Tussen woord en daad: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten

16 april 2013 - nr.83
Samenvatting

Samenvatting en aanbevelingen

In overeenstemming met de strekking van de aanvraag van de Eerste Kamer, gaat de AIV in dit advies primair in op de vraag hoe het vredesproces in het Midden-Oosten weer op gang kan worden gebracht. De urgentie van beëindiging van het conflict tussen Israël en de Palestijnen is groter dan ooit. Enerzijds worden de kansen op de uitvoering van een tweestatenoplossing ernstig bedreigd door de voortdurende uitbreiding van Israëlische nederzettingen in de buurt van Oost-Jeruzalem en elders op de Westelijke Jordaanoever; dit naast de vele andere illegale Israëlische nederzettingen die er al vele jaren zijn. Anderzijds is de situatie in de directe omgeving van Israël bijzonder instabiel en de kans groot dat de Palestijnen (opnieuw) hun toevlucht zullen nemen tot geweld, met alle schadelijke gevolgen van dien.

De AIV is van mening dat een tweestatenoplossing nog steeds de beste basis biedt voor een vredesregeling tussen beide partijen. De optie van een binationale staat is vanuit humanitair-idealistisch oogpunt wellicht aantrekkelijk, maar stuit op onoverkomelijke principiële en praktische bezwaren. Het alternatief van een blijvende Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden, gepaard gaande met repressie, beperkte bewegingsvrijheid van de plaatselijke bevolking en ongelijke verdeling van de watervoorraad, zal nieuw geweld aan Palestijnse kant uitlokken – de vraag is alleen wanneer. Bovendien houdt een dergelijk scenario, met een welhaast onvermijdelijke (verdere) aantasting van de burgerrechten van Palestijnen maar ook van dissidente Israëliërs, een gevaar in voor de democratische rechtsorde in Israël zelf. Wel moet een tweestatenoplossing worden ingebed in afspraken over gebiedsruil, de rechtmatige terugkeer van Palestijnen, voor zover zij dit wensen, naar hun oorspronkelijke woonplaatsen in Israël en veiligheidswaarborgen.

Ofschoon de AIV beseft dat het verloop van het Israëlisch-Palestijnse conflict in belangrijke mate wordt bepaald door politieke factoren (krachtsverhoudingen, politiek leiderschap, definitie van nationale belangen alsmede de dynamiek van de binnenlandse politiek in wisselwerking met externe interventies), is het belangrijk dat dit conflict wordt getoetst aan het algemeen aanvaarde juridische kader en binnen dat kader tot een goed einde wordt gebracht. Vandaar dat in het advies ruime aandacht is besteed aan relevante internationaalrechtelijke aspecten, die onder meer voortvloeien uit het recht op zelfbeschikking van volkeren, de rechten en plichten van een bezettende mogendheid en de proportionaliteitsregel inzake het gebruik van geweld.

Referentiepunt voor de AIV in dit verband is de Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof (IGH) uit 2004. Weliswaar is de aanleiding van het advies in eerste aanleg de vraag naar de rechtmatigheid van de bouw door Israël van de scheidingsmuur (voor een groot deel op Palestijns gebied), maar het oordeel van het IGH strekt zich uit tot nagenoeg de gehele juridische stand van zaken met betrekking tot het conflict. Het Hof betrekt onder andere ook de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever in zijn oordeelsvorming. Het komt tot de conclusie dat Israël zich met zijn bezettingspolitiek schuldig maakt aan schendingen van het internationale recht. Deze betreffen onder meer het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk, de bewegingsvrijheid van alle inwoners in de bezette gebieden, het recht op werk, gezondheidszorg en onderwijs. Verder leveren, naar de mening van het IGH, de muur en de nederzettingen schendingen op van de Vierde Geneefse Conventie (inzake de bescherming van burgers in oorlogstijd) en van desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad, omdat zij bijdragen aan het veranderen van de demografische samenstelling van de bezette gebieden. Er kan geen twijfel bestaan over de toepasselijkheid van de bewuste Conventie op deze gebieden. Aangezien de AIV – zoals hieronder wordt aangegeven – een actieve opstelling van de EU in het conflict van wezenlijke betekenis vindt, wijst hij ook op het belang van de bepaling in de Associatieovereenkomsten (artikel 2), met zowel Israël als de Palestijnen, waarin wordt gesproken over ‘het respect voor de mensenrechten en democratische beginselen’.

