Van Binnengrenzen naar Buitengrenzen: ook voor een volwaardig Europees Asiel- en migratiebeleid in 2009

22 februari 2006 - nr.7
Samenvatting
Niet van toepassing.
Adviesaanvraag
Niet van toepassing.
Regeringsreacties

Aan de Voorzitter van de

Adviesraad Internationale Vraagstukken

Mr. F. Korthals Altes

Postbus 20061

2500 EB  Den Haag

 

Den Haag, juli 2004

 

 

Hierbij doe ik u, mede namens de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, onze brief van 25 juni jl. aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal toekomen met de gecombineerde kabinetsreactie op de adviezen die zijn uitgebracht door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en Uw Raad over het Europees asiel- en migratiebeleid. Deze brief is op 30 juni jl. aan het Parlement verstuurd.

 

De Minister                                                       De Staatssecretaris

Van Buitenlandse Zaken,                                   voor Europese Zaken,

 

[getekend]                                                        [getekend]

 

Dr. B.R. Bot                                                      Mr. Drs. A. Nicolaï

 

 

 

Ministerie van Justitie

Directoraat-Generaal Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken

Directie Vreemdelingenbeleid

 

Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag                                      Bezoekadres

                                                                                                          Schedeldoekshaven 100

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer                                                2511 EX  Den Haag

Der Staten-Generaal                                                                             Telefoon (070)3 70 79 11

Postbus 20018                                                                                     Fax (070) 3 70 79 72

2500 EA  Den Haag                                                                              www.justitie.nl

 

 

Onderdeel         Directie Vreemdelingenbeleid

Datum              25 juni 2004

Ons kenmerk    5286721/04/DVB

Onderwerp        Kabinetsreactie AIV- en ACVZ-adviezen

                        Europees asiel- en migratiebeleid

 

 

 

Hierbij doen wij u toekomen de kabinetsreactie op de adviezen die zijn uitgebracht door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken en de Adviesraad Internationale Vraagstukken over het Europees asiel- en migratiebeleid. De ACVZ bracht haar advies “Voorbij de horizon van ‘Amsterdam’, een advies over het Europese beleid inzake asiel-, arbeids- en gezinsmigratie na 1 mei 2004, ten behoeve van het Nederlandse voorzitterschap” uit op 6 februari 2004. De AIV bracht zijn advies “Van binnengrenzen naar buitengrenzen: ook voor een volwaardig Europees asiel- en migratiebeleid in 2009” uit op 12 maart 2004.

 

Beide adviescolleges hebben hun advies uit eigen beweging uitgebracht. Er lag derhalve geen adviesaanvraag aan ten grondslag. Beide adviescolleges hadden een gezamenlijk advies willen uitbrengen, maar geven in hun adviezen aan er niet in geslaagd te zijn tot overeenstemming te komen.

 

Inleiding

 

Uitgangspunten van beide adviezen

De ACVZ en de AIV zijn het met elkaar eens, dat tijdens de vijf jaar sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in mei 1999 veel bereikt is op het gebied van het Europees asiel- en migratiebeleid. Beide adviescolleges menen dat verdergaande samenwerking op een hoog ambitieniveau vereist is.

 

De ACVZ meent dat het gewenste niveau van harmonisatie afhankelijk is van de vraag of de belangen van de staat zwaarder moeten wegen, dan wel of de rechten en belangen van de individuele vreemdeling de doorslag moeten geven. Een hoger niveau van harmonisatie is dan vereist, naarmate het zwaartepunt sterker bij de rechten en belangen van het individu ligt. Dit maakt in de ogen van de ACVZ een hoog niveau van harmonisatie van het asielbeleid noodzakelijk. Voor een hoog niveau van harmonisatie van arbeidsmigratie ziet de ACVZ echter geen reden, omdat de arbeidsmarktgevolgen en de sociaal-economische gevolgen van arbeidsmigratie vooral op het niveau van de lidstaten worden gevoeld. In verband met de vorming van een Europese kenniseconomie is naar de mening van de ACVZ wel een hoger niveau van harmonisatie vereist bij de toelating van kennismigranten. Op het punt van gezinshereniging dient volgens de ACVZ een evenwicht te worden gevonden tussen de belangen van staten om (gedeeltelijk) eigen beleid te voeren en de belangen van vreemdelingen die zich beroepen op het fundamentele recht op gezinsleven. De ACVZ meent dat in de bestaande richtlijn inzake het recht op gezinshereniging een aanvaardbaar evenwicht is neergelegd.

 

Het uitgangspunt van de AIV voor wat betreft de differentiatie van het harmonisatieniveau is niet wezenlijk anders. Een belangrijk leidend beginsel is voor de AIV echter ook, dat bij de ontwikkeling van een programma voor de tweede fase van het Europees asiel- en migratiebeleid rekening moet worden gehouden met het systeem en de werking van de interne markt. Dit betekent voor de AIV dat op de langere termijn ervan moet worden uitgegaan dat de beginselen van het vrij verkeer van personen ook moeten gelden voor derdelanders die rechtsgeldig zijn toegelaten in één lidstaat en daar een permanente verblijfstitel hebben verworven. Tevens laat de AIV zich uit over de toekomst van het Europees asielbeleid, waarbij de AIV sterk leunt op de aanbevelingen van de UNHCR in dit verband. De AIV doet voorts aanbevelingen op het gebied van grensbewaking, visum- en terugkeerbeleid.

 

Het kabinet meent dat de adviezen van beide adviescolleges elkaar op welkome wijze aanvullen. Het kabinet stemt in grote lijnen in met de uitgangspunten van ACVZ en AIV, dat uiteindelijk in het asielbeleid weinig ruimte dient te blijven voor nationaal beleid, dat een dergelijke ruimte bij het arbeidsmigratiebeleid groter kan zijn, en dat het beleid inzake gezinshereniging en illegale migratie het midden tussen deze twee uitersten moet houden. Wij achten dit uitgangspunt realistisch en evenwichtig. Het kabinet onderschrijft in principe voorts de oproep van de AIV om bovendien uit te gaan van de beginselen van de interne markt en in het recht op vrij verkeer een plaats in te ruimen voor langdurig ingezeten derdelanders. Voor derdelanders behoeft het recht op vrij verkeer van langdurig ingezeten derdelanders in onze ogen echter niet in alle opzichten gelijk te zijn aan het recht op vrij verkeer van burgers van de Unie.

