Nederland en de Arabische regio: principieel en pragmatisch

12 november 2014 - nr.91
Samenvatting

Conclusies en aanbevelingen

De ontwikkelingen in de Arabische regio laten zien dat de kloof tussen wensdenken en realiteitszin groot is. Er bestonden in 2011 te hoge verwachtingen ten aanzien van verkiezingen en democratisering in de regio. Deze hebben in vrijwel geen van de landen geleid tot hervormingen naar westers model. Het proces van hervormingen van een politiek bestel vereist het geduld van soms enkele generaties en hangt af van de kwaliteit van politiek leiderschap en van de vraag of politieke partijen een vaste aanhang onder de bevolking weten te verwerven. Regeringen en volksvertegenwoordigers in het Westen moeten daar rekening mee houden in hun doelstellingen van het buitenlands beleid. Het houden van verkiezingen mag niet het enige perspectief zijn van waaruit de ontwikkelingen moeten worden beoordeeld. De westerse landen mogen niet in de valkuil van verkiezingsfetisjisme vallen. Rechtsstaatontwikkeling, het versterken van burgerschap, democratisering in brede zin en het respect voor standpunten van minderheden zijn ontwikkelingen die voorafgaan aan een ordentelijk verkiezingsproces. Hieraan moet evenzeer grote aandacht worden besteed. Ook hier zijn er geen kortetermijnoplossingen te verwachten.

Nu de regio gevangen is in een trend van polarisering, conflict en grensoverschrijdende burgeroorlogen mag de steun aan de bevolking naar het oordeel van de AIV niet wegvallen. In sommige landen kan dit bij het ontbreken van een functionerend staatsapparaat de gestalte aannemen van humanitaire en/of militaire interventies en op termijn steun aan wederopbouw en verzoeningsprocessen. In landen met een zekere rechtsorde moet de steun aan de opbouw van rechtsstatelijkheid, sociale grondrechten en een effectief bestuur doorgaan, ook al is er sprake van terugval in het democratiseringsproces en ook al is er sprake van een vorm van islamisering waar het Westen misschien eveneens moeite mee heeft.

Ten aanzien van de vraag naar het gewenste niveau en karakter van de betrekkingen met regeringen die niet kunnen bogen op democratische legitimiteit, komt de AIV tot de slotsom dat wanneer dergelijke regeringen zich schuldig maken aan zeer ernstige schendingen van mensenrechten, zoals martelingen en standrechtelijke executies, het niet in de rede ligt met deze regeringen naast het onderhouden van diplomatieke betrekkingen innige vormen van samenwerking aan te gaan. Van dit laatste kan alleen sprake zijn indien niet-democratische gelegitimeerde regeringen zich hebben vastgelegd op een koers die reële perspectieven opent op respect voor rechtsstatelijke beginselen, bestrijding van corruptie, een politiek van economische groei en welvaartsverdeling alsmede een terugdringing van de politieke rol van de gewapende macht. Dit laat onverlet wat eerder in het advies over het vraagstuk van de conditionaliteit is gezegd. De AIV staat een benadering voor die principieel is met betrekking tot de aard van de na te streven doelstellingen, maar die pragmatisch is in de wegen die moeten worden bewandeld om deze doelstellingen uiteindelijk te realiseren.

Gezien de druk van de bevolkingsgroei en het gebrek aan economische perspectieven is het van groot belang dat ook de economie aandacht krijgt in het palet van ondersteuningsmogelijkheden. Blijft dit achterwege, dan kan dit leiden tot onrust en ontevredenheid, die op hun beurt een voedingsbodem kan zijn voor radicalisering en jihadisme.

Gelet op de beperkte invloed van Nederland in de Arabische regio zal het Nederlandse beleid voornamelijk vorm moeten krijgen via de EU. Daarom zijn de aanbevelingen vooral in het EU-perspectief geplaatst.

De aanbevelingen van de AIV op het gebied van democratisering en werkgelegenheid luiden als volgt:

  1. Nederland en de EU moeten doorgaan met hun programma’s ter bevordering van de rechtsorde en democratisering (opleidingen en uitwisselingen). De more for more leidraad moet komen te vervallen. Daarbij valt, voor zover dit niet al wordt uitgevoerd, te denken aan:
    • advisering hervorming grondwet en wetten, ondersteuning van en training van het justitiële apparaat en het Openbaar Ministerie, rechtshulp ten behoeve van mindervermogenden, hervorming van het gevangeniswezen;
    • training politie, gevangeniswezen en justitie in praktische bescherming van mensenrechten en democratische controle over het defensieapparaat;
    • onderwijs over mensenrechten met speciale aandacht voor de rechten van het kind en de rechten van vrouwen;
    • training voor verkiezingen en hervormingen Kieswet.
  2. De AIV beveelt aan het budget voor het Matra-Zuidprogramma en daarmee de impact van het hulpprogramma te verhogen, eventueel via verschuivingen tussen het ODA en non-ODA deel van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De AIV voegt toe dat, in overeenstemming met het eerste AIV-advies over de Arabische regio, dit programma zo goed mogelijk moet worden afgestemd met soortgelijke inspanningen van andere Europese landen.
  3. Daarnaast is het, gezien de complexiteit van de conflicten in de regio en de versnipperde budgetlijnen, raadzaam één totale uitgavenpost voor de regio op te stellen en de coördinatie van een coherent beleid in de Arabische regio in Nederland in één hand te leggen en één gezicht te geven in de vorm van een ambassadeur/speciaal gezant voor de gehele Arabische regio.
  4. Nederland en de EU moeten hun inspanningen ter bevordering van de werkgelegenheid uitbreiden:
    • dit betekent een serieus onderhandelingsproces ten aanzien van EU-handelsakkoorden;
    • een toename van investeringen van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Nederlands bedrijfsleven waar mogelijk;
    • stimulering van het inheemse MKB, waaronder advisering banken voor meso- en microkrediet (midden- en kleinbedrijf);
    • bijstand aan vrije vakbewegingen en coöperaties zoals ook in eerder AIV-advies is aanbevolen.
  5. Ook moeten de rijkere landen in de regio, zoals Saoedi-Arabië, VAE, Qatar en Iran er door Nederland en de EU op worden aangesproken hun beperkte focus op veiligheid te verbreden naar die van economische ontwikkeling. Ombuiging van de financiële steunprogramma’s van deze landen in die richting is gewenst.

De situatie in Syrië en Irak heeft geleid tot een brede internationale coalitie in de strijd tegen ISIS. Om een dergelijke interventie in goede banen te leiden is het van belang dat er unity of purpose and strategy aanwezig is. Daar is grote kennis voor nodig over de strijdende partijen, de lokale conflicten en de wil van de bevolking. Ook is het commitment van de regionale grootmachten, met name Iran en Saoedi-Arabië van belang. Zij hebben immers de sleutel en het handelingsvermogen om een uitweg te bieden uit de verschillende conflicten.

De aanbevelingen van de AIV ten aanzien van het extreme geweld in de regio luiden als volgt:

  1. De internationale gemeenschap moet urgent actie nemen om de geldstroom naar ISIS en al-Nusra en andere jihadistische groepen te beperken.
  2. Er dienen maatregelen te worden genomen tegen landen en individuen die olie en gas kopen van deze extremistische bewegingen.
  3. De AIV beveelt aan dat na militair ingrijpen in gewelddadige conflicten de aandacht niet alleen uitgaat naar wederopbouw, maar ook naar transitional justice, verzoening en het herstel van verstoorde relaties. Het uitschakelen, opsluiten of veroordelen van degenen die schuldig zijn aan de gewelddadigheden, is op zichzelf onvoldoende als men herhaling wil voorkomen.

De AIV is zich bewust van de dilemma's die zich voordoen. Ondersteunt men regeringen die weliswaar via democratische weg aan de macht zijn gekomen, maar die rechten van minderheden met voeten treden? Gaat men om met repressieve regimes die de democratisering een halt toeroepen, spreekt men met kwaadaardige potentaten om nog grotere gevaren te bestrijden?

De AIV wijst op de valkuil van het ogenschijnlijk zuivere standpunt (‘niets doen omdat …’) en verkiest het hanteren van een pragmatisch beleid ten aanzien van de landen en conflicten in de Arabische regio. Het gaat erom hoe men uiteindelijk de in de Nederlandse grondwet verankerde doelstelling van de bevordering van de internationale rechtsorde op de beste wijze dient. Dat daarbij moeilijke keuzes moeten worden gemaakt is duidelijk. Wat daarbij helder moet zijn is hoe men, gegeven de beschikbare middelen, denkt dat doel te bereiken (strategie). Dat kan sterk per land verschillen.

Het aangaan van een dialoog is daarvan een bijzonder belangrijke invulling van de strategie. Nederland en de EU moeten met de landen van de Arabische regio om begrip voor elkaars standpunten te creëren het gesprek gaande houden, als het moet via back channels. Dit zou ook moeten gebeuren met partijen die een minder schone achtergrond hebben. Ook als dit betekent dat er met leden van het regime Assad moet worden gesproken. Het criterium zou in de ogen van de AIV moeten zijn gelegen in het wel of niet voorkomen op de VN-sanctielijst als het gaat om Syrië.

Ten aanzien van het diplomatieke kanaal komt de AIV met de volgende aanbevelingen:

  1. De AIV pleit voor een steviger, geïntegreerd Europees beleid waarin technische ondersteuning en buitenlands politiek beleid geen los van elkaar staande grootheden meer zijn. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU dient dan zowel het instrumentarium als het politieke mandaat van de Europese Raad te krijgen om met de landen in de regio, inclusief de Golfstaten, in gesprek te gaan.
  2. De AIV is voorstander van een pragmatische invulling van het Nederlandse beleid in de Arabische regio. De AIV vindt dat een stop-and-go beleid op basis van principiële overwegingen vooral de ontvangers van hulp schaadt. De AIV kiest wel voor een kritische dialoog met landen in de regio en beveelt de regering aan het gesprek niet alleen aan te gaan met de landen in transitie, maar ook de landen in de Golfregio. Maak een analyse van hun belangen in brede zin en ga daarover met hen in discussie. Bespreek dus ook praktische zaken als water, energie en klimaat, die mogelijk een positieve politieke spin-off teweeg kunnen brengen. Tot slot vindt de AIV het van belang dat de dialoog ook gezocht moet worden met religieuze groepen. Als de informatievoorziening alleen tot stand komt door met de elite te spreken, dan worden drijfveren en maatschappelijke ontwikkelingen nooit helemaal helder en goed te duiden. Ook is de AIV van mening dat strijdende partijen, mochten ze een weg naar gesprekken weten te vinden, eveneens het oor verdienen van Nederland en de EU, zo nodig via het tussenstation van informele, zogenaamde Track II diplomacy. De AIV is zich ervan bewust dat het leggen van contacten met groepen die het geweld niet schuwen (maar anders dan bijvoorbeeld ISIS niet uit zijn op de totale vernietiging van andersdenkenden) mogelijk in eerste instantie op onbegrip zal stuiten. Als dit echter een dragelijke politieke oplossing naderbij brengt, is dat in het licht van de geschiedenis een acceptabele prijs.
     
Adviesaanvraag

De Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken
Mr. J.G. de Hoop Scheffer
Postbus 20061
2500 EB Den Haag


Datum:   16 juni 2014
Betreft:   Adviesaanvraag AIV ontwikkelingen in de Arabische reglo


Geachte Voorzitter,

Graag zou het Kabinet van de AIV advies krijgen over het volgende.

De Tweede Kamer verzocht de regering bij motie d.d. 30 juni 2011 van de leden Hachchi en Timmermans over de actuele situatie In Noord-Afrika en het Midden-Oosten, de AIV structureel te vragen om een update van het AlV-advies nr. 75 "Hervormingen in de Arabische Regio: Kansen voor Democratie en Rechtsstaat" van mei 2011. De eerste update was het AlV-advles nr. 79 "De Arabische regio, een onzekere toekomst" van juni 2012.

Met deze brief geeft het Kabinet wederom gevolg aan de genoemde motie, die overigens geen termijnen verbindt aan deze updates. De huidige situatie in de regio geeft echter reden om op dit moment een vervolgadvies aan de AIV te vragen. Dit betreft de derde adviesaanvraag over de Arabische regio.

De onderzoeksvragen
Het Kabinet verzoekt de AIV om een update van AlV-advies nr. 79 en die voornamelijk te richten op de condltlonallteit van de steun aan Arabische landen. In de Kamerbrief van 22 maart 2013 stelt het Kabinet dat de Nederlandse steun "afhankelijk (is) van de inzet van die landen zelf om te hervormen", met het gelijktijdige besef dat "democratisering een langdurig proces is met ups en downs." Het Nederlands beleid in dezen sluit aan bij het beleid van de Europese Unie inzake "more for more". Op grond hiervan verzoekt het Kabinet de AIV in ieder geval in te gaan op de volgende vragen:

  1. Wanneer en op welke wijze dienen Nederiand en de EU (ieder op zich, maar ook in samenhang) hun steun aan Arabische landen aan te passen indien democratische hervormingen uitblijven of er zelfs sprake is van regressie?
     
  2. Hoe kan daarbij worden vermeden dat het beleid enerzijds grillig wordt als gevolg van onmiddellijke reacties op ontwikkelingen die nog niet geheel te dulden zijn en anderzijds juist te traag reageert op dergelijke ontwikkelingen?
     
  3. Op welke wijze kunnen hervormingsgezinde actoren in een land worden onze referentie ondersteund indien de regering in datzelfde land hervormingen tegenhoudt of 2014.309314 terugdraait?
     
  4. Wat is de visie van de AIV op de afweging of een sterk signaal moet worden afgegeven In geval van een ondemocratisch beleid door een specifieke regering of juist de dialoog met die regering niet moet worden belast? Hoe kan worden vermeden dat Nederiand en de EU zich door het gebruik van conditionaliteiten marginaliseren als constructieve gesprekspartners van betrokken landen, die zich Immers ook tot andere donoren kunnen richten die niet met dergelijke conditionaliteiten werken?
     
  5. Zou de AIV haar visie op de omgang (criteria, wijze etc.) met islamistische bewegingen en partijen, inclusief Salafisten, verder kunnen verfijnen ten opzichte van haar eerdere adviezen?
     
  6. Aan deze vragen en aan het Westerse discours ten aanzien van transitie In de Arabische regio ligt een assumptie ten grondslag dat er overeenstemming is over hoe democratisering eruit moet zien. Wat is de visie van de AIV hierop en in hoeverre zijn verschillende vormen van democratisering (liberaal, llliberaal etc.) het ondersteunen waard?

Het Kabinet ziet uw aanbevelingen met veel belangstelling tegemoet.
 

Hoogachtend,

Frans Timmermans
Minister van Buitenlandse Zaken
 

Regeringsreacties

Adviesraad Internationale Vraagstukken
T.a.v. prof. mr. J.G. de Hoop Scheffer
Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061
2500 EB  DEN HAAG

Datum  maart 2015

Betreft  AIV advies

Zeer geachte heer De Hoop Scheffer,

Hierbij bied ik u de kabinetsreactie aan op het advies nr. 91 ‘Nederland en de Arabische regio, principieel en pragmatisch’ van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV).

De reactie op het AIV-advies is ook verstuurd aan de voorzitters van de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.

De Minister van Buitenlandse Zaken

Bert Koenders
 


Kabinetsreactie op AIV-advies nr. 91 ‘Nederland en de Arabische regio, principieel en pragmatisch’

Inleiding
Ter uitvoering van de motie van de leden van de Tweede Kamer Hachchi en Timmermans over de actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten (Kamerstuk 32 623, nr. 29) heeft de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) op 16 juni 2014 verzocht een update uit te brengen van het AIV-advies nr. 79 ‘De Arabische regio, een onzekere toekomst’ van 14 juni 2012. Advies nr. 79 vormde op zijn beurt een update van AIV-advies nr. 75 ‘Hervormingen in de Arabische regio: kansen voor democratie en rechtsstaat?’ van 27 mei 2011.

Op 12 november 2014 heeft de AIV het advies nr. 91 ‘Nederland en de Arabische regio, principieel en pragmatisch’ uitgebracht, waarop hieronder een kabinetsreactie volgt.

Algemeen
Het kabinet is van mening dat het advies goede analyses bevat en is verheugd dat de conclusies en aanbevelingen concreet en bruikbaar zijn. De AIV is er in geslaagd de analyse ten opzichte van de twee voorgaande adviezen verder te verdiepen en haar visie te actualiseren. Het kabinet deelt de appreciatie van de situatie anno 2014, namelijk dat de situatie ten opzichte van 2012 in veel Arabische landen eerder is verslechterd dan verbeterd. De beschreven polarisaties en trends bieden aanleiding tot toenemende bezorgdheid.

Terecht kiest de AIV een bredere invalshoek dan de modaliteiten van steun aan het transitieproces. Logischerwijs heeft de AIV geen hapklaar antwoord op de in de adviesaanvraag geschetste dilemma’s. Wél wordt gewaardeerd dat de AIV een aantal algemene uitgangspunten formuleert hoe daarmee om te gaan. In lijn met de ondertitel van het advies (‘principieel en pragmatisch’) is de AIV voorstander van een benadering “die principieel is met betrekking tot de aard van de na te streven doelstellingen, maar die pragmatisch is in de wegen die moeten worden bewandeld om deze doelstellingen uiteindelijk te realiseren.” Hoewel er niet per se een tegenstelling is tussen principieel en pragmatisch, is het in de praktijk niet altijd goed mogelijk doelstellingen van beleid en de wegen daarheen strikt te scheiden. De keuze van die wegen zal in de hyper-gepolitiseerde dynamiek van de Arabische wereld immers worden gepercipieerd als een keuze voor of tegen een bepaalde partij en kan daardoor de doelstellingen van het beleid juist verder buiten bereik brengen. Daarmee is niet gezegd dat passiviteit – trouwens ook gezien als een keuze - de beste aanpak is, maar dat bij iedere stap de mogelijke gevolgen moeten worden overwogen.

Hieronder wordt ingegaan op de specifieke conclusies en aanbevelingen.

Reactie op de conclusies en aanbevelingen
In de reactie van het kabinet op de specifieke conclusies en aanbevelingen van de AIV worden de “Nadere antwoorden op vragen van de regering” meegenomen. De aanbevelingen worden steeds apart genoemd, gevolgd door een reactie. Op sommige aanbevelingen, of delen daarvan, wordt vanwege de inhoudelijke samenhang, gecombineerd gereageerd.

Aanbeveling 1
Nederland en de EU moeten doorgaan met hun programma’s ter bevordering van de rechtsorde en democratisering (opleidingen en uitwisselingen). De more for more leidraad moet komen te vervallen. Daarbij valt, voor zover dit niet al wordt uitgevoerd, te denken aan:

  • advisering hervorming grondwet en wetten, ondersteuning van en training van het justitiële apparaat en het Openbaar Ministerie, rechtshulp ten behoeve van mindervermogenden, hervorming van het gevangeniswezen;
  • training politie, gevangeniswezen en justitie in praktische bescherming van mensenrechten en democratische controle over het defensieapparaat;
  • onderwijs over mensenrechten met speciale aandacht voor de rechten van het kind en de rechten van vrouwen;
  • training voor verkiezingen en hervormingen Kieswet.

Eerste deel aanbeveling 10
De AIV is voorstander van een pragmatische invulling van het Nederlandse beleid in de Arabische regio. De AIV vindt dat een stop-and-go beleid op basis van principiële overwegingen vooral de ontvangers van hulp schaadt. De AIV kiest wel voor een kritische dialoog met landen in de regio en beveelt de regering aan het gesprek niet alleen aan te gaan met de landen in transitie, maar ook de landen in de Golfregio. Maak een analyse van hun belangen in brede zin en ga daarover met hen in discussie. Bespreek dus ook praktische zaken als water, energie en klimaat, die mogelijk een positieve politieke spin-off teweeg kunnen brengen.

Kabinetsreactie
Het kabinet deelt de visie van de AIV dat Nederland en de EU moeten doorgaan met hun programma’s ter bevordering van de rechtsorde en democratisering. Mede dankzij de Nederlandse inzet ligt hierop meer de nadruk binnen het Nabuurschapsinstrument van de EU (2014-2020) dan in de voorgaande periode. In nagenoeg alle nabuurschapslanden wordt een aanzienlijk deel (10–25 procent) van de middelen ingezet ter bevordering van het maatschappelijk middenveld.

Het kabinet is van mening dat prikkels voor hervormingen in de Arabische landen op zich goed en nodig zijn. De incentive based benadering (‘more for more’) is daarbij instrumenteel en moet niet te dogmatisch worden toegepast. Terugschroeven van transitiesteun in reactie op negatieve gebeurtenissen in het ontvangende land kan averechts werken indien het juist die organisaties raakt die zich inzetten voor democratische transitie. Ook is het mogelijk dat transitieprocessen niet vanwege onwil, maar vanwege onvermogen van een overheid haperen. Met de AIV is het kabinet van mening dat een “stop-and-go beleid” de ontvangers van hulp kan schaden. In sommige gevallen kan dan juist een toename van transitiesteun het passende antwoord zijn en niet een reflexmatige vermindering die gehoor geeft aan een primaire roep tot afstraffing.

Belangrijk bij dit alles is te trachten constructief in gesprek te blijven met de betrokken landen - ook met de Golflanden zoals de AIV in aanbeveling 10 adviseert - met als doel op de lange termijn bij te dragen aan de bevordering van democratie en rechtsstaat in de Arabische regio.

Aanbeveling 2
De AIV beveelt aan het budget voor het Matra-Zuidprogramma en daarmee de impact van het hulpprogramma te verhogen, eventueel via verschuivingen tussen het ODA en non-ODA deel van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De AIV voegt toe dat, in overeenstemming met het eerste AIV-advies over de Arabische regio, dit programma zo goed mogelijk moet worden afgestemd met soortgelijke inspanningen van andere Europese landen.

Aanbeveling 3
Daarnaast is het, gezien de complexiteit van de conflicten in de regio en de versnipperde budgetlijnen, raadzaam één totale uitgavenpost voor de regio op te stellen en de coördinatie van een coherent beleid in de Arabische regio in Nederland in één hand te leggen en één gezicht te geven in de vorm van een ambassadeur/speciaal gezant voor de gehele Arabische regio.

Kabinetsreactie
In reactie op de aanbeveling dat het budget van het Matra-Zuidprogramma zou moeten worden verhoogd, stelt het kabinet dat gezien de ontwikkelingen in de Arabische regio de mogelijkheden daartoe momenteel worden onderzocht. Daarnaast vindt een evaluatie plaats van dat programma door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie. Bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 24 juni 2011 zegde het kabinet (Kamerstuk 32 623 nr. 40) toe dat “Na evaluatie van de inzet van deze instrumenten, zal worden bezien hoe de Nederlandse inzet na 2015 kan worden vormgegeven.”

Betreffende de door de AIV genoemde versnippering van budgetlijnen en de aanbeveling om “één totale uitgavenpost voor de regio op te stellen” is het kabinet van mening dat met een versterking van de coördinatie tussen de verschillende bestaande programma’s hetzelfde doel kan worden bereikt, namelijk een helder inzicht bieden in de voor democratische transitie in de Arabische regio beschikbare middelen. Op deze wijze wordt een mate van flexibiliteit behouden en de samenhang met thematische uitgaven (bijv. op het gebied van mensenrechten) in andere delen van de wereld gewaarborgd.

Het kabinet ziet geen duidelijke toegevoegde waarde in het aanstellen van een ambassadeur of speciaal gezant voor de gehele Arabische regio, zoals in aanbeveling 3 genoemd. Het “gezicht” van Nederland in de Arabische regio zijn onze ambassadeurs, consuls-generaal en andere vertegenwoordigers in de verschillende landen. De coördinatie vindt plaats op het departement. Hierbij is het goed te onderstrepen dat steun aan democratische transitie integraal onderdeel vormt van de bilaterale relatie met de betreffende Arabische landen en niet in isolatie kan worden bezien.

Aanbeveling 4
Nederland en de EU moeten hun inspanningen ter bevordering van de werkgelegenheid uitbreiden:

  • dit betekent een serieus onderhandelingsproces ten aanzien van EU-handelsakkoorden;
  • een toename van investeringen van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Nederlands bedrijfsleven waar mogelijk;
  • stimulering van het inheemse MKB, waaronder advisering banken voor meso- en microkrediet (midden- en kleinbedrijf);
  • bijstand aan vrije vakbewegingen en coöperaties zoals ook in eerder AIV-advies is aanbevolen.

Kabinetsreactie
Het kabinet onderschrijft de visie van de AIV dat bevordering van welvaart en werkgelegenheid door de EU in de Arabische regio essentieel is. Daardoor kan de bevolking meer perspectief krijgen, waardoor een breder draagvlak ontstaat voor de noodzakelijke transities. Dat is ook in het handelsbelang van de EU. Handelsakkoorden zijn hierbij instrumenteel. De EU zet in op diepgaande en veelomvattende handels-en investeringsakkoorden. Daarbij moet het aanbod worden afgestemd op de specifieke, en vaak uiteenlopende, noden van de nabuurschapslanden. Er is geen sprake van een ‘one size fits all’ benadering. Bij dit alles moet wel beseft worden dat de economische samenwerking met de Arabische regio sterk gepolitiseerd is.

Zonder een totaal overzicht te geven, kan worden opgemerkt dat de onderhandelingen van de EU met Marokko over een diepgaand handelsakkoord het verst gevorderd zijn, maar al geruime tijd stil liggen als gevolg van twijfels in Marokko over het aangaan van dit soort akkoorden (ook met de VS). Tunesië volgt mogelijk en met Egypte worden de mogelijkheden verkend. De komende jaren zal de Europese Commissie in Algerije, Egypte, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Gebieden en Tunesië steun bieden bij de (sociaal)economische ontwikkeling, versterking van de arbeidsmarkt en inclusieve groei. Nederland heeft in lijn met de aanbeveling van de AIV aangedrongen op extra aandacht voor het MKB in de Investeringsfaciliteit van het EU Nabuurschapsbeleid (NIF). Eind 2014 heeft de Europese Commissie daarvoor (via de EBRD) ruim 20 miljoen Euro beschikbaar gesteld. Vermeldenswaard zijn nog de investeringen vanuit het NIF en via de EIB in duurzame energie in Marokko, het milieu in Egypte en Tunesië, de onderwijsinfrastructuur in Tunesië en risicokapitaal in de hele regio.

De AIV adviseert “bijstand aan vrije vakbewegingen en coöperaties”, maar daarbij moet worden opgemerkt dat die in zeer beperkte mate voorkomen in de Arabische wereld. In Egypte is wel Matra-Zuid steun verleend aan vakbonden. Waar dergelijke organisaties worden opgezet, zal het kabinet eventuele financiering welwillend bekijken.

Aanbeveling 5
Ook moeten de rijkere landen in de regio, zoals Saoedi-Arabië, VAE, Qatar en Iran er door Nederland en de EU op worden aangesproken hun beperkte focus op veiligheid te verbreden naar die van economische ontwikkeling. Ombuiging van de financiële steunprogramma’s van deze landen in die richting is gewenst.

Kabinetsreactie
Het kabinet deelt de visie van de AIV dat de welvarende landen in de Arabische regio ook verantwoordelijkheid dragen voor het bevorderen van economische ontwikkeling in de minder welvarende landen. Zij worden daarop al langere tijd aangesproken. Hoe wenselijk ook, we moeten daarvan niet al te hoge verwachtingen hebben, gezien de uiteenlopende motieven die de welvarende Arabische landen hebben om landen of organisaties in de regio te ondersteunen. Het kabinet steunt het streven naar regionale integratie van deze regio. Vanuit de EU worden hier ook programma’s op ingezet, maar de praktijk blijkt weerbarstig.

Iran, door de AIV genoemd, als een van de “rijkere landen”, heeft een moeizame dynamiek met de Arabische regio en zal mede daarom niet op dit punt worden aangesproken.

Aanbevelingen 6 en 7
De internationale gemeenschap moet urgent actie nemen om de geldstroom naar ISIS en al- Nusra en andere jihadistische groepen te beperken. Er dienen maatregelen te worden genomen tegen landen en individuen die olie en gas kopen van deze extremistische bewegingen.

Kabinetsreactie
Het kabinet is het eens met de AIV dat de geldstroom naar ISIS en andere jihadistische groepen moet worden beperkt. Essentieel onderdeel van de Nederlandse inzet bij de bestrijding van jihadisme en terrorisme is dan ook het indammen van financiële stromen richting dergelijke organisaties. Uitgangspunt voor Nederland is het effectief gebruik van het internationale instrumentarium tegen terrorismefinanciering. Daarnaast steunt Nederland de actieve Europese inzet op het terrein van het tegengaan van terrorismefinanciering, waaronder de toepassing van bevriezingsmaatregelen op grond van de EU-terrorismelijst. In zijn contra-terrorismestrategie voor Syrië en Irak heeft de EU prioriteit gegeven aan het aanpakken van de financiering van ISIS en de dialoog hierover met de Golfregio. Ook op nationaal niveau neemt het kabinet maatregelen. Zo zijn er sinds 2013 15 personen op de nationale terrorismelijst geplaatst. Daardoor zijn hun financiële tegoeden bevroren en is het verboden hun financiële tegoeden of middelen ter beschikking te stellen. Een nadere uitwerking is te vinden in de brief aan de Tweede Kamer (kenmerk DVB-TN 003/15) die op 14 januari 2015 is verstuurd.

Wat betreft aanbeveling 7 heeft Nederland in EU-verband aandacht gevraagd voor een mogelijke rol van de private sector bij het signaleren van terrorismefinanciering door oliehandel, opdat de internationale gemeenschap gerichte maatregelen kan nemen om die financiering te stoppen.

Aanbeveling 8
De AIV beveelt aan dat na militair ingrijpen in gewelddadige conflicten de aandacht niet alleen uitgaat naar wederopbouw, maar ook naar transitional justice, verzoening en het herstel van verstoorde relaties. Het uitschakelen, opsluiten of veroordelen van degenen die schuldig zijn aan de gewelddadigheden, is op zichzelf onvoldoende als men herhaling wil voorkomen.

Kabinetsreactie
Het kabinet is het geheel eens met de visie van de AIV dat in een post-conflictsituatie niet alleen aandacht moet worden besteed aan wederopbouw, maar ook aan “transitional justice” en verzoening. Wederopbouw zonder verzoening houdt geen stand.

Aandacht voor de slachtoffers van een conflict moet in een dergelijke situatie hoog op de lijst met prioriteiten staan. De ervaring leert dat waarheidsvinding sneller tot herstel van verstoorde relaties tussen verschillende groepen leidt indien het in een vroeg stadium wordt opgepakt. Ook indien een conflict nog woedt kunnen voorbereidingen worden getroffen voor “transitional justice”. Zo heeft de VN reeds onderzoeken opgestart in de lopende conflicten in Syrië en Irak. Dat stuurt een belangrijk signaal naar de slachtoffers van mensenrechtenschendingen, zoals bijv. de Yezidi’s, dat ze niet vergeten zijn. Ook de daders worden zo op ondubbelzinnige wijze gewaarschuwd.

Aanbeveling 9
De AIV pleit voor een steviger, geïntegreerd Europees beleid waarin technische ondersteuning en buitenlands politiek beleid geen los van elkaar staande grootheden meer zijn. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU dient dan zowel het instrumentarium als het politieke mandaat van de Europese Raad te krijgen om met de landen in de regio, inclusief de Golfstaten, in gesprek te gaan.

Kabinetsreactie
Het kabinet is het eens met de visie van de AIV dat het EU-nabuurschapsbeleid een integraal onderdeel dient te zijn van het externe beleid van de EU. De Europese Commissie en EDEO werken momenteel aan herziening van het nabuurschapsbeleid. De Nederlandse inzet daarbij is dat meer coherentie nodig is met het EU handelsbeleid en het Gemeenschappelijk Buitenlandsen Veiligheidsbeleid (GBVB). Het sluiten van handelsakkoorden, het sturen van GBVB-missies en het gebruik van andere GBVB-instrumenten, dient integraal met de instrumenten van het nabuurschapsbeleid te worden bezien en ingezet. De EU-aanpak moet gedifferentieerd worden per regio en per land, op basis van gedeelde waarden en belangen. Daar waar meer overeenstemming is over de centrale waarden (democratie, respect voor mensenrechten en de rechtsstaat) en waar grotere belangen spelen voor de EU, is de inzet groter dan in landen waar dat minder het geval is. Daarbij is aandacht voor de absorptiecapaciteit van de partnerlanden geboden. De Commissie en EDEO dienen in dit kader nauw samen te werken. Het feit dat de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, mevrouw Mogherini, tevens vicevoorzitter van de Commissie is en van het Commissie-cluster dat zich bezighoudt met externe aangelegenheden, biedt in dit opzicht perspectief. Zoals de AIV voorstelt, dient hierbij meer aandacht te komen voor derde landen, zoals de Golfstaten.

Tweede deel aanbeveling 10 (Op het eerste deel is onder aanbeveling 1 gereageerd) Tot slot vindt de AIV het van belang dat de dialoog ook gezocht moet worden met religieuze groepen. Als de informatievoorziening alleen tot stand komt door met de elite te spreken, dan worden drijfveren en maatschappelijke ontwikkelingen nooit helemaal helder en goed te duiden. Ook is de AIV van mening dat strijdende partijen, mochten ze een weg naar gesprekken weten te vinden, eveneens het oor verdienen van Nederland en de EU, zo nodig via het tussenstation van informele, zogenaamde Track II diplomacy. De AIV is zich ervan bewust dat het leggen van contacten met groepen die het geweld niet schuwen (maar anders dan bijvoorbeeld ISIS niet uit zijn op de totale vernietiging van andersdenkenden) mogelijk in eerste instantie op onbegrip zal stuiten. Als dit echter een dragelijke politieke oplossing naderbij brengt, is dat in het licht van de geschiedenis een acceptabele prijs.

Kabinetsreactie
Gezien de invloed van religieuze bewegingen en leiders in de Arabische regio is het kabinet het ermee eens dat meer dan in het verleden met hen de dialoog moet worden gezocht. Het is overigens belangrijk om te vermelden dat sedert het uitbreken van de Arabische revoltes in 2011 - en de toegenomen politieke invloed die religieuze bewegingen via parlementen, maar ook extraparlementair, zijn gaan uitoefenen - met hen de dialoog is aangegaan. Dat geldt vanzelfsprekend niet voor die religieuze bewegingen die door middel van grof geweld hun politieke doelen nastreven zoals Jihadi Salafi’s.

De AIV schetst terecht het dilemma van het aangaan van contacten met “groepen die het geweld niet schuwen (maar anders dan bijvoorbeeld ISIS niet uit zijn op de totale vernietiging van andersdenkenden)” In sommige gevallen is een politieke oplossing zonder dergelijke groepen niet mogelijk, maar aan de andere kant kunnen contacten die publiek zijn – of dat ongewild worden – hen legitimiteit verschaffen en mede door reacties van andere partijen de situatie verder doen escaleren. Dit dilemma is niet alleen relevant met betrekking tot niet-statelijke actoren, maar ook met betrekking tot statelijke actoren (zoals het Assad-regime, waarnaar de AIV verwijst in een tekstblok onder aanbeveling 8) die zich schuldig maken aan massale mensenrechtenschendingen en misdrijven tegen de menselijkheid.

Track II diplomacy kan een dialoog tot stand brengen tussen tegenstanders die publiekelijk niet met elkaar gezien kunnen of willen worden. Dit is extra belangrijk in een regio waarin religieuze, etnische en andere tegenstellingen steeds verder polariseren en vijandbeelden worden uitvergroot. De mogelijkheden worden onderzocht om dergelijke vormen van onofficiële diplomatie te ondersteunen of daarvoor een platform te bieden.

In aansluiting hierop en in reactie op de door de AIV gegeven visie onder punt 5. “Nadere antwoorden op vragen van de regering”, deelt het kabinet de visie van de AIV dat “vermeerdering van kennis van de sociale achtergronden en drijfveren van religieuze bewegingen” belangrijk is. Hoewel op dit gebied binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken al veel kennis is, wordt momenteel in het kader van de strategische personeelsplanning bekeken hoe de aanwezige kennis gerichter kan worden ingezet. Terecht noemt de AIV de noodzaak dat “de ambassades (…) voldoende zijn uitgerust qua capaciteit en projectmiddelen” voor het op gang brengen van een uitwisseling van gedachten.

Persberichten

DIALOOG EN PRAGMATISME, LEIDRAAD VOOR BELEID IN DE ARABISCHE REGIO
 

Den Haag, woensdag 12 november 2014

Alleen met een pragmatische instelling kan het gesprek met landen uit de Arabische regio resultaat opleveren. Beleid van Nederland op basis van alleen principiële overwegingen schaadt de doelgroepen in die landen. Dit stelt de AIV in een vandaag gepresenteerd advies.

De ontwikkelingen in de Arabische regio laten zien dat er een kloof bestaat tussen wensdenken en realiteitszin. Hervormingen van een politiek bestel vereisen het geduld van soms enkele generaties. Regeringen en volksvertegenwoordigers in het Westen moeten daar rekening mee houden in hun doelstellingen voor het buitenlands beleid. Het houden van verkiezingen kan niet het enige perspectief zijn en Westerse landen mogen niet in de valkuil van verkiezingsfetisjisme vallen. De vestiging van een deugdelijk bestuur en rechtsstaatontwikkeling kosten veel tijd en moeten vooraf gaan aan een ordentelijk verkiezingsproces.

De euforie over de omwentelingen van 2011 in de Arabische regio was groot. Op enkele uitzonderingen na is de situatie vrijwel overal eerder verslechterd dan verbeterd. Er zijn fundamentele veranderingen gaande in de gehele regio en de contouren daarvan worden nu pas in alle hevigheid zichtbaar. De Arabische omwenteling van 2011 heeft impulsen gegeven aan processen die onderhuids al langer speelden. De opstanden hebben geleid tot een grotere tegenstelling tussen zowel seculieren en islamisten als islamisten onderling, en hebben indirect bijgedragen aan het sektarisch geweld in Syrië en Irak. Ook de tegengestelde regiopolitieke ambities van Iran en Saoedi-Arabië wakkeren de strijd aan.

De AIV is voorstander van een pragmatische invulling van het Nederlandse beleid in de Arabische regio. De AIV vindt dat een stop-and-go beleid op basis van onbuigzame principes vooral de ontvangers van hulp schaadt. Het aangaan van een kritische dialoog is een belangrijke invulling van het buitenlands beleid ten aanzien van de betrokken landen. Ook met partijen met een minder ‘schone’ achtergrond dient een gesprek niet uit de weg te worden gegaan. De AIV is van mening dat steun aan democratische hervormingsprocessen door moet gaan, ook al is er sprake van terugval. Nederland en de EU moeten daarom bestaande programma's ter bevordering van de rechtsorde en democratisering continueren en zelfs versterken. Steun kan bij ernstige ontsporingen in het hervormingsproces of achteruitgang van de diplomatieke betrekkingen verlopen via niet-gouvernementele kanalen.