De nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie

4 oktober 2005 - nr.44
Samenvatting

Het belang van de Europese Unie en van Nederland in geopolitiek perspectief

De Europese Unie kent een zeer brede doelstelling voor haar buitenlands beleid. De Unie wil met inzet van het gehele instrumentarium dat haar ten dienste staat in het kader van de externe betrekkingen, bijdragen aan de bevordering van de internationale vrede en veiligheid, duurzame ontwikkeling, solidariteit en wederzijds respect tussen volkeren, vrije en eerlijke handel, uitbanning van armoede, bescherming van mensenrechten, en de strikte handhaving en de verdere ontwikkeling van het internationale recht1. Deze doelstelling staat ook centraal in het Europese nabuurschapsbeleid (ENB) hetgeen onderwerp van dit AIV-advies is waar het de relatie met de oostelijke buurlanden betreft. Zoals in de inleiding van dit advies is weergegeven, stelt de Unie zich tot doel om in het kader van het ENB en met inzet van het ENB-instrumentarium (ENBI) de relaties met de ENB-landen te versterken. Het directe oogmerk is bij te dragen aan stabiliteit en veiligheid in de directe omgeving van de zich uitbreidende Unie. Teneinde stabiliteit en veiligheid in de omliggende regio’s te bevorderen richt het ENB zich in het bijzonder op de ondersteuning en stimulering van democratisering in de betrokken landen, versterking van de rechtsstaat en hervorming van het economisch bestel. Daarbij staat de Unie niet alleen. Zoals in het voorgaande is aangestipt, zijn vele internationale organisaties bij de in dit advies besproken landen betrokken. Te noemen zijn onder andere de Wereldbank, het IMF, de EBRD, de Raad van Europa en de OVSE. Ook hebben de betrokken landen zich via onder meer de mensenrechtenverdragen van de VN en de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie gecommitteerd aan handhaving van de fundamentele beginselen van de rechtsstaat. Verder zijn er tal van bilaterale samenwerkingsverbanden, waaronder met Nederland in het kader van onder andere Matra en PSO.

In hoofdstuk II van dit advies heeft de AIV aangegeven dat met het versterken van de relaties met de oostelijke buurlanden grote belangen op het spel staan voor zowel de Unie als, in het verlengde daarvan, voor Nederland. Los van het directe politieke belang van veiligheid en een stabiele omgeving, kan gewezen worden op de noodzaak (potentiële) grensoverschrijdende problemen door middel van samenwerking aan te pakken. De nieuwe buurlanden kunnen zich bovendien tot belangrijke handelspartners ontwikkelen; de Unie is nu al een belangrijke exportmarkt en investeringspartner voor deze landen. Daarbij verdient het gegeven van de groeiende energieafhankelijkheid van de Unie vermelding. Gegeven de positie van de oostelijke buren (waaronder in dit verband ook Rusland) als energie-exporteur en doorvoerland is met het oog op verzekering van de eigen energievoorziening samenwerking met de buurlanden cruciaal.

Sinds het initiatief tot het ENB hebben zich in een aantal van de betrokken landen belangrijke politieke ontwikkelingen voorgedaan, die enerzijds de in het ENB onderstreepte noodzaak tot intensivering van de relaties met deze landen onderstrepen, en anderzijds de EU nieuwe mogelijkheden bieden om in het bijzonder het proces van politieke hervorming te stimuleren. Het gaat hierbij vooral om het aantreden van hervormingsgezinde regeringen in Oekraïne, Georgië en Moldavië. Als belangrijke donor, handelspartner, investeerder, en ook als gevolg van de hechte historische en culturele banden die lidstaten met deze landen onderhouden, verkeert de Unie in een uitstekende uitgangspositie om deze ontwikkelingen te benutten en de relaties overeenkomstig de hiervoor geformuleerde doelstellingen te intensiveren.

De AIV onderstreept dan ook het belang voor de EU en voor Nederland van een breed georiënteerd nabuurschapsbeleid. Het is tevens van belang om waar mogelijk, zoals reeds het geval is voor Oekraïne, dit beleid in antwoord op politieke ontwikkelingen die zich in de desbetreffende landen voordoen, te intensiveren en te versnellen.

Het Europese nabuurschapsbeleid (ENB)

De opzet van het ENB, zoals door de Unie in 2004 geformuleerd en verder uitgewerkt in de actieplannen, biedt naar de mening van de AIV in beginsel goede mogelijkheden om in antwoord op de politieke ontwikkelingen in de oostelijke buurlanden en met inachtneming van de belangen van de Unie, de relaties met de betrokken landen te versterken, het proces van democratisering en markteconomische hervorming te stimuleren, en aldus een wezenlijke bijdrage te leveren aan stabiliteit en veiligheid. Evident is tegelijkertijd dat de verschillen tussen de oostelijke ENB-landen groot zijn, waardoor het gemeenschappelijke belang van een goed nabuurschapsbeleid voor elk land specifiek moet worden ingevuld.

In algemene lijn onderschrijft de AIV de aanpak die door de Unie in het kader van het ENB is geformuleerd. Deze waardering betreft vooral het programmatische karakter van de nagestreefde doestellingen, de brede inzet van middelen en instrumenten, de landspecifieke invulling waarin de betrokken landen zelf prioriteiten stellen in aansluiting op hun eigen beleidsprioriteiten. Vooral de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken landen voor de gestelde prioriteiten en daarmee voor de uitvoering is in de visie van de AIV van groot belang om de kansen op het welslagen van het ENB te optimaliseren.

Teneinde de mogelijkheden die het ENB biedt verder te benutten, beveelt de AIV het volgende aan:

Aanbeveling 1
De EU dient in de betrokken landen het voortouw te nemen bij de coördinatie en afstemming van de multilaterale en bilaterale hulpprogramma’s. Gegeven de aard en omvang van haar hulp en de reikwijdte van haar beleidsinstrumentarium is de Unie de aangewezen instelling om de coherentie en aldus de effectiviteit van de hulpinspanningen in overeenstemming met de gestelde beleidsprioriteiten te vergroten.

Aanbeveling 2
Teneinde het effect van het ENB en de actieplannen te vergroten, dient naar de mening van de AIV binnen het zeer breed geformuleerde geheel van onderwerpen dat kenmerkend is voor het ENB, een duidelijker prioriteitstelling bevorderd te worden. Deze prioriteiten zullen per land verschillend zijn en moeten overeenkomstig het uitgangspunt van ownership in nauw overleg met de regering en parlementen in de desbetreffende ENB-landen worden vastgesteld (country focus).

Aanbeveling 3
De AIV meent dat in deze fase van uitvoering van het ENB – in overeenstemming met de geconstateerde onlosmakelijke samenhang tussen versterking van de institutionele capaciteit van de overheden in kwestie en het proces van markteconomische hervorming – de prioriteit naast de noodzakelijke versterking van het democratisch bestel, de rule of law en civil society, in het bijzonder dient te liggen bij het versterken van die instellingen die van cruciale betekenis zijn voor verbetering van het investerings- en ondernemingsklimaat en de liberalisering van de handel. Het gaat dan om hulp en ondersteuning gericht op onder andere de financiële sector, corruptiebestrijding, versterking van de douane en de rekenkamer. Het scheppen van effectieve instituties en regelgeving ten aanzien van deze onderwerpen is een voorwaarde voor de verdere integratie van deze landen in de Europese interne markt. Ondersteuning van de economische ontwikkeling en van goed bestuur dient in deze fase prioriteit te hebben boven de overname van het acquis communautaire2.

Aanbeveling 4
De AIV meent dat in het kader van het ENB – en overigens ook in het kader van de bilaterale programma’s (zie hierna) – ruimer gebruik gemaakt kan worden van uitwisselingsprogramma’s. Uitwisseling, waarbij een breed scala van doelgroepen variërend van het bedrijfsleven, overheidsfunctionarissen, politici en studenten betrokken zou moeten worden, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de overdracht en verbreding van kennis en ervaringen. De AIV beveelt aan de mogelijkheden tot uitwisseling tussen de EU-lidstaten en de ENB-landen te vergroten. In dit verband moet bezien worden of deze landen kunnen worden toegelaten tot uitwisselingsprogramma’s die nu binnen de EU gelden (bijvoorbeeld het Erasmusprogramma).

Regionale conflicten

In een aantal van de betrokken landen schort het aan gezag over het eigen grondgebied. Dit doet zich voor in Azerbeidzjan, Georgië en Moldavië. Genoemde problemen vertalen zich in regionale conflicten die moeilijk oplosbaar blijken te zijn en die wel als frozen conflicts worden aangeduid. Deze conflicten zijn een bron van politieke instabiliteit. Oplossing ervan is een voorwaarde om de doelstellingen van het ENB te realiseren. Mochten ENB-landen op termijn tot de Unie willen toetreden, dan is een aanvaardbare regeling van deze conflicten noodzakelijk. Het ENB en de geformuleerde actieplannen (Moldavië) hebben ook tot doel een bijdrage te leveren aan de oplossing van deze conflicten. Met dat oogmerk heeft de EU een speciale vertegenwoordiger voor respectievelijk de Kaukasische staten en voor Moldavië benoemd. Evident is dat oplossing van deze conflicten een coöperatieve opstelling van Rusland veronderstelt. Dit land is immers via militaire aanwezigheid of door betrokkenheid bij zogeheten vredesmachten zowel politiek als militair direct bij deze conflicten betrokken.