De AIV heeft zich ook gebogen over de gevolgen voor de vredeskansen van de hervormingsbewegingen en omwentelingen die grote delen van de Arabische wereld al meer dan twee jaar op haar grondvesten hebben doen schudden. Daarbij is hij tot de conclusie gekomen dat de regionale ontwikkelingen, die complexe dwarsverbanden laten zien, tot nu toe geen wezenlijke invloed hebben gehad op het Israëlisch-Palestijnse conflict, in positieve noch in negatieve zin. Wel maken deze ontwikkelingen de urgentie van het vinden van een oplossing nog groter gelet op de overheersende instabiliteit in de regio. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat in de toekomst de toegenomen invloed van de Islamitische partijen zich zal vertalen in een meer uitgesproken steun voor de Palestijnse zaak dan waarvan in het verleden sprake was. Dit zou de Palestijnen ertoe kunnen aanzetten hun strijd voor een onafhankelijke staat met nog meer volharding voort te zetten dan waarvan in het verleden al sprake was. Dit zou ook ten koste kunnen gaan van hun bereidheid tot het sluiten van een compromis met Israël, indien niet op korte termijn vredesinitiatieven worden genomen die voldoende inspelen op de Palestijnse aspiraties.

Aangezien de beide partijen om allerlei redenen waarschijnlijk moeilijk uit zichzelf de gang naar de onderhandelingstafel kunnen maken, is actieve internationale bemiddeling en uitoefening van druk van buiten hoogstwaarschijnlijk onontbeerlijk. In het recente verleden was vooral de hoop op het Kwartet gevestigd om het vredesproces weer een kans van slagen te geven. De AIV is echter van mening dat het Kwartet de oorspronkelijk gewekte verwachtingen en ambities niet heeft kunnen waarmaken. De formele medebetrokkenheid van de VN, EU en Rusland bij deze gelegenheidscombinatie, kon niet verhullen dat elke bemiddelingspoging afhankelijk was van de inzet van de VS, die daarmee een sleutelpositie innam.

Ondanks de relatieve vermindering van de Amerikaanse macht en de gepolariseerde verhouding tussen Democraten en Republikeinen blijft de VS potentieel in de beste positie om de relatie tussen Israël en de Palestijnen effectief te beïnvloeden. Of president Obama in zijn tweede ambtstermijn bereid zal zijn het nog steeds aanzienlijke Amerikaanse gewicht in de schaal te werpen en zo nodig mogelijke obstructie van de kant van Israël het hoofd te bieden, is echter onzeker. Er zijn overwegingen die grond kunnen geven aan de verwachting dat de VS zich actief met het conflict gaat bemoeien, zoals de Amerikaanse geloofwaardigheid en reputatie in de islamitische wereld en het politieke krediet dat president Obama kan verwerven met een geslaagde demonstratie van internationaal staatsmanschap. Er zijn evenwel ook overwegingen die voedsel geven aan de gedachte dat de VS op afstand van het conflict zal blijven, gezien de ernst van de Amerikaanse begrotingssituatie, de kracht van de pro-Israëllobby en de prioriteiten van de VS elders in de wereld.

De onzekerheid over de inzet van de VS in de komende tijd maakt het extra belangrijk te kijken naar de mogelijke rol van de EU. De AIV meent dat de mogelijkheden van de EU om het vredesproces weer nieuw leven in te blazen potentieel groter zijn dan vaak wordt aangenomen. De Unie onderhoudt nauwe economische en andere banden met Israël, terwijl de Palestijnen in financieel opzicht sterk van haar afhankelijk zijn. Zo mogelijk moet de EU in haar ijveren naar vrede in het Midden-Oosten aansluiten bij eventuele Amerikaanse inspanningen. Dat biedt de beste waarborgen voor hervatting van de onderhandelingen. Maar blijven toereikende Amerikaanse inspanningen uit (of dreigen ze een verkeerde kant op te gaan doordat onredelijke Israëlische posities teveel worden ontzien), dan moet de EU er niet voor terugdeinzen haar eigen verantwoordelijkheid als bemiddelaar te nemen. In deze rol moet zij, gezien haar ambitie of pretentie een ‘normatieve macht’ te zijn, zoveel mogelijk varen op het kompas van algemeen aanvaarde beginselen van internationaal recht (waaronder het humanitair recht en de mensenrechtenverdragen). Voor een brede legitimering van internationale vredesvoorstellen is het verder belangrijk dat ook landen uit de Arabische regio, zoals Egypte en Jordanië, of Qatar, bij het bemiddelingsproces worden betrokken.

