Verschillende routes in de EU-samenwerking

24 november 2015


Den Haag, dinsdag 24 november 2015

De Europese lidstaten zullen in de toekomst vaker hun heil zoeken bij samenwerking in groepen van kleinere samenstelling om problemen op te lossen. De standpunten binnen de Unie over verdieping van de samenwerking lopen op bepaalde terreinen sterk uiteen. Daardoor wordt het steeds moeilijker alle lidstaten te binden aan dezelfde einddoelen en strategieën om deze doelen te bereiken. Het werken met kopgroepen vereist geen verdragswijziging. Het kan worden gezien als een pragmatisch antwoord op een nieuwe werkelijkheid van een aanzienlijk toegenomen verscheidenheid binnen de EU, zo stelt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in een vandaag verschenen advies. 

De EU ziet zich geconfronteerd met verschillende interne en externe dreigingen die vragen om een gemeenschappelijk antwoord. Vanwege de grote diversiteit binnen de EU en de weerstand van nationale parlementen om mee te gaan in verdere integratiestappen zal het instrument van gedifferentieerde integratie, - dat wil zeggen verschillende manieren van Europese samenwerking waaraan niet alle lidstaten deelnemen - vaker worden gehanteerd. De meeste kansen liggen, naar mening van de AIV, bij het instrument van ‘nauwere samenwerking’, waarbij een kopgroep van minimaal negen lidstaten het initiatief neemt om op een bepaald beleidsterrein verder te integreren en anderen zich later kunnen aansluiten, mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Zo moeten de kernwaarden van de Europese verdragen worden gerespecteerd, deze staan niet ter discussie. Daarnaast zal niet worden getornd aan de hoofddoelstellingen van de Europese samenwerking (m.n. de vrijheden met betrekking tot de interne markt). ‘Nauwere samenwerking’ heeft de voorkeur van de AIV omdat de procedure duidelijk en transparant is en blijft binnen de kaders van het Unierecht met inschakeling van de Europese instellingen. De AIV pleit voor duidelijke afspraken over openheid, informatie-uitwisseling en regelmatig overleg tussen deelnemende en niet-deelnemende landen om de risico’s van te sterke blokvorming, versplintering of permanente scheidslijnen te beperken, in het bijzonder tussen euro en niet-euro landen.

Het asiel- en vreemdelingenbeleid is een beleidsterrein dat zich goed leent voor toepassing van nauwere samenwerking vooral voor de concrete uitvoering van dit beleid. De grondbeginselen zullen voor alle lidstaten blijven gelden, maar het merendeel van de Europese lidstaten zou afspraken kunnen maken over gezamenlijke aanmeldingspunten buiten de EU-grenzen en verificatie van de asielaanvraag, om de huidige crisis toch collectief het hoofd te kunnen bieden.