Aanbeveling 5
De AIV bepleit een actieve opstelling van de EU bij de oplossing van de bevroren conflicten in de desbetreffende ENB-landen. Een dergelijke actieve betrokkenheid is in overeenstemming met de doelstellingen van het ENB en sluit ook aan bij de ambities van het Europees buitenlands beleid, zoals onder andere geformuleerd in de Europese veiligheidsstrategie. De actieplannen die in het kader van het ENB zijn/worden ontwikkeld, moeten naar de mening van de AIV mede dienstbaar zijn aan het vinden van werkbare oplossingen voor deze conflicten. Dit laatste veronderstelt een maximale inzet van de kant van de Unie van haar speciale vertegenwoordigers voor de landen/ regio’s in kwestie. Teneinde voortgang te bewerkstelligen dient Rusland, onder andere in het kader van de politieke dialoog met dit land, volledig door de EU betrokken te worden bij besprekingen over oplossing van deze vraagstukken.

Het Europese nabuurschapsbeleidsinstrument (ENBI)

De AIV is positief over het initiatief van de EU om de procedures voor het uitgeven van de hulpgelden sterk te vereenvoudigen, om het aantal regelingen (budgetlijnen) en instrumenten aanzienlijk terug te brengen. De AIV ondersteunt ook het voornemen om de financiële steun voor de ENB-landen substantieel te verhogen en dringt er bij de regering op aan er op toe te zien dat een dergelijke verhoging ook de uitkomst zal zijn van de onderhandelingen over de meerjarenfinanciering van de Unie. Positief is het voorstel van de Europese Commissie dat er geen plafond per land of per categorie van indiener (overheid of niet-overheid) geldt, hetgeen de efficiënte en effectieve benutting van de middelen ten goede komt. Deze vereenvoudigingsoperatie is naar de bevindingen van de AIV hard nodig omdat zowel overheids- als niet-gouvernementele organisaties onvoldoende in staat bleken om hun plannen overeenkomstig de vele regels in te dienen. Het was in dit verband dan ook niet verwonderlijk dat de EU niet in staat is om de beschikbare middelen ook daadwerkelijk en tijdig aan te wenden. Positief is de AIV over de invoering van een resultaatgebonden voortgang in de actieplannen, waarbij een volgende stap steeds afhankelijk is van de voortgang in de eerdere fasen.

Aanbeveling 6
De AIV onderstreept de noodzaak voor deze vereenvoudingsoperatie bij EuropeAid en beveelt aan dat Nederland er in de (Europese) Raad en het Europese Parlement op toeziet dat dit ook daadwerkelijk resulteert in een snellere en eenvoudiger toekenning van middelen, afhankelijk van de voortgang in de uitvoering van de actieplannen.

Aanbeveling 7
In het licht van de belangen die voor de Unie en Nederland in deze regio op het spel staan, is het van grote betekenis dat voor de uitvoering van het ENB voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. De AIV dringt er bij de Nederlandse regering op aan om bij de onderhandelingen over het financiële raamwerk voor de Unie voor de periode 2007-2013 te bewerkstelligen dat overeenkomstig de hiervoor genoemde uitgangspunten de voor uitvoering van het ENB noodzakelijke financiële middelen beschikbaar worden gesteld, zodat adequaat kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen in deze regio.

Problematisch is voorts de tijd die verstrijkt tussen het formuleren en indienen van projectvoorstellen op het terrein van politieke en economische transformatie en de uiteindelijke toekenning van middelen. Dit zou in de visie van de AIV bekort moeten worden, bijvoorbeeld door in het voortraject reeds op beperkte schaal middelen beschikbaar te stellen teneinde tot een gedegen uitwerking van een project of programmavoorstel te kunnen komen. Een dergelijke maatregel zou ook het vermogen om slagvaardig te reageren vergroten, indien zich plotseling nieuwe mogelijkheden voordoen om politieke en/of economische hervormingen te ondersteunen. Uit gesprekken in met name Oekraïne is de AIV gebleken dat deze slagvaardigheid ontbreekt, hetgeen in het bijzonder na de Oranjerevolutie aldaar de Unie heeft belemmerd in haar vermogen adequaat te reageren. Juist omdat het verloop van de ontwikkelingen in de oostelijke buurlanden vooral door binnenlandse politieke en economische factoren wordt beïnvloed, is het van groot belang om tijdig te kunnen inspelen op de politieke ontwikkelingen in de regio en effectief de mogelijkheden te benutten om het beleidsinstrumentarium van de EU en de lidstaten in te zetten3.

Aanbeveling 8
De AIV acht het essentieel dat de slagvaardigheid van het instrumentarium van de EU en van de lidstaten om te reageren op de actualiteit wordt verhoogd. De AIV dringt er op aan dat in aanvulling op het beleid van het ENBI ook het voortraject (voor het formuleren en uitwerken van een gedegen projectvoorstel) op beperkte schaal voor financiering in aanmerking te laten komen. In dit kader beveelt de AIV in het bijzonder aan dat ten aanzien van de besluitvorming over de financiering van projecten een grotere delegatie van bevoegdheden, professionele uitvoeringscapaciteit en middelen naar de EU-posten in de landen in kwestie plaatsvindt.

Bilaterale hulp

Nederland kent een tweetal bilaterale programma’s die relevant zijn voor de oostelijke buurlanden van de EU. Dit betreft het Programma Maatschappelijke Transformatie (het Matra-programma), dat gericht is op sociale, maatschappelijke en politieke transformatie en dat door het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd en het Programma Samenwerking Opkomende Markten (het PSOM) dat door het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking wordt uitgevoerd en waaraan het ministerie van Economische Zaken bijdraagt met betrekking tot Oekraïne. Beide programma’s zijn complementair. Het eerder bestaande Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) van het ministerie van Economische Zaken is per 1 juni 2005 opgegaan in het PSOM. Na een positieve evaluatie ligt er voor het Matra-programma een nieuw beleidskader dat door het parlement is goed-gekeurd en een budgettoekenning van 50 miljoen Euro. Positief vindt de AIV de flexibiliteit, de vraaggestuurdheid, de langetermijnvisie en de afstemming op het ENB, waarbij de uitbreiding naar de oostelijke en zuidelijke buren van de EU een logische vervolgstap is, waarmee de hulpinspanning gelijke tred houdt met de uitbreiding van de Unie. Naast genoemde programma’s zijn er tal van hulpprogramma’s en initiatieven van de kant van medefinancieringsorganisaties, het georganiseerde bedrijfsleven, mede-overheden, maatschappelijke organisaties, etcetera, gericht op het ondersteunen van een breed scala van activiteiten. Via deze programma’s is een veelheid aan organisaties betrokken bij uitwisselingsprogramma’s op het gebied van onderwijs, de gezondheidszorg en cultuur, maar bijvoorbeeld ook van gemeentelijke samenwerking, politie, rechterlijke macht, de centrale bank en rekenkamers. De AIV juicht deze ontwikkeling toe, mits de programma’s zich richten naar de prioriteiten zoals de ontvangende landen die in de ENB-actieplannen zijn overeengekomen met de EU. Ook vindt de AIV het verheugend dat beide bilaterale programma’s zich sterker op de oostelijke ENB-landen gaan richten, waarbij de bijzondere aandacht voor de kiesgroeplanden die Nederland vertegenwoordigt bij de Wereldbank en het IMF positief is omdat de Nederlandse inbreng van verschillende kanalen daardoor gebundeld wordt. Daarnaast heeft Nederland een materieel belang bij het veiligstellen van de productie en transit van energie uit deze regio.

Aanbeveling 9
In navolging van de aanbevelingen ten aanzien van het beheer van ENB dringt de AIV er op aan om ook de bilaterale programma’s beheerstechnisch zoveel mogelijk te vereenvoudigen.

Aanbeveling 10
De AIV acht het van groot belang dat voor de uitvoering van de bilaterale programma’s een zodanig budget beschikbaar is, in het kader van zowel het Matra-programma als het PSOM, dat Nederland in staat is om een structurele en substantiële bijdrage te leveren aan het proces van economische en politieke hervorming in deze regio. Nederland kan daarbij teruggrijpen op de positieve ervaringen die zowel wat betreft aanpak, instrumenten als specifieke Nederlandse aandachtspunten zijn opgedaan in de relatie met de voormalige toetredingskandidaten.

Aanbeveling 11
De AIV beveelt aan dat bilaterale programma’s complementair aan het ENB zullen functioneren en dat de programma’s goed gecoördineerd worden met zowel het ENB als met de vakministeries. Ook juicht de AIV toe wanneer deze progamma’s een rol kunnen vervullen in het voortraject voor het ENBI.

Grensproblematiek en visumfacilitiatie

Behalve bevordering van de transformatie naar een democratische rechtsstaat en een open markteconomie, richt het burenbeleid zich ook op regionale integratie van de buurlanden onderling en op integratie van de grensgebieden aan beide zijden van de grens, vooral om te voorkomen dat er onnodig nieuwe scheidslijnen in Europa gaan ontstaan. De AIV voorziet echter dat het principe van vrij verkeer van personen en goederen binnen het Schengen-gebied noodzakelijkerwijs zal leiden tot een verscherpte controle aan de buitengrenzen.

Aanbeveling 12
Vrij personenverkeer binnen het Schengen-gebied leidt tot verscherpte controles aan de buitengrenzen. De AIV beveelt aan om de gevolgen hiervan in de grensgebieden zoveel mogelijk te verzachten door in het bijzonder het lokale grensverkeer waar mogelijk soepele regelingen te gunnen. In dit verband kunnen de desbetreffende Commissievoorstellen4 tot inspiratie dienen.