 

Het briefadvies van beide colleges van 15 mei 2003

Vooruitlopend op het aanvankelijk voorziene gezamenlijke advies hebben AIV en ACVZ op 15 mei 2003 een gezamenlijk briefadvies uitgebracht aan onze ambtsvoorgangers. AIV en ACVZ bevalen in dit briefadvies concreet het volgende aan als prioriteiten voor het Nederlandse Voorzitterschap:

1.       Het uitonderhandelen van die ontwerp-richtlijnen die verdragsmatig moeten zijn aagenomen op 1 mei 2004.

2.       Het uitvoeren van een evaluatie van de regelgeving die op basis van Titel IV van het EG-Verdrag tot stand is gebracht.

3.       Het organiseren van een werkconferentie gericht op de evaluatie.

4.       Het opstellen van een actieprogramma voor het toekomstig beleid van de Unie, dat moet worden aangenomen door een informele Raad.

Nu voor 1 mei 2004 een akkoord is bereikt over in beginsel alle nog voorliggende ontwerp-richtlijnen, meent het kabinet dat het uitonderhandelen van nog niet aangenomen wetgevingsinstrumenten niet langer als een specifieke prioriteit voor het Nederlandse Voorzitterschap behoeft te worden benoemd. Dit neemt uiteraard niet weg dat wij ons zullen inspannen nog op de agenda staande instrumenten aangenomen te krijgen. Met betrekking tot een evaluatie van de tot stand gebrachte regelgeving zijn wij van mening, dat dit in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de Commissie is. De Commissie zal in juni 2004 met een evaluatie komen van wat sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 is bereikt voor de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Het kabinet hoopt daarna van de Europese Raad een mandaat te ontvangen om een meerjarenagenda voor de JBZ-samenwerking op te stellen. Het kabinet stelt zich voor deze agenda te agenderen voor goedkeuring door de Europese Raad op 5 november 2004. Bij de voorbereiding van de agenda is een rol weggelegd voor een seminar over het gemeenschappelijk Europees asiel- en migratiebeleid, dat het Ministerie van Justitie van 1 tot en met 3 september 2004 zal organiseren.

 

Reacties op de aanbevelingen

 

Hieronder volgen onze reacties op de aanbevelingen van de ACVZ en de AIV. De aanbevelingen zijn op onderwerp geclusterd.

 

Algemeen

 

Institutionele mogelijkheden

De AIV beveelt aan dat de Raad gebruik maakt van de nu al in Titel IV van het EG-Verdrag vervatte institutionele mogelijkheden om dit beleidsterrein verder te ontwikkelen, als vooruitgang ten aanzien van een meer ambitieuze aanpak uitblijft. De aanvaarding van de ontwerp-grondwet acht de AIV onontbeerlijk om te kunnen komen tot een meer ambitieuze aanpak.

 

Het kabinet onderschrijft het grote belang van het ontwerp-grondwettelijk verdrag. Het beleid betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zal in de toekomst een gedeelde bevoegdheid van de Unie (artikel I-13) zijn. Binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid zal op de deelterreinen van grenscontrole, asiel en immigratie het beleid bovendien tot stand komen door toepassing van de gewone wetgevingsprocedure (artikel III-302). Daarmee komt het exclusieve recht van initiatief op deze terreinen te liggen bij de Europese Commissie, krijgt het Europees Parlement de taak van medewetgever en beslist de Raad voortaan met gekwalificeerde meerderheid. Deze volledige communautarisering van het asiel- en immigratiebeleid zal kunnen leiden tot verdergaande harmonisatie. De analyse van de AIV dat er brede politieke steun is voor de versterking van het institutionele kader voor grenscontroles, asiel en immigratie is juist. In de Intergouvernementele Conferentie (IGC) zijn deze bepalingen tot op heden niet wezenlijk ter discussie gesteld. Het grondwettelijk verdrag, dat naar verwachting tijdens de Europese Raad in juni 2004 zal worden vastgesteld, zal dan ook de desbetreffende bepalingen naar alle waarschijnlijkheid behouden.

 

Het kabinet is van mening dat de bepalingen van het grondwettelijk verdrag de benodigde basis bieden voor de ambitieuze aanpak die de AIV bepleit. De regering kan en wil niet vooruit lopen op een mogelijke vertraging in de harmonisatie van het asiel- en immigratiebeleid tengevolge van een eventueel moeizaam ratificatieproces van het grondwettelijk verdrag in één of meerdere lidstaten. Evenwel sluit de regering gebruikmaking van de mogelijkheden van het huidige verdrag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de grondwet niet uit. De Verdragen van Amsterdam en Nice bieden hiertoe ook de mogelijkheid. In dat kader wijst de regering op de hoge prioriteit die Nederland tijdens zijn voorzitterschap geeft aan Justitie- en Binnenlandse Zaken-aangelegenheden.

 

Asiel- en migratiestatistieken

De ACVZ acht het van groot belang dat consistente, vergelijkbare en actuele gegevens over de migratiestromen per land beschikbaar zijn. Zij stelt voor dat onder het Nederlands voorzitterschap een verordening wordt aangenomen die de lidstaten verplicht asiel- en migratiestatistieken aan Eurostat te leveren.

 

Het kabinet onderschrijft het belang van actuele en betrouwbare asiel- en migratiestatistieken volledig. De Commissie heeft thans ook een ontwerp-verordening in voorbereiding die de lidstaten de door de ACVZ bedoelde verplichtingen zal opleggen. De Commissie voorziet de indiening van de ontwerp-verordening medio 2004. De besprekingen over de ontwerp-verordening kunnen dan onder Nederlands Voorzitterschap plaatsvinden.

 

Aandacht voor implementatie en consolidatie van aangenomen regelgeving

De ACVZ beveelt aan dat tijdens het Nederlandse voorzitterschap bijzondere aandacht wordt besteed aan de invoering, uitvoering en consolidatie van alsdan aangenomen regelgeving, alsmede voor de uitonderhandeling en totstandkoming van de (nog) niet aangenomen regelgeving.

 

Het kabinet onderschrijft deze aanbeveling. Het kabinet zal zich uiteraard inspannen voor het met goed gevolg afronden van eventuele onderhandelingen over nog niet aangenomen regelgeving die bij het begin van het Nederlandse voorzitterschap op de agenda van de Raad staat. Met betrekking tot de implementatie en consolidatie van aangenomen regelgeving benadrukt het kabinet dat het toezicht hierop een taak van de Commissie is in haar rol van hoedster van het EG-Verdrag. Desalniettemin is het kabinet van mening dat de implementatie en consolidatie in het kader van de evaluatie van het Tampere-werkprogramma bijzondere aandacht verdient.

