De financiën van de Europese Unie

18 december 2007 - nr.58
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

 

Met dit advies en de daarin vervatte aanbevelingen wil de AIV bijdragen aan de gedachtevorming
voor de Nederlandse opstelling met betrekking tot de financiën van de EU.

De AIV heeft zich bewust gericht op de middellange termijn en op hetgeen politiek haalbaar
en doenbaar is in het kader van de allesomvattende en brede evaluatie in 2008/2009,
waartoe de Europese Raad heeft opgeroepen. De AIV heeft hierbij in aanmerking genomen
dat dit tijdstip niet zeer gunstig is voor meer fundamentele hervormingen, temeer daar het
samenvalt met de ratificatie van het Ontwerpverdrag tot wijziging van het EU- en EG-verdrag.

Ruim twintig jaar geleden is een specifieke compensatieregeling voor het VK getroffen die
nog steeds geldt. Deze is evenwel inmiddels, gelet op de sterk toegenomen welvaart van
het VK en gelet op de uitbreiding van de Unie met armere lidstaten, zonder meer buiten--
sporig. Deze compensatieregeling kent bovendien geen horizonbepaling (zij is in principe
oneindig) en het VK kan elke verandering van de regeling blokkeren. Feitelijk is de invoering
van een algemeen correctiemechanisme waarin de regeling voor het VK opgaat, de enige
mogelijkheid om die specifieke correctie voor het VK te beëindigen.

De AIV heeft als uitgangspunt genomen de noodzaak om afstand te nemen van het denken
in nettobetalingsposities en het beleid – en met name het uitgavenbeleid – te beoordelen
langs de meetlat van de toegevoegde waarde voor de EU als geheel.

Heroriëntatie van het uitgavenbeleid en opschoning van het corrrectiemechanisme staan
hierbij centraal. Beide elementen zijn in de ogen van de AIV onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Het is een illusie de korting die het VK heeft bedongen op de helling te kunnen
zetten zonder de uitgaven van de GLB te verlagen. Omgekeerd is het ook een hersenschim
het GLB fundamenteel te hervormen zonder de korting van het VK aan te pakken.

De AIV acht de tijd nú rijp deze cirkel te doorbreken door in de komende onderhandelingen
in te zetten op de kwaliteit van het beleid, uitgaande van objectieve beoordelingscriteria.
Gedurende de laatste twee decennia is het EU-beleid al te zeer beoordeeld in termen van
centen en procenten.

Een beperkt, generiek werkend correctiemechanisme zal gedurende enige tijd nog noodzakelijk
blijven. De omvang ervan en de bestaansgrond zal echter afnemen naarmate de
ombuiging van het uitgavenbeleid gestalte krijgt en de beginselen van opportuniteit, subsidiariteit
en proportionaliteit doorslaggevend worden.

Op grond van zowel inhoudelijke als politieke overwegingen acht de AIV op de middellange
termijn een meer fundamentele wijziging van het systeem van eigen middelen voor de EU in
de richting van fiscale eigen middelen uitgesloten. Op de lange termijn is de AIV van mening
dat de weg open moet blijven voor een systeem van eigen middelen dat ten principale niet
is gebaseerd op nationale begrotingsafdrachten. Een fiscaal BTW-middel biedt daarbij
volgens de AIV het meeste perspectief.

Met dit voor ogen heeft de AIV zijn aanbevelingen in dit advies geformuleerd zowel inzake
de uitgaven als inzake de inkomsten van de EU.

Inzake de uitgaven,
(i) met betrekking tot het beleid voor Duurzame Groei:

Aanbeveling 1:
De AIV beveelt op grond van het subsidiariteitsbeginsel aan in EU-verband een gemeenschappelijke
visie op de hoofdtransportverbindingen en knooppunten te ontwikkelen.
Alleen zó kunnen tijdig mogelijke knelpunten in de infrastructurele voorzieningen worden
gesignaleerd en kan worden ingespeeld op het ontstaan van nieuwe, innovatieve
netwerken. Waar sprake is van substantiële grensoverschrijdende effecten moet
volgens de AIV de EU deze zaken, op grond van het proportionaliteitsbeginsel, door
cofinanciering stimuleren.