Inzake de verzoeken van ENB-landen betreffende visumfacilitiatie is van belang dat het kortetermijnvisumbeleid een EG-bevoegdheid is. Het beleid voor langetermijnvisa is vooralsnog een nationale bevoegdheid. Overigens is het in de praktijk niet zozeer de visumvereiste die belemmerend werkt, als wel de tijdsduur, de complexiteit en de kosten van de behandelingsprocedures die op nationaal niveau worden ingevuld. Vooral ten aanzien van die behoefte tot versnelling en vereenvoudiging, ziet de AIV mogelijkheden om tussen de lidstaten nadere coördinatieafspraken te maken. Ook zou gesproken kunnen worden over redelijke tarieven voor de afgifte van visa. Deze problematiek moet mede gezien worden in het licht van de wens van meer uitwisselingsprogramma’s.

 

Aanbeveling 13
Ten aanzien van visa voor zowel de korte als de lange termijn beveelt de AIV aan om in EU-verband na te denken over nadere coördinatiemaatregelen die kunnen leiden tot een versnelling en vereenvoudiging van de procedures voor de behandeling van visumaanvragen op nationaal niveau.

Rol van Rusland

Zoals in hoofdstuk twee is benadrukt, wordt Rusland in dit advies besproken als de andere buur van de ENB-landen en daarmee als een onlosmakelijk deel van de driehoeksverhouding tussen de Unie, de ENB-landen en Rusland. In deze verhouding neemt Rusland een cruciale positie in, onder andere als gevolg van zijn militaire aanwezigheid, de economische relaties, de afhankelijkheid van de Russische buurstaten van levering van gas, olie en elektriciteit en door de aanwezigheid van (grote) Russische minderheden. Rusland wenst dat deze bijzondere positie wordt erkend en dat met de Russische belangen in deze regio in voldoende mate rekening wordt gehouden. De eigenstandige positie van Rusland in de regio komt in de relatie met de Europese Unie tot uitdrukking in het gegeven dat Rusland uitdrukkelijk stelt niet het lidmaatschap van de EU te ambiëren5 en dat het een, van het ENB onderscheiden, geheel eigen vorm van samenwerking met de Unie heeft ontwikkeld. Deze samenwerking heeft zijn beslag gekregen in het beleidskader van de ‘vier gemeenschappelijke ruimtes’, waarover tijdens de EU-Rusland top op 10 mei 2005 in Moskou6 overeenstemming werd bereikt. Met deze ruimtes – waartoe in 2003 tijdens de top van Sint-Petersburg het initiatief werd genomen – wordt voortgebouwd op en verdere invulling gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst (PCA) tussen Rusland en de Unie. Deze samenwerkingsovereenkomst moet in 2007 worden vernieuwd. Hoewel het beleidskader van de vier gemeenschappelijke ruimtes buiten het kader van het ENB valt, komt Rusland toch in aanmerking voor de financiering van projecten uit het ENBI. Van belang is verder dat de EU haar beleid voortzet om programma’s te ontwikkelen met de gebiedsdelen die aan de EU grenzen.

Niet alleen voor Rusland staan grote belangen op het spel in deze regio. Binnen de in hoofdstuk twee genoemde driehoeksverhouding (tussen de EU, de buurlanden en Rusland) zijn ook voor de Unie wezenlijke belangen en vraagstukken aan de orde. Daarbij is betrokkenheid van Rusland dan wel een goede en evenwichtige relatie met dit land van grote betekenis. Dit geldt in het bijzonder voor de reeds genoemde Russische betrokkenheid bij de frozen conflicts.

Ook de groeiende energieafhankelijkheid van de EU van Russisch gas en olie en de toenemende concurrentie op de energiemarkt in Azië van de opkomende economieën van met name China en India, onderstreept eens te meer dat het burenbeleid van de Unie niet zonder een adequate strategie voor Rusland kan. Uitgangspunt daarbij is dat de Unie in het beleid ten aanzien van Rusland en de gemeenschappelijke buurstaten openheid betracht en serieus rekening houdt met de Russische belangen in deze regio. Gezien de eigenstandige positie van Rusland en de belangen die voor de Unie op het spel staan, kan de vraag gesteld worden of de Europees-Russische relatie baat kan hebben bij de schepping van nieuwe overlegstructuren, dat wil zeggen overlegstructuren die verder gaan dan de instituties die in het kader van de huidige PCA zijn opgezet. Als precedent kan gewezen worden op de bijzondere relaties die de Unie ontwikkelt met andere belangrijke spelers op het wereldtoneel, zoals de VS en China. Ook de speciale Rusland-NAVO raad kan hier als voorbeeld dienen. De eventuele noodzaak tot verdere institutionele verankering van de Europees-Russische relatie moet, zo meent de AIV, vooral ook bezien worden vanuit het belang om Rusland niet te isoleren en het te verzoenen met de voortschrijdende toenadering van buurlanden tot de EU. De AIV pleit voor het zowel inhoudelijk als institutioneel verder uitwerken van het beleid van de ‘vier gemeenschappelijke ruimtes’. Zeker waar het gaat om de bespreking en besluitvorming over kwesties van wederzijds belang, dient onderzocht te worden of het nuttig is om een speciale overlegstructuur tussen de Unie en Rusland te creëren.

Aanbeveling 14
Met betrekking tot Rusland beveelt de AIV Nederland en de EU aan om in het overleg een grote mate van openheid na te streven, teneinde eventuele achterdocht ten aanzien van het ENB in een vroegtijdig stadium weg te nemen. De inspanningen van de kant de Unie moeten erop gericht zijn Rusland maximaal te betrekken bij de pogingen om regionale conflicten op te lossen. Om dit te bereiken beveelt de AIV aan te onderzoeken welke speciale overlegstructuren daaraan dienstbaar kunnen zijn. De AIV dringt er tevens op aan om Rusland volledig te laten deelnemen aan het ENBI en om met name in te zetten op het ontwikkelen van programma’s in de Russische gebiedsdelen die aan de EU grenzen. Tot slot is het voor de energiezekerheid van de Unie op de lange termijn van groot belang dat de EU als geheel deze materie in de relatie met Rusland vanuit een strategisch gezichtspunt beziet en hieraan prioriteit geeft bij de verdere uitwerking van de overeengekomen economische ruimte met Rusland.

Het toetredingsperspectief

In hoofdstuk IV heeft de AIV de mogelijkheid van een toetredingsperspectief voor de oostelijke ENB-landen besproken, in het bijzonder voor Oekraïne en Moldavië. Gezien de politieke ontwikkelingen binnen de Unie is het nu niet het moment om een dergelijk perspectief te concretiseren. Dat laat onverlet dat er zwaarwegende redenen zijn om in antwoord op de politieke ontwikkelingen in de eerder genoemde landen, de relaties met in het bijzonder Oekraïne en Moldavië te verdiepen. Zij zullen op enig moment een verzoek tot lidmaatschap bij de Unie op tafel leggen. Om die reden is de AIV voorstander van het formuleren van een langetermijnstrategie, waarbij uitgaande van het ENB en onder de voorwaarde van verdere politieke en economische hervorming, de relaties met de betrokken landen worden geïntensiveerd. Deze intensivering zou haar beslag kunnen krijgen in de vorm van een nieuwe samenwerkingsrelatie als vervolg op de bestaande PCA’s. Voor de AIV weegt bij deze aanpak zwaar dat het gaat om landen die aan de Unie grenzen of dat binnen afzienbare termijn zullen doen, die cultureel, historisch en geografische tot Europa behoren en die de wens hebben geuit tot de Unie toe te treden. Het zwaarst weegt echter de overweging dat een toetredingsperspectief, ook als het nog ver in de toekomst ligt, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het welslagen van het proces van politieke en economische transformatie. Het is echter aan de landen zelf om het vooruitzicht op dit perspectief te verwezenlijken, waarbij niet voldoende kan worden benadrukt dat mocht dit perspectief op enig moment concreet worden, zij zullen moeten voldoen aan de voorwaarden die aan iedere toetredingskandidaat worden gesteld.

Aanbeveling 15
De AIV realiseert zich dat in het licht van de ratificatieproblemen van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa en de zorg over de absorptiecapaciteit van de Unie een periode van reflectie over de toekomstige ontwikkeling van de Europese Unie noodzakelijk is. Dit geldt ook voor een mogelijk toetredingsperspectief voor de oostelijke ENB-landen, Oekraïne en Moldavië in het bijzonder. Dit is voor de Unie niet het moment voor het geven van een toetredingsperspectief voor deze landen. Deze constatering doet in de visie van de AIV echter niet af aan de kracht van de in hoofdstuk vier weergegeven argumenten die de aspiratie van deze landen om tot de Unie toe te treden, ondersteunen. Om die reden dringt de AIV er bij de regering op aan om alert te blijven op deze materie. In het bijzonder dringt de AIV er bij de regering op aan de opstelling van een EU-langetermijnstrategie ten aanzien van Oekraïne en Moldavië te bevorderen, die tot doel heeft de betrekkingen met deze landen verder te intensiveren en mogelijk op een nieuwe institutionele grondslag vorm te geven. In de visie van de AIV zou het aflopen van de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met deze landen daartoe het geëigende moment zijn.

Aanbeveling 16
De AIV beveelt de regering aan de komende jaren, parallel aan de discussie over de uitbreiding, alert te blijven op het draagvlak voor uitbreiding van de EU onder de bevolking van de landen die reeds tot de Unie behoren. Daarmee wil overigens niet gezegd zijn dat de regering in deze niet haar eigen afwegingen zou moeten maken. De regering heeft naar de opvatting van de AIV in dit kader in het bijzonder ook een taak als het gaat om voorlichting en debat inzake (verdere) uitbreiding van de Unie.