 

Het solidariteitsbeginsel

De ACVZ acht een nadere uitwerking van artikel III-169 van de ontwerp-grondwet (het solidariteitsartikel dat maatregelen op het gebied van lastenverdeling mogelijk maakt) van wezenlijk belang voor het slagen van een Europees asiel- en migratiebeleid in de toekomst. Ook de AIV wil dat concrete invulling wordt gegeven aan het solidariteitsbeginsel.

 

Het kabinet ondersteunt in principe de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheden op het gebied van asiel- en immigratiebeleid, zoals deze zijn neergelegd in artikel III-169 van het ontwerp-grondwettelijk verdrag. Dit artikel vormt een versterking en een veralgemenisering van hetgeen in artikel 63, lid 2, onder b van het EG-Verdrag is gesteld. Op basis van dit laatste artikel is bevordering van evenwicht tussen inspanningen van lidstaten beperkt tot het dragen van de consequenties voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden; artikel III-169 van het ontwerp-grondwettelijk verdrag maakt het mogelijk het principe van solidariteit daar waar nodig toe te passen op alle onderdelen van het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie. Verdere uitwerking van artikel III-169 acht het kabinet dan ook overbodig. Artikel III-169 stelt helder dat de handelingen van de Unie die uit hoofde van het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie van het grondwettelijk verdrag worden vastgesteld wanneer dat nodig is bepalingen voor toepassing van het beginsel bevatten. Nu is nog niet te overzien welke toekomstige maatregelen tot toepassing van het beginsel nopen. De ACVZ wijst er op dat de praktijk op het gebied van migratie snel wisselt en dat volledige Europese codificatie het systeem inflexibel en onhanteerbaar zou maken. Deze uitgangspunten kan het kabinet slechts onderschrijven: per vast te stellen handeling zal door de Unie moeten worden bepaald hoe het beginsel van solidariteit van toepassing is.

 

Rol van het Europese Hof van Justitie

Zowel de ACVZ als de AIV bevelen maatregelen aan om te voorkomen dat de wachttijden voor procedures bij het Europees Hof van Justitie te lang worden en de werkdruk van het Hof te groot wordt.

 

Het kabinet is van mening dat de angst voor te lange procedures voor een belangrijk deel niet zonder grond is. De ervaring leert dat in vreemdelingenzaken de bevoegdheid om iedere procedurele mogelijkheid aan te grijpen die tot een ander oordeel kan leiden groot is. De angst voor lange procedures wordt evenwel tot op zeker hoogte ondervangen door de bepaling in artikel III-274 van het ontwerp-grondwettelijk verdrag, die het Hof van Justitie verplicht zo spoedig mogelijk uitspraak te doen in een prejudiciële procedure, wanneer een vraag is opgeworpen in een zaak betreffende een gedetineerde persoon, die bij een nationale rechterlijke instantie aanhangig is. Deze bepaling is mede op Nederlands initiatief in de ontwerp-grondwet opgenomen. Daarnaast is het kabinet het met de ACVZ en de AIV eens dat het nuttig is om te zoeken naar mogelijkheden om huidige en toekomstige procedures te versnellen. Daarbij dient bedacht te worden dat een van de belangrijkste redenen voor langdurige procedures bij het Hof van Justitie niet zozeer het aantal zaken is, maar de beperkte vertaalcapaciteit.

 

Asiel

 

Verdere harmonisatie van de asielwetgeving

De ACVZ meent dat de regering zich actief dient in te zetten voor verdere harmonisatie van het beleidsterrein asiel en voor het nader specificeren van de internationale verdragsnormen. De ACVZ acht het huidige palet aan maatregelen een eerste stap in de totstandkoming van een Europees asielbeleid, maar merkt daarbij op dat dit op minimumniveau is. Zij beveelt aan de huidige maatregelen op een inhoudelijk en procedureel hoger niveau te harmoniseren en daartoe de regelingen aan te passen. Op deze wijze worden de individuele rechten gewaarborgd en tevens conflicten met internationaal verdragsrecht zo veel mogelijk voorkomen.

 

Het kabinet onderkent het belang van volgende stappen die tot een werkelijk gemeenschappelijk Europees asielbeleid kunnen leiden. Harmonisatie op een inhoudelijk en procedureel hoger niveau acht het kabinet echter niet mogelijk voor de wetgevingsinstrumenten die onlangs zijn aangenomen. Deze stap naar een werkelijk hoger niveau kan volgens het kabinet worden genomen in de tweede fase van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid, omdat nu besluitvorming kan plaatsvinden volgens gekwalificeerde meerderheid in de Raad en met een volwaardige rol voor het Europees Parlement.

 

De kwalificatierichtlijn

De ACVZ acht een gedegen kwalificatie- en procedurerichtlijn onontbeerlijk in de totstandkoming van een Europees asielbeleid. De ACVZ acht een herbeoordeling en aanpassing van beide ontwerp-richtlijnen op een aantal punten nodig. Bij de kwalificatierichtlijn gaat het de ACVZ vooral om de interpretatie van de bepaling, wie actor van vervolging of ernstige schade kan zijn (artikel 6 van de richtlijn) en wie actor van bescherming kan zijn (artikel 7 van de richtlijn). Bij het verlenen van een vluchtelingenstatus of van subsidiaire bescherming dient het ontbreken van bescherming volgens de ACVZ voorop te staan, en niet de vraag aan wie de vervolging of de ernstige schade is toe te rekenen.

 

Het kabinet wijst er op, dat de kwalificatierichtlijn inmiddels formeel is aangenomen en op een nog nader te bepalen datum in werking zal treden. De richtlijn zal daarna geïmplementeerd moeten worden. In de richtlijn worden niet alleen de centrale autoriteiten als mogelijke actoren van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag aangemerkt, maar ook andere partijen en niet-overheidsactoren. In het kader van subsidiaire bescherming zijn in het geheel geen actoren benoemd, maar is alleen naar de daden verwezen die als ernstige schade kunnen worden aangemerkt. Zowel in het kader van vluchtelingenschap als in het kader van subsidiaire bescherming is het ontbreken van bescherming een zwaarwegende factor in de individuele beoordeling bij het verlenen van een status. In die zin is derhalve tegemoetgekomen aan de aanbeveling van de ACVZ.

