Maatschappij en krijgsmacht

4 mei 2006 - nr.48
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

 

Het streven naar maatschappelijk draagvlak voor militaire operaties (zie hoofdstuk I)

Het maatschappelijk draagvlak voor de krijgsmacht wordt in dit advies gedefinieerd als de opvatting bij (een meerderheid van) de Nederlandse samenleving dat de krijgsmacht nodig, dan wel onmisbaar is. In dit advies wordt voor het draagvlak voor de krijgsmacht een driedeling gemaakt tussen:

1. Het algemene draagvlak voor de krijgsmacht, zijn noodzaak en wenselijkheid;

2. Het draagvlak voor de diverse taken van de krijgsmacht, zoals landsverdediging en bijdragen aan internationale vrede en veiligheid;

3. Het draagvlak voor specifieke militaire operaties. Bij deze categorie kan verder onderscheid worden gemaakt tussen de mate van steun voor, tijdens en na een operatie die ten gevolge van ontwikkelingen kan variëren.

 

Uit onderzoek blijkt dat het draagvlak voor de eerste twee draagvlakcategorieën ruim aanwezig is. Het probleem zit vooral in de derde categorie van steun voor specifieke operaties. Daarvoor blijkt draagvlak namelijk niet bij voorbaat verzekerd. De AIV gaat in zijn algemene beschouwing over maatschappij en krijgsmacht in hoofdstuk I dan ook vooral in op de vraag, welke factoren de steun in de samenleving voor specifieke operaties van de krijgsmacht bepalen en hoe deze steun in positieve zin kan worden beïnvloed.

 

De AIV concludeert dat vijf politieke en sociale factoren de voornaamste verklaring vormen voor steun aan de internationale inzet van militairen te weten:

1. Legitimiteit: de mate waarin politieke handelingen van gezagsdragers door burgers als gerechtvaardigd en juist worden ervaren;

2. Belangen en waarden: de doelstellingen die met het militaire optreden worden beoogd;

3. Succes: het verwachte of bereikte resultaat van een militaire operatie;

4. Leiderschap: als deel van de kwaliteit van het besluitvormingsproces om aan te tonen waarom militaire inzet nodig is, en;

5. Kosten: waaronder vooral het risico op slachtoffers oefenen een negatieve invloed uit op de steun aan militaire operaties.

 

Het negatieve effect van mogelijke slachtoffers moet volgens de AIV echter niet worden overschat. Het effect ervan kan bijvoorbeeld worden gecompenseerd als de andere vier factoren als positief worden ervaren. De AIV blijft dan ook bij zijn eerdere standpunt, dat onder de bevolking in beginsel ook begrip bestaat voor militaire inzet onder risicovolle omstandigheden. Voor het bestaan van een zogenaamd bodybag-syndroom is geen wetenschappelijk bewijs.

 

Mede naar aanleiding van de casus Uruzgan - waarmee een grote Kamermeerderheid op 2 februari jl. instemde, maar waarvoor op dat moment onder de bevolking geen meerderheid was - stelt de AIV dat maatschappelijk draagvlak voor politiek besluit tot een missie weliswaar niet noodzakelijk is, maar dat dit voor (risicovolle) operaties wel degelijk gewenst is. Regeringen beschikken op dit terrein weliswaar over een redelijke speelruimte, maar dat neemt niet weg dat deze is begrensd. De openbare mening kan niet duurzaam en alleen tegen een politieke prijs worden veronachtzaamd.

 

De AIV adviseert de regering dan ook om steeds actief te streven naar een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak voor elke militaire operatie. Daartoe moet de regering zich ten aanzien van bovenstaande vijf factoren - legitimiteit, belangen en waarden, succes, leiderschap en kosten - duidelijk en onomwonden blijven uitspreken bij haar besluiten over militaire operaties.

 

Door in haar communicatie aan de bevolking en aan het parlement over een militaire operatie expliciet aandacht te besteden aan de vier factoren legitimiteit, belangen en waarden, succes en kosten, geeft de regering tevens meer inhoud aan de vijfde factor: leiderschap. Draagvlak ontstaat niet vanzelf en blijft ook niet vanzelf bestaan. Daarvoor is leiderschap nodig.

 

Andere relevante aspecten uit het advies

• Het verstrekken van goede (na)zorg aan dienstslachtoffers is van groot belang. De AIV adviseert dan ook om hieraan bij uitzendingsbesluiten standaard aandacht aan te besteden (zie paragraaf II.2).

 

• De AIV ziet thans geen redenen om de onderverdeling in de drie hoofdtaken van de krijgsmacht - 1) bescherming van het eigen grondgebied, 2) de bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit en 3) de ondersteuning van civiele autoriteiten - los te laten, ook niet om terrorismebestrijding als aparte taak op te nemen (zie paragraaf II.3).

 

• Wat de rol van de krijgsmacht bij de politiek, bestuurlijke en sociaaleconomische wederopbouw van staten betreft, sluit de AIV aan bij de wederopbouwnotitie van de regering uit 2005 met de opmerking dat de taken van de krijgsmacht en van ontwikkelingsorganisaties niet moeten worden verward (zie paragraaf II.4).