Aanbeveling 17
Voor de Trans-Kaukasische landen beveelt de AIV vooralsnog voorzetting van het ENB aan, gebaseerd op de (bestaande) partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten. Vanuit dit kader kan in voldoende mate worden ingespeeld op politieke ontwikkelingen in deze landen.

Voor de EU als waardengemeenschap, die zich in het bijzonder de bescherming van de mensenrechten tot doel stelt, is de relatie met Belarus van bijzondere betekenis. Duidelijk is dat in de huidige omstandigheden de mogelijkheden voor de EU en Nederland om bij te dragen aan verbetering van de mensenrechtensituatie aldaar in praktische zin zeer beperkt is. Juist daarom is het van groot belang om de ontwikkelingen in dit land scherp te volgen en vooral om blijvend contacten te onderhouden met groepen die tegenwicht (kunnen) geven aan de verscherping van de dictatuur. Immers, op het moment dat hier, net als recent gebeurd is in Kirgizië, een nieuwe regering aantreedt die een meer democratische koers gaat varen, is het zaak snel tot een gericht hulpprogramma te komen. Daarnaast is het van groot belang dat de Unie haar inspanningen afstemt met internationale organisaties die op het Europese continent een bijzondere verantwoordelijkheid hebben voor en ervaring hebben met het vraagstuk van handhaving van de mensenrechten: de Raad van Europa en de OVSE. Dit geldt ook voor de bilaterale contacten die onder dit soort moeilijke omstandigheden vaak van grote betekenis zijn om de krachten van democratisering te ondersteunen.


  1. Staat van de Europese Unie 2005, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 21 september 2004, p. 45.
  2. Zie ook: J.W. van der Meulen, Westelijke Balkan als testcase voor de Europese Unie, Internationale Spectator, jrg. 59, nr. 6, 2005, pp. 319-324.
  3. Zie ook de conclusies van de Conferentie ‘European Union and the South Caucasus: opportunities for intensified engagement’, European Centre for Conflict Prevention and Ministry of Foreign Affairs of the Netherlands, 24-26 May 2004, p. 5.
  4. Voorstel voor een Verordening van de Raad tot instelling van een regeling inzake kleingrensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten, Europese Commissie, COM(2003) 502 van 14.8.2003.
  5. Of Rusland ooit lid van de EU zou kunnen worden, is een vraag die in dit advies niet aan de orde is. De AIV constateert dat Rusland geen blijk geeft een dergelijke status te ambiëren. Of het land ooit lid zou kunnen worden, mag van vraagtekens worden voorzien, gegeven de ligging en de omvang van Rusland.
  6. Zie webpagina: Relations EU-Russia.
Adviesaanvraag

 

 

Aan de Voorzitter van de
Adviesraad Internationale Vraagstukken
Mr F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB Den Haa

   

 

Directie Zuidoost- en Oost-Europa en Uitvoering Matra 
Bezuidenhoutseweg 67
2594 AC Den Haag

 

 

Datum

7-4-2004

Auteur

Tanja Röling

 

Kenmerk

DZO-74/04

Telefoon

+31 (0)70 348.6019

 

Blad

1/1

Fax

+31 (0)70 348.5329

 

Bijlage(n)

1

tanja.roling@minbuza.nl

Betreft

Adviesaanvraag inzake het toekomstig EU-beleid m.b.t. de Oostelijke Buren na de uitbreiding

 

C.c.

 

 

 

 

Het doet mij een genoegen u hierbij mede namens de Staatssecretaris voor Europese Zaken een adviesaanvraag voor te leggen over het toekomstig EU-beleid met betrekking tot de Oostelijke Buren na de uitbreiding.

 

Uw advies is van bijzonder belang in het kader van het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie in de tweede helft van 2004. Het is mijn voornemen om in de Staat van de Unie 2005 een apart hoofdstuk op te nemen met een actualisering van het deel uit de Staat van de Unie 2002 dat indertijd was getiteld “Van Moermansk tot Marrakesh”. Wanneer Uw advies vroeg in het Voorzitterschap beschikbaar zou zijn, zou ik U hiervoor zeer erkentelijk zijn.

 

Ik zie u advies met belangstelling tegemoet,

 

 

Dr B. R. Bot

Minister van Buitenlandse Zaken

 
Adviesaanvraag toekomstig EU-beleid met betrekking tot de Oostelijke Buren na de uitbreiding
 
Inleiding

De afgelopen twee jaar is geleidelijk binnen de Europese Unie een discussie op gang gekomen over het beleid t.a.v. de (nieuwe) buurlanden, die in de nabije toekomst niet in het proces van EU-uitbreiding zullen worden opgenomen. Centraal daarbij staat, dat met de uitbreiding het ontstaan van nieuwe scheidslijnen binnen Europa dient te worden voorkomen.

In maart 2003 publiceerde de Europese Commissie de Mededeling " 'Wider Europe' - New Neighbourhood: A New Framework for Relations with our Eastern and Southern Neighbours". Anticiperend op de uitbreiding van de Unie in 2004, stelt de Commissie dat de EU in de toekomst als gebied van stabiliteit, welvaart en vooruitgang alleen succesvol kan zijn, wanneer zij de positieve ontwikkelingen binnen de EU ook kan projecteren over de grenzen van de Unie heen.

Het gaat daarbij om het bevorderen van gedeelde waarden, en het versterken van samenwerkingsverbanden, waardoor deze landen beter met de Unie kunnen samenwerken bij het aanpakken van een breed scala van gezamenlijke uitdagingen. Tevens zou bevorderd moeten worden, dat deze landen zich in hun interne transformatie geleidelijk verder ontwikkelen in dezelfde richting als de Europese Unie.

De Mededeling spreekt zich bewust niet uit over een eventuele toetreding op termijn. Het gaat om het bevorderen van allerlei vormen van samenwerking en integratie, los van een mogelijk perspectief op lidmaatschap.

Aanvullend publiceerde de Commissie later in 2003 een tweede in dit kader relevante Mededeling, t.w. "Paving the Way for a New Neighbourhood Instrument", waarbij de verdere ontwikkeling van het financiële instrumentarium dat de EU nodig heeft om dit samenwerkingsproces te bevorderen centraal staat. In de discussie wordt hierbij soms al een voorschot genomen op het aflopen van bestaande contractvormen als Partnerschaps- en Samenwerkingsverdragen (vanaf 2007), het aflopen van de geldigheid van de huidige TACIS-verordening (in 2006) en de financiële perspectieven na 2006. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met een uitfasering van instrumenten die van toepassing waren op in 2004 (of in 2007) toetredende nieuwe lidstaten.

Hoewel de mededeling van de Commissie is geschreven als geïntegreerd kader voor de relaties met de buurlanden, spitst deze zich toe op twee verschillende regio's met een eigen specifieke problematiek:

  • de Oost-Europese regio van nieuwe buren: met name Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland, waarbij de Russische Federatie vooral als een factor van invloed op deze landen wordt meegenomen. Inmiddels wordt overwogen ook de landen van de Zuidelijke Kaukasus hieronder te laten vallen, waarover onder het Ierse Voorzitterschap een besluit zal moeten worden genomen;
  • de Mediterrane regio.

In de discussie is steeds de noodzaak van differentiatie onderstreept, zowel tussen deelregio's als tussen samenwerkingsvormen met individuele landen. Tevens gaat het erom voort te bouwen op reeds bestaande samenwerkingsvormen die tussen de EU en de betreffende landen bestaan. In grote lijnen zijn de Commissie-voorstellen door de RAZEB van 16 juni 2003 onderschreven.

Ook in de EU-veiligheidsstrategie, die de Europese Raad van 12-13 december 2003 vaststelde, wordt nadrukkelijk gewezen op het belang van economische en politieke samenwerking met de buurlanden voor het creëren van een veilige omgeving rondom de Europese Unie.

Begin mei 2004 zal de Commissie, waar nodig in nauwe samenwerking met de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB, de eerste individuele Actieplannen m.b.t. een aantal nieuwe buren presenteren. Deze plannen zullen uiteindelijk met de betreffende landen moeten worden overeengekomen. De RAZEB van juni a.s. zou deze Actieplannen en verdere Commissie-intiatieven terzake moeten bespreken. Het "Wider Europe"-initiatief is inmiddels herdoopt tot "European Neighbourhood Policy".

In deze adviesaanvraag staat de gewenste richting van de concrete uitwerking van deze "European Neighbourhood Policy" centraal. Deze adviesaanvraag zal zich daarbij vooral richten op het te voeren beleid m.b.t. de drie bovengenoemde nieuwe Oosterburen. Daarnaast wordt separaat op de rol van de Russische Federatie ingegaan, met inbegrip van enige toegespitste vragen die in dit kader aan U worden voorgelegd. De regio die daarmee door de adviesaanvraag wordt bestreken vertoont voldoende samenhang om zinvol als één geheel te worden behandeld. Tot slot wordt nog kort ingegaan op een mogelijke uitbreiding van het "European Neighbourhood Policy"-concept in de richting van de Zuidelijke Kaukasus, aangezien dit element in de discussie een nieuwe stimulans heeft gekregen door de recente ontwikkelingen in Georgië.

Ondersteuning van transformatie
Nu het perspectief op toetreding niet expliciet onderdeel is van een EU beleid richting de "nieuwe buren", zal toch op enigerlei wijze een effectieve "conditionaliteit" moeten worden ingebouwd om de transformatie naar markteconomie en democratische rechtsstaat aan te moedigen en te ondersteunen. Bij de Midden- en Oost-Europese landen die in 2004 (of later in 2007) zullen toetreden was dit perspectief uiteindelijk de beste stimulans om impopulaire maatregelen op de korte termijn in eigen land te verkopen. Hoe kan zonder een dergelijk perspectief toch effectief een zekere convergentie van beleid worden bevorderd aan weerszijden van de grens?

