VN-Comité tegen Foltering

22 februari 2006 - nr.2
Samenvatting
Niet van toepassing.
Adviesaanvraag
Niet van toepassing.
Regeringsreacties

De Voorzitter van de Adviesraad

Internationale Vraagstukken

Prof. drs R.F.M. Lubbers

Postbus 20061

2500 EB  DEN HAAG

 

 

Den Haag, 19 augustus 1999

 

 

 

Amice,

 

In antwoord op uw brief van 13 juli 1999, kenmerk AIV-066/99, deel ik u gaarne het volgende mede.

 

De aanleiding tot uw brief is het feit dat de regering een verzoek van het VN-Comite tegen Foltering (CAT), gebaseerd op de procedureregels van het Comité en strekkende tot niet-uitzetting van een uitgeprocedeerde asielzoeker gedurende de behandeling van diens klacht door het Comité, niet heeft ingewilligd. U ziet deze handelswijze van de regering, zo begrijp ik uit uw brief, als symptoom van een bredere tendens van afnemend respect binnen de internationale gemeenschap voor uitspraken van internationale toezichthoudende comités en juridische instellingen. Ter adstructie van deze tendens wijst u op het opzeggen van (protocollen bij) mensenrechtenverdragen door Noord-Korea, Trinidad en Tobago, Jamaica en Guyana, alsmede op de weigering van de Verenigde Staten om uitspraken van het Internationaal Gerechtshof na te komen.

 

Uw visie dat de handelswijze van de regering in de bedoelde CAT-zaak symptomatisch is voor een afnemend respect voor uitspraken van internationale instanties - indien daarvan sprake zou zijn - deel ik niet. Ik ben dan ook van mening dat de onderhavige kwestie en de door u aangehaalde voorbeelden niet goed vergelijkbaar zijn. Niet alleen zijn verdragen en einduitspraken van het Internationaal Gerechtshof volkenrechtelijk bindend, terwijl de opinies van het Comité tegen Foltering dat niet zijn, belangrijker voor het geval in kwestie is dat de bevoegdheid van het CAT om verdragstaten te verzoeken uitzetting van klagers op te schorten hangende de procedure niet is gebaseerd op het Internationale Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, maar op de procedureregels van het Comité, die de partijen niet binden. Uiteraard staat het staten vrij verklaringen af te leggen dat zij zich tot meer gehouden achten dan waartoe het verdrag verplicht, doch een dergelijke verklaring is door Nederland bij ratificatie van het verdrag tegen foltering niet afgelegd.

 

Ik ben dan ook van mening dat door de onderhavige handelswijze van de regering op geen enkele wijze inbreuk wordt gemaakt op het internationaal recht. Het inwilligen van verzoeken op basis van de procedureregels van het CAT, hoezeer ook uitgangspunt èn praktijk van de regering, kan niet aan de hand van het internationaal recht tot verplichting of automatisme worden verheven.

 

Anderzijds kan ik mij voorstellen dat verdragstaten, indien zij als uitgangspunt juist géén gehoor geven aan verzoeken van het CAT om interim-maatregelen, de werking van het verdrag - juist dit verdrag - zozeer frustreren dat zij de facto handelen in strijd met de geest van het verdrag. Een dergelijke lichtvaardige omgang met de verworvenheden van het verdrag en het individueel klachtrecht is de regering echter ten enen male vreemd. lk moge, met betrekking tot de merites van het specifieke gevaI, verwijzen naar de beantwoording van twee series kamervragen van het lid Halsema (GroenLinks) van 29 januari 1999 en 16 maart 1999, respectievelijk Kamerstukken II 897 en 1207. In het bijzonder wijs ik erop dat het verzoek van de klager om toelating als vluchteling - ook na rechterlijke toetsing, waarbij aan het met artikel 3 van het Verdrag tegen Foltering vergelijkbare artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was getoetst - kennelijk ongegrond was bevonden, dat hij geen toegang tot Nederland had gekregen en zich op grond van artikel 7a van de Vreemdelingenwet in het Grenshospitium op Schiphol bevond.

 

Met name deze omstandigheden hebben de regering ertoe gebracht in het onderhavige geval af te wijken van het uitgangspunt dat verzoeken van het CAT om interimmaatregelen worden ingewilligd. Ik ben van mening dat deze handelswijze mogelijk was met volledig respect voor het internationaal recht in het algemeen en het Comité tegen Foltering in het bijzonder.

 

 

(getekend)

 

J.J. van Aartsen

Minister van Buitenlandse Zaken

 

Persberichten
Niet van toepassing.