 

De procedurerichtlijn

Voorts meent de ACVZ dat de ontwerp-richtlijn inzake minimumnormen voor asielprocedures op een aantal punten aangepast zou moeten worden. De aanpassingsvoorstellen van de ACVZ hebben betrekking op het recht op gratis rechtsbijstand, op de bepalingen inzake veilige derde landen en op de beroepsprocedures, waaronder de schorsende werking van het beroep. De AIV sluit zich hier in grote lijnen bij aan.

 

Het kabinet wijst er op dat inmiddels ook een politiek akkoord is gesloten over deze ontwerp-richtlijn. De Nederlandse regering heeft zich in de onderhandelingen ingespannen voor een zo hoog mogelijk niveau van harmonisatie. Het bleek echter niet mogelijk om een hoger niveau van harmonisatie te bereiken. Aanpassing van de ontwerp-richtlijn in de door de ACVZ gewenste richting acht het kabinet daarom thans niet mogelijk. De bepalingen inzake veilige derde landen en de schorsende werking van beroepsprocedures behoorden tot de belangrijkste geschilpunten bij de onderhandelingen. Op voorstel van het Ierse Voorzitterschap is er voor gekozen op deze punten de lidstaten veel armslag te geven. De suggesties van de ACVZ kunnen echter wel van belang zijn bij een eventuele herziening van de richtlijn in de toekomst, in het kader van de voorziene evaluatie vier jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn.

 

Vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming

De AIV spreekt zich uit voor de verlening van het recht op vrij verkeer aan diegenen die als erkend vluchteling of subsidiair beschermde een permanente verblijfstitel hebben verkregen. Bovendien wil de AIV dat ook vluchtelingen en personen die subsidiaire bescherming genieten en een permanente verblijfstitel hebben verworven, dezelfde rechten krijgen als derdelanders die onder een andere titel zijn binnengekomen en een permanente verblijfstitel hebben gekregen.

Daarnaast wenst de AIV dat voorstellen worden gedaan om te komen tot een werkelijk eenduidige Europese status op deze twee gebieden, indien na aanneming van de kwalificatierichtlijn in de praktijk te grote verschillen blijven bestaan in de interpretatie van de regels voor toekenning van de vluchtelingenstatus en de status van subsidiair beschermde.

 

Het kabinet is er voorstander van dat houders van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus de status van langdurig ingezetenen kunnen verkrijgen, vergelijkbaar met de reeds op Europees niveau ingevoerde status van langdurig ingezeten derdelanders, die thans alleen voor reguliere migranten bestaat na vijf jaar onafgebroken legaal verblijf. De Commissie bereidt ter zake een voorstel voor, dat in het najaar van 2004 wordt verwacht.

Het ontwerp-grondwettelijk verdrag spreekt in artikel III-167 van een uniforme vluchtelingenstatus die in de hele Unie geldt en een uniforme subsidiaire beschermingsstatus. De ontwerp-grondwet wijst dus reeds in de door de AIV voorgestane richting. Het kabinet wil op de verdere invulling hiervan op dit moment niet vooruit lopen.

 

Één-loket-procedure

De AIV spreekt zich uit voor de instelling van een zogeheten één-loket-procedure, waarbij in de lidstaten steeds één instantie verantwoordelijk is voor de behandeling van aanvragen tot bescherming.

 

Het kabinet onderschrijft het belang van een uniforme procedure, waarbij aanvragen om alle vormen van bescherming – op basis van het Vluchtelingenverdrag of subsidiaire bescherming – door één instantie worden onderzocht en beoordeeld. Naast Nederland kent een aantal andere lidstaten, waaronder ook nieuwe lidstaten, dit systeem. De Commissie bereidt hierover thans een mededeling voor, die in juli 2004 wordt verwacht. Het kabinet wil tijdens het Nederlandse Voorzitterschap bijzondere aandacht besteden aan de thematiek van de uniforme procedure.

 

In dit kader wenst het kabinet op te merken, dat het een enigszins andere mening is toegedaan dan de ACVZ, die op bladzijde 26 van haar advies opmerkt dat aparte procedures voor de beoordeling van verzoeken om subsidiaire bescherming buiten de reikwijdte van het EG-Verdrag liggen. Artikel 63, lid 2, onder a, van het EG-Verdrag biedt de rechtsbasis voor het nemen van maatregelen ten behoeve van personen die “anderszins internationale bescherming behoeven”, dus buiten het kader van het Vluchtelingenverdrag. Deze bepaling is gebruikt voor de subsidiaire beschermingsstatus in de kwalificatierichtlijn en het staat daarom niet vast dat deze bepaling niet voor procedures voor de beoordeling van verzoeken om subsidiaire bescherming gebruikt zou kunnen worden. Het kabinet is het evenwel met de ACVZ eens dat artikel III-167 van het ontwerp-grondwettelijk verdrag een heldere grondslag zal geven voor procedures voor het verlenen van subsidiaire bescherming.

 

Lastenverdeling

De AIV wenst dat een communautair systeem van lastenverdeling tot stand komt. Concreet dienen de lidstaten meer, meer regelmatig en meer naar draagkracht te gaan bijdragen aan het bestaande Europese Vluchtelingenfonds. Lidstaten zouden uit dit fonds een tegemoetkoming moeten kunnen ontvangen voor kosten voor de opvang van asielzoekers op basis van een in te stellen Europees normbedrag. Verder zouden uit dit fonds hervestigingsprogramma’s kunnen worden ondersteund.

 

Het kabinet hecht veel waarde aan het Europees Vluchtelingenfonds, dat in januari 2005 zijn tweede fase moet ingaan (als EVF II). Op dit moment zijn onderhandelingen gaande over het EVF II. De Commissie voorziet een aanzienlijke toename van het bedrag dat voor het EVF II beschikbaar moet worden gesteld. Het kabinet tekent hierbij aan dat de grootte van het Fonds vanaf 2007 moet worden gezien in het licht van het standpunt van de Nederlandse regering met betrekking tot de financiële perspectieven voor de periode 2007-2013. Het kabinet kan zich dan ook niet vinden in het voorstel van de AIV de lidstaten meer naar draagkracht aan het Europees Vluchtelingenfonds te laten bijdragen. Wel ondersteunt het kabinet het voorstel van de AIV uit het Fonds hervestigingsprogramma’s te ondersteunen en draagt het dat standpunt ook uit tijdens de onderhandelingen over het EVF II. Een versterking van het hervestigingsbeleid op het niveau van de Unie, ook financieel, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de versterking van de bescherming in de regio die het kabinet beoogt.

 

Een Europees asielagentschap

De AIV bepleit een onderzoek naar de mogelijkheid van de oprichting van een Europees Asielagentschap met vestigingen in diverse lidstaten en een hoofdkantoor in één lidstaat. Het Europees Asielagentschap zou zich aanvankelijk vooral kunnen richten op ondersteuning van en samenwerking met nationale asielinstanties. Het zou volgens de AIV geleidelijk steeds meer functies op het gebied van de beoordeling van asielverzoeken op grond van Europese normen, beroepsprocedures en spreiding van erkende vluchtelingen en personen met een subsidiaire status op zich moeten nemen. De AIV wil ook dat de mogelijkheid wordt onderzocht van de ontwikkeling van een Europese beroepsprocedure.

 

Het kabinet is een voorstander van versterking van de administratieve samenwerking tussen de asieldiensten van de lidstaten. Dit is onontbeerlijk om de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielbeleid tot een succes te maken. Samenwerking is denkbaar op velerlei gebied, maar heeft thans vooral de vorm van uitwisseling van informatie tussen landenexperts. De Commissie heeft enkele jaren geleden het Eurasil-netwerk opgezet, een comité van experts dat regelmatig onder voorzitterschap van de Commissie vergadert over vraagstukken die zich in de asielpraktijk voordoen. Het kabinet meent echter dat dit slechts een eerste stap is. In het kader van de meerjarenagenda voor de JBZ-samenwerking onderzoekt het kabinet dan ook de meest geëigende vorm van samenwerking tussen de asieldiensten. Een of andere vorm van een Europees asielagentschap sluit het daarbij zeker niet uit.

 

Bescherming in de regio

 

De ACVZ is van oordeel dat bescherming en beoordeling van asielaanvragen in de regio nadere exploratie behoeft. In beginsel kan het concept volgens de ACVZ worden ingevoerd als een variant van het veilig derde land-beginsel. In het veilige derde land in de regio dient dan wel te worden voldaan aan de refoulementverboden, en de opvang en asielprocedure aldaar dient aan bepaalde minimumnormen te voldoen. Praktische problemen kunnen volgens de ACVZ slechts door middel van een communautaire aanpak worden opgelost.

 

De AIV meent dat het concept ‘bescherming in de regio’ alleen mag worden ingevoerd als de bescherming van personen die deze nodig hebben gegarandeerd is, als de opvang menswaardig is, er serieus wordt bijgedragen aan een verbetering van de juridische en sociaal-economische infrastructuur van bescherming in de regio en als in een breed kader gezocht wordt naar structurele oplossingen voor de vluchtelingenproblematiek in de landen van oorsprong en samenwerking met landen van herkomst, transit, eerste opvang en bestemming. Daarnaast moet er ook (financieel) worden bijgedragen aan een in samenwerking met UNHCR verder uit te werken beleid voor terugkeer naar het land van oorsprong, of het anderszins verschaffen van een perspectief. De AIV staat een communautaire aanpak voor, ook wat betreft de financiële vormgeving en implicaties van een dergelijk beleid. Ook beveelt de AIV aan dat de mogelijkheid wordt onderzocht in het kader van Europese Ontwikkelingssteun meer financiële middelen te doen uitgaan naar de bijstand van vluchtelingen in de regio.

Voorts meent de AIV dat lijsten van veilige derde landen worden gebruikt, indien de criteria waaronder een land veilig wordt verklaard strikt, helder, openbaar en controleerbaar zijn en een communautair terugkeerbeleid is ontwikkeld. Deze lijsten van veilige derde landen moeten volgens de AIV worden opgesteld in nauw overleg tussen JBZ- en GBVB-fora, waarbij een samenwerking tussen de “Hoge Vertegenwoordiger” en de Commissaris verantwoordelijk voor JBZ is aan te raden.

 

Het kabinet streeft ernaar de bescherming van asielzoekers en vluchtelingen in de regio van herkomst te versterken op Europees niveau. De Commissie voorziet ook om in dit verband tijdens het Nederlands voorzitterschap in juli 2004 een mededeling aan de Raad te presenteren. Het kabinet is met de AIV en ACVZ van oordeel dat een effectieve bescherming van de desbetreffende personen een belangrijke voorwaarde is voor toekomstige initiatieven ter versterking van bescherming in de regio. Deze initiatieven moeten direct deel uitmaken van het externe beleid van de Europese Unie, waaronder samenwerking met derde landen. Het kabinet onderkent daarnaast het belang van nauwe samenwerking met UNHCR op het gebied van bescherming in de regio. Ook naar aanleiding van de besprekingen tijdens het Nederlands voorzitterschap van de genoemde mededeling kan worden bezien of en welke Europese fondsen op dit vlak kunnen worden ingezet.

 

Met betrekking tot gemeenschappelijke lijsten van veilige derde landen meent het kabinet dat deze lijsten vooralsnog beperkt moeten blijven tot de lijsten die zijn voorzien in de ontwerp-richtlijn inzake minimumnormen voor asielprocedures. Het gaat daarbij om een gemeenschappelijk minimumlijst van veilige landen van herkomst en een gemeenschappelijke lijst van veilige derde landen in het kader van de bijzondere toepassing van het veilige derde landen-beginsel op landen die partij zijn bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bij het opstellen van deze lijsten dient, zoals de AIV terecht opmerkt, rekening te worden gehouden met informatie van onder meer de Commissie, de lidstaten, de UNHCR, de Raad van Europa en andere internationale organisaties.

 

Arbeidsmigratie

 

Recht op vrij verkeer en arbeidsmobiliteit

De ACVZ adviseert om als één van de centrale thema’s voor het Nederlandse voorzitterschap op de agenda te zetten monitoring en analyse van de invloed van het recht op vrij verkeer voor de arbeidsmobiliteit, waarin tevens aandacht wordt besteed aan de gevolgen van de toetreding van de tien nieuwe lidstaten.

Indien opportuun kan volgens de ACVZ dan nieuw beleid geëntameerd worden.

 

Het kabinet meent dat de richtlijn betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven (richtlijn vrij verkeer van personen), waarover het Europees Parlement en de Raad het in maart 2004 eens geworden zijn, een nieuw kader biedt. De Commissie heeft voortdurend aandacht voor nog bestaande obstakels voor de arbeidsmobiliteit binnen de Unie. Nieuwe initiatieven tijdens het Voorzitterschap acht het kabinet dan ook niet noodzakelijk, te meer niet nu een overgangsregeling voor het vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten is ingesteld.

 

Toelating van hooggekwalificeerde arbeidsmigranten

De ACVZ acht maatregelen om de Europese Unie als geheel concurrerend te doen zijn ten opzichte van andere mondiale economische ‘blokken’ noodzakelijk voor hooggekwalificeerde immigranten. Concreet beveelt de ACVZ met het oog hierop aan een EU-werk- en verblijfskaart te ontwikkelen. Dit dient niet te leiden tot een situatie die de concurrentie tussen lidstaten onmogelijk maakt.

 

Het kabinet is het met de ACVZ eens dat Europese maatregelen inzake de toelating van hooggekwalificeerde arbeidsmigranten nodig zijn. Het kabinet is er dan ook mee ingenomen dat de Commissie in maart 2004 een ontwerp-richtlijn heeft ingediend over een specifieke procedure voor de toelating van wetenschappelijk onderzoekers uit derde landen.1 De ontwerp-richtlijn voorziet niet in een EU-verblijfskaart voor onderzoekers, maar er is wel een mobiliteitsbepaling in opgenomen. Hierdoor moet het voor wetenschappelijk onderzoekers eenvoudiger worden een deel van hun onderzoek te verrichten in een andere lidstaat dan de lidstaat die hun een verblijfsvergunning heeft verstrekt. Het kabinet is zich terdege bewust van het belang van het vergroten van de mobiliteitsmogelijkheden voor onderzoekers uit derde landen binnen de Unie en ondersteunt deze bepaling in de ontwerp-richtlijn. Om het belang van de toelating van wetenschappelijk onderzoekers te benadrukken is vooruitlopend op deze richtlijn een aanbeveling inzake de toelating van wetenschappelijk onderzoekers in voorbereiding. Deze aanbeveling zal onmiddellijk na aanname door de JBZ-Raad van kracht zijn.

 

Coördinatie van het arbeidsmigratiebeleid

De AIV beveelt aan dat ten minste meer coördinatie tot stand komt op het beleidsterrein arbeidsmigratie. Concreet kan dit gebeuren door de instelling van een Europese notificatieplicht, waarmee lidstaten elkaar op de hoogte stellen van de aantallen arbeidsmigranten die zij in welke sector hebben toegelaten.

 

Het kabinet is overtuigd dat een zekere mate van coördinatie van het toelatingsbeleid voor arbeidsmigranten op het niveau van de Unie noodzakelijk is. In de praktijk blijkt dit bijzonder gecompliceerd, juist omdat de toelating tot de arbeidsmarkt als een nationale bevoegdheid wordt gezien. Het kabinet voelt zich vooral aangesproken tot het streven naar meer harmonisatie te komen van de toelating van hooggekwalificeerde arbeidsmigranten, zoals wetenschappelijk onderzoekers. Overigens zal in het najaar van 2004 een groenboek van de Commissie over de toelating van arbeidsmigranten worden gepresenteerd.

 

Doormigratie van arbeidsmigranten

De AIV stelt de instelling van een vrijwaringsclausule voor, in te roepen in het geval een bepaalde hoeveelheid migranten die van één lidstaat naar een andere lidstaat doormigreren wordt overschreden.

 

Het kabinet is van mening dat de richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (richtlijn 2003/109 EG van 25 november 2003) de lidstaten voldoende mogelijkheden biedt de doormigratie van arbeidsmigranten uit een andere lidstaat te reguleren. Immers, pas na vijf jaar onafgebroken legaal verblijf kunnen immigranten de status van langdurig ingezetene verwerven, die hen het recht geeft zich in een andere lidstaat te vestigen. Deze richtlijn geeft de lidstaten (in artikel 14) de mogelijkheid om de situatie op hun arbeidsmarkt te bezien, wanneer een langdurig ingezetene uit een andere lidstaat zich op hun grondgebied wil vestigen.

 

Gezinsvorming en gezinshereniging

 

Met betrekking tot de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging (richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003) stelt de AIV voor de werkingssfeer van de richtlijn – alleen gezinshereniging, zoals de AIV meent, of ook gezinsvorming? – te verduidelijken en lidstaten te verplichten de leeftijdsgrens voor toelating van nareizende kinderen niet lager te stellen dan de eigen meerderjarigheidsregels.

 

Het kabinet meent dat de richtlijn op deze punten reeds voldoende duidelijkheid biedt. In artikel 2, onder d, van de richtlijn wordt vastgesteld dat deze zowel op gezinshereniging als op gezinsvorming van toepassing is. Bovendien bepaalt de richtlijn (in artikel 4, lid 6) dat de leeftijdsgrens voor toelating van nareizende kinderen alleen onder de meerderjarigheidsgrens kan liggen, als dit volgens de nationale wetgeving al mogelijk was op de datum waarop de richtlijn in werking trad. Deze bepaling kan volgens artikel 19 van de richtlijn in 2007 worden herzien.

 

Verblijf en integratie

 

Gelijke behandeling

De ACVZ beveelt aan als uiteindelijk perspectief te kiezen voor het standpunt dat derdelanders, indien zij vijf jaar in de Europese Unie hebben verbleven en door middel van arbeid hebben aangetoond zich te kunnen handhaven, op hoofdlijnen gelijk dienen te worden behandeld aan Unieburgers en derhalve op termijn meer rechten dienen te krijgen dan nu het geval is.

 

Het kabinet stelt zich op het standpunt dat langdurig ingezeten derdelanders die voldoende zijn geïntegreerd in de ontvangende samenleving rechten en plichten moeten hebben die vergelijkbaar zijn met die van burgers van de Unie. Gelet hierop heeft het kabinet ingestemd met de richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. Het kabinet is echter van mening dat een volledige gelijkstelling in rechten en plichten van langdurig ingezeten derdelanders en van burgers van de Unie niet in alle opzichten wenselijk is. Een volledige gelijkstelling kan alleen worden bereikt door naturalisatie, die als de kroon op de integratie kan worden gezien. Een volledige gelijkstelling in rechten zou een belangrijke stimulans wegnemen om de nationaliteit van één van de lidstaten te verwerven.

 

Langdurig ingezeten derdelanders en taalcursussen

De AIV pleit voor afschaffing van de bepaling in de richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders, die inhoudt dat van doormigrerende derdelanders met een permanente verblijfstitel verlangd mag worden dat zij deelnemen aan taalcursussen.

 

Het kabinet herinnert eraan dat wanneer derdelanders reeds in een andere lidstaat een permanente verblijfstitel hebben verkregen en aan integratie-eisen in dat land hebben voldaan, zij niet nogmaals in Nederland verplicht kunnen worden een inburgeringstraject te volgen. Het vereiste geformuleerd in artikel 15, lid 3, van de richtlijn waarnaar verwezen wordt, betreft derdelanders die al wel in een ander EU-land ingeburgerd zijn, maar geen kennis hebben van de Nederlandse taal. Dit artikel is op Nederlands initiatief in de richtlijn opgenomen. Het kabinet stelt zich op het standpunt dat van alle nieuwkomers die voor langere tijd naar Nederland komen ten minste een zekere kennis van de Nederlandse taal verlangd mag worden. Dit dient zowel het belang van de ontvangende samenleving als die van de nieuwkomers zelf. Overigens wordt van de omschreven groep derdelanders slechts verwacht dat zij deelnemen aan een taalcursus; hun verblijfstitel is niet afhankelijk van het behalen van een bepaald voorgeschreven resultaat.

 

Kiesrecht van derdelanders

De AIV wil dat de termijn waarbinnen een derdelander het (actieve en passieve) kiesrecht bij lokale verkiezingen verkrijgt op Europees niveau gelijk wordt getrokken: deze moet samenvallen met de verwerving van de permanente verblijfstitel.

 

Het kabinet is van mening dat het gelijk trekken op Europees niveau van het kiesrecht van derdelanders voor lokale verkiezingen zoals de AIV voorstelt bij de huidige stand van het recht onmogelijk is. Het EG-Verdrag voorziet niet in kiesrecht van derdelanders. Ook in het ontwerp-verdrag tot vaststelling van een Europese grondwet is zulks niet voorzien.

Overigens wijst het kabinet erop dat niet in alle lidstaten actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen bestaat voor langdurig ingezeten derdelanders. Het invoeren van kiesrecht voor derdelanders is in sommige lidstaten zelfs grondwettelijk uitgesloten. Van een gelijk trekken van de termijn kan dan ook geen sprake zijn, zolang niet alle lidstaten in kiesrecht voor derdelanders bij gemeenteraadsverkiezingen voorzien of zolang de juridische basis op Europees niveau hiervoor ontbreekt.

 

Het burgerschap van de Europese Unie voor derdelanders

De AIV stelt een onderzoek voor naar de wenselijkheid en haalbaarheid van het verlenen van het burgerschap van de Europese Unie aan onderdanen van derde landen die een permanente verblijfstitel hebben verworven.

 

Het kabinet wijst erop dat zowel volgens het huidige recht, als volgens artikel 8, lid 1, van het ontwerp-verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, burger van de Unie is. De ontwerp-grondwet sluit derdelanders derhalve uit van het burgerschap van de Unie. Het kabinet is dan ook van mening dat langdurig ingezeten derdelanders het burgerschap van de Unie alleen kunnen verwerven door de nationaliteit van een lidstaat aan te nemen. De tijd voor harmonisatie van de naturalisatiewetgeving van de lidstaten is echter, zoals de AIV zelf ook opmerkt, nog niet rijp. Initiatieven van de Commissie in deze richting zijn dan ook niet te verwachten.

 

Het stellen van integratievoorwaarden

De AIV steunt het voorstel van de Commissie om te komen tot samenwerking en uitwisseling van informatie en ‘best practices’ wat betreft het stellen van integratievoorwaarden.

 

Het kabinet ondersteunt deze aanbeveling van de AIV. Het kabinet is voornemens tijdens het Nederlandse Voorzitterschap in de tweede helft van 2004 integratie als één van de JBZ-prioriteiten aan te merken. De Europese Raad van Thessaloniki heeft vastgesteld dat ter bevordering van het ontwikkelen van een integratiebeleid binnen een samenhangend kader van de EU moet worden overwogen gemeenschappelijke basisbeginselen vast te stellen.2 Het kabinet stelt zich op basis van deze conclusie van de Europese Raad ten doel om op Europees niveau tot overeenstemming te komen over een gemeenschappelijk kader voor integratie waarbinnen lidstaten zelf hun integratiebeleid verder kunnen ontwikkelen. Een eerste aanzet tot het ontwikkelen van de gemeenschappelijke basisbeginselen is al in voorbereiding.

 

Voor het uitwisselen van ‘best practices’ zal tijdens het Nederlandse Voorzitterschap van de EU een interministeriële conferentie over integratie georganiseerd worden. Deze zal plaatsvinden op 9-11 november 2004 te Groningen.

 

Illegale migratie

 

Grensbewaking

Ter bestrijding van de illegale migratie wil de AIV een volledige implementatie van het gemeenschappelijke systeem voor externe grenscontroles, ook op het gebied van asiel. De controle aan de buitengrenzen moet volgens de AIV volledig gecoördineerd geschieden en worden ondersteund door de Unie.

 

Het kabinet onderschrijft het grote belang van gemeenschappelijk beleid bij de bewaking van de buitengrenzen van de Unie. Binnen de Unie krijgen de gemeenschappelijke inspanningen op het punt van de grensbewaking een belangrijke impuls met de oprichting van het Europees agentschap voor het buitengrensbeheer, dat op 1 januari 2005 operationeel moet zijn. Het kabinet verwacht dat het agentschap de coördinerende en ondersteunende rol zal spelen waaraan ook de AIV terecht veel waarde hecht. In de toekomst kan worden bezien of de rol, taken en bevoegdheid van het agentschap eventueel moeten worden uitgebreid.

 

Visumbeleid

De AIV is voorstander van een Europees systeem waarmee gecontroleerd wordt of visumhouders na verloop van hun visum inderdaad de Europese Unie verlaten hebben, zoals gebruikelijk in de Verenigde Staten.

 

Het kabinet onderschrijft dat voor de problematiek van illegaal verblijf van vreemdelingen die aanvankelijk zijn ingereisd met een visum een oplossing moet worden gevonden. Momenteel wordt op Europees niveau onderhandeld over een verordening over het stempelen van reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrens van de lidstaten. Het doel hiervan is dat beter kan worden vastgesteld of een vreemdeling legaal in Nederland c.q. de Schengenruimte verblijft. In dit kader hebben de meeste lidstaten, waaronder Nederland, aangegeven dat het wenselijk is dat ook stempels in de reisdocumenten worden geplaatst bij uitreis. In deze zin wordt derhalve tegemoetgekomen aan de aanbeveling van de AIV. Daarnaast verwacht het kabinet veel van het gebruik van biometrische kenmerken in reisdocumenten en visa. Bovendien zal de invoering van het Visuminformatiesysteem (VIS), die voor eind 2007 is voorzien, een belangrijke stap zijn om de bestrijding van illegale immigratie en de bevordering van de terugkeer van illegaal in de lidstaten verblijvende vreemdelingen naar een hoger en uniform niveau van Europese samenwerking te brengen.

 

Interne controles op illegaal verblijf

De ACVZ stelt voor dat eerste Europese stappen naar een intensivering en versterking van de interne controles ten behoeve van de bestrijding van illegaliteit worden gezet via de uitwisseling van ‘best practices’ en open coördinatie, aangezien lidstaten de opstelling van Europese regelgeving in deze zullen zien als te ingrijpend in de eigen beleidsvrijheid. Daarbij denkt de ACVZ bijvoorbeeld aan maatregelen ten aanzien van werkgevers die de tewerkstelling van illegalen bemoeilijken en minder profijtelijk maken. De AIV wil wel op Europees niveau maatregelen vaststellen die zich richten op het onprofijtelijk maken van het tewerkstellen van illegalen. Hierbij denkt de AIV aan de instelling van hoge, afschrikkende boetes.

 

Het kabinet vindt met de AIV en de ACVZ dat de Europese Unie bij de bestrijding van illegale immigratie meer aandacht dient te besteden aan illegaal verblijf en illegale tewerkstelling. Op dit punt is zeker ruimte voor de uitwisseling van informatie. Wel wijst het kabinet er op dat binnen de Europese Werkgelegenheidsstrategie al aandacht bestaat voor het bestrijden van illegale tewerkstelling. Het omzetten van zwart werk in reguliere arbeid is één van de jaarlijks vastgestelde werkgelegenheidsrichtsnoeren waarmee de lidstaten rekening houden bij het nationale werkgelegenheidsbeleid. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid 2003, dat in oktober 2003 is verschenen.3

 

Regulariseringen

De ACVZ stelt voor tijdens het Nederlandse Voorzitterschap een discussie te entameren over de mogelijkheden tot gebruik en de gevolgen van het regulariseringsinstrument voor de lidstaten. In dit verband kan de Commissie worden verzocht hier een studie naar te verrichten.

De AIV wil dat een notificatieplicht wordt ingesteld, waarbij lidstaten elkaar op de hoogte moeten stellen van voorgenomen regulariseringen en de aantallen illegalen die geregulariseerd worden. Tevens zou kunnen worden overwogen dat lidstaten alleen mogen regulariseren onder bepaalde, op Europees niveau vast te stellen voorwaarden. Voorts moet de Commissie een onderzoek naar regulariseringen in de lidstaten kunnen instellen.

 

De Commissie bereidt thans een Mededeling voor naar de relatie tussen legale en illegale migratie, waarmee de door de ACVZ voorgestelde studie reeds wordt uitgevoerd. Een vergelijkende analyse van de regulariseringsprogramma’s in de diverse lidstaten maakt deel uit van deze studie. De betreffende mededeling van de Commissie zal naar verwachting in juli 2004 verschijnen. Het kabinet voorziet een Europese discussie over het gebruik van het regulariseringsinstrument in het kader van deze Mededeling tijdens het Nederlandse Voorzitterschap.

 

Communautair terugkeerbeleid

De AIV meent dat het einddoel voor de tweede fase een gecommunautariseerd terugkeerbeleid moet zijn, waarbij bijvoorbeeld wordt samengewerkt door middel van gemeenschappelijk vervoer en gezamenlijke contacten met de landen van oorsprong en door de mogelijkheid voor lidstaten tot het ondernemen van gezamenlijke actie op het gebied van het onderhandelen en sluiten van terugkeerovereenkomsten met landen van oorsprong.

 

Het kabinet ondersteunt de aanbevelingen van de AIV om tot een communautair terugkeerbeleid te komen en ziet het versterken van dit beleid als één van de prioriteiten voor de asiel- en migratiesamenwerking tijdens het Nederlandse Voorzitterschap.

 

Mensensmokkel en mensenhandel

De AIV wil dat de Europese Unie de mensonterende praktijken in de mensensmokkel en mensenhandel hard blijft aanpakken, onder meer door de samenwerking met landen van oorsprong en transit en de uitwisseling van gegevens. Dit moet geschieden in samenwerking met internationale organisaties die al actief zijn op dit terrein, zoals de Organisatie voor Vrede en Veiligheid in Europa (OVSE), de Raad van Europa en de VN.

 

Het kabinet is het eens met de AIV dat mensensmokkel en mensenhandel in Europees verband moet worden aangepakt, in samenwerking met derde landen en met internationale organisaties. De bestaande instrumenten op zowel Europees als internationaal niveau voorzien reeds in de noodzakelijke bepalingen voor samenwerking. De implementatie van deze instrumenten en betere operationele samenwerking behoeven evenwel meer aandacht. Daarnaast is het bij de bestrijding van mensensmokkel en –handel essentieel dat de bescherming van de slachtoffers goed is geregeld. Aangifte door slachtoffers is immers van wezenlijk belang bij de aanpak van mensensmokkel en –handel. In dit verband wijst het kabinet er op dat tijdens de JBZ-Raad van 29 april 2004 de richtlijn die regelt dat aan slachtoffers van mensenhandel een verblijfstitel met een korte geldigheidsduur kan worden afgegeven, formeel is aangenomen.

 

De Minister voor                                               De Minister van

Vreemdelingenzaken en Integratie,                    Buitenlandse Zaken,

 

[getekend]                                                       [getekend]

 

 

De Minister voor                                               De Staatssecretaris van

Ontwikkelingssamenwerking,                            Europese Zaken,

 

[getekend]                                                       [getekend]

 

 

 

 

1    Voorstel voor een richtlijn van de Raad over een specifieke procedure voor de toelating van wetenschappelijk onderzoekers uit derde landen, 16 maart 2004, COM (2004) 178 def.

 

2    Conclusies van het voorzitterschap, Europese Raad van Thessaloniki, 19 en 20 juni 2003, paragraaf 31.

 

3    Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 oktober 2003, kenmerk szw0300656).

 

Persberichten
Niet van toepassing.