In dit kader kunt U aandacht besteden aan de volgende punten:

  • dient een nieuw soort contractuele relatie met deze landen de huidige PCA's (die voor 10 jaar gelden en voor de meeste landen rond 2007 aflopen) te vervangen? Zo ja, op welke terreinen zijn aanvullende afspraken nodig? Hierbij dient ook te worden betrokken, dat de huidige PCA's in de praktijk door de meeste landen al sub-optimaal lijken te worden benut. Hoe kan worden bevorderd dat eventuele nieuwe bilateraal af te spreken "benchmarks" en actieplannen ook daadwerkelijk in de praktijk worden gebracht?
  • met welk soort instrumentarium kan de EU het meest effectief de betreffende landen bij hun transformatie ondersteunen? De huidige TACIS-verordening loopt in 2006 af en thans al wordt vooral voor grensoverschrijdende regionale samenwerking gekeken naar elementen van PHARE (dat met de toetreding van de betreffende landen wordt uitgefaseerd), Interreg en andere instrumenten.
  • dienen vormen van regionale grensoverschrijdende samenwerking als het "Noordelijke Dimensie-initiatief" of het Stabiliteitspact voor de Balkan als voorbeeld voor een nieuw te ontwikkelen "Oostelijke Dimensie" (waarvan ondermeer Polen een voorstander is)?
  • hoe dient de EU-ondersteuning te worden afgebakend t.o.v. wat andere internationale organisaties (Wereldbank, EBRD, NAVO, Raad van Europa en OVSE) in dezelfde landen doen om een succesvolle transformatie te bevorderen?
  • hoe kan worden gestimuleerd dat EU-ondersteuning en vergelijkbare bilaterale ondersteuning vanuit de lidstaten zoveel mogelijk op elkaar wordt afgestemd?
  • hoe kan het beste gebruik worden gemaakt van de in de toetredende landen (als Polen, Litouwen en Hongarije) inmiddels opgedane kennis en ervaring bij het doorvoeren van een succesvolle transformatie?

Landenspecifieke perspectieven
Wanneer het gaat om differentiatie en nadere invulling van "Wider Europe"/European Neighbourhood Policy moet ook nauw rekening worden gehouden met de ervaringen die de betreffende landen de afgelopen tien jaar met de EU hebben gehad en hun eigen visie op hoe de relaties zich verder zouden moeten ontwikkelen.

Met Oekraïne bestaat een gestructureerde relatie in het kader van een Partnerschaps- en Samenwerkingsakkoord. Onlangs is uit een gezamenlijke evaluatie gebleken, dat de invulling hiervan op een aantal terreinen nog duidelijk voor verbetering vatbaar is. Op het terrein van justitie en binnenlandse aangelegenheden is reeds een zekere benchmarking overeengekomen. Ook had één van de eerste Gemeenschappelijke Strategieën van de EU betrekking op Oekraïne. Over de effectiviteit van dit (eenzijdige EU-) instrument bestaan zware twijfels. Hoewel de mogelijkheden van de bestaande samenwerking binnen de huidige structuren nog geenszins zijn uitgeput, tracht Oekraïne telkens weer toe te werken naar een nieuwe verdragsrelatie en wil het op enigerlei wijze vastgelegd zien, dat het een perspectief heeft op uiteindelijke toetreding tot de EU. De huidige inzet is een vorm van Associatie-overeenkomst, waardoor Oekraïne op termijn naar de EU kan toegroeien. Oekraïne heeft met name in Polen een pleitbezorger in het Europa van na de uitbreiding.

Ook met Moldavië bestaat thans een Partnerschaps- en Samenwerkingsakkoord. Daarnaast ondersteunt de EU de pogingen van de OVSE om een oplossing tot stand te brengen voor het conflict rond Transdnjestrië. Met een toetreding van Roemenië in 2007 komt Moldavië direct aan de EU te grenzen. Bovendien zal de relatie met Roemenië (waartoe voor de Tweede Wereldoorlog een groot deel van het huidige Moldavië behoorde) ook binnen de EU gevolgen kunnen hebben, wanneer het conflict rond Transdnjestrië in 2007 nog niet zou zijn opgelost. Moldavië dat deel uitmaakt van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa ziet zijn toekomstige relatie met de EU het liefst langs dezelfde lijnen verlopen als andere deelnemers aan dit Stabiliteitspact, t.w. de Balkan-landen. Aan deze laatste groep van landen is een duidelijk perspectief op toetreding op termijn geboden. In dit licht doet zich de vraag voor, of aan Moldavië niet ook een perspectief op een Stabilisatie- en Associatieakkoord zou moeten worden geboden en zo ja, onder welke voorwaarden?

Het meest problematisch zijn de relaties met Wit-Rusland. De EU voert vanwege het autoritaire regime in Minsk een restrictief beleid gebaseerd op desbetreffende Raadsconclusies uit 1997. In 2002 kwam de EU een intern benchmark-papier overeen, dat aangaf hoe de EU met positieve maatregelen kan reageren op concrete stappen de autoriteiten in Minsk zetten op het pad van politieke en economische hervormingen. Tot nu toe beweegt de regering in Minsk echter nog geenszins in de door de EU beoogde richting. De Wit-Russische lidmaatschapsaanvraag voor de Raad van Europa is al enige tijd bevroren. Ook is er geen PCA met de EU. Binnen de EU begint zich opnieuw een discussie te ontvouwen over welke mogelijkheden de EU (al dan niet gebaseerd op "Wider Europe") heeft om de ontwikkelingen te beïnvloeden en bijvoorbeeld de civil society en vrije media te blijven ondersteunen.

Welke landenspecifieke aanbevelingen kunt U doen, zowel in het licht van de bovengestelde vragen m.b.t. de bevordering van een succesvolle transformatie als in verband met de in het navolgende deel gestelde vragen m.b.t. de mogelijkheden voor verdere integratie in bredere Europese en Euro-atlantische kaders?

Integratie van de Nieuwe Oostelijke Buren in Europese en Euro-atlantische kaders
In de Commissie-mededeling is sprake van een bredere integratie van de betreffende landen, waarbij zelfs een zekere deelname aan de interne markt op termijn niet wordt uitgesloten. Uitbreiding van de vier vrijheden (vrijheid van beweging voor personen, goederen, diensten en kapitaal) is een belangrijk element. Op termijn zouden de buurlanden kunnen deelnemen aan een bredere Vrijhandelszone. Hierbij kunnen allereerst de volgende vragen worden gesteld:

  • hoe ziet u de mogelijkheden voor deelname van de oosterburen aan de interne markt en uitbreiding van de vier vrijheden? Welke voorwaarden zouden hiervoor moeten gelden?
  • moet de Unie streven naar vrijhandelsakkoorden met de oosterburen (na lidmaatschap WTO), net zoals met de zuiderburen?
  • welke institutionele kaders zouden het best bijdragen tot het bereiken van deze doelstellingen?

Bij dit alles moet tevens rekening worden gehouden met de rol die Rusland nog altijd in de bredere regio van de voormalige Sovjet-Unie speelt. Hierop wordt meer specifiek ingegaan in het hiernavolgende deel over de "Rusland-factor".

 

In deze context kan alvast worden gerefereerd aan de intentie van de EU om in de relatie met de Russische Federatie invulling te geven aan de zogenaamde vier gemeenschappelijke ruimtes, zoals overeengekomen tijdens de EU-Rusland topconferenties in 2003 in St. Petersburg en in Rome:

  • Gemeenschappelijke Europese Economische Ruimte, vergezeld van een intensieve energie-dialoog;
  • Gemeenschappelijke Ruimte van Interne Veiligheid (justitie en binnenlandse zaken), waaronder bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme;
  • Gemeenschappelijke Ruimte van Externe Veiligheid; samenwerking op het gebied van GBVB en EVDB;
  • Gemeenschappelijke Ruimte van Onderwijs, onderzoek en cultuur.

Vragen in dit verband zouden kunnen zijn:

  • moeten de gemeenschappelijke ruimtes die met Rusland worden uitgewerkt uiteindelijk ook de oostelijke partners uit het "Wider Europe"-concept omvatten?
  • in welke mate zou de EU zich bij de invulling van de relaties met Rusland moeten laten leiden door de belangen van de oostelijke nieuwe buren?
  • kan de EU op sommige terreinen gemakkelijker en eerder overeenstemming bereiken met de nieuwe oosterburen dan met Rusland?

      De relatie van de nieuwe Oosterburen van de EU met de Russische Federatie
      In het bovenstaande werd reeds ingegaan op de EU-Rusland relatie. Er is echter nog een ander belangrijk aspect, nl. de keuze waarvoor de nieuwe oosterburen zich gesteld zien tussen enerzijds integratie in Europese en Euro-atlantische structuren en anderzijds integratie in oostelijke (veelal door Rusland gedomineerde) kaders.

      De Russische Federatie heeft duidelijk te kennen gegeven, dat het de voorkeur geeft aan een aparte (liefst geprivilegieerde) relatie met de EU boven een eventueel lidmaatschap. Rusland voelt zich voor dit laatste te groot en te speciaal ("Euraziatisch") om zich te voegen in een verband waarin het één van de vele leden is.