Aanbeveling 2:
De interne markt moet worden aangevuld met een Europese kennisruimte. Daarbij
hoort een groter kennis- en innovatiebudget. De AIV is het eens met de bevindingen van
de groep-Sapir, die pleit voor een sterkere rol van de EU bij het bevorderen van O&O en
onderschrijft de conclusie dat binnen de Europese begroting veel meer middelen moeten
worden vrijgemaakt dan de huidige 0,05 procent van het BNIEU per jaar. Dat vraagt
om een herschikking binnen de begroting.

Aanbeveling 3:
Op grond van het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel moet naar de mening van
de AIV de EU door cofinanciering O&O stimuleren dat qua schaal anders niet van de
grond zou komen. Het budget hiervoor moet niet vooraf via nationale enveloppen worden
verdeeld, maar beschikbaar zijn voor de projecten die in een internationale competitie
als beste naar voren komen.

(ii) met betrekking tot het Cohesiebeleid:

Aanbeveling 4:
De AIV beveelt aan de Convergentiesteun te concentreren op de armere lidstaten (met
een BNI per hoofd van de bevolking onder de 90 procent van het EU-gemiddelde).

Aanbeveling 5:
De AIV beveelt de volgende vernieuwingen in het Cohesiebeleid aan:

  1. het verlagen van de bijdragepercentages uit het EU-budget naar maximaal 25 procent voor de rijkere lidstaten (en maximaal 50 procent voor de armere);
  2. het vormen van een reserve van behoorlijke omvang (ten minste 10 procent van het budget), die niet vooraf via nationale enveloppen wordt verdeeld, maar beschikbaar blijft voor de projecten die in een internationale competitie als beste naar voren komen en
  3. het inperken van de geprivilegieerde status van Structuurfondsen (i.e. het beperken van de praktijk in de Structuurfondsen om uitgaven overmatig door te schuiven naar het einde van de tijdspanne van de Financiële Vooruitzichten, zodat opeenhoping en bestedingsdwang worden voorkomen).

Aanbeveling 6:
Met het oog op het absorptievermogen van de armste lidstaten is het belangrijk de
grens voor de jaarlijkse uitgaven voor het Cohesiebeleid van maximaal 3,8 procent van
het BNP van de ontvangende armste lidstaten te handhaven.

Aanbeveling 7:
Het realiseren van de Lissabondoelstellingen met betrekking tot de verhoging van de
arbeidsparticipatie moet worden ondersteund door deze inspanningen mede te
financieren uit de Structuurfondsen van de EU, in het bijzonder uit het Europees
Sociaal Fonds.

Aanbeveling 8:
Kleine, grensoverschrijdende infrastructuurprojecten, die niet via de markt tot stand zouden
komen, moeten volgens de AIV wel op basis van cofinanciering door de EU gestimuleerd
blijven worden, ook al zijn de betrokken gebieden in rijkere lidstaten gelegen.

(iii) met betrekking tot het GLB:

Aanbeveling 9:
Naar het oordeel van de AIV blijven verdere hervormingen van het GLB noodzakelijk. De
opportuniteit en de maatschappelijke legitimiteit van de bestaande inkomenstoeslagen
aan boeren zijn en blijven kwetsbaar. Het GLB zal, volgens de AIV, in de nabije toekomst
veel sterker moeten inspelen op nieuwe maatschappelijke wensen. De inzet van het
huidige kabinet om de huidige Europese inkomenstoeslagen in de landbouw sterker te
koppelen aan het realiseren van maatschappelijke waarden zoals voedselveiligheid en
voedselzekerheid, het instandhouden van het landschap en de zorg voor het milieu en
het dierenwelzijn (zie het Coalitieakkoord van februari 2007), wijst in de juiste richting.
Dit verdient nadere uitwerking.

Aanbeveling 10:
De AIV acht het zaak in het GLB te kiezen voor een gebiedsgerichte aanpak op basis
van cofinanciering binnen een gemeenschappelijk kader dat concurrentieverstoringen
op de interne markt tegengaat.

Aanbeveling 11:
De AIV beveelt aan in de onderhandelingen over wijzigingen in het GLB geen nadruk te
leggen op de financiële gevolgen voor de Nederlandse nettobetalingspositie, maar de
focus duidelijk te richten op de kwaliteit van het beleid.