 

• Ten aanzien van het onderwerp krijgsmacht en nationale veiligheid stelt de AIV dat als het gaat om specialistische capaciteiten waarover civiele instanties niet, of niet in voldoende mate beschikken, of als de omvang van de gebeurtenis de capaciteit van de civiele dienstverleners overstijgt, een grotere rol van de krijgsmacht zeker in de rede ligt. Bijvoorbeeld op het gebied van de bestrijding van de gevolgen van NBCaanslagen of ongelukken, maar ook op andere terreinen zoals informatie-uitwisseling, kustwacht, explosievenopruiming, surveilleren met onbemande vliegtuigjes et cetera (zie paragraaf II.6).

 

• Gezien het belang van een maatschappelijk debat over de krijgsmacht, adviseert de AIV om de taak van initiator van de dialoog over maatschappij en krijgsmacht, die tot uiting kan komen in artikelen in de media, onderwijsactiviteiten en conferenties, als apart aandachtsveld te beleggen, bij het ministerie van Defensie of elders (zie paragraaf II.7).

 

• Ter bevordering van het debat over het draagvlak voor de krijgsmacht beveelt de AIV verder aan om bestaande contacten tussen civiele instanties, zoals universiteiten, en militaire instanties, zoals de Nederlandse Defensie Academie (NLDA), en de afdeling Gedragswetenschappen, uit te breiden en te borgen (zie paragraaf II.7).

 

• In dit kader adviseert de AIV ook om de ‘Monitor Steun en Draagvlak’ van de afdeling Gedragswetenschappen van het ministerie van Defensie voortaan openbaar te maken. Deze monitor doet eens per kwartaal verslag van de resultaten van het maandelijkse opinieonderzoek in opdracht van Defensie naar het draagvlak voor de krijgsmacht. Tot op heden is dit een intern document (zie paragraaf II.7).

Adviesaanvraag

 

 

Ministerie van                                                                      Ministerie van

Buitenlandse Zaken                                                             Defensie

 

Postbus 20061                                                                       Postbus 20701

2500 EB  ’s-Gravenhage                                                          2500 ES  ‘s-Gravenhage

Tel: 070-3486486                                                                    Tel: 070-3188188

 

 

 

Aan de Voorzitter van de Adviesraad

Internationale Vraagstukken

Mr. F. Korthals Altes

Postbus 20061

2500 EB  ‘s-Gravenhage

 

 

 

Onderwerp: Adviesaanvraag ‘maatschappij en krijgsmacht’

 

 

Op 22 november jl. hebben de minister van Buitenlandse Zaken, de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de staatssecretaris voor Europese Zaken en de minister van Defensie, gezamenlijk het AIV-werkprogramma 2006 aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Een van de thema's in het werkprogramma 2006 is ‘maatschappij en krijgsmacht’, waarmee in het bijzonder wordt gedoeld op het maatschappelijk draagvlak voor Defensie. Dit draagvlak hangt mede samen met de maatschappelijke perceptie van de krijgsmacht en het nut dat men aan de krijgsmacht en de uitvoering van haar hoofdtaken toekent. Hierbij is te denken aan crisisbeheersingsoperaties op grote afstand van ons land, óók hoog in het geweldsspectrum, aan de bijdrage van de krijgsmacht voor terrorismebestrijding en nationale veiligheid en aan de inzet van Nederlandse militairen voor (internationale) noodhulp en wederopbouw. De noodzaak om militairen onder gevaarlijke omstandigheden in te zetten en de bereidheid van burgers en politici daartoe, houden eveneens verband met het draagvlak. Voorts zou daarbij de opschorting van de opkomstplicht c.q. de overgang naar een volledig professionele krijgsmacht een rol kunnen spelen alsmede de terughoudendheid die om veiligheidsredenen doorgaans wordt betracht in de informatieverstrekking.

  

De regering acht een advies over het behoud van het maatschappelijke draagvlak voor Defensie zinvol. Vanuit dat perspectief worden de volgende vragen aan de AIV gesteld:

 

1.                          Hoe belangrijk acht u de publieke steun voor de krijgsmacht en door welke factoren wordt het maatschappelijke draagvlak voor de krijgsmacht bepaald?

 

2.                          In hoeverre zijn Nederlandse politieke gezagsdragers, maatschappelijke organisaties en burgers bereid slachtoffers bij militaire missies te accepteren?

 

3.                          Acht u, in het licht van de toenemende verstrengeling daarvan, de onderverdeling in drie hoofdtaken van Defensie nog toereikend? Zo, ja, welke onderlinge zwaarte zou dan, vanuit de draagvlakinvalshoek, aan de uitoefening van deze hoofdtaken moeten worden toegekend?

 

4.                          Zou de krijgsmacht, bezien vanuit het nut en de noodzaak daarvan in de ogen van de maatschappij, een grotere rol moeten spelen bij het verlenen van (inter) nationale noodhulp en aan politieke, bestuurlijke en sociaal-economische (weder) opbouw, in het bijzonder van staten die getroffen zijn door een gewapend conflict?

 

5.                          De regering staat de inzet van de krijgsmacht in alle delen van het geweldsspectrum voor. In zijn advies No. 34 over ‘Nederland en crisisbeheersing’ van maart 2004, heeft de AIV deze benadering onderschreven. Op welke wijze kan de regering zich in de visie van de AIV het best van publieke steun voor deze inzet, dus zowel stabilisatie, wederopbouw als inzet hoog in het geweldsspectrum, blijven verzekeren?

 

6.                          Zou een grotere binnenlandse rol van de krijgsmacht bij nationale veiligheid, bijvoorbeeld bij de bestrijding van terrorisme en de gevolgen van grote rampen, stroken met het veiligheidsgevoel van de burger en met diens perceptie van de rol van de krijgsmacht?

 

7.                          Acht u het informatieniveau van de Nederlandse burgers over de krijgsmacht toereikend? In hoeverre zou meer publieke informatie over de krijgsmacht het veiligheidsgevoel van de burger kunnen vergroten? Op welke manieren zouden de burgers nauwer bij de krijgsmacht kunnen worden betrokken, in het bijzonder bij militaire missies?

 

Zoals de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de begroting van Defensie voor 2006 is toegezegd, wordt de Prinsjesdagbrief 2003 geactualiseerd. Deze actualisering zal in de eerste helft van het jaar haar beslag krijgen. Aangezien de maatschappelijke steun voor de krijgsmacht een belangrijke rol speelt in de regeringsvisie op de krijgsmacht, is het de bedoeling het AIV-advies over ‘maatschappij en krijgsmacht’ bij de actualisering te betrekken. Om metterdaad van het advies te kunnen gebruikmaken, zien wij het gaarne uiterlijk half april 2006 tegemoet. Mocht de relatief korte tijdspanne dat nodig maken, dan kan de raad deze adviesaanvraag voorrang verlenen op andere verzoeken, of prioriteiten aanbrengen in de onderzoeksvragen. In voorkomend geval kan daarover nader met Defensie worden overlegd.

 

 

 

 

DE MINISTER VAN                                                               DE MINISTER VAN

BUITENLANDSE ZAKEN                                                       DEFENSIE

 

 

 

 

Dr. B. R. Bot                                                                        H.G.J. Kamp

Regeringsreacties

Ministerie van Defensie

 

Postbus 20701

2500 ES  Den Haag

Telefoon (070) 318 81 88

Fax (070) 318 78 88

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Plein 2

2511 CR  Den Haag

 

 

de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 22

2513 AA  Den Haag

 

 

Datum  23 augustus 2006

Ons kenmerk  HDAB2006026322

Onderwerp  AIV-advies Maatschappij en Krijgsmacht

 

 

 

Inleiding

Het bestaansrecht van de krijgsmacht ligt vast in artikel 97 van de Grondwet. Het eerste lid van dit artikel luidt: “Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.” Deze juridische verankering in de Grondwet laat onverlet dat brede steun in de samenleving voor de krijgsmacht belangrijk is om de haar opgedragen taken met goed gevolg uit te voeren. Deze steun is in het bijzonder van belang omdat militairen vaak onder zware, soms levensbedreigende, omstandigheden worden ingezet. Hij is ook van belang omdat de mogelijkheden van de krijgsmacht om haar taken te vervullen afhankelijk is van de maatschappelijke bereidheid om hiervoor voldoende middelen beschikbaar te stellen. Behoud – en zo nodig versterking – van de maatschappelijke steun voor de krijgsmacht vraagt dan ook voortdurend onze aandacht.

 

Op 2 juni jl. hebben de staatssecretaris en ik u een brief toegestuurd waarin wij de Prinsjesdagbrief 2003 hebben geactualiseerd (“Nieuw evenwicht, nieuwe ontwikkelingen”) – de Actualiseringsbrief. Mede in het licht van deze actualisering hebben de minister van Buitenlandse Zaken en ik de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gevraagd advies uit te brengen over de maatschappelijke steun voor de krijgsmacht. Dit advies – getiteld “Maatschappij en Krijgsmacht” – heeft u op 4 mei jl. ontvangen (30300X, nr. 93). Ik ben de raad zeer erkentelijk voor het korte tijdsbestek waarin het advies is verstrekt. In deze brief stuur ik u, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken, de reactie van de regering op het advies.

De AIV maakt in zijn advies een onderscheid tussen drie niveaus en vormen van draagvlak voor de krijgsmacht:

1.       het algemene draagvlak voor de krijgsmacht, zijn noodzaak en wenselijkheid;

2.       het draagvlak voor de diverse taken van de krijgsmacht, zoals landsverdediging en bijdragen aan internationale vrede en veiligheid;

3.       het draagvlak voor specifieke militaire operaties.

Deze niveaus, zo merkt de AIV terecht op, staan niet los van elkaar. Niettemin acht ik het onderscheid in drie niveaus behulpzaam en zal het daarom in deze reactie aanhouden.

 

Steun voor de krijgsmacht

De AIV concludeert dat er voor de krijgsmacht als zodanig een sterk maatschappelijk draagvlak bestaat. Uit peilingen van de afgelopen decennia blijkt dat gemiddeld ruim driekwart van de Nederlandse bevolking een krijgsmacht noodzakelijk acht. Het einde van de Koude Oorlog en de opschorting van de opkomstplicht hebben hieraan geen afbreuk gedaan, zo stelt de AIV vast. Ook is de vermindering van de steun die optrad na de val van de enclave in Srebrenica, van tijdelijke aard gebleken. De AIV onderstreept bovendien dat onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau in 2005 heeft uitgewezen dat de krijgsmacht kan bogen op een bovengemiddeld vertrouwen onder de Nederlandse bevolking.

 

Het spreekt vanzelf dat de goede reputatie van de krijgsmacht de regering tot tevredenheid stemt. Deze reputatie is mede het gevolg van de inspanningen van opeenvolgende kabinetten om een kwalitatief hoogwaardige krijgsmacht op de been te brengen. Na de Koude Oorlog is onze krijgsmacht omgevormd tot een goed uitgeruste en snel inzetbare strijdmacht, die samen met onze bondgenoten in alle delen van het geweldsspectrum kan optreden. De professionaliteit van de krijgsmacht wordt bovenal belichaamd door onze militairen. De Nederlandse militair schept eer in zijn beroep en kwijt zich met verstand van zijn taken. Ook in internationaal verband dwingt onze krijgsmacht daardoor respect af.

 

Het positieve oordeel van de AIV over de maatschappelijke steun voor de krijgsmacht betekent echter niet dat wij achterover kunnen leunen. Ook het 10-puntenplan van het CDA uit juli 2005 onderstreept dat de maatschappelijke steun voor de krijgsmacht voortdurend aandacht vereist. In dit verband wijst het CDA op het belang van de zichtbaarheid van de krijgsmacht. De maatschappelijke steun voor de krijgsmacht blijft ook in de toekomst onze aandacht vragen.

 

In de eerste plaats zullen opeenvolgende kabinetten ervoor moeten zorgen dat Nederland blijft beschikken over een moderne krijgsmacht die in binnen- en buitenland een belangrijke bijdrage levert aan vrede en veiligheid. Defensie verkeert nu in de eindfase van de grootste reorganisatie uit haar geschiedenis. Deze veelomvattende operatie heeft de afgelopen jaren veel van de organisatie en het personeel gevergd. Zij gaat immers gepaard met het verlies van 11.700 functies, de sluiting van bases en de afstoting van operationele capaciteiten. Ook de komende maanden zal Defensie alles in het werk stellen om het nieuwe evenwicht tot stand te brengen tussen de taken van de krijgsmacht en de beschikbare middelen. Met dit nieuwe evenwicht hoopt de regering een stabiel fundament te hebben gelegd voor de verdere doelgerichte ontwikkeling van de capaciteiten van de krijgsmacht in de komende jaren. In de Actualiseringsbrief heeft de regering onderkend dat zich sinds 2003 nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan en dat eerder onderkende ontwikkelingen zich sterker hebben doorgezet dan drie jaar geleden kon worden voorzien.  De komende jaren zal de krijgsmacht met forse nieuwe uitdagingen worden geconfronteerd. In de brief hebben wij daarom zes krijgsmachtbrede ontwikkelingsrichtingen beschreven om hieraan het hoofd te bieden, te weten:

 

1.       De uitvoering van complexe operaties op grote afstand van Nederland
Ervaringen in Irak en Afghanistan maken duidelijk dat zeer hoge eisen worden gesteld aan het optreden van westerse krijgsmachten. Voor effectief expeditionair optreden is meer nodig dan hoofdwapensystemen. Ook versterking van de ondersteunende capaciteiten van de krijgsmacht - logistiek, inlichtingen, zelfbescherming, informatie en bevelvoering - is van groot belang.

2.       Van eiland naar archipel (op weg naar een geïntegreerde aanpak)
Veiligheidsrisico’s storen zich steeds minder aan grenzen tussen landen, departementen en diensten en vragen om een bredere, geïntegreerde aanpak en nauwere samenwerking tussen departementen en diensten. Defensie is daarom zowel internationaal als nationaal allerlei samenwerkingsverbanden aangegaan die de komende periode moeten worden verbreed en verdiept.

3.       Van krijgsmachtdeel naar defensiebreed
Defensie gaat verder met de organisatorische ‘verpaarsing’ en versterking van het modulaire karakter van de krijgsmacht.

4.       Inlichtingen
Het belang van actuele inlichtingen is de afgelopen jaren verder toegenomen. De toenemende complexiteit van operaties en de mondialisering van de inzet van de krijgsmacht stellen bovendien hogere eisen aan de inlichtingenvoorziening. Deze ontwikkelingen vergen een versterking van de volledige inlichtingenketen bij Defensie.

5.       Van technologie naar informatie en innovatie
De ontwikkeling van ‘genetwerkte’ informatievoorziening, in internationaal verband aangeduid met de term Network Enabled Capabilities of kortweg NEC, is van wezenlijk belang om de interoperabiliteit met bondgenoten te verzekeren. Met BZK onderzoekt Defensie of het NEC-concept ook nationaal toepassingsmogelijkheden heeft. NEC verschaft de krijgsmacht belangrijke maatschappelijke meerwaarde omdat het concept past in het rijksbrede streven naar een kenniseconomie met een groot innoverend vermogen.

6.       Van functies naar de mensen die het doen
De kwaliteit van het militaire en burgerpersoneel blijft voor Defensie een belangrijke verworvenheid waarin onafgebroken moet worden geïnvesteerd.

 

In de tweede plaats vergt behoud van het maatschappelijk draagvlak voor de krijgsmacht dat wij goed over het voetlicht brengen waar de krijgsmacht voor staat. Bij de totstandkoming van de Actualiseringsbrief hebben wij een externe ronde georganiseerd. Hierin zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers uit de top van het bedrijfsleven, de wetenschap en de cultuur. Ook zijn er drie werkconferenties gehouden. De resultaten van deze ronde zijn gepubliceerd in Het vizier op Defensie, dat de Tweede Kamer is toegestuurd. Deze resultaten zijn ook beschikbaar via de website van Defensie (www.defensie.nl). Uit deze ronde kwam onder meer naar voren dat voor velen onvoldoende duidelijk is waarvoor Defensie staat in het huidige tijdsgewricht. Kennelijk biedt de doelomschrijving in de Grondwet hiervoor onvoldoende houvast. De regering acht het van groot belang het wezen en het maatschappelijke belang van de krijgsmacht zo aansprekend mogelijk over het voetlicht te brengen. Naar onze overtuiging staat de krijgsmacht voor de weerbaarheid van onze democratie in een voortdurend veranderende wereld. In een tijdperk van mondialisering kunnen afstanden sneller worden overbrugd en bieden grenzen minder bescherming. De gevolgen hiervan zijn vérstrekkend voor de veiligheid van een open land als Nederland. Samen met onze bondgenoten moeten wij meer dan voorheen op de problemen af voordat zij bij ons komen. Naast de bescherming van ons grondgebied gaat het daarbij steeds meer om de bescherming van burger en samenleving tegen een scala van dreigingen. Onze krijgsmacht is daartoe dagelijks actief voor vrede en veiligheid, in binnen- en buitenland, ook onder de zwaarste omstandigheden. Zij verdedigt en behartigt de belangen en de waarden van ons land. Zij is geen noodzakelijk kwaad, maar staat voor het goede op de bres.

 

In de derde plaats moet de krijgsmacht steeds weer bewijzen dat zij het vertrouwen van onze burgers en de waardering van onze bondgenoten en partners verdient. De waardering voor het militaire beroep is de afgelopen jaren onmiskenbaar toegenomen. Ook dit stemt de regering tot tevredenheid. Maar de AIV wijst er ook op dat misstanden binnen de krijgsmacht het imago van de defensieorganisatie geen goed doen. De regering is het hiermee zeer eens. Van militairen wordt juist verlangd dat zij met hun gedrag een voorbeeld stellen. Defensie zal dan ook krachtig tegen misstanden binnen de krijgsmacht blijven optreden. Om die reden heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van een melding over seksuele intimidatie aan boord van een schip van de Koninklijke marine, in maart jl. een onafhankelijke commissie verzocht vanuit een brede invalshoek te bezien in hoeverre seksuele intimidatie binnen de krijgsmacht voorkomt en nader te adviseren over hiertegen eventueel te nemen maatregelen (zie de brief (30 300 X, nr. 78) van de staatssecretaris van Defensie van 21 maart jl.).

 

Defensie zal de komende tijd op verschillende manieren trachten de dialoog over maatschappij en krijgsmacht een passend vervolg te geven. Het corporate communicatiebeleid dat Defensie op dit ogenblik ontwikkelt, speelt hierbij een belangrijke rol. Hiermee wordt aangesloten bij de aanbeveling van de AIV om de taak van initiator van de dialoog over maatschappij en krijgsmacht, die tot uiting kan komen in artikelen in de media, onderwijsactiviteiten en conferenties, als apart aandachtsveld te beleggen. Het advies van de AIV is voor Defensie voorts aanleiding nog dit jaar een symposium te organiseren over de positie van de krijgsmacht in de maatschappij. De regering wijst er overigens op dat Defensie al veel activiteiten op dit vlak uitvoert. Zo worden de open dagen van de krijgsmachtdelen elk jaar door honderdduizenden belangstellenden bezocht en heeft de website van het ministerie meer dan 120.000 bezoekers per maand. De in 2005 ingevoerde jaarlijkse Veteranendag op 29 juni kan eveneens rekenen op grote aandacht. Ook de AIV noemt de erkenning van de rol die veteranen hebben gespeeld als een apart aandachtspunt.

 

Overeenkomstig de aanbeveling van de AIV zal de ‘Monitor Steun en Draagvlak’ die de afdeling Gedragswetenschappen van Defensie elk kwartaal opstelt voortaan openbaar worden gemaakt. Ter bevordering van het debat over het draagvlak voor de krijgsmacht beveelt de AIV voorts aan om bestaande contacten tussen civiele instanties, zoals universiteiten, en militaire instanties, zoals de Nederlandse Defensieacademie (NLDA) en de afdeling Gedragswetenschappen, uit te breiden. De NLDA is het resultaat van de integratie van het Koninklijk Instituut voor de Marine, de Koninklijke Militaire Academie, het Instituut Defensie Leergangen, de Leergang Topmanagement Defensie, de Faculteit Militaire Wetenschappen en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Deze afzonderlijke instellingen hadden ieder voor zich reeds contacten met universiteiten, hogescholen en andere civiele instanties. In de recent verschenen strategische visie van de commandant van de NLDA is de uitbreiding van de samenwerking met universiteiten en hogescholen inderdaad als doelstelling opgenomen. De NLDA organiseert in dit verband onder meer conferenties op het gebied van ethiek en krijgsmacht.

 

In de externe ronde ter voorbereiding van de Actualiseringsbrief bleek dat een aantal geïnterviewden een ondersteunende rol weggelegd ziet voor Defensie bij het oplossen van sociaal-maatschappelijke vraagstukken, zoals door het leveren van een bijdrage aan de nationale integratie van minderheden en de aanpak van probleemjongeren, en de versterking van de Nederlandse kenniseconomie en de (technologische) innovatie. Naar aanleiding hiervan zal Defensie de komende periode de mogelijkheden verkennen voor versterking van haar maatschappelijke meerwaarde op deze gebieden.

 

Steun voor de hoofdtaken van de krijgsmacht

Ook wat de hoofdtaken van de krijgsmacht betreft, concludeert de AIV dat sprake is van een sterk draagvlak.1 Volgens de AIV is er geen aanleiding voor de veronderstelling dat voor bepaalde taken meer steun zou bestaan dan voor andere. De AIV ziet geen noodzaak de drie hoofdtaken van de krijgsmacht te herformuleren. In de Actualiseringsbrief zijn wij eveneens tot deze conclusie gekomen. Wel hebben wij gemeend in deze brief het ambitieniveau voor de krijgsmacht, dat operationele invulling aan de hoofdtaken geeft, te actualiseren en verduidelijken. Daarmee is concreter onder woorden gebracht wat de krijgsmacht desgevraagd in staat is te leveren. Ook wordt zo recht gedaan aan de ontwikkelingen die in de Actualiseringsbrief zijn beschreven en aan de Marinestudie uit 2005 die erop is gericht de zeestrijdkrachten beter geschikt te maken voor de ondersteuning van landoperaties.

 

Evenals de AIV onderstrepen wij voorts de vaststelling in de Prinsjesdagbrief dat de drie hoofdtaken in toenemende mate verstrengeld raken. De betekenis die aan de hoofdtaken moet worden gehecht, is zodanig aan verandering onderhevig dat het onderscheid tussen de hoofdtaken voor de uitvoering ervan inderdaad allengs minder betekenis heeft gekregen. Binnen de krijgsmacht wordt dan ook geen onderscheid gemaakt tussen nationaal en internationaal inzetbare middelen. In beginsel zijn alle militairen voor alle hoofdtaken inzetbaar. De inzet in nationaal kader is bovendien zo georganiseerd dat de deelneming aan internationale operaties niet wordt belemmerd. Wij lichten dit graag toe.

 

Wat betreft de eerste hoofdtaak – de bescherming van ons grondgebied – hebben we sinds het einde van de Koude Oorlog geen grootschalige conventionele aanval meer te duchten. Voor zover het Navo-grondgebied wordt bedreigd, bestaat deze bedreiging vooral uit terroristische activiteiten en uit het groeiende rakettenarsenaal van risicolanden als Iran en Noord-Korea. Dat het terrorisme als een bedreiging van ons grondgebied moet worden opgevat, blijkt wel het uit het Navo-besluit om artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag in te roepen in antwoord op de aanslagen van 11 september 2001. Onze militaire bijdragen aan de operatie-Enduring Freedom zijn daarom in het kader van de eerste hoofdtaak geplaatst.

 

De  tweede hoofdtaak – de bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit – is sinds het einde van de Koude Oorlog sterk op de voorgrond getreden. Het brengen van stabiliteit in het kader van een geïntegreerd veiligheidsbeleid zal de krijgsmacht voor een belangrijk deel in beslag blijven nemen. Deelneming aan crisisbeheersingsoperaties moet daarbij ook worden beschouwd als een bijdrage aan de veiligheid van ons grondgebied en van onze burgers in de brede zin van het woord. Wij gaan namelijk naar de problemen toe, voordat ze bij ons komen. Zowel de eerste als de tweede hoofdtaak stellen tegenwoordig zeer hoge eisen aan het expeditionaire vermogen van onze krijgsmacht. Zij moet samen met andere krijgsmachten snel, over grote afstanden en onder zeer uiteenlopende omstandigheden kunnen optreden.

 

De derde hoofdtaak – de ondersteuning van civiele autoriteiten (nationaal, maar onder meer bij het verlenen van noodhulp soms ook internationaal) – heeft de afgelopen jaren duidelijk aan belang gewonnen. Van oudsher verleent de krijgsmacht de civiele autoriteiten militaire bijstand en steun met de haar ter beschikking staande middelen. Zij voert sommige civiele taken ook regulier uit, zoals luchtruim- en kustbewaking. De marechaussee vervult bovendien belangrijke taken ten behoeve van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bijvoorbeeld op Schiphol. Mede als gevolg van de terroristische dreiging gaat deze hoofdtaak meer dan voorheen onze aandacht opeisen. Op militairen kan immers een beroep worden gedaan om een terroristische aanslag te verijdelen of de gevolgen daarvan op ons grondgebied te beperken. De derde hoofdtaak valt in dat opzicht dus samen met de eerste hoofdtaak. Maar de krijgsmacht kan de civiele autoriteiten op veel meer manieren bijstaan. De krijgsmacht beschikt immers over specifieke kennis, vaardigheden en middelen. Deze kunnen voor civiele instanties – zoals de politie, de brandweer of geneeskundige diensten – van groot belang zijn, niet alleen bij de bestrijding van het terrorisme maar ook van rampen. Een grotere rol van de krijgsmacht ligt volgens de AIV voor de hand als het gaat om specialistische capaciteiten waarover civiele instanties niet of in onvoldoende mate beschikken, of als de omvang van de gebeurtenis de capaciteit van de civiele dienstverleners te boven gaat. Ik beschouw deze zienswijze als een ondersteuning van de maatregelen die ik samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 24 mei jl. in de brief “Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking” (30 300 X nr.106) aan de Tweede Kamer heb aangeboden en waarvoor het kabinet extra geld beschikbaar heeft gesteld.

 

Het vervagend onderscheid tussen de hoofdtaken laat onverlet dat het onderscheid tussen de hoofdtaken van belang blijft omdat dit onderscheid de grondslag bepaalt voor de inzet van de krijgsmacht.

 

Steun voor operaties

Op het niveau van specifieke militaire operaties acht de AIV maatschappelijke steun niet bij voorbaat verzekerd. Deze steun kan sterk variëren en soms aanzienlijk zwakker zijn dan de steun voor de krijgsmacht als zodanig of voor haar hoofdtaken, aldus de AIV. De AIV bevestigt zijn eerdere oordeel dat maatschappelijk draagvlak voor een uitzendbesluit – hoe gewenst ook – niet doorslaggevend is. Wel adviseert de AIV de regering steeds actief te streven naar een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak voor elke militaire operatie, zowel bij de besluitvorming over de deelneming als tijdens de operatie. Daarbij adviseert de AIV de regering in het bijzonder aandacht te besteden aan vijf factoren waarvan de maatschappelijke steun aan de internationale inzet van militairen afhankelijk is:

1.       legitimiteit: de mate waarin politieke handelingen van gezagsdragers door burgers als gerechtvaardigd en juist worden ervaren;

2.       belangen en waarden: de doelstellingen die met het militaire optreden worden beoogd;

3.       succes: het verwachte of bereikte resultaat van een militaire operatie;

4.       leiderschap: als deel van de kwaliteit van het besluitvormingsproces om aan te tonen waarom militaire inzet nodig is, en;

5.       kosten: waaronder vooral het risico van slachtoffers.

De AIV adviseert de regering bij de besluitvorming en de communicatie over operaties expliciet aandacht te besteden aan de factoren legitimiteit, belangen en waarden, succes en kosten. Daarmee zou de regering volgens de AIV tevens meer inhoud geven aan de vijfde factor: leiderschap. De AIV staat in dit verband tevens stil bij de besluitvorming over de bijdrage van Nederland aan de door de Navo geleide Isaf 3-missie in Zuid-Afghanistan. Volgens de AIV is een sterk maatschappelijk draagvlak voor dergelijke riskante operaties gewenst. De AIV constateert dat vier van de vijf factoren - legitimiteit, belangen en waarden, succes en kosten - inderdaad in de betreffende artikel-100 brief aan de orde komen. De raad verwijst naar peilingen volgens welke er nog (net) geen absolute meerderheid van de bevolking voor de missie bestond toen de Tweede Kamer op 2 februari jl. met deze bijdrage instemde. Wel erkent de raad dat de maatschappelijke steun voor de missie in de daaraan voorafgaande maanden december en januari sterk was toegenomen, zodat ten tijde van het overleg met de Tweede Kamer het aantal voorstanders het aantal tegenstanders overtrof.

 

Wij onderschrijven het belang dat AIV hecht aan een zo sterk mogelijk maatschappelijk draagvlak voor militaire operaties. Het onderscheid dat de AIV maakt tussen de verschillende factoren waarvan dit draagvlak afhankelijk is, achten wij hierbij behulpzaam. Wij zijn van oordeel dat deze factoren in voldoende mate deel uitmaken van de aandachtspunten van het Toetsingskader – en dat deze aandachtspunten de regering derhalve in staat stellen om inhoud te geven aan de door de AIV genoemde factoren. De regering merkt hierbij op dat haar mogelijkheden om maatschappelijk draagvlak voor een missie te verwerven, beperkt zijn zolang zij zelf nog geen besluit heeft genomen. De fase die voorafgaat aan een besluit kenmerkt zich veelal door intensief (diplomatiek) internationaal en nationaal overleg. Volledige openheid van zaken is in deze periode vaak niet mogelijk. Hierdoor worden de mogelijkheden beperkt om gericht te werken aan versterking van het maatschappelijk draagvlak voor een missie. Deze beperkingen gelden uiteraard niet meer wanneer een besluit eenmaal is genomen.

 

De AIV besteedt in zijn advies ook aandacht aan de relatie tussen het risico dat er slachtoffers vallen en de steun voor militaire operaties. De raad concludeert dat er geen wetenschappelijk bewijs bestaat voor de hypothese dat naarmate het aantal slachtoffers toeneemt de steun voor een militaire operatie afneemt. De slachtoffertolerantie is vooral een functie van de andere factoren (legitimiteit, belangen en waarden, succes en leiderschap), aldus de AIV.  De regering onderschrijft deze stelling. Op de politiek rust de verantwoordelijkheid uiterst zorgvuldig om te gaan met de uitzending van militairen. Politici moeten de risico’s die zij lopen steeds van geval tot geval afwegen tegen de belangen en de waarden die in het geding zijn en de haalbaarheid van de missie. Wanneer zij een besluit tot deelneming aan een crisisbeheersingsoperatie hebben genomen, dienen zij publieke steun te verwerven voor deze operatie.

 

De AIV adviseert om bij uitzendbesluiten standaard aandacht te besteden aan het verstrekken van goede (na)zorg aan dienstslachtoffers. De regering onderschrijft de visie van het AIV dat het verstrekken van goede zorg en nazorg aan militairen van groot belang is. Defensie is zich zeer bewust van de verantwoordelijkheid voor haar personeelsleden, in het bijzonder voor de militairen die uitgezonden worden of zijn geweest in crisisbeheersingsoperaties. Om aan deze verantwoordelijkheid inhoud te geven is een integrale zorgvisie ontwikkeld, die inhoudt dat alle medewerkers en oud-medewerkers van Defensie recht hebben op de noodzakelijk te verlenen zorg. De zorgvisie is onder meer uiteengezet in een brief aan de Tweede Kamer van 30 maart jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 210). De regering wijst erop dat een deel van de voorzieningen en regelingen rechtstreeks samenhangt met afzonderlijke uitzendingen. Zo wordt onder meer in de voorbereiding van de uitzending aandacht besteed aan het omgaan met stress, is de geneeskundige verzorging een belangrijk onderdeel van het militair advies van de Commandant der Strijdkrachten en van de militaire planning, en volgt elke militair na de uitzending standaard een nazorgtraject. Daarnaast echter zijn er ook aspecten waar het verband tussen (na)zorg en afzonderlijke uitzendingen minder direct is, zoals bij werving en selectie, of bij de zorg voor en reïntegratie van ex-militairen die vanwege blijvend letsel de krijgsmacht moesten verlaten.

 

DE MINISTER VAN DEFENSIE

 

 

__________________

 1     In de Defensienota 2000 zijn drie hoofdtaken van de krijgsmacht onderscheiden, te weten:

1.        bescherming van de integriteit van het eigen en het bondgenootschappelijke grondgebied, inclusief de Nederlandse Antillen en Aruba;

2.        bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit;

3.        ondersteuning van civiele autoriteiten bij rechtshandhaving, rampenbestrijding en humanitaire hulp, zowel nationaal als internationaal.

 

Persberichten

AIV-advies inzake maatschappij en krijgsmacht

 

Origineel persbericht

 

Dit is een persbericht van de Adviesraad Internationale

Vraagstukken.

 

4 mei 2006

 

De regering moet actief streven naar maatschappelijk draagvlak voor de militaire operatie in Uruzgan. Dat adviseert de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in zijn nieuwe advies getiteld Maatschappij en Krijgsmacht, dat vandaag openbaar is gemaakt. Tot op heden bestaat hiervoor onder de Nederlandse bevolking namelijk geen grote meerderheid, terwijl dat volgens de AIV voor deze risicovolle operatie wel gewenst is.

 

Publieke steun voor de krijgsmacht in het algemeen alsmede voor specifieke militaire operaties is van groot belang, aldus de AIV. Een bijzonder aspect hierbij is dat de krijgsmacht als drager van het ‘zwaard van de overheid’ het hoogste offer van het personeel moet kunnen vragen. De regering beschikt op dit gebied weliswaar over een redelijke speelruimte, maar deze is begrensd. Als de openbare mening gedurende langere tijd wordt veronachtzaamd, gaat dat ten koste van een politieke prijs.

 

Ter vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor militaire operaties als in Uruzgan moet de regering zich duidelijk uitspreken over de volgende vijf factoren: legitimiteit, belangen en waarden, succes, leiderschap en kosten waaronder vooral mogelijke slachtoffers. Daarbij moet het negatieve effect van mogelijke slachtoffers volgens de AIV niet worden overschat. Het effect ervan is mede afhankelijk van hoe de andere vier factoren door de publieke opinie worden ervaren.

 

Door in haar communicatie met de bevolking en het parlement over een militaire operatie steeds expliciet aandacht te besteden aan legitimiteit, belangen en waarden, succes en kosten geeft de regering inhoud aan de factor leiderschap. De AIV constateert in zijn advies dat dit element in de aanloop naar het afrondende Uruzgan-debat van 2 februari 2006 met de Tweede Kamer, onvoldoende naar voren is gekomen.

 

Noot voor de redactie / Niet voor publicatie:

Het advies is voorbereid door de Commissie Vrede en Veiligheid (CVV) onder leiding van Relus ter Beek, Commissaris van de Koningin in Drenthe en oud-minister van Defensie. Nadere informatie over dit advies te verkrijgen bij de secretaris van de CVV, Hans van Leeuwe (070 – 348 5326/5108). De CVV is één van de vier vaste commissies van de AIV. De AIV is een onafhankelijke bij wet ingestelde adviesraad, die tot taak heeft de regering en de Staten-Generaal over buitenlands beleid te adviseren. De AIV wordt voorgezeten door Frits Korthals Altes, minister van Staat. Het advies kan vanaf donderdag 4 mei worden gedownload van de website www.aiv-advies.nl.