      Eenzelfde Russische opstelling geldt voor het "Wider Europe"-initiatief. De Commissie was in de "Wider Europe"-Mededeling onduidelijk of de Russische Federatie uiteindelijk ook zelf object van deze exercitie zou kunnen zijn en niet alleen een factor van invloed op de relaties van de EU met de nieuwe oosterburen. Rusland zelf heeft inmiddels alle onduidelijkheid weggenomen: ook voor een behandeling in het kader van "Wider Europe" voelt het zich te groot en te speciaal. Dat neemt overigens niet weg dat de Commissie in haar recente Mededeling inzake EU-Rusland relaties zich een voorstander betoont van een Actieplan ter invulling van de vier gemeenschappelijke ruimtes, dat in zekere zin vergelijkbaar zal zijn met de Actieplannen die nu worden ontwikkeld voor de relaties met de nieuwe oosterburen.

      Rusland is voor de nieuwe oosterburen van de EU niet alleen een zeer belangrijke partner, doch ook een kracht die streeft naar alternatieve vormen van (economische) integratie binnen het GOS of met een kleiner aantal staten uit de voormalige Sovjet-Unie. Binnen het GOS zijn er vanaf het begin vele pogingen geweest, waarvan de meeste in mooie woorden bleven steken. De meest recente poging is een plan voor een Gemeenschappelijke Economische Ruimte tussen Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne en Kazachstan. Met name in Oekraïne stuit dit bij een deel van de politieke elite op grote weerstanden, gezien de negatieve invloed die hiervan uit kan gaan op de gewenste integratie in Europese (EU-) structuren. Ook in Wit-Rusland zijn bezwaren geuit: hoewel Minsk een nauwere integratie met Rusland (ook in het kader van een Russisch-Wit-Russische Unie) nastreeft, lijken de voorwaarden die Moskou hiervoor stelt (en waarbij Wit-Rusland een ondergeschikte partner zou worden) niet aanvaardbaar voor President Loekasjenko. Alle bij eerdergenoemde Gemeenschappelijke Economische Ruimte betrokken landen wensen toe te treden tot de WTO, doch of dit gelijktijdig zou kunnen geschieden is zeer de vraag, gezien het verschillende niveau en mate waarin hervormingen zijn doorgevoerd.

      Parallel aan Russische pogingen een vorm van economische integratie met een aantal GOS-staten te verwezenlijken is de laatste jaren sprake van een duidelijk assertiever Russisch buitenlands beleid t.a.v. de GOS-landen (het "Nabije Buitenland"). Hierbij wordt dit als een speciale zone van Russisch belang beschouwd, hetgeen ook impliceert dat er tot nu toe minder bereidheid blijkt om hierover met derde landen (incl. EU) te spreken, laat staan samen te werken. Rusland gebruikt ook de veelal nog bestaande economische afhankelijkheid (waaronder op energie-gebied) om politieke invloed op de landen in kwestie te blijven houden. Daarnaast is in deze landen sprake van groeiende economische invloed van Rusland door overname van ondernemingen door Russische bedrijven.

      Vragen in dit kader zouden kunnen zijn:

      • Hoe dient de EU zich op te stellen t.a.v. integratie-pogingen binnen het GOS en in het bijzonder: wat is voor de EU wel en niet in strijd met integratie in westelijke Europese kaders?
      • Wat betekent e.e.a. voor WTO-toetreding van de desbetreffende landen, inclusief Rusland?
      • Hoe dient de EU om te gaan met druk die Rusland uitoefent op landen van het "Wider Europe"; dient de EU de betreffende landen speciale ondersteuning te verlenen om dergelijke druk beter het hoofd te kunnen bieden?
      • Hoe zou EU alsnog een meer coöperatieve opstelling van Rusland kunnen bevorderen bij samenwerking om bevroren conflicten in GOS-staten (in dit kader met name Moldavië/Transdnjestrië) op te lossen?

        Uitbreiding van "Wider Europe" tot de Zuidelijke Kaukasus?
        De EU heeft zich recentelijk actiever betoond met betrekking tot de Zuidelijke Kaukasus. Benoeming van een Speciale Vertegenwoordiger, de Finse Ambassadeur Talvitie, past in dit kader. In gesprekken met de drie landen in kwestie (Armenië, Azerbajdzjan en Georgië) bleek duidelijk hun wens om het "Wider Europe" concept ook uit te breiden tot de Zuidelijke Kaukasus. De RAZEB heeft hiertoe de ruimte steeds opengelaten en naar aanleiding van de recente ontwikkelingen in Georgië aanvaard, dat tijdens het Ierse Voorzitterschap een besluit hierover zal worden genomen.

        Hierbij doet zich tevens de vraag voor, of en zo ja hoe kan worden gedifferentieerd tussen de Zuid-Kaukasische landen en welke conditionaliteit zal gelden voor uitwerking van concrete Actieplannen? Overigens zijn alle drie Zuid-Kaukasische landen partner van de EU in het kader van een PCA en zijn zij ook alle lid van de Raad van Europa.

    Regeringsreacties

    Aan de Voorzitter van de                                                       Directie Zuidoost en Oost-Europa en

    Tweede Kamer der Staten-Generaal                                       Uitvoering Matra

    Binnenhof 4                                                                         Bezuidenhoutseweg 67

    Den Haag                                                                            Postbus 20061

                                                                                              2500 EB Den Haag

     

     

     

    Datum              2 november 2005                                           Behandeld            T.M. Röling

    Kenmerk          DZO-183/05                                                  Telefoon               070-348 6571

    Betreft              Regeringsreactie op het AIV advies                 Fax                     070-348 5329

                            “De Nieuwe Oostelijke Buurlanden

                            van de Europese Unie”

     

    C.c.         Adviesraad Internationale Vraagstukken

     

     

     

     

     

    Op 7 april 2004 verzocht de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) een advies uit te brengen over het toekomstige EU-beleid met betrekking tot de oostelijke buren na de uitbreiding. Het advies van de AIV “De Nieuwe Oostelijke Buurlanden van de Europese Unie” werd op 26 augustus 2005 aan de regering aangeboden.

     

    Algemene conclusie van de regering

     

    De regering dankt de AIV voor het advies en constateert dat het advies in hoge mate aansluit bij de door de regering ingenomen standpunten met betrekking tot de relatie van de Europese Unie met de nieuwe oostelijke buren. Het advies geeft een goed inzicht in de belangen die voor Nederland en de Europese Unie op het spel staan in de relatie met de oostelijke buren, tegen de achtergrond van veranderende geopolitieke omstandigheden. Het biedt bovendien een nuttige analyse van de problematiek rond de transformatie naar een democratische rechtsstaat en markteconomie van de oostelijke buurlanden en van de rol van het Europees Nabuurschapsbeleid (ENB) in deze ontwikkeling.

     

    Ten aanzien van het aanbieden van een toetredingsperspectief voor de oostelijke ENB landen verschillen de regering en de AIV van inzicht. Conform de notitie “De grenzen van de Europese Unie” die u op 17 maart 2005 aangeboden werd, stelt de regering dat het ENB thans het juiste instrument is voor de vormgeving van de relatie met de nieuwe buren en dat het geven van toetredingsperspectief aan deze landen nu niet aan de orde is. De AIV onderschrijft deze visie, maar vindt tevens dat een helder standpunt over de aspiraties van deze landen ten aanzien van lidmaatschap van de Europese Unie wenselijk is en dat een al te terughoudende opstelling inzake toekomstig lidmaatschap de positie van hervormingsgezinde krachten zou kunnen ondermijnen. De regering vindt evenwel dat de Europese Unie na de ingrijpende uitbreiding in 2004 met tien lidstaten, nu de volle aandacht moet richten op consolidatie en het intern functioneren. Daarnaast zijn in de nabije toekomst nog uitbreidingen voorzien met de huidige kandidaat-lidstaten en de landen van de westelijke Balkan. Bovendien laat de uitkomst van het referendum over het grondwettelijk verdrag in juni jl. zien dat het draagvlak voor de Europese Unie onder de bevolking voortdurend aandacht verdient.

     

    De regering onderschrijft het belang van een intensieve samenwerking met de oostelijke buurlanden in het kader van het ENB. Niet alleen vanwege de ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden en belangen, maar ook met het oog op strategische belangen van Nederland en de Europese Unie, zoals bijvoorbeeld op het gebied van toekomstige energievoorziening, migratie en bestrijding van georganiseerde misdaad. De regering benadrukt dat de buurlanden bij de invulling van het ENB – uitgewerkt in individuele actieplannen – zelf een grote eigen verantwoordelijkheid hebben. In ruil voor politieke en economische hervormingen wordt de ENB buurlanden een betere toegang tot de interne markt in het vooruitzicht gesteld. De evaluaties die midden 2007 zijn voorzien, vormen een eerste ijkpunt om de voortgang van de implementatie van het ENB te meten.

     

    De regering constateert dat de AIV ervoor gekozen heeft zich in het advies vooral te richten op Oekraïne en Moldavië en in mindere mate op Wit-Rusland en de landen van de Zuidelijke Kaukasus. Gezien de geografische nabijheid van Oekraïne en Moldavië en de huidige koers van hun respectieve regeringen, gericht op toenadering tot de Europese Unie, ligt dit wellicht voor de hand. Echter, omdat de politieke situatie in Wit-Rusland momenteel weinig perspectieven biedt voor samenwerking met de EU en de actieplannen van de Zuidelijke Kaukasus nog in voorbereiding zijn, had de regering meer aandacht voor deze landen in het advies op prijs gesteld. 

