemdelingenhaat en aanverwante vormen van intolerantie worden geconfronteerd?

 

Ik zie uw advies met veel belangstelling tegemoet,

 

(getekend)

De Minister van Buitenlandse Zaken

 

 


 

De EU baseert haar handelen met betrekking tot reparatie van slachtoffers van racisme hoofdzakelijk op de volgende instrumenten: Artikel 8 van de Universele Verklaring inzake de Rechten van de Mens, Artikel 6 van het Verdrag inzake de Uitbanning van Rassendiscriminatie, Artikel 2 van het Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten, het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden en additionele protocollen, in het bijzonder Artikel 13 van dat Verdag, en het Europees Verdrag inzake de Compensatie van Slachtoffers van Geweldadige Misdaden.

Regeringsreacties

Dit document is nog niet beschikbaar

Persberichten

Van dit advies is geen persbericht gepubliceerd.