Het spreekt vanzelf dat de vredeskansen in het Midden-Oosten vooral worden bepaald door de bereidheid van beide partijen de onderhandelingen te goeder trouw te hervatten. Hiervan zal alleen sprake zijn indien Israëliërs en Palestijnen in meerderheid de overtuiging hebben dat een vredesregeling op basis van een tweestatenformule uiteindelijk in het belang van beide partijen is. Aan Palestijnse kant moet worden erkend dat de bezorgdheid in Israël over de verzekering van zijn veiligheid, nu en in de toekomst, legitiem is. Van de Palestijnen mag ruime medewerking worden verlangd om die bezorgdheid zoveel mogelijk weg te nemen. Die medewerking kan onder andere bestaan uit doeltreffend optreden tegen radicale Palestijnse groeperingen die op gewelddadige wijze strijden tegen de aanwezigheid van Israël als staat van het Joodse volk in de Arabische wereld. Uiteraard doet zich hier vooral een probleem voor met betrekking tot strijdgroepen in Gaza, welk gebied buiten de feitelijke controle valt van de Palestijnse Autoriteit. Een verzoening tussen Fatah en Hamas is daarom zeer gewenst. Contacten met Hamas mogen niet uit de weg worden gegaan. Van Israëlische kant moet op korte termijn een radicale ommekeer in het nederzettingenbeleid worden geëist. De praktijk van de vestiging van Israëlische nederzettingen ver op Palestijns grondgebied staat immers op gespannen voet met de ruimte die er nog is om een levensvatbare Palestijnse staat te stichten. Met het negeren van herhaalde oproepen en waarschuwingen van de internationale gemeenschap om te stoppen met de uitbreiding van de nederzettingen, roept de Israëlische regering sterke twijfel op aan de ernst van haar verklaarde vredesintenties.

Indien Israël onverhoopt niet bereid blijkt een einde te maken aan de groeiende kolonisering van de bezette gebieden, ontkomen verantwoordelijke actoren binnen de internationale gemeenschap er niet aan op woorden van protest ook daden te laten volgen. Met andere woorden, aan aanhoudende schendingen van het internationale recht en bindende uitspraken van de Veiligheidsraad moeten in de geschetste situatie consequenties worden verbonden. Voor de Europese Unie zou dat een beperking of bevriezing van haar betrekkingen met Israël kunnen betekenen (in elk geval geen opwaardering van de samenwerkingsrelatie) en, als uitvloeisel van internationale juridische verplichtingen, het afkondigen van een verbod op importen van producten uit de Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden.

Tot slot legt de AIV een aantal aanbevelingen voor die betrekking hebben op de mogelijke bijdragen die Nederland, direct of indirect, kan leveren tot oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict c.q. verbetering van het politieke klimaat tussen beide partijen:

  1. Nederland moet zich inspannen om de EU-lidstaten te doordringen van de noodzaak om op korte termijn een gezamenlijk initiatief te nemen om de tweestatenoplossing naderbij te brengen. Om een maximaal effect te bereiken dient dit initiatief zo mogelijk tezamen met de VS te worden genomen. Zo nodig moet de EU echter haar eigen verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig proberen partijen bij elkaar te brengen. Nederland moet aanvaarden dat ter wille van een zo groot mogelijke effectiviteit van het Europese optreden het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, als grotere Europese landen, daarbij een voortrekkersrol vervullen.
     
  2. Bij de concretisering van een Europees initiatief kan Nederland zich sterk maken voor het voorstel tot het beleggen van een nieuwe (goed voorbereide) Midden-Oostenconferentie. Aan deze conferentie zouden logischerwijs niet alleen delegaties van Israël en de Palestijnen dienen deel te nemen, maar ook vertegenwoordigers van geïnteresseerde landen uit de regio. Doel van deze conferentie zou zijn het bereiken van overeenstemming over de parameters (eindtermen) van een vredesregeling. Een alternatief voor een conferentie zou een speciale zitting van de Veiligheidsraad kunnen zijn die op verzoek van het VK en Frankrijk en met deelname van de conflictpartijen, bijeen wordt geroepen. Beide Europese landen zouden namens de EU een ontwerpresolutie kunnen indienen waarin de eindtermen zijn vervat.
     
  3. Indien bedoeld initiatief onvoldoende steun zou verwerven, kan Nederland overwegen om naar het voorbeeld van Noorwegen in de eerste helft van de jaren negentig (vorige eeuw) het voortouw te nemen, door zijn goede diensten aan te bieden om met als uitgangspunt de internationale rechtsorde – al dan niet achter de schermen – partijen in ons land weer aan tafel te brengen. Al naar gelang de behoeften en wensen van partijen kan de Nederlandse rol zich hierbij beperken tot facilitator dan wel meer gewicht krijgen in de richting van bemiddelaar.
     
  4. Nederland zou zich hoe dan ook nuttig kunnen maken door vormen van second-track diplomacy actief te bevorderen. Naast uitwisselingen tussen opinieleiders uit Israël en de Palestijnse gebieden moet vooral een dialoog worden geïnstitutionaliseerd waarbij vertegenwoordigers van (gematigde) maatschappelijke organisaties van beide partijen kwesties van wederzijds belang bespreken in het perspectief van het zoeken naar gezamenlijke oplossingen.
     
  5. Naar de mening van de AIV moet de EU er veel strikter dan thans het geval is op toezien dat Israël voor producten gemaakt in de nederzettingen geen voordeel behaalt op basis van het Associatieverdrag tussen de EU en Israël. Daarnaast bepleit de AIV dat Nederland zich ervoor inzet dat Nederlandse en Europese bedrijven actief worden ontmoedigd om zaken te doen met Israëlische bedrijven die zijn gevestigd in de nederzettingen.
     
  6. In het kader van de gewenste capaciteitsontwikkeling en rechtsvorming in een nieuwe staat Palestina moet Nederland zijn inspanningen opvoeren op het terrein van de opleiding van politiepersoneel, rechters en bestuursambtenaren.
     
  7. Evenzeer past bij Nederland een actievere rol op het gebied van ‘waterdiplomatie’. In het licht van technische doorbraken die zijn bereikt met ontziltingstechnieken kan Nederland met zijn ruime kennis van en ervaring met water ertoe bijdragen dat de mogelijkheden van een groter wateraanbod (ook) ten goede komen aan de Palestijnen.
     
  8. Tot slot moet Nederland er in algemene zin met gelijkgezinde landen op toezien dat beide partijen hun verplichtingen op grond van het internationale recht nakomen en dit zo nodig helpen effectueren. De historische banden en verbondenheid met Israël mogen geen reden zijn Israël te ontzien op het punt van het schenden van rechtsregels.
     
Adviesaanvraag

De voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
De heer mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB Den Haag


Datum    23 oktober 2012
Betreft    Adviesaanvraag AIV nieuwe initiatieven voor het Midden-Oosten Vredesproces
Kenmerk  151390.01u

Geachte heer Korthals Altes,

De commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) heeft in haar vergadering van 2 oktober gesproken over het Midden-Oosten Vredesproces en de noodzaak voor nieuwe initiatieven om dit proces weer op gang te brengen.

Op basis van artikel 17 van de Kaderwet Adviescolleges en artikel 2 van de Wet op de Adviesraad internationale vraagstukken verzoek ik hierbij de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) onderzoek te doen naar de mogelijkheden die er zijn om het Midden-Oosten Vredesproces te hervatten, met name gezien de recente veranderingen in de regionale en mondiale politieke context. Ik verzoek hierbij de AIV een advies uit te brengen over de concrete mogelijkheden die er zijn voor Nederland om eigenstandig, alsook in Europees en ander internationaal verband, bij te dragen aan het vinden van een werkbare oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Ik voeg hieraan toe dat alle leden van de Eerste Kamer, met uitzondering van de leden van de PVV-fractie, deze aanvraag steunen.

Achtergrond
Nieuwe initiatieven om vooruitgang te boeken in het Midden-Oosten Vredesproces zijn hoognodig. Met name wegens ontwikkelingen in de regio, zijn de twee direct betrokken partijen, Israël en de Palestijnse Autoriteiten, de laatste jaren niet nader tot elkaar gekomen. De EU concludeerde in mei 2012 dat lokale ontwikkelingen de twee-staten oplossing onmogelijk dreigen te maken. Desalniettemin geven de prille contacten tussen de partijen zoals in het voorjaar van 2012 opnieuw geïnitieerd, de impressie dat de partijen bereid zijn te werken aan de opbouw van onderling vertrouwen.

De achterliggende gedachte van het vredesproces is ongewijzigd: Israël heeft recht op veiligheid (en behoud van de eigen staat), Palestijnen hebben recht op een eigen staat (en veiligheid) overeenkomstig de twee-staten oplossing zoals verwoord in de Routekaart voor de Vrede (zie onder meer S/RES/1515, 2003). Echter, de regionale context is sindsdien sterk veranderd. De turbulente gebeurtenissen in de Arabische regio laten hun sporen na in het Midden-Oosten Vredesproces. Zoals de AIV in een eerder advies heeft aangegeven, is het zeer goed denkbaar dat democratisering in de Arabische regio in eerste instantie een negatief effect kan hebben op de Arabisch-Israëlische betrekkingen (AIV-advies nr. 79 “De Arabische regio, een onzekere toekomst”). Er bestaat onzekerheid over de relatie tussen respectievelijk Egypte, Iran en Israël. Ook bestaat de angst dat regionale ontwikkelingen, met name het slepende conflict in Syrië, de positie van Hezbollah en andere expliciet anti-Israëlische groeperingen zouden kunnen versterken. In het eerder genoemde advies over de Arabische regio heeft de AIV aangegeven van mening te zijn dat het Midden-Oosten Vredesproces om een nieuwe benadering vraagt en dat de veranderende context uitnodigt tot een bezinning op nieuwe initiatieven. Dit uiteraard wel op basis van internationaal breed gedeelde uitgangspunten, zoals onder meer verwoord in het in 2004 uitgebrachte advies van het Internationaal Gerechtshof inzake de Israëlische scheidingsmuur op de Westelijke Jordaanoever.

Adviesvragen zijn:

  • In hoeverre beïnvloeden de veranderingen in de regionale en mondiale politieke context de onderhandelingsposities van de direct betrokken gesprekspartners alsook de opstelling van betrokken derden?
  • Gezien eventuele veranderingen in uitgangsposities, wat zijn denkbare scenario’s voor de ontwikkeling van het Midden-Oosten Vredesproces? Waar in deze scenario’s zouden nieuwe mogelijkheden voor toenadering en het op gang brengen van vredesbesprekingen bestaan?
  • Welke organisaties, landen of partijen zijn het best gepositioneerd om nieuwe initiatieven aan te dragen? Wat zouden die initiatieven concreet kunnen inhouden?
  • Hoe kan Nederland, op basis van de beginselen van het internationaal recht, bijdragen aan vooruitgang in het Midden-Oosten Vredesproces? Wat kan Nederland zelf ondernemen en waar zou het in Europees en ander internationaal verband op kunnen aansturen?

De Eerste Kamer ziet uit naar uw advisering.

Hoogachtend,

Mr. G.J. de Graaf

 

Regeringsreacties

Inleiding
Op 16 april jl. ontving het kabinet het AIV-advies No. 83 “Tussen woord en daad, perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten”, dat is opgesteld op verzoek van de Eerste Kamer.

Algemeen
Net als de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV) is het kabinet van mening dat een oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict urgent is en dat alleen een vredesakkoord op basis van de twee-statenoplossing recht doet aan de nationale aspiraties van Israëli’s en Palestijnen.

Het diplomatieke initiatief van de Verenigde Staten onder leiding van Secretary of State Kerry biedt momenteel het enige realistische perspectief op het bereiken van zo’n akkoord. De inzet van het kabinet is daarom gericht op het helpen creëren van een zo gunstig mogelijk klimaat voor het welslagen van dit initiatief.

Het is daarvoor van groot belang dat de internationale gemeenschap zich eensgezind achter Secretary Kerry schaart. Tegelijkertijd moeten de gematigde krachten aan beide zijden worden versterkt. Alleen op die manier kan het wederzijdse vertrouwen groeien dat nodig is voor het samenwerken aan een betere toekomst, voor zowel de Israëli’s en de Palestijnen, en een einde van het conflict. Het isoleren van partijen zou nu slechts radicalisering in de kaart spelen. Sancties of boycots zijn voor het kabinet dan ook niet aan de orde, die kunnen de inspanningen van Secretary Kerry slechts doorkruisen.

Het kabinetsbeleid wordt zowel bilateraal – met Israël en de Palestijnse Autoriteit - als in EU-kader vormgegeven. Nederland benut hierbij de goede relaties met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit en neemt hun zorgen en belangen zorgvuldig in acht. Het kabinet spreekt de Israëlische en Palestijnse gesprekspartners aan op hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op grond van het internationaal recht. Ten aanzien van contacten met Hamas en een eventuele Palestijnse eenheidsregering blijven de zogenaamde Kwartetbeginselen gelden. Om de effectiviteit van het Nederlandse en EU-beleid te maximaliseren streeft het kabinet naar eensgezind en evenwichtig EU-optreden.

Ten aanzien van de specifieke aanbevelingen merkt het kabinet het volgende op.

AIV-Aanbeveling 1 t/m 3

• Nederland moet zich inspannen om de EU-lidstaten te doordringen van de noodzaak om op korte termijn een gezamenlijk initiatief te nemen om de twee-statenoplossing naderbij te brengen. Om een maximaal effect te bereiken dient dit initiatief zo mogelijk tezamen met de VS te worden genomen. Zo nodig moet de EU echter haar eigen verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig proberen partijen bij elkaar te brengen. Nederland moet aanvaarden dat ter wille van een zo groot mogelijke effectiviteit van het Europese optreden het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, als grotere Europese landen, daarbij een voortrekkersrol vervullen.

• Bij de concretisering van een Europees initiatief kan Nederland zich sterk maken voor het voorstel tot het beleggen van een nieuwe (goed voorbereide) Midden-Oostenconferentie. Aan deze conferentie zouden logischerwijs niet alleen delegaties van Israël en de Palestijnen dienen deel te nemen, maar ook vertegenwoordigers van geïnteresseerde landen uit de regio. Doel van deze conferentie zou zijn het bereiken van overeenstemming over de parameters (eindtermen) van een vredesregeling. Een alternatief voor een conferentie zou een speciale zitting van de Veiligheidsraad kunnen zijn die op verzoek van het VK en Frankrijk en met deelname van de conflictpartijen, bijeen wordt geroepen. Beide Europese landen zouden namens de EU een ontwerpresolutie kunnen indienen waarin de eindtermen zijn vervat.

• Indien bedoeld initiatief onvoldoende steun zou verwerven, kan Nederland overwegen om naar het voorbeeld van Noorwegen in de eerste helft van de jaren negentig (vorige eeuw) het voortouw te nemen, door zijn goede diensten aan te bieden om met als uitgangspunt de internationale rechtsorde – al dan niet achter de schermen – partijen in ons land weer aan tafel te brengen. Al naar gelang de behoeften en wensen van partijen kan de Nederlandse rol zich hierbij beperken tot facilitator dan wel meer gewicht krijgen in de richting van bemiddelaar.

Reactie Kabinet:

De huidige inspanningen van Secretary Kerry bieden in de ogen van het kabinet het enige realistische perspectief op voortgang. De eigen verantwoordelijkheid van de EU ligt vooral in het vergroten van het internationale momentum ten gunste van het Kerry-initiatief. Het bieden van een alternatief zou verstorend werken. Het zou voor partijen een reden kunnen zijn niet volledig met Kerry te engageren, bijvoorbeeld op basis van een inschatting dat hun onderhandelingspositie in een alternatief proces sterker zou zijn. Een zelfstandig Nederlands of EU-initiatief is voor het kabinet daarom niet aan de orde.

AIV-Aanbeveling 4

Nederland zou zich hoe dan ook nuttig kunnen maken door vormen van second-track diplomacy actief te bevorderen. Naast uitwisselingen tussen opinieleiders uit Israël en de Palestijnse gebieden moet vooral een dialoog worden geïnstitutionaliseerd waarbij vertegenwoordigers van (gematigde) maatschappelijke organisaties van beide partijen kwesties van wederzijds belang bespreken in het perspectief van het zoeken naar gezamenlijke oplossingen.

Reactie Kabinet:

Het kabinet hecht evenals de AIV belang aan het bevorderen van maatschappelijke contacten tussen Israël en de Palestijnse Gebieden. Waar mogelijk en opportuun steunt het kabinet ngo’s hier bij. Zo heeft de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah onlangs een editie van het Palestine–Israel Journal gefinancierd, waarbij Palestijnse en Israëlische jongeren hebben samengewerkt door artikelen te publiceren over het MOVP en de noodzaak tot samenwerking.

AIV-Aanbeveling 5

Naar de mening van de AIV moet de EU er veel strikter dan thans het geval is op toezien dat Israël voor producten gemaakt in de nederzettingen geen voordeel behaalt op basis van het Associatieverdrag tussen de EU en Israël. Daarnaast bepleit de AIV dat Nederland zich ervoor inzet dat Nederlandse en Europese bedrijven actief worden ontmoedigd om zaken te doen met Israëlische bedrijven die zijn gevestigd in de nederzettingen.

Reactie Kabinet:

Sinds 2000 gelden onder het EU-Israël Associatieakkoord gunstige invoertarieven voor producten uit Israël. Producten uit de nederzettingen komen niet voor deze preferentiële tarieven in aanmerking. Israël werkt eraan mee dat producten uit nederzettingen als zodanig door de douanes van EU-lidstaten kunnen worden herkend. De Nederlandse overheid ontmoedigt economische relaties van Nederlandse bedrijven met bedrijven in de nederzettingen in de bezette gebieden. Nederlandse overheidsinstellingen verlenen geen diensten aan bedrijven die gevestigd zijn in Israëlische nederzettingen. De Nederlandse ambassade in Tel Aviv informeert Nederlandse bedrijven over de internationaalrechtelijke aspecten van ondernemen in bezet gebied. Nederlandse bedrijven worden waar nodig aangesproken.

Daarnaast werkt het kabinet met EU-partners aan voorlichting over correcte etikettering van producten uit nederzettingen. Hiermee wordt gehoor gegeven aan een uitdrukkelijk verzoek van het Nederlandse bedrijfsleven om voorlichting over bestaande EU-regelgeving alsmede aan afspraken gemaakt door de Raad van ministers van de EU in mei vorig jaar.

AIV-Aanbeveling 6

In het kader van de gewenste capaciteitsontwikkeling en rechtsvorming in een nieuwe staat Palestina moet Nederland zijn inspanningen opvoeren op het terrein van de opleiding van politiepersoneel, rechters en bestuursambtenaren.

Reactie Kabinet:

Er is de afgelopen tien jaar voortgang geboekt met de ontwikkeling van de rechtsorde in de Palestijnse Gebieden. Nederland heeft hierin een rol gespeeld. Het kabinet zal het bestaande samenwerkingsprogramma op het gebied van veiligheid en rechtsorde met de Palestijnse Autoriteit voortzetten. Indien een vredesakkoord bereikt wordt, zal het kabinet mogelijkheden voor intensivering overwegen.

AIV-Aanbeveling 7

Evenzeer past bij Nederland een actievere rol op het gebied van ‘waterdiplomatie’. In het licht van technische doorbraken die zijn bereikt met ontziltingstechnieken kan Nederland met zijn ruime kennis van en ervaring met water ertoe bijdragen dat de mogelijkheden van een groter wateraanbod (ook) ten goede komen aan de Palestijnen.

Reactie Kabinet:

In 2002 speelde Nederland samen met de VS al een leidende rol in het Executive Action Team Multilateral Working Group on Water Resources (EXACT). Dit is een internationaal samenwerkingsverband van landen dat door middel van innovatieve waterprojecten in de Palestijnse Gebieden, Jordanië en Israël een bijdrage probeert te leveren aan de beschikbaarheid van water en daarmee aan het vredesproces. Tevens is Nederland sinds 2005 lid van het Middle East Desalination Research Center (MEDRC), dat duurzame ontziltingstechnieken ontwikkelt met als doel de beschikbare hoeveelheid drinkwater in het Midden-Oosten te vergroten en de samenwerking tussen Israël, de Palestijnse Autoriteit en Jordanië op het gebied van water te bevorderen. Nederland financiert via MEDRC trilaterale cursussen over ontzilting en hergebruik van afvalwater voor Palestijnen en Jordaniërs, verzorgd door voornamelijk Israëlische waterprofessionals. In 2013 is water als speerpunt toegevoegd aan het bilaterale samenwerkingsprogramma met de Palestijnse Autoriteit.

AIV-Aanbeveling 8

Tot slot moet Nederland er in algemene zin met gelijkgezinde landen op toezien dat beide partijen hun verplichtingen op grond van het internationale recht nakomen en dit zo nodig helpen effectueren. De historische banden en verbondenheid met Israël mogen geen reden zijn Israël te ontzien op het punt van het schenden van rechtsregels.

Reactie Kabinet:

Het kabinet spreekt beide partijen aan op hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op grond van het internationaal recht, zowel ten aanzien van het vredesproces in algemene zin, als in relatie tot de naleving van het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten. Minister Timmermans heeft dit nog gedaan tijdens zijn bezoek van 17 tot 19 juni jl. aan Israël en de Palestijnse Gebieden. Daarnaast vormt de naleving van het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten een vast onderdeel van de reguliere dialoog die Nederland voert met Israël en de Palestijnse Autoriteit. Ook in EU-verband komen de verantwoordelijkheden en verplichtingen van beide partijen aan bod in de bilaterale dialoog.
 

Persberichten

AIV PLEIT VOOR EIGEN ROL NEDERLAND EN EU BIJ VREDESPROCES MIDDEN-OOSTEN
 

Den Haag, 16 april 2013

Nederland moet zich inspannen zijn partners binnen de EU te doordringen van de noodzaak op korte termijn een gezamenlijk initiatief te nemen om een oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict naderbij te brengen. Om een maximaal effect te bereiken is het raadzaam dit zo mogelijk tezamen met de VS te doen. Zo nodig moet de EU echter haar eigen verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig proberen partijen bij elkaar te brengen.

Dit staat te lezen in het advies Tussen woord en daad. Perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) vandaag heeft uitgebracht. De AIV heeft het advies opgesteld op verzoek van de Eerste Kamer, die zich geïnteresseerd toonde in “de concrete mogelijkheden die er zijn voor Nederland om eigenstandig, alsook in Europees en ander internationaal verband, bij te dragen aan het vinden van een werkbare oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict”.

De AIV wijst erop dat het vredesproces in het Midden-Oosten nu al enige jaren stil ligt. Israël en de Palestijnen lijken niet geneigd uit zichzelf binnen afzienbare tijd de gang naar de onderhandelingstafel (opnieuw) te maken. Dit is reden voor diepe bezorgdheid, omdat de urgentie van het vinden van een vredesregeling groter is dan ooit. Enerzijds maakt een voortgaande uitbreiding van Israëlische nederzettingen op de Westelijke oever van de Jordaan de uitvoering van het tweestatenmodel praktisch onmogelijk, anderzijds hebben de politieke omwentelingen in de Arabische wereld geleid tot een hoge mate van instabiliteit (en daarmee onvoorspelbaarheid) in de directe omgeving van de betrokken partijen. De AIV ziet de tweestatenoplossing nog steeds als de enige uitweg uit het conflict; het model van de binationale staat stuit op principiële en praktische bezwaren.

Bij de concretisering van een Europees initiatief kan Nederland zich sterk maken voor het voorstel tot het beleggen van een nieuwe Midden-Oostenconferentie, die goed zou moeten worden voorbereid. Aan deze conferentie zouden niet alleen delegaties van Israël en de Palestijnen dienen deel te nemen, maar ook vertegenwoordigers van landen uit de regio. Doel van zo’n conferentie zou zijn het bereiken van overeenstemming over de parameters (eindtermen) van een vredesregeling. Een alternatief voor een conferentie zou een speciale zitting van de Veiligheidsraad kunnen zijn die op verzoek van het VK en Frankrijk en met deelname van de conflictpartijen, bijeen wordt geroepen. Beide Europese landen zouden namens de EU een ontwerpresolutie kunnen indienen waarin de eindtermen zijn vervat.

Ter wille van een zo groot mogelijke effectiviteit van het Europees optreden dient te worden aanvaard dat de drie grotere Europese landen (Duitsland, Frankrijk en het VK) een voortrekkersrol vervullen. Maar ook Nederland kan via vormen van bemiddeling en bilaterale programma’s zich - direct of indirect - dienstbaar maken aan het vredesproces.

Bij de uitwerking van het advies heeft de AIV het internationale juridische kader als uitgangpunt genomen. Dit impliceert dat geen enkele twijfel mag bestaan aan het recht van Israël voort te bestaan in een veilige omgeving, noch aan het recht van de Palestijnen op een eigen staat. Dit betekent ook dat de historische banden en politieke verbondenheid van de westerse landen met Israël geen reden mogen zijn schendingen van het internationale recht door dit land te gedogen. Die schendingen betreffen in het bijzonder de bouw van de Israëlische nederzettingen en beperking van de bewegingsvrijheid van de Palestijnen in de bezette gebieden, alsook de aanleg van de afscheidingsmuur voor zover deze over Palestijns gebied loopt. In dit verband roept de AIV de Nederlandse regering op verdere stappen te zetten om economische activiteiten van westerse bedrijven op de Westoever te ontmoedigen en producten die afkomstig zijn uit de illegale nederzettingen van de Europese markt te weren.