     

    Evenals de AIV acht de regering een goede relatie met Rusland cruciaal, zowel bij de implementatie van het ENB met de oostelijke buurlanden, in het bijzonder bij het zoeken naar een oplossing van de “frozen conflicts”, als in de eigenstandige relatie tussen EU en Rusland. De EU streeft hierbij naar een evenwichtige relatie met Rusland als strategische partner, tegelijkertijd constateert de regering dat deze relatie gecompliceerd is, waarbij wederzijds van uiteenlopende belangen sprake kan zijn.

     

     

    Reactie op de AIV aanbevelingen

     

    Multilaterale en bilaterale programma’s

    Aanbevelingen 1 en 2

    De regering deelt de mening van de AIV dat een goede afstemming tussen de verschillende multilaterale en bilaterale programma’s van de EU en haar lidstaten in de oostelijke buurlanden gewenst is en dat de EU in principe de aangewezen instelling is om hierin het voortouw te nemen. De praktijk leert helaas dat coördinatie vaak lastig van de grond komt. De AIV wijst daarnaast op het belang van een duidelijker prioriteitstelling in de actieplannen. De regering kan zich hier geheel in vinden en zal tijdens de voorbereidingen van de toekomstige actieplannen en de evaluaties in 2007 opnieuw pleiten voor minder breed geformuleerde actieplannen met daarin een heldere keuze van prioriteiten.

     

    Aanbevelingen 3 en 4

    In de verschillende actieplannen zijn, naast voldoende aandacht voor versterking van democratische hervormingen en “rule of law”, ook specifieke voorstellen opgenomen ter versterking van het investerings- en ondernemingsklimaat en verdergaande liberalisering van handel. Nederland geeft, mede gezien de kiesgroeprelatie in de Bretton Woods instellingen, aan een aantal van de nieuwe buurlanden steun voor zowel de bevordering van goed bestuur als institutionele financiële ontwikkeling. Oekraïne, Georgië en Armenië ontvangen steun voor macro-economische hervormingsprogramma’s. Met Moldavië heeft Nederland een programma voor financiële hervormingen zodat Moldavië opnieuw kan voldoen aan internationale standaarden van het Internationaal Monetair Fonds. De regering deelt in beginsel de mening van de AIV dat onderwijs een sleutel is voor ontwikkeling. Uitwisselingsprogramma’s zouden in dit verband kunnen bijdragen tot kennisoverdracht. De regering tekent daarbij echter aan dat een effectief programma op dit terrein slechts een kans van slagen heeft bij een grootschalige aanpak om een kritisch verschil te maken. Een dergelijke inzet vergt internationaal bereidheid tot het beschikbaar stellen van capaciteit en middelen om dit te dragen, terwijl pas op lange termijn een effect te verwachten valt.

     

    Aanbevelingen 6,7 en 8

    Evenals de AIV acht de regering een vereenvoudiging van de regels voor de toekenning en het gebruik van het financieel instrumentarium ten behoeve van het externe beleid van de Europese Unie noodzakelijk. In het kader van de nieuwe financiële perspectieven voor 2007-2013 heeft de Europese Commissie een vereenvoudigde structuur voorgesteld, gericht op meer samenhang en consistentie en op meer en betere resultaten. Zo gaan de financiële instrumenten TACIS en MEDA vanaf 2007 op in het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument (ENPI). Het ENPI kan tegelijkertijd ten goede komen aan EU-lidstaten én buurlanden. Dit is in de huidige situatie onder TACIS niet mogelijk, aangezien de interne en externe financiële instrumenten strikt gescheiden zijn en verschillende procedures kennen. Met het ENPI kunnen specifieke problemen inzake grenzen of onderwerpen van transnationaal karakter effectief worden aangepakt. Ook zal in de herziening van het financiële instrumentarium voor extern beleid aandacht zijn voor assistentie die snel kan worden ingezet in bijvoorbeeld noodsituaties, indien de bestaande instrumenten daarvoor niet toereikend zijn. Voor wat betreft het externe beleid in het bijzonder wordt door de regering voor een versterking gepleit. Over de verdeling van de financiële middelen tussen de verschillende instrumenten van het extern beleid, waaronder dus ook het ENPI, is evenwel nog geen besluit genomen. Het ENB en het ENPI bedienen niet alleen de oostelijke buurlanden, maar ook de Mediterrane buurlanden van de Unie. De AIV lijkt zich geen rekenschap te hebben gegeven van het feit dat een verhoging van het budget voor de oostelijke buurlanden automatisch ten koste zal gaan van de zuidelijke buurlanden.

     

    Aanbevelingen 9-11

    De regering is verheugd over het positieve oordeel van de AIV over de bilaterale hulpprogramma’s zoals PSOM en MATRA. De regering streeft met deze programma’s naar een flexibele, vraaggestuurde inzet ter ondersteuning van een duurzame economische en politieke transitie op middellange termijn. Hierbij is een uitgangspunt de toegankelijkheid van de programma’s voor maatschappelijke partijen zo veel mogelijk te bevorderen. Mede met het oog daarop zal op korte termijn gewerkt worden aan beheerstechnische vereenvoudiging.

     

    De regering acht het van groot belang dat deze programma’s complementair zijn aan het ENB. In dit verband is voor het MATRA programma in 2004 – na de toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de EU - een heroriëntatie richting de landen die onderdeel uitmaken van het ENB ingezet. Vanaf 2005 is een bescheiden begin gemaakt met het openstellen van een aantal instrumenten van het MATRA programma voor de buiten het bestek van het AIV advies liggende Mediterrane landen. Verder streeft de regering op korte termijn naar uitbreiding van het MATRA programma naar Armenië, Georgië en Moldavië.

     

    Grensproblematiek en visumfacilitatie

    Aanbevelingen 12 en 13

    De regering is zich bewust van de door de AIV geconstateerde consequentie van verscherpte controles aan de buitengrenzen van de Europese Unie als gevolg van vrij verkeer van personen en goederen binnen het Schengen-gebied. Deze verscherpte controles hebben gevolgen voor de regionale integratie en dynamiek van veel grensgebieden. Om de gevolgen zoveel mogelijk te verzachten wordt in de Europese Unie onderhandeld over een speciale regeling gericht op facilitatie van het lokale grensverkeer, zonder daarbij afbreuk te doen aan de noodzakelijke controles. Zo wordt er gesproken over het instellen van een “travel permit” voor de bewoners in de grensgebieden, gelegen aan de nieuwe buitengrenzen van de Europese Unie.

     

    Voor de verschillende visaregimes merkt de regering op dat verlening van lange- termijn visa een nationale bevoegdheid is. De regering acht het in het algemeen niet wenselijk om te streven naar een versoepeling in het beleid inzake de lange termijn visa. Bij korte-termijn visa (tot drie maanden) is er sprake van een exclusieve EU-Schengen competentie. Recentelijk heeft de Europese Unie met Rusland twee overeenkomsten gesloten op het terrein van visumfacilitatie en terug en overname. Binnenkort zullen de EU en Oekraïne soortgelijke onderhandelingen beginnen over deze onderwerpen. De regering neemt nota van het advies van de AIV dat een verbetering in facilitaire voorzieningen en efficiëntere afhandeling van visumaanvragen gewenst is.

     

    Relatie Rusland en “frozen conflicts”

    Aanbevelingen 5 en 14

    Terecht wijst de AIV op de noodzaak om tot een oplossing van de “frozen conflicts” te komen. Zowel voor Moldavië als voor de landen in de Zuidelijke Kaukasus geldt dat de stabiliteit, veiligheid, democratisering en economische ontwikkeling belemmerd worden door deze conflicten die tevens een regionaal karakter hebben. De Europese Unie zet zich actief in voor het vinden van een oplossing voor deze problemen en kijkt daarbij nadrukkelijk naar de bestaande infrastructuur voor conflictoplossing zoals geboden door de Verenigde Naties en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Vanwege de groeiende wens van de EU zelf een rol te spelen is voor zowel de Zuidelijke Kaukasus als voor Moldavië een EU speciale vertegenwoordiger aangesteld. Beiden hebben in hun mandaat uitdrukkelijk de opdracht gekregen zich in te zetten voor oplossing van de conflicten. Zowel in het reeds vastgestelde actieplan voor Moldavië als in de actieplannen die voor Georgië, Armenië en Azerbeidzjan in voorbereiding zijn, is dit streven verankerd. De regering deelt daarbij de mening dat het succes van een Europees beleid richting de oostelijke buurlanden deels afhangt van de samenwerking met en betrokkenheid van Rusland. De AIV merkt daarbij op dat openheid en rekening houden met Russische belangen in de ENB-regio uitgangspunt moeten zijn. 

     

    In de relatie tussen de EU en Rusland die buiten het kader van het ENB wordt vormgegeven, stelt de AIV dat de vier gemeenschappelijke ruimtes (economie; interne veiligheid, vrijheid en recht; externe veiligheid; onderwijs, onderzoek en cultuur) die de EU en Rusland in mei 2005 overeen zijn gekomen, institutioneel en inhoudelijk verder uitgewerkt moeten worden en dat onderzocht dient te worden of het nuttig is nieuwe overlegstructuren te scheppen die verder gaan dan de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO). De regering beaamt dat verdere uitwerking van de vier gemeenschappelijke ruimten noodzakelijk is. Dit is ‘werk in uitvoering’ en vormt naast de PSO, hét samenwerkingskader tussen de EU en Rusland de komende jaren. De implementatie van de vier ruimten zal van EU-zijde gefinancierd worden uit TACIS en vanaf 2007 uit het Europees Nabuurschaps-en Partnerschapsinstrument (ENPI). De regering ziet geen toegevoegde waarde in nieuwe overlegstructuren met Rusland buiten de PSO structuur om. De PSO biedt voldoende mogelijkheid om over verschillende onderwerpen op verschillend niveau van gedachten te wisselen en besluiten te nemen. Overigens wordt er tweemaal per jaar een EU-Rusland top gehouden, terwijl de EU met de meeste landen, waaronder de VS en China, slechts één maal per jaar op het hoogste niveau bijeen komt. Tot slot wijst de regering nog op het samenwerkingskader van de Noordelijke Dimensie, waarin de EU samenwerkt met Rusland (en IJsland en Noorwegen) op het gebied van onder andere milieu, transport, nucleaire veiligheid, economie, onderwijs en regionale ontwikkeling.