Aanbeveling 12:
Naar de mate waarin het prijsherstel van de landbouwproducten zich doorzet, zullen
meer Europese boeren rechtstreeks op de markt een passende beloning kunnen verdienen
en is er volgens de AIV méér reden voor verdergaande hervormingen van het
GLB. Dit betekent dat de tijd nog niet eerder zó gunstig was voor het invoeren van de
noodzakelijke hervormingen van het GLB.

(iv) met betrekking tot het beleid voor ‘De EU als Wereldspeler’:

Aanbeveling 13:
De financiële herziening dient te worden aangegrepen om in de EU te streven naar:

  1. een communautaire financiering van alle onderdelen (in plaats van de huidige intergouvernementele van bepaalde onderdelen);
  2. een verruiming van de middelen voor het Externe Beleid en
  3. het leggen van de prioriteit bij het verhogen van het non-ODA deel van de middelen (in de Financiële Vooruitzichten 2007-2013 betreft 90 procent van de middelen in de rubriek ‘De EU als Wereldspeler’ ODA-gelden), met bijzondere aandacht voor de rol van de Unie op het gebied van conflictpreventie, crisisbeheersing en stabiliteitsbevordering en wederopbouw, zonder dat dit ten koste gaat van de ODA-uitgaven.

Aanbeveling 14:
Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) dient onder de reguliere EU-begroting te worden
gebracht. Dit zal de synergie en transparantie van dit fonds ten goede komen.

Aanbeveling 15:
De Unie en de lidstaten zullen in het kader van de herziening een grotere inspanning
moeten plegen om tot een meer coherente inzet van de beschikbare middelen te
komen. Trefwoorden daarbij zijn de toegevoegde waarde van EU-beleid, effectiviteit,
continuïteit en eerlijke lastenverdeling over de lidstaten.

(v) met betrekking tot de begrotingsonevenwichtigheden:

Aanbeveling 16:
De AIV pleit voor het invoeren van een algemeen correctiemechanisme dat ten doel
heeft buitensporige onevenwichtigheden binnen bepaalde grenzen aan de uitgavenkant
te compenseren (ter vervanging van het complexe systeem van correcties aan de
inkomstenkant).

Aanbeveling 17:
Een dergelijk correctiemechanisme zal naar de mening van de AIV vanaf 2014 stapsgewijs
kunnen worden ingevoerd. In het licht van de ombuiging van het uitgavenbeleid zal
het maximaal te compenseren bedrag geleidelijk afnemen.

Inzake de inkomsten:

Aanbeveling 18:
De AIV is van mening dat het op de korte en middellange termijn niet doenlijk is over te
gaan op een geheel nieuw systeem van eigen middelen voor de EU.

Aanbeveling 19:
De AIV blijft van mening dat op de lange termijn de weg open moet blijven voor een systeem
van eigen middelen dat niet ten principale gebaseerd is op nationale begrotingstoewijzingen.

Aanbeveling 20:
Op de lange termijn meent de AIV dat van de verschillende opties een eigen middel uit
de BTW, zoals door de Commissie wordt gesuggereerd, het meeste in aanmerking komt
voor de financiering van de EU.

Adviesaanvraag

Dit advies is uitgebracht op eigen initiatief.

Regeringsreacties

Aan de Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken
Mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB  Den Haag

 

Datum      11 april 2008
Betreft      De Financiën van de Europese Unie

 

Geachte heer Korthals Altes,

Namens het kabinet dank ik de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voor het advies De Financiën van de Europese Unie, dat tot stand is gekomen op eigen initiatief van de Adviesraad. Hierbij zend ik u de reactie van het kabinet op het advies. Een afschrift van deze brief laat ik tevens aan de Voorzitters van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer toekomen.

Algemeen

Het kabinet is van mening dat het onderhavige advies een aantal nuttige aanbevelingen bevat om de Europese discussie met betrekking tot de begrotingsevaluatie aan te gaan. Het kabinet vindt het belangrijk dat de discussie over de begroting van de EU wordt gevoerd. Het valt derhalve te loven dat de AIV dit onderwerp heeft opgepakt.

Het kabinet vindt het een goede zaak dat de AIV het advies heeft ingebracht in de internetconsultatie1 die de Commissie met betrekking tot de EU-begrotingsevaluatie heeft gelanceerd. De kabinetsreactie die nu voor u ligt zal, evenals de bijgevoegde kabinetsreactie op het consultation paper (‘De begroting hervormen voor een ander Europa’), door het kabinet in de internetconsultatie worden ingebracht.

Uw advies bevat een twintigtal aanbevelingen. Grosso modo bent u van mening dat ‘verdere hervormingen van het GLB’ en een concentratie van de convergentiesteun op de armere lidstaten het aandeel van GLB- en Cohesieuitgaven zal doen verminderen. Hierdoor wordt ‘een verschuiving’ van middelen naar onder andere beleid ter versterking van de concurrentiekracht (Lissabon) en het extern beleid mogelijk. Zoals u uit de bijgevoegde kabinetsreactie op het consultation paper van de Commissie kunt lezen komt uw advies in grote mate overeen met de kabinetspositie.

Ook de uitgangspunten voor de EU-begrotingsevaluatie vertonen veel overeenkomsten. Het kabinet is van mening dat EU-beleid gebaseerd zou moeten zijn op subsidiariteit, toegevoegde waarde en solidariteit. Bovendien moet EU-beleid efficiënt en effectief uit te voeren zijn. Bij activiteiten met een aantoonbaar grensoverschrijdend karakter, die niet door lidstaten alleen kunnen worden aangepakt en waarbij Europees beleid duidelijke meerwaarde heeft ligt een Europese aanpak voor de hand.

Centraal uitgangspunt

Het centrale uitgangspunt van het kabinet tijdens de EU-begrotingsevaluatie is dat Nederland, voor de periode van de nieuwe meerjarenbegroting na 2013, een brede herziening voorstaat die alle uitgaven en het gehele systeem van eigen middelen dekt. Doel is een fundamentele hervorming en modernisering van de EU-uitgaven en het inkomstensysteem. De herziening van de begroting begint echter bij de hervorming van de uitgaven.  Om dit te bereiken is een ambitieuze agenda nodig waarbij controversiële onderwerpen niet uit de weg worden gegaan, te beginnen bij een discussie over beleid, meerwaarde, subsidiariteit en solidariteit. Pas als blijkt dat onvoldoende hervormingen aan de uitgavenkant gerealiseerd kunnen worden, liggen correcties aan de inkomstenkant voor de hand.

Uitgaven

Het kabinet steunt uw aanbevelingen om een groter deel van de EU-begroting te besteden aan kennis en innovatie, met name voor projecten waar sprake is van schaalvoordelen door een Europese aanpak, met kwaliteit als leidend criterium.

Voor verbetering van de concurrentiekracht van de EU is ook goede infrastructuur nodig, zowel met betrekking tot transport als energienetwerken en telecommunicatie. Binnen de EU-begroting zou volgens het kabinet naast Lissabon meer aandacht moeten worden besteed aan klimaat- en energiebeleid, het externe beleid en JBZ.

Het kabinet steunt de AIV-aanbeveling om de cohesie- en structuurmiddelen te beperken tot de minst welvarende EU-lidstaten. Het kabinet deelt ook de aanbeveling om het plafond aan inkomsten per land te handhaven. Volgens het kabinet is er, evenals in uw advies, ook een rol voor de EU weggelegd bij het realiseren van grensoverschrijdende projecten. Dit ter versterking van de groei in economisch verweven grensregio’s en voor projecten die gericht zijn op grensoverschrijdende maatschappelijke en sociale vraagstukken.

In uw rapport concludeert u dat er aanleiding is voor een heroriëntatie van het GLB. Het Coalitieakkoord van februari 2007 wijst hierbij volgens u in de juiste richting. Een koppeling van inkomenstoeslagen aan maatschappelijke waarden verdient volgens u echter nog een nadere uitwerking.

Het kabinet zal over al deze punten in de loop van dit jaar een notitie op hoofdlijnen naar de Tweede kamer sturen. Het aankomende SER-advies en de reeds ontvangen adviezen van de Raad voor het Landelijk Gebied en het Milieu- en Natuurplanbureau over deze materie bieden voor deze notitie nuttige handvatten.

Eigen middelen

De modernisering van de inkomsten van de Unie moet een essentieel onderdeel zijn in de begrotingsevaluatiediscussie. U constateert een eigenmiddelensysteem dat “ernstig is ontregeld” (door de korting van het VK en de financiering daarvan) en een “juste-retourdenken dat gemeengoed is geworden”.

Het kabinet is met de AIV van mening dat het eigenmiddelensysteem rechtvaardig, transparant en eenvoudig moet zijn, met lage inningskosten. Ook dienen de inkomsten bij voorkeur voorspelbaar te zijn en de uitgaven volledig te dekken. Het kabinet ziet afdracht gebaseerd op relatieve welvaart (het BNI middel) als het meest geschikte middel om de uitgaven van de Unie te financieren Een dergelijk systeem is transparant, eenvoudig, en bovendien dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten.

Waar de mening van het kabinet en uw commissie uiteenlopen is over de langetermijnvisie. U pleit dan voor een eigen Europees eigen middelen systeem gerelateerd aan de BTW. Het kabinet is echter geen voorstander van een Europese belasting, zoals het toewijzen van een deel van de nationale BTW aan de EU. Daarbij gelden de volgende overwegingen:

  • Het BNI-middel is billijker dan het BTW-middel. Voor het BTW-middel zijn niet voor niets in het verleden compenserende maatregelen getroffen.
  • Een Europese belasting verhoogt wellicht de zichtbaarheid van de kosten van de EU, maar dit betekent niet automatisch een groter draagvlak voor de EU bij de bevolking.
  • Fiscale eigen middelen voor de Unie voorkomen niet dat de uitgaven en inkomsten herleid zullen worden tot nationale bijdragen en inkomsten, al was het alleen maar omdat de lidstaten bij vrijwel elke vorm administratieve handelingen moeten verrichten.
  • Een ander nadeel van fiscale systemen is dat de inkomsten onzeker zijn terwijl de EU-uitgaven vastliggen. Dit past niet bij het Europese principe dat de inkomsten de jaarlijkse uitgaven geheel moeten dekken.

Het begrip nettopositie

Uw advies stelt kritische kanttekeningen bij de boekhoudkundige definitie2 van het begrip nettopositie. Landbouwheffingen en invoerrechten zouden volgens u niet nationaal zijn. Het kabinet kijkt hier anders tegenaan. De economische last van de ingevoerde goederen drukken grotendeels op de economische actoren in ons land. Om die reden is het logisch de invoerrechten mee te rekenen als afdracht aan de Unie.

Nederland is van mening dat de definitie van de nettopositie alle financiële voordelen en nadelen zou moeten omvatten. Dat is immers het meest transparant.

Correctiemechanismen

Het kabinet is van mening dat het huidige compensatiemechanisme aan de inkomstenkant kan verdwijnen zodra er aan de uitgavenkant substantieel hervormd wordt. Er hoeft in dit geval geen sprake te zijn van een correctiemechanisme aan de uitgavenkant. Het kabinet is met u van mening dat de oplossing moet worden gezocht in beleidshervormingen.

Het kabinet heeft met de AIV gemeen dat mocht er sprake blijven van buitensporigheden, correctiemechanismen (helaas) noodzakelijk blijven. U pleit in uw advies voor een correctiemechanisme dat buitensporigheden via de uitgavenkant compenseert. Het kabinet voelt meer voor een correctiemechanisme aan de inkomstenkant, dat wil zeggen via lagere afdrachten aan de EU. Een dergelijk mechanisme leidt niet tot het onnodig rondpompen van geld en tot een meer effectieve en efficiënte besteding van middelen. Er worden met correcties aan de inkomstenkant daarnaast geen extra EU-uitgaven gecreëerd, waardoor anders de vrijheid om de middelen volgens nationale prioriteiten te besteden beperkt wordt. Tenslotte genereert een correctiemechanisme aan de uitgavenkant onnodige extra administratieve druk.

Conclusie

Concluderend stelt het kabinet dat het advies De Financiën van de Europese Unie grotendeels in lijn is met het kabinetsbeleid en een nuttige inbreng voor de verdere discussie vormt. Het kabinet dankt u (nogmaals) voor het advies.

 

De Staatssecretaris voor Europese Zaken,
Frans Timmermans

______________________________

1 Zie http://ec.europa.eu/budget/reform/issues/issues_nl.htm voor de reacties tot nu toe.
2 De Nederlandse definitie rekent traditionele eigen middelen (douanerechten en landbouwheffingen) toe aan lidstaten. Daarnaast rekent de Nederlandse definitie de administratieve uitgaven toe aan de lidstaten.
Persberichten

­­­­­­­­DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE


Den Haag, 18 december 2007

DE FINANCIEN VAN DE EU MOETEN GRONDIG WORDEN HERZIEN, dat staat in het vandaag verschenen AIV-advies. Dit moet mogelijk zijn binnen het bestaande begrotingskader en zonder wezenlijke verhoging van de totale uitgaven van de EU. Het moet er op termijn tevens toe leiden dat de noodzaak tot correctie van begrotingsonevenwichtigheden komt te vervallen.

Dat is belangrijk omdat het bestaande systeem van inkomsten en uitgaven sinds 1984 door de invoering van de Britse korting en de financiering ervan door de andere lidstaten, ernstig is ontspoord. De onderhandelingen over het financieel meerjarenkader en de jaarlijkse begrotingen zijn sindsdien steeds meer in het teken van de lastenverdeling tussen lidstaten komen te staan (de z.g. netto bijdrage). Deze ontwikkeling heeft keer op keer tot ernstige wrijvingen tussen de lidstaten geleid. Dit heeft een verstorend effect gehad op het stellen van beleidsprioriteiten in het uitgavenbeleid van de EU. In de politiek is daardoor de betekenis van het EU-lidmaatschap versmald tot de nettobijdragepositie. En dat terwijl de EU-begroting op jaarbasis nog geen 1% van het bruto nationaal inkomen uitmaakt.

De AIV komt tot de conclusie dat Nederland een heroriëntatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) moet nastreven. Daarbij gaat het met name om een sterkere koppeling van inkomenstoeslagen aan het realiseren van maatschappelijke waarden (z.g. groene diensten). Hierbij moet tevens de mogelijkheid van cofinanciering worden bekeken. Dit betekent dat lidstaten zelf ook bijdragen aan de inkomensondersteuning. Op deze wijze zijn lidstaten veel beter in staat maatwerk te leveren, zodat direct kan worden ingespeeld op specifieke situaties in hun land. Zo vereist de leegloop van het platteland in Frankrijk een andere benadering dan de druk op de ruimte die kenmerkend is voor Nederland. En naarmate het prijsherstel op de landbouwmarkten zich doorzet en meer boeren hun inkomen rechtstreeks uit de markt kunnen halen, zal er ook meer ruimte zijn voor dergelijke hervormingen.

De AIV vindt verder dat het Cohesiebeleid vooral in de armere lidstaten vorm moet krijgen, terwijl de rijkere landen zelf verantwoordelijk moeten nemen voor het gelijktrekken van welvaartsverschillen in eigen land. Dat laatste hoeft niet op het niveau van de EU te worden gedaan.

Door deze maatregelen zal op termijn het aandeel in de uitgaven voor het GLB en het Cohesiebeleid verminderen en kan er meer geld beschikbaar komen voor beleid ter versterking van de concurrentiekracht en voor het Externe beleid. Wat het eerste betreft zal de nadruk vooral moeten liggen op Onderzoek en Ontwikkeling. Bij een Europese kennisruimte hoort een groter kennis- en innovatiebudget. Voor het Extern beleid pleit de AIV voor een grotere rol van de Unie op het gebied van conflictpreventie, crisisbeheersing, stabiliteitsbevordering en wederopbouw.

Aanleiding tot dit advies vormt de oproep van de Europese Raad tot een allesomvattende evaluatie van de financiën van de Unie in 2008/2009.

Anders dan in het nationale beleid is het begrotingsinstrument in de EU van relatief ondergeschikt belang. Het EU beleid bestaat in belangrijke mate uit het wegnemen van belemmeringen (interne markt), gemeenschappelijke regelgeving en Europees mededingingsbeleid. Het uitgavenbeleid is ondersteunend en veelal aanvullend op nationaal beleid.

Ombuigingen in het uitgavenbeleid  zullen het vergemakkelijken om op termijn de kwestie van begrotingsonevenwichtigheden uit de wereld te helpen. Aldus pleit de AIV ervoor de bestaande Britse korting aan de inkomstenkant te vervangen door één correctiemechanisme aan de uitgavenkant, dat voor alle lidstaten zal gelden. Dit correctiesysteem moet wel doorzichtig, begrensd en aflopend zijn.