     

    Toetreding

    Aanbeveling 15

    De AIV spreekt zich in het advies uit over de wijze waarop met het toetredingsperspectief voor de nieuwe oostelijke buren moet worden omgegaan. Hierbij geeft de AIV aan een concreet toetredingsperspectief voor Oekraïne en Moldavië thans te voorbarig te vinden, maar dringt wel aan op het vormgeven van een EU-langetermijnstrategie ten aanzien van Oekraïne en Moldavië. De regering vindt dat dit nu niet aan de orde is, omdat de EU zich eerst dient te concentreren op de consolidatie en het intern functioneren van de EU en de aanstaande uitbreidingen. Bovendien meent de regering dat nu eerst de aandacht dient uit te gaan naar de hervormingsprocessen in de ENB landen zelf. Daarbij tekent de regering aan dat in het advies niet wordt ingegaan op de consequenties van eventuele toetreding tot de Europese Unie voor de landen zelf, noch op mogelijke alternatieven voor volledig lidmaatschap (“everything but the institutions”).

     

    De regering vindt dat de relatie tussen de EU en deze landen niet verengd zou moeten worden tot de discussie over EU toetredingsperspectief en dat het ENB vanuit het idee van een gezamenlijk opgesteld actieplan op dit moment het beste kader vormt voor samenwerking. In dit licht neemt de regering ook kennis van het advies omtrent de landen van de Zuidelijke Kaukasus. Tot slot merkt de regering op dat in de actieplannen is opgenomen dat bij voldoende voortgang in de implementatie een nieuwe overeenkomst in het vooruitzicht wordt gesteld.

     

    Aanbeveling 16

    De uitkomst van het referendum over het Grondwettelijk Verdrag op 1 juni jl. toonde aan hoe belangrijk een grotere betrokkenheid van burgers bij Europa is. De regering sluit zich dan ook volledig aan bij de aanbeveling van de AIV om alert te blijven op het draagvlak voor uitbreiding van de EU onder de bevolking van de EU-lidstaten. Het belang van dit draagvlak geldt overigens niet alleen voor het thema uitbreiding. De regering is doordrongen van de noodzaak van een structureel andere, meer interactieve en intensieve communicatie over Europa opdat burgers beter worden geïnformeerd over belangrijke Europese thema’s. De regering zal zich daarom het komende jaar sterker inzetten voor informatievoorziening en het initiëren van debatten over Europa. Het thema uitbreiding zal daarbij niet ontbreken.

     

     

     

     

    De Minister                                                    De Staatssecretaris

    van Buitenlandse Zaken,                                voor Europese Zaken,

     

     

    Persberichten

    PERSBERICHT 31 augustus 2005

    AIV-advies

    DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE

     

    Intensivering van de relatie met Oekraïne en Moldavië in het belang is van de Europese Unie

    Dat stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in het vandaag verschenen advies 'De nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie'. De EU heeft belang bij veiligheid en stabiliteit aan de oostgrenzen en het ontwikkelen van een gezonde economische relatie met haar oostelijke buren. Om dat te bereiken bieden de huidige politieke ontwikkelingen in Oekraïne en Moldavië, die cultuurhistorisch tot Europa behoren, uitstekende aanknopingspunten. Beide landen hebben toetreding tot de Unie als speerpunt van hun buitenlands beleid gemaakt. Juist dat biedt de EU de kans om vaart te zetten achter het bevorderen van politieke en economische hervormingen, bijvoorbeeld door stap voor stap toe te werken naar een stabiliteits- en associatieovereenkomst. Belangrijk is wel dat de landen laten zien dat ze serieus vooruitgaan en de hervormingen beklijven. Bij de intensivering van de relaties geldt dat de zorg over de absorptiecapaciteit van de EU een periode van reflectie over de toekomstige ontwikkeling van de Unie noodzakelijk maakt. Het is dan ook zaak zorgvuldig om te gaan met uitbreiding van de Unie, ook als dat slechts op lange termijn speelt. Het advies gaat niet alleen in op Oekraïne en Moldavië, maar spreekt zich ook uit over Belarus (Wit-Rusland), Georgië, Armenië en Azerbeidzjan.

    Het intensiveren van de relaties met Oekraïne en Moldavië betekent niet dat toetreding van deze landen op korte termijn aan de orde is of zou kunnen zijn. Immers, voor het zover is, zullen zij eerst moeten voldoen aan de criteria die bijvoorbeeld ook aan Turkije en de landen van de westelijke Balkan worden gesteld. Deze voorbeelden laten meteen zien dat het om een hele lange weg gaat. Dat neemt echter niet weg dat een perspectief op toetreding zelfs al ligt dat in de verre toekomst, in het vooruitzicht zou moeten worden gesteld, omdat het een krachtige stimulans is voor de overgang naar een democratische rechtsstaat en grondige hervorming van de economie. De AIV voert aan dat beide processen sterk verweven zijn en dus het beste hand in hand aangepakt kunnen worden. Naast democratische instituties zoals een onafhankelijke rechtspraak, vrijheid voor de media, een deugdelijke begrotingsproces, een onafhankelijke rekenkamer en een goed werkende politie en douane, is het verbeteren van het investerings- en ondernemingsklimaat en de liberalisering van de handel van groot belang. In dat opzicht gaat het bijvoorbeeld om het verbeteren van het bank- en verzekeringswezen, kwaliteitsbewaking, consumentenorganisaties en modern beroepsonderwijs.

    De AIV doet in het advies daarnaast enkele aanbevelingen om de inzet van het nationale en Europese beleidsinstrumentarium ten aanzien van de oostelijke buurlanden beter in te zetten.
     

    Achtergrond

    De AIV zet het complexe vraagstuk van het burenbeleid van de EU voor de oosterburen helder uiteen. Daarbij gaat de AIV ook in op de bevroren conflicthaarden en de geopolitieke verhoudingen tussen de EU, Rusland en de voormalige Sovjetlanden die nu de nieuwe oostelijke buren van de EU zijn. De AIV dringt er op aan Rusland nauw te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de bevroren conflicthaarden in deze regio. Tevens signaleert de AIV dat een goede relatie met de oostelijke buurlanden, waaronder Rusland, belangrijk is voor de levering en doorvoer van energie aan de EU.

    De leidende gedachte achter het Europese burenbeleid is om politieke, economische en institutionele hervormingen in de buurlanden te stimuleren, zodat de stabiliteit en veiligheid in de directe omgeving van de Unie wordt vergroot. In ruil voor concrete resultaten op deze terreinen, is de EU bereid haar buren uitzicht te geven op een diepere economische integratie in de Europese interne markt. Dit betekent dat de EU samen met elk van deze landen actieplannen opstelt waarin de prioriteiten worden vastgelegd om stap voor stap met EU-hulp de democratische en economische hervormingen ter hand te nemen. Oekraïne en Moldavië hebben al zo'n actieplan; die voor de andere landen zijn in voorbereiding.

    Positief vindt de AIV de aanpak van het burenbeleid van de Unie, de brede inzet van middelen en instrumenten, de vereenvoudiging van de aanvraagprocedures en het feit dat de betrokken landen zelf prioriteiten stellen, in aansluiting op hun eigen beleid. De AIV beveelt aan dat Nederland er in de (Europese) Raad en het Europees Parlement op toeziet dat EuropeAid een verkorting van de aanvraagprocedures en een verbetering van de toekenning van middelen doorvoert zodat het geld terecht komt bij de beste initiatieven, zonder dat deze door tal van onnodige beperkingen worden gefrustreerd. Tegelijkertijd dringt de AIV er bij de Nederlandse regering op aan te zorgen dat voldoende middelen beschikbaar komen om aan de vraag van goede democratische en economische hervormingsinitiatieven te voldoen. Dit betreft zowel de EU-hulpfondsen als die van de Nederlandse bilaterale programma's van de ministeries van Economische en van Buitenlandse Zaken.

    De AIV beveelt aan dat het lokale EU-kantoor het voortouw neemt bij de coördinatie en afstemming van de verschillende hulpprogramma's om de samenhang en de effectiviteit van de hulp te vergroten. De Nederlandse hulp sluit goed aan op het Europese burenbeleid, maar moet niet alleen gecoördineerd worden met de verschillende vakministeries in Nederland, maar ook met de hulp van andere donoren en internationale organisaties.

    De AIV vindt daarnaast dat er meer gebruik kan worden gemaakt van uitwisselings-programma's van mensen uit het bedrijfsleven, overheidsdiensten, lokaal bestuur, politici, onderwijsinstellingen en cultuur.
     

    Contact

    Voor vragen of meer informatie kunt u bellen met de secretaris mw. dr. S. Volbeda op 070 - 348 5325 of mailen op ss.volbeda@minbuza.nl. Via haar kunt u ook interviews aanvragen met de voorzitter van de werkgroep die het advies heeft voorbereid prof. dr. J.Q.Th. Rood